WEEK 2 / 9 JANUARI 2000
Frans Mensonides

Alexandrijnen

Met de ware romanticus heb ik minstens één eigenschap gemeen: een zekere afkeer van het hier en heden. Vandaar dat ik me graag mag verdiepen in het roemruchte verleden van Holland; een verleden dat je “natuurlijk niet mag idealiseren” (werpt mijn rationele ik tegen).

Laatst las ik twee werken uit de Gouden Eeuw, “Gijsbrecht van Aemstel” van Vondel en “Iournael ofte gedenckwaerdighe beschrijvinghe van de Oostindische reyse van Willem Y. Bontekoe”.

De “Gijsbrecht” werd in 1638 voor het eerst opgevoerd, en wel ter gelegenheid van de opening van de Stadschouwburg in Amsterdam. Nu was ook Vondel een geschiedenisliefhebber. De “Gijsbrecht” speelde niet in zijn heden, maar in een periode die toen al tot de roemruchte historie behoorde. Het werk beschrijft de belegering en inneming van de stad Amsterdam in het jaar 1304; een gebeurtenis in de nasleep van de welbekende moord op graaf Floris V, acht jaar eerder.

Vondel volgde de historische feiten niet al te nauwkeurig. De tragische hoofdpersoon, Gijsbrecht IV, was in werkelijkheid in 1304 vermoedelijk al overleden, en bevond zich zeker niet in Amsterdam. Ook de plot van de slag om Amsterdam is grotendeels verzonnen. De belegeraars trekken zich plotseling terug (op Kerstavond; óók zo mooi!) en Gijsbrecht denkt al dat hij het pleit gewonnen heeft. Het vijandige schip “Zeepaerd” wordt als oorlogsbuit binnengehaald. Maar dit zeepaard pakt voor Gijsbrecht uit als een “zeperd” (mijn terminologie, niet die van Vondel) want het zit tjokvol tot de tanden bewapende soldaten. Een ommekeer in de strijd; Amsterdam valt.

Die goedkope truuk met het (zee)paard doet natuurlijk heel sterk aan Troje denken; Vondel liet zich, zoals veel van zijn collega-schrijvers, heel sterk beďnvloeden door de klassieken. Ook het Christelijke element ontbreekt niet: aan het einde van de Gijsbrecht verschijnt de engel Rafaël ten tonele om aan te kondigen, dat Amsterdam over drie eeuwen de machtigste stad ter wereld zal zijn. Mét een stadsschouwburg!

De Gijsbrecht is gedicht in fraaie, regelmatige alexandrijnen (twee-aan-twee rijmende versregels met elk 12 of 13 lettergrepen, met de accenten op de even lettergrepen; met na de zesde lettergreep een “rust”). Dit is natuurlijk vrij bespottelijk, als je er met je rationele ik over na gaat denken: in het heetst van een al bijna verloren strijd, spreken de hoofdpersonen elkaar toe in sonore versregels. In regel nr. 1530 komt ene Arend binnengewankeld; meer dood dan levend. Hij zegt: Ik ben den adem quyt. Ick kan niet langher spreecken. Vervolgens bewijst hij het tegendeel, door nog tien van die fraaie Alexandrijnen op te zeggen, alvorens hij de geest geeft.

Ook wonderlijk zijn die rei-zangen. Telkens als de spanning er net in komt, wordt het toneel betreden door allerlei lieden die er niets te maken hebben, uiteenlopend van Amsterdamse Maagden tot Edellieden, om doodleuk midden in een oorlog een liedje te gaan staan kwelen.

De realiteitswaarde van Vondels “Gijsbrecht” is al met al uiterst gering. Dit alles heeft door de eeuwen heen wel geleid tot spot, maar dan kun je net zo goed de spot gaan drijven met opera’s, gesubsidieerde balletvoorstellingen en andere hogere kunsten.

Schipper Bontekoe uit Hoorn tapte uit een geheel ander vaatje. Niks geen Alexandrijnen; helder en nuchter proza. Bontekoe beschreef de onthutsende realiteit van het leven aan boord van een VOC-schip. Zijn verhalen waren spannend genoeg; poëtische opsmuk was niet noodzakelijk.

Slechts één reis naar de Oost heeft Bontekoe gemaakt; van 1618 tot 1625, maar in die 7 jaar heeft hij voldoende avonturen beleefd om er de rest van zijn bestaan sterke verhalen over te kunnen vertellen in alle zeemanskroegen van Hoorn.

