Terug naar Berlijn

Ik ben vijf keer eerder in Berlijn geweest: in 1972, '74, '77, '80 en '83. Alle vijf keer heb ik Berlijn meegemaakt als gedeelde stad, met de Muur om het westelijke gedeelte heen. Het merkwaardige geval doet zich dus voor dat die absurde situatie, die achtentwintig jaar lang heeft bestaan, in mijn beleving de 'normale' situatie was geworden. Jarenlang ben ik bang geweest om terug te gaan naar Berlijn, bang voor de schok dat er te veel zou zijn veranderd, dat ik niets meer zou herkennen.

Pas nu, in 2001, ben ik, samen met reis- en mailvriend Frans, teruggekeerd naar de stad die alweer twaalf jaar één geheel is. Je kunt nu gewoon met de S-Bahn van Zoo naar Alexanderplatz, of naar Potsdam. Je kunt door de hele Friedrichstraße lopen, en van de Straße des 17. Juni zomaar onder de Brandenburger Tor door Unter den Linden op. De onderbroken en afgekapte U- en S-Bahnlijnen zijn doorgetrokken en hersteld. Alles is weer zoals het hoort.


De Muur zoals die destijds was

We stappen op het station Zoologischer Garten uit de trein en gaan met de S-Bahn naar station Savignyplatz, vlak bij ons hotel. Zodra we het station verlaten en op straat lopen, krijg ik een vrolijk gevoel. Ik voel me hier thuis, meen te begrijpen wat de mensen om me heen beweegt. Voel me één van hen. Met twaalf jaar vertraging ervaar ik dezelfde blijdschap als zij: Berlijn is weer een normale stad geworden, die je kriskras kunt doorkruisen, precies zoals het in je opkomt.

Deze blijdschap belet me niet om me de hele week, waar ik me ook bevind, af te vragen of ik in 'oost' of 'west' ben. Ik zoek voortdurend de voormalige grens op en speur naar de restanten van het Muur-verleden: de Potsdamer Platz, de Pariser Platz, station Friedrichstraße (waar je destijds voor één dag de oostzone in mocht en dat daarom door de Berlijners het 'tranenpaleis' werd genoemd), de Glienicker Brücke, Checkpoint Charlie, de East Side Gallery bij de Oberbaumbrücke. Op veel plekken wordt duidelijk dat de helften van de stad nog allesbehalve naadloos op elkaar aansluiten. Op de Potsdamer Platz zijn het hypermoderne Sony Center en een nieuw stationsgebouw verrezen, maar daarnaast strekt zich een woestenij uit, als een wond die nog maar nauwelijks is gestopt met bloeden. Het geeft al die moderne, spiegelende architectonische hoogstandjes iets schrijnends.


De Potsdamer Platz

Bij Checkpoint Charlie, vlak bij het U-Bahnstation Kochstraße, staat het beroemde wachthuisje er nog steeds, en de eerste keer vind ik het heel vervreemdend dat je daar gewoon voorbij kunt lopen, zomaar de voormalige Todesstreifen in.

Er is nóg een verleden waarvan ik hier sporen zoek, een verleden dat te maken heeft met mijn vader. Hij heeft in de Tweede Wereldoorlog als dwangarbeider gewerkt bij de Borsig-fabriek in Tegel. Twee jaar lang, van 1943 tot '45, heeft hij hier moeten helpen bij de fabricage van wapens voor de Duitse oorlogsmachinerie.

Met Frans neem ik de U-Bahn naar station Borsigwerke. Als we boven de grond komen, loop ik wat verdwaasd rond. De fabriekspoort en een aantal oude gebouwen staan er nog als industrieel monument, maar in het voormalige hoofdgebouw is nu een mega-winkelcentrum gevestigd. In de enorme hal is een tentoonstelling van modelspoorbanen. Misschien heeft mijn vader wel in deze hal aan de machines gestaan.


