De herrezen digitale reiziger (1):
Oost-west; in Best is ‘t ook niet best


Goed, beter...


Deze site kun je nog het best bekijken met Microsoft Internet Explorer versie 6 of daaromtrent, bij een beeldschermresolutie van 1024*768.
Mail mij wat je er van vindt!
© Frans Mensonides, Leiden, 2005


 

Na ruim drie jaar stilte herrijst de OV-reisverhalensite De digitale reiziger uit zijn as. In de eerste aflevering van de jaargang 2005 reizen we langs een aantal 21ste eeuwse spoorwegstations: Tilburg-Reeshof, het ondergrondse Best en Enschede Eschmarke.

 

Naar een nieuw leven

Een ijzige zaterdagmorgen op station Rotterdam CS. Traag zoekt een wat haveloze man zijn weg door het labyrint van trappen en gangen. Hij is een late veertiger, met een gebogen, geknakte houding en voorzien van de weelderige druipsnor die in de post-hippietijd populair was onder een bepaald slag mannen, waaronder Veronica-deejays.

De man heeft met de slak niet alleen zijn trage bewegingstempo gemeen, maar ook het feit dat hij zijn hele hebben en houwen met zich mee moet torsen. Het bestaat uit een drietal opgerolde dekbedden waarin zich zijn persoonlijke bezittingen bevinden en een oudmodisch televisietoestel, plomp en vierkant, dat in de jaren 80 ooit door een blije koper is meegezeuld uit een winkel.

Wat is er misgelopen in zijn leven? In ieder geval is hij op weg naar een nieuwe toekomst; node, en met sloffende, aarzelende passen. Zijn boeltje, hoe schamel ook, is hem nog te veel; hij kan het niet allemaal dragen, en verhuist het in fasen naar zijn beloofde land. Eerst zet hij de TV neer en draagt hij zijn opgerolde inventaris 50 meter verder. Daarna loopt hij terug om die gigantische beeldbuis op te halen, passeert hij kreunend van inspanning zijn dekbedden, en plaatst het apparaat 50 meter verderop op het plaveisel. Daarna handelt hij evenzo met die bedden; een verhuizing als een Echternachse processie.

Ik volg hem op zijn weg naar de achteruitgang, en ben niet de enige die zijn levenswandel in de gaten houdt; hij heeft ook al de aandacht getrokken van een drietal veiligheidsmensen: allochtonen, diep weggedoken in shawls, hoge kragen en dassen. Zij lopen de zwerver onopvallend na, zoals ik het drietal nu onopvallend naloop. Rotterdam is de leefbare stad waar de ene helft van de bevolking de andere in de gaten houdt; je weet nooit, wie er op zijn beurt weer achter joú aanloopt.

De man deponeert zijn inboedel temidden van het in de fietsenstalling geparkeerde ijzer, en verdwijnt nu uit beeld; even langzaam als toen hij die spullen nog dragen moest. Nu kijkt hij er niet meer naar om. Dit is verdacht - vinden ook de veiligheidsmannen, die naderbij komen om de zaak in ogenschouw te nemen, en zich daarna verdekt opstellen. Ik doe dat ook, maar daar ik de ervaring mis van de doorgewinterde paparazzo, en ik nog niet goed weet hoe mijn nieuwe camera werkt, komt er steeds een reclamebord of billboard in beeld, waarachter het eigenlijke tafereel zich afspeelt. Die foto’s zijn dus mislukt.

Enthousiasme maakt zich desondanks van me meester. Daar ben ik vanmorgen als gewone reiziger uit Leiden vertrokken voor een dagje treinen, en nu ben ik dan zomaar getuige van de drugsvondst van de eeuw, met een straatwaarde die vanavond in al de journaals uitgekraaid zal worden.

Wij vieren (de veiligheidsmannen en, honderd meter verderop, ik) wachten nu op het tevoorschijn komen van de handlanger die met de contrabande aan de haal zal gaan en na een korte doch intense schotenwisseling gearresteerd zal worden. Helaas: niets van dat alles gebeurt. Er komt een winkelwagentje ons beeldvlak binnenrijden, ratelend over de gaten in het wegdek. Het wagentje wordt geduwd door de man met de druipsnor die een gratis transportmiddel heeft opgedoken; hij leek me al geen figuur om een taxi te ontbieden.