Op de heenreis raakte Bontekoes schip in brand. Doordat Hein Rol, de koopman die aan boord de hoogste baas was, het buskruit niet overboord wilde zetten, vloog het schip in hondert duysent stukken. Rol zelf had de rampboot overigens tijdig verlaten en was met de meerderheid van de bemanning lafjes overgestapt in de reddingssloepen. Bontekoe, die op het moment van de explosie nog op het schip was, maakte een korte luchtreis en wist zich vast te klampen aan een wrakstuk. Later werd hij opgepikt door één van de sloepen. Na een tocht vol honger, dorst en ontberingen spoelden zij na veertien dagen aan op een eiland.

Nadat Bontekoe zich in Batavia had gemeld bij de autoriteiten, kreeg hij een nieuw schip onder zijn beheer. Daarmee nam hij deel aan de expeditie van 1622 om het eiland Macau te veroveren op de Chinezen en Portugezen. Een expeditie die rampzalig afliep voor de VOC.

Bontekoe overleefde de strijd en werd teruggezonden naar Holland. Midden op de Indische oceaan kwam hij in een orkaan terecht. Later is hij nog bijna getorpedeerd door een vijandig Spaans schip. In 1625 keerde hij ongedeerd terug in Hoorn. Hij had zijn bekomst van al het gevaar, en vestigde zich als tuinder en koopman.

21 Jaar later werd zijn scheepsjournaal uitgegeven door Jan Jansz Deutel, een boekhandelaar uit Hoorn. Het werd de roman van de eeuw: in vijftig jaar tijd is hij tientallen keren herdrukt.

Het beeld van de zeebonk-met-schrijftalent klopt niet helemaal; uit recent onderzoek is gebleken dat Deutel op zijn minst het manuscript van Bontekoe zwaar geredigeerd heeft, als hij al niet is opgetreden als gostwriter. Bontekoes “Iournael” vertoont grote overeenkomsten in stijl met andere door Deutel gepubliceerde scheepsavonturen; hij was niet anders dan een vroegtijdige Tineke Beishuizen. Deutel, een diep-religieus man, verzon er doorgaans een paar Gods-wonderen bij. Zo komt in het sloep-hoofdstuk het volstrekt ongeloofwaardige verhaal voor van meeuwen en vliegende vissen, die zich door de hongerende opvarenden zo maar uit de lucht laten plukken.

Voor de moderne lezer doet dat er allemaal niet toe. Het “Iournael” van Bontekoe is een adembenemend armchair adventure. Ik kan helemaal opgaan in zo’n verhaal. En mijn romantische ik poneert dan de stelling, dat je beter op een VOC-schip kunt zitten dan thuis achter de schaal met oliebollen, met geen groter probleem dan of je je nou door Freek of Seth moet laten vervelen, en of je computer het straks nog wel doet op 1 januari. De Gouden eeuw, dat was me pas een tijd! Avontuur, spanning en sensatie; gecombineerd met het geloof in een rechtvaardige God, die een speciaal plekje in zijn Hart heeft voor schepelingen.

Goed, op zo’n VOC-trip had je statistisch gesproken niet veel meer dan 50% kans om levend in Holland terug te keren, maar liever dood op de zeebodem, dan zo’n vadsige moderne mens te zijn. Ik wou maar, dat ik in de Gouden Eeuw leefde; in de VOC-tijd. Dan wist ik wel wat ik deed: lekker thuisblijven en wat alexandrijntjes schrijven over de scheepvaart.


column-archief

De digitale reiziger

De voorzitter opent

(Nieuwsjaarsrede, uitgesproken op vrijdag 7 januari 19-2000 door de voorzitter van De digitale reiziger)

Beste Mensen,

Allereerst wil ik alle aanwezigen hier in de zaal een heel erg gelukkig negentien-tweeduizend toewensen! [godverdomme, nou zeg ik het wéér! Negentien-tweeduizend! Dat is nu al de derde keer, vandaag. Nog zo op geoefend].

En omdat we hier allen zo gezamenlijk bijeen zijn, ook de mensen van de buitendienst, wil ik graag eerst enige gebeurtenissen van het afgelopen oudejaar de revue laten passeren. [Natuurlijk zeg ik alleen maar positieve dingen; dat motiveert. En veel cijfers erbij, alleen de gunstige, natuurlijk. En het niet te lang maken. Ze zitten nu al te schuifelen]. Ja, het eerste plaatje, graag, Sjef. Sjef! Hij staat achterstevoren ondersteboven, Sjef. Dank je.