Winkelcentrum 'Am Borsigturm'

De eerste twee keer dat ik in Berlijn was, in 1972 en '74, was dat samen met mijn ouders. Ook naar dát verleden ben ik op zoek. De gedeelde stad, en wat mijn ouders erover vertelden, maakte op mij als veertienjarige een onuitwisbare indruk. Dat ze zomaar een muur om een stuk van de stad hadden gezet! Juist het oude centrum, Alexanderplatz en Unter den Linden, behoorde tot Oost-Berlijn, en daar kon je dus niet meer bij. U- en S-Bahnlijnen die onder Oost-Berlijn door liepen, sloegen de oostelijke stations over. Talloze malen ben ik met die lijnen heen en weer gereden. 'Achtung: letzter Bahnhof in Berlin-West, nächster Halt: Voltastraße', hoorde je dan bijvoorbeeld omroepen, en vervolgens raasde de trein een stuk of wat schaars verlichte ondergrondse stations voorbij zonder te stoppen. Soms zag je op die spookachtige stations gewapende Vopos, Oost-Duitse politiemannen, heen en weer lopen. Ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn als Groningen een gedeelde stad was. Stel, je kon nog wel naar een groot deel van de stad, maar uitgerekend niet meer naar de Grote Markt en de Herestraat... Onvoorstelbaar!

Het meest absurde stukje West-Berlijn was zonder enige twijfel Steinstücken. Dit gehucht (er woonden zo'n 150 mensen) was een West-Berlijnse exclave in DDR-gebied, ten zuidwesten van de stad. Een hoogst curieuze situatie, aangezien West-Berlijn zelf immers een westerse enclave was midden in de DDR. De eerste jaren na de bouw van de Muur werden de kinderen uit Steinstücken, die in West-Berlijn naar school moesten, iedere ochtend onder militaire escorte naar Berlijn gebracht en 's middags weer opgehaald. Uiteindelijk werd de weg van Berlijn naar Steinstücken een corridor met aan weerszijden de Muur, zodat de exclave veranderde in een poliepvormig schiereilandje in de DDR-zee. Ik heb bij mijn bezoek in 1983 een keer de bus naar Steinstücken genomen. Ik had het geluk dat het een dubbeldekker was, zodat ik, toen we door die corridor reden, vanaf de bovenverdieping aan weerszijden over de Muur heen de DDR in kon kijken. Eenmaal aangekomen in Steinstücken ben ik het hele dorpje rondgelopen, langs de Muur.

Overigens, om misverstanden te voorkomen: ik heb geen last van 'ostalgie', ik verlang niet terug naar de tijd van de Muur en de Koude Oorlog. Maar de gedeelde stad hoort nu eenmaal bij mijn leven én bij mijn herinneringen aan mijn ouders, die nu in een verpleegtehuis zitten. Ik zoek hier gewoon naar herkenningspunten uit mijn jeugd. Nergens schemert het verleden voor mijn gevoel duidelijker door het heden heen dan in Berlijn.


Checkpoint Charlie toen en nu

Ik logeerde met mijn ouders in een pension aan de Argentinische Allee in het zuidwestelijke stadsdeel Zehlendorf, vlak bij de Wannsee. Het pension lag tussen het S-Bahnstation Lindenthaler Allee en het U-Bahn-eindpunt Krumme Lanke, en we maakten van zowel U- als S-Bahn intensief gebruik. Als we 's avonds laat met de S-Bahn uit het centrum van West-Berlijn terugkwamen, moesten we overstappen op station Nikolassee, en die overstap was zo krap dat we hem bijna altijd misten. We moesten van het ene perron naar het andere via een loopbrug, en meestal zagen we de trein die we hadden moeten hebben net onder ons wegrijden als we over die loopbrug renden. Dan was het twintig minuten wachten tot de volgende ging.

Ik heb al die plekken weer opgezocht. De loopbrug op station Nikolassee is er nog. Het station Lindenthaler Allee heet nu anders: Mexikoplatz. De treinen van de S-Bahn zijn opgeknapt, maar er rijden nog steeds treinstellen van het oude vooroorlogse type, die ten tijde van de bezoeken met mijn ouders nog houten banken hadden.