“Goedemorgen, meneer”, in beginsel vriendelijk, doch met gedecideerd-barse ondertoon, zoals ze het geleerd hebben tijdens de opleiding. Het troepje veiligheidsmannen is inmiddels uitgebreid met twee echte agenten van politie. De hangsnor moet onder al deze waakzame ogen zijn dekbedden afrollen en doet dat gedwee. Nu zullen de pakken met softe en harde drugs eruit komen zetten! Maar wat er in werkelijkheid uitrolt, is de moeite van het beschrijven niet waard - noch in het dagrapport van de politie, noch in dit verhaal. Ik hoop van harte dat zijn meest kostbare bezit, de televisie, niet onder zijn ogen op de stoeptegels gedemonteerd gaat worden. Maar nee, de overheidsdienaren lijken op te zien tegen deze moeite.

De man ondergaat het verhoor met gebogen houding, als een kind dat een standje krijgt. Opstandigheid is hem volstrekt vreemd. Een pen wordt hem ter hand gesteld; hij moet iets tekenen. Daarna is hij vrij man. Hij wordt gedwongen, zijn wederrechtelijk verkregen winkelwagen achter te laten en zet zijn verhuizing voort volgens het omslachtige systeem dat ik hierboven beschreef. Moe en moedeloos verlaat hij dit verhaal; ik voel dat ik hem nog zal terugzien; ooit, ergens.

 

Zeperd

De laatste aflevering van dit geïllustreerde binnenlandse OV-reismagazine werd gepubliceerd in november 2001. Sedertdien heb ik een poosje lang een 2-maal-per-weexx internettijdschrift geproduceerd dat bol stond van de literaire pretenties, die uiteindelijk niet waargemaakt konden worden. De afleveringen van dat tijdschrift worden hier niet gelinkt, maar staan nog wel ergens, voor wie ze weet te Google-en. Vervolgens ben ik iets echt nuttigs gaan doen, en heb mijn bachelorstudie Nederlandse Taal en Cultuur afgerond. Gisteren kocht ik, inmiddels ook al een late veertiger, mijn tweede digitale camera, vanmorgen toog ik daarmee op pad om alle nieuwe NS-stations te fotograferen die gebouwd zijn sedert de vorige de geest gaf, en hier en nu, in de trein naar Breda, besluit ik spontaan, De digitale reiziger uit zijn as te doen herrijzen. Mijn zwervende leeftijdsgenoot was hier debet aan, al zal hij tevens de laatste opmerkelijke reiziger zijn die ik vandaag zal ontmoeten - afgezien van de jongeman met de ditchereedoo.

Tussen Dordrecht en Breda heb je zicht op de HSL-baan in aanleg, die we de duurste zeperd van de 20ste eeuw zouden kunnen noemen, als hij niet overtroffen zou zijn door de Betuwelijn; ere wie ere toekomt. Voorbij Breda en het onvermijdelijke Gilze-Rijen mijn eerste reisdoel van vandaag; station Tilburg Reeshof. Het is in 2003 in de dienstregeling opgenomen, tot grote vreugde van de bewoners van deze uithoek, die op bijna 10 kilometer van de Tilburgse kermis ligt, en even goed een buitenwijk van Breda had kunnen zijn. Ondanks die vreugde is het er niet druk; een heel klein plukje reizigers maar voor de treinen naar Eindhoven en Breda, die elkaar hier elk uur om kwart voor en kwart over passeren.

Het in moderne, strakke vormen opgetrokken station bestaat voor een groot deel uit glas, waarvan een groot deel is versplinterd.

 

Reeshof

Reeshof is in de loop van de jaren 90 gebouwd rondom een groot park, waar jongetjes vanmorgen stoer doen met hun skateboards en waar slechts een enkele Tilburger zijn hond loopt uit te laten. Om de landelijkheid van de wijk te accentueren ligt naast het park een smalle zone met van die nieuwe namaakboerderijen. Waar in Rotterdam een leger van functionarissen waakt over de veiligheid van de burger, is dat beneden de grote rivieren nog een taak van Jezus Christus, de koning der Joden.

In de wijken rond het park is het stil, hoewel het een prachtige zonnige morgen is om er op uit te trekken. Aarzelend verschijnen in de straten van Reeshof de eerste mannen met emmertjes, en knielen neer voor hun vierwieler, voor de wekelijkse rituele wassing.

Terug naar dat mooie station, met zijn ingeslagen ruiten. Ook nu vertrekt de trein om precies kwart-voor. “Oisterwijk”, roept de machinist 20 minuten later om. “Oisterwijk? Oosterwijk!”zegt een purist onder de inwoners van dat dorp op korzelige toon. Oosterwijk, Sjaarloos, Akkooi, Renooi, Oorschot; de instinkers die al eeuwen voor discussie zorgen.

Na een lang, in de dienstregeling opgenomen oponthoud in Boxtel betreden we het viersporige traject naar Eindhoven.


Tilburg Reeshof


Beeld van Best

Station Best is nu af; sinds september 2002, alweer. Het is een veel ondieper station dan dat van Rijswijk; niet veel meer dan een uitgraving. Er zijn vier sporen en drie perrons, waarvan een een middenperron is, zoals mijn opmerkzame lezers zich wel zullen kunnen voorstellen. Elk kwartier kun je hier de trein nemen naar Eindhoven; elk half uur naar Tilburg en elk half uur naar Den Bosch. Bijna alles vertrekt van het middenperron, spoor 2 en 3. Spoor 1 krijgt alleen de treinen naar Tilburg te verwerken, die rechts voorsorteren om straks met de fly-over naar links te kunnen gaan; het perron langs spoor 4 krijgt helemaal geen treinen te verwerken, maar bestaat toch.

Boven aangekomen zie ik dat het dorp Best niet beter is geworden van die treintunnel. De spoorbaan is nog hinderlijk aanwezig, zij het onzichtbaar. Boven de grond ligt een vlakte op de plek waar ooit het spoor liep. Aan de noordzijde van de stationshal is zomers een terras; aan de zuidzijde 12 maanden per jaar een soort plantsoen zonder planten.

Een ex-collega van mij is tien jaar geleden naar dit dorp verhuisd. Haar man werkte bij Philips, om dit bedrijf te helpen, things better te maken. Ik hoop dat ze er gelukkig zijn geworden, al lijkt me dat uitgesloten in een oord als Best.

In de voornaamste winkelstraat bulkt onwelluidende muziek uit de luidsprekers. Een reclamebord voor een duur horlogemerk beweert, dat men de man herkent aan zijn horloge. Ik weet niet. Tot voor kort bezat ik zelf een luxe uitziend uurwerk, dat ooit in het kerstpakket zat van een overheidsinstantie waar ik tijdelijk bij werkzaam was. Dat horloge viel op een kwade dag van de trap. Sederdien draag ik een zeer sportief exemplaar (wat ik niet ben), waarmee ik tot 100 meter onder de waterspiegel kan duiken (wat ik zelden doe). Wat dat alles zegt over mij als man, weet ik niet, maar ik vrees het ergste.

Op het Raadhuisplein worden de gevels van het moderne gemeentehuis geflankeerd door het in dit soort oorden obligate vrijstaande carillon. Op het daarvoor geëigende tijdstip (het is precies héél, zie ik op dat duikhorloge) begint het luidruchtig te klepelen.

Ik sla af naar een lullig plantsoentje met een vijver. Er is een oorlogsmonument; de bevrijding van Best was 10 jaar geleden 50 jaar geleden.

Het monument toont drie soldaten die bezig zijn te sneuvelen, tijdens wat een vlucht naar voren lijkt. Ze struikelen rennend voorover; het heeft vaag iets weg van de zwembadpas uit dat boek en die film. Het beeld wordt daardoor enigszins lachwekkend, maar je zou er ook uit kunnen opmaken dat de militairen in de rug geschoten zijn en een weinig eervol soldatengraf tegemoet gaan. De hier vereeuwigde strijders hebben een goede schutkleur; in de LCD-zoeker van mijn cameraatje komen ze niet los van de achtergrond die in een plantsoen nu eenmaal uit bomen bestaat.

Dat heb je, als je een fototoestel met je meedraagt: je ziet dan pas goed, hoe lelijk alles is. In silhouet, bij tegenlicht, doet het beeld het nog het best. Toegegeven, er is weinig eer te behalen aan oorlogsmonumenten, maar dit gevaarte had van mij wel op de tekentafel mogen blijven liggen.

Ik heb Best wel weer gezien. Voorbij Enschede weet ik ook nog twee nieuwe stations, die gefotografeerd moeten worden. Ik reken uit of ik nog voor donker in Twente kan arriveren; met enig geluk moet het lukken.