Frans en ik lopen het bewuste stukje Argentinische Allee, en Frans fotografeert me voor het gebouw waarin het pension was gevestigd. Er woont nu een vrouw die zelfgemaakte kleding verkoopt. Ik herken de straat, de namen van de dwarsstraten, herinner me hoe ik hier met mijn ouders liep, krijg weer een beetje het gevoel van toen. Een paar blokken verderop bereiken we het U-Bahnstation Krumme Lanke. Ook hier is alles nog zoals het was. Hoe bestaat het dat je nostalgische gevoelens kunt hebben bij een plek die zo ver van huis is!


Het huis aan de Argentinische Allee, toen en nu

Ineens schiet me ook weer te binnen hoe het destijds precies zat met die U- en S-Bahn. De U-Bahn was van de BVG, het West-Berlijnse stadsvervoer, terwijl de S-Bahn werd gerund door Oost-Berlijn. Het verschil tussen de twee had niet groter kunnen zijn: de S-Bahn had zoals gezegd houten banken en was 's avonds naargeestig verlicht met een paar kale peertjes. Een kaartje voor de S-Bahn kostte dertig Pfennig; voor een U-Bahn-kaartje moest je een Mark op tafel leggen. De U-Bahn was felverlicht met tl-buizen, had mooie banken van groen kunstleer en een interieur van plastic met een donker houtmotief. Ook die treinstellen rijden nog steeds rond, heb ik gezien; ze zien er nu afgetrapt uit en zitten onder de graffiti.

Voor Frans en ik naar de Argentinische Allee kwamen, zijn we naar het Haus der Wannsee-Konferenz geweest, waar een permanente tentoonstelling is over de vervolging en uitroeiing van de joden in het Derde Rijk. In dit gebouw werd door vijftien kopstukken van de SS begin 1942 gesproken over de 'praktische details' van de Endlösung der Judenfrage (het plan om alle elf miljoen joden in Europa systematisch uit te moorden); het besluit dát die Endlösung er moest komen, was al eerder door de Führer genomen. Vrolijk word je er niet van, maar dit soort exposities zal nodig blijven zolang er lieden rondlopen die glashard ontkennen dat er ooit joden zijn vermoord.


Haus der Wannsee-Konferenz

We namen de bus naar het Haus der Wannsee-Konferenz vanaf het S-Bahnstation Wannsee, op de terugweg vanuit Potsdam. Ook dat kon vroeger uiteraard niet. Toen ik hier met mijn ouders logeerde, was Wannsee het eindstation van de lijn. Nu loopt die door tot aan het hoofdstation van Potsdam. Onderweg kom je vlak langs Steinstücken, dat allang weer een heel gewoon plaatsje is.

In Potsdam hebben we slot Sanssouci met het bijbehorende park bezichtigd, het 'Versailles van Berlijn', het lustslot van Frederik de Grote. En uiteraard hebben we de tram genomen naar de Glienicker Brücke, de brug waar zo veel gevangenen zijn uitgewisseld tussen Oost en West. We zijn eroverheen gelopen, naar Zehlendorf. Verbijsterend: je kon hiervandaan de torens van Potsdam zien, maar je kon er niet komen. Je kon roepen naar de mensen aan de overkant, maar ze niet bereiken. Het dorpje Kleinglienicke aan de overkant lag in de DDR, het ernaar genoemde jachtslot Kleinglienicke aan deze kant in West-Berlijn, en never the twain could meet. De absurditeit van de deling.


Op de Glienicker Brücke

Je ziet nu overal reclames, en overal dezélfde, waar je ook bent, in of buiten Berlijn, in oost of west. Bijvoorbeeld voor ADSL, hier T-DSL genoemd, dat megaschnell en gigagünstig is. En je wordt op Alexanderplatz niet meer aangesproken door mensen die geld willen wisselen. Maar de sporen van het verleden zijn allesbehalve uitgewist. Zodra je bijvoorbeeld een tram ziet rijden, weet je dat je buiten het voormalige West-Berlijn bent, want daar werd het hele tramnet ontmanteld. En als je over de bijna honderd meter brede Karl-Marx-Allee (de vroegere Stalinallee) loopt, bekruipt je exact het gevoel van nietigheid en nederigheid dat de bouwers ervan hebben beoogd en zie je in gedachten de sovjettanks rijen dik voorbijdenderen in parades ter ere van de overwinning der arbeidersklasse, de herdenking van het uitroepen van de socialistische republiek, de 'dag van de wereldjeugd', of zoiets. En in Pankow bekruipen al die kleurloze woonkazernes je nog evenzeer als in de DDR-tijd.