Dit dorp kan het Best bekeken worden in silhouet


Toeter

Zaterdag lijkt wel een sabbatdag, in de buitengewesten van dit land. De hele dag ben ik vervoerd in vrijwel lege, stille tweetjes, viertjes, LINT’s en interregiodubbeldekkers, en heb ik niets anders gezien dan verlaten perrons. Deze zo veelbelovend begonnen eerste aflevering dreigt wat saai te worden. De enige opmerkelijke medepassagier die ik me nog kan herinneren, is die jongen in de trein Zutphen - Hengelo, die in een lederen foedraal een ditcheredoo bij zich droeg, zo'n Australische spuugtoeter, door mij ongetwijfeld misspeld; die jongen keek ruim een halfuur volkomen wezenloos naar buiten, of hij onder de pillen zat, met die blaasroer op zijn schoot.

Eigenlijk heb ik helemaal geen zin meer, om een reisverhalentijdschrift te exploiteren. Ik heb veel verhalen meegemaakt, de afgelopen jaren, maar ze niet opgeschreven. We moesten hier maar een tijdschrift van maken met een lage, zeer onregelmatige frequentie.


Lege LINT


Zweckverband

Het 12 kilometer lange internationale spoorlijntje Enschede - Gronau is weggekwijnd in de jaren 70, maar in de herfst van 2001 weer in leven geroepen langs de weg van internationale samenwerking en Europese subsidie.

Feitelijk wil Nederland niets weten van het lijntje. Het perron voor de richting Gronau ligt wat excentrisch. Het spoor uit Nederland loopt dood op een buffer; dat uit Duitsland 50 meter verderop idem dito; tussen beide buffers in ontbreekt er een stukje spoor, zodat in de volgende oorlog in ieder geval geen aanval per trein kan plaatsvinden.

In vergelijking met het eerste jaar van exploitatie zijn de internationale aansluitingen wel verbeterd. In 2001 zag je, na aankomst uit Duitsland, de Intercity naar Holland net wegrijden, en vice versa; momenteel is de overstaptijd in beide richtingen ongeveer een kwartier.

Ik stel me op op het perron dat zich langzamerhand vult met passagiers die Nederlands spreken, Duits, of iets ertussenin. “Dit is veur de trein’n naar Duutsjland”, hoor ik een jongen zeggen; samen met een vriend probeert hij op rolschaatsen de passagiers van de sokken te rijden.

Het station is Nederlands; de kaartenautomaat Duits, de trein die uiteindelijk toch nog arriveert, ook Duits (een Talent), de exploitant (Arriva) internationaal. Arriva rijdt in uurdienst van Enschede via Gronau naar Dortmund, onder auspiciën van wel vijf organen die allen op de Talent staat vermeld: Gemeente Enschede, Provincie Overijssel, VRR, ofwel Verkehrsverbund Rhein-Ruhr, en twee Zweckverbanden (wat dat ook maar wezen mogen). Een wonder dat het ding nog rijdt, met al die instanties die zich met dit mini-lijntje bemoeien. Het geldt overigens alleen voor de Talents naar Dortmund. Die naar Munster, die een half uur eerder en later vertrekken, worden geëxploiteerd door de Deutsche Bahn-dochter DB-Regionalbahn Westfalen GmbH, en hebben slechts twee Zweckverbanden om zich over hen te bekommeren.

Het lijntje telt twee stations op Nederlands grondgebied: Enschede Eschmarke en Glanerbrug. Ik stap uit bij het eerste, als enige, en verwacht terecht te komen in een VINEX-wijk, maar niets is minder het geval. Het station ligt in een schemerig park vol sociale onveiligheid; in de verte zie ik wat bedrijfsgebouwtjes. Het is stil, de avond valt; uit de richting van het bedrijventerreintje klinkt het gebas van honden. Het wordt beantwoord door wolfsgehuil uit Teutonia. Eng: ik hoor het grind knerpen onder mijn voetstappen, terwijl ik roerloos stilsta! Dit is unheimisch - maar het geluid wordt veroorzaakt door een late parkwandelaar.

De lichten van de Talent naderen. Ik zie ze halthouden op station Glanerbrug, en weer in beweging komen; dit lijntje loopt kaarsrecht. Ik ben de enige instapper. Deze spoorlijn is een van de weinige ter wereld waar de dienstregeling op de trein vermeld staat.

Alle nieuwe stations van Nederland heb ik gezien - inclusief Barendrecht en Lent, die ik in een flits heb zien langstrekken. Glanerbrug alleen vanuit de verte. En oh, Almere Oostvaarders ben ik helemaal vergeten; de lezer wil het me hopelijk wel vergeven!

Frans Mensonides
22 januari 2005


Dienstregeling op de trein