Nog steeds heb ik het gevoel een onmetelijke afstand te overbruggen als de U-Bahn van Schlesisches Tor naar Warschauer Straße rijdt, een afstand van een paar honderd meter, één enkel station. Mijn hart bonst in mijn keel als de trein de oude, rood-bakstenen spoorbrug naast de Oberbaumbrücke op rijdt en ik de Spree onder me door zie glijden. Het emplacement naast het station Warschauer Straße, het eindstation dat achtentwintig jaar buiten gebruik is geweest: nog zo'n schrijnende wond. Een enorme, met onkruid begroeide vlakte, vol rotzooi en verroeste spoorrails.


De Oberbaumbrücke en de oude bakstenen spoorbrug

Maar al zijn de schaduwen van het verleden overal duidelijk aanwezig, er is ook veel wat ontroert en vrolijk stemt. Dat er ondanks alles zoveel is bewaard. Dat Potsdam, ondanks ruim veertig jaar DDR, zo'n prachtig stadje is gebleven. Dat het schitterende stadsdeel Spandau de bombardementen vrijwel ongeschonden heeft overleefd. Dat er naast de ruïne van de oude Gedächtniskirche een prachtige nieuwe stilteplek met gekleurde ramen is verrezen, midden in de drukte van de stad. Dat de nieuwe synagoge zo fraai is geworden. Dat de Berlijnse humor nooit verloren gaat. De nieuwe kanselarij naast de Rijksdag is de 'wasmachine' gedoopt, en de nieuwe koepel van de Rijksdag de 'eierwarmer'. Evenzo was het Palast der Republik, waar eertijds de Oost-Duitse Volkskammer zetelde, het 'Palazzo Protzo'. Er worden grappen gemaakt over de talloze bouwactiviteiten in de stad die maar niet op willen schieten: als je op een dak iets wits ziet en het beweegt, dan is het een meeuw; beweegt het niet, dan is het de helm van een bouwvakker.

Als we langs de Rijksdag lopen, zijn we enigszins geïntimideerd door het grote aantal politieauto's en bewapende bewakers. We veronderstellen dat het te maken heeft met de recente aanslagen in Amerika; later blijkt dat er extra bewaking is vanwege een bezoek van Poetin aan de Rijksdag. Een man op een fiets wordt teruggestuurd; hij schiet in de lach en zegt, wijzend op zijn zadel: 'Ja ja, da ist Sprengstoff drunter!' Hinnikend maakt hij rechtsomkeert. De bewakers kijken ietwat zuur.


De East Side Gallery: de laatste restanten van de Muur

Een van de eerste dagen hebben we een wandeling gemaakt door Kreuzberg, met zijn karakteristieke binnenpleinen met doorgangen onder de huizen, soms een hele serie achter elkaar. In Kreuzberg, de oude Turkenwijk, zie je nu ook Vietnamezen, de voormalige Oost-Berlijnse gastarbeiders. Alles loopt nu kriskras door elkaar, en ook dat stemt vrolijk.

Het was al met al goed om in het ongedeelde maar nog allesbehalve herenigde Berlijn te zijn. De stad, achtereenvolgens geteisterd door nazi's, geallieeerde bombardementen en ruim veertig jaar socialistische heilstaat met alles wat daarbij hoort, is toch niet klein te krijgen en vindt telkens de moed om door te gaan, verder te bouwen op puinhopen, nieuwe levenskrachten aan te boren.

Ik kom zeker terug!

Wim Scherpenisse
oktober 2001