Buitengewoon verheugend was het afgelopen jaar de gestadige constante stijging van het aantal bezoekers. Hier in deze grafiek ziet u, dan we begonnen in januari met ruim 100 lezers per week. In de loop van de zomer is dat gestegen tot 125, en tegen oktober zijn we voor het eerst door de magische 150-barričre gegaan. Natuurlijk speelt de algehele groei van het gratis Internet hierbij ook een rol [laat ik het zelf maar zeggen, anders krijg ik het straks in de wandelgangen naar mijn hoofd], maar de stijging kan niet losgekoppeld gezien worden van de inspanningen die al onze journalisten zich getroost hebben om een constant hoog kwaliteitsniveau te, te, eh: dingesen [vervelend, die haperingen. Ik moet die speech toch voortaan maar helemaal uitschrijven]; ik bedoel: te handhaven.

Hier heb ik bijvoorbeeld de waarderingscijfers van november, verzameld door onze marketing-afdeling. Op de sheet. Sheet nummer 2. DE SHEET VAN NOVEMBER, SJEF! Dank je. [kan die zakkenwasser nou nooit eens iets goed doen? Het is tenslotte maar een overheadprojector]. Het eerste themanummer van DDR, OV te water, leverde een constante artikelenstroom op van eh, eh, kwalitatief hoogwaardige artikelen. En in Maastricht waren wij bijna getuige van een bijna-gevecht tussen twee bijna-buschauffeurs, wat niet nagelaten heeft, ons verslag van deze gebeurtenissen in hoge mate te verlevendigen.

Maar ook op het gebied van PR en reclame hebben we ons de nodige moeite getroost. Graag de cijfers, Sjef. Nee, Sjef, dié sheet komt straks pas! [Stomme oen, je hebt vier sheets. Is het nou zo’n enorme toer om ze even in de goede volgorde te leggen?]. Dank je, Sjef. Zoals u ziet, is er in 1999 23 keer reclame gemaakt voor de Definitieve reiziger, eh, de Digitale reiziger, in diverse E-mail OV-groeperingen, en ook dat heeft een duidelijke positieve correlatie gehad op de bezoekcijfers.

Maar! We zijn er nog niet! We zullen ook in negentien-tweeduizend [Nee, toch; niet weer!] alle mogelijke inspanningen moeten blijven getroosten om het peil dat onze klanten van ons gewend zijn, op hetzelfde peil te handhaven [zoiets moet je zeggen, anders voeren ze het hele jaar geen donder uit]. Nog steeds wordt 85% van de artikelen op DDR geschreven door één man [dat ben ik dus; te bescheiden om mezelf te noemen]. Het aantal ingezonden artikelen dient aan een scherpe stijging onderhevig te geraken, anders zou de concurrentie - en iedereen weet op wie ik doel - wel eens kunnen leiden tot een, een, eh, eh; nou ja, u begrijpt me wel.

Nog een ding, alvorens ik de oliebollen nog een keer laat rondgaan met de dames, eh: de dames met de oliebollen: Sheet vier, graag, Sjef. Ja, inderdaad, de enige die je nog niet gehad hebt. Daar ligt hij, onder dat tafeltje. Dank je. De gewraakte foto. Er zijn mensen die me erop hebben aangeschoten in de wandelgangen om me aan te spreken zo van: moet dat nou zo? De voorzitter van de Digitale reiziger zo pontificaat op de voorpagina als foto van de week? En dan nog half achter een kamerplant? Er zijn zelfs mensen boos geworden. Iemand sprak over “ijdeltuiterij”. Een ander zei: “is de voorzitter er nu voor DDR, of is DDR er voor de voorzitter?” Dat is harde kritiek, maar ik vind dat harde open eerlijke kritiek moet blijven kunnen, als je maar opbouwend bent. Daar heb ik in principe geen bezwaar tegen. Wij willen in deze organisatie eerlijk en open en opbouwend met elkaar kunnen omgaan, zonder dubbele agenda’s.

Maar als u goed kijkt, en u hebt er misschien overheen gekeken, dan ziet u rechtsonder op het plaatje iets liggen. Als je even je mouw ervoor vandaan wil houden, Sjef! SJEF, JE MOUW!!! Dank je. Dat iets is niets anders dan onze concurrent: de Papieren Reiziger. En wat staat er deze maand in de Papieren reiziger? Ik hoef er geen doekjes om te winden; iedereen heeft hem gezien. Juist, weer een nieuwe foto van Rudy Schoonveld, mijn conculega-voorzitter. Rudy, temidden van enkele uit zijn vensterbank gerukte, nogal burgerlijke plantenbakken, als ik het mag zeggen. Rudy Schoonveld, de concurrent, met een triomfantelijke grijns op zijn gezicht, omdat hij zijn ledental heeft weten verhogen tot 8.000. Het stukje gaat over concurrentie, waarover hij heel verstandige dingen zegt. Ik benadruk dit, omdat het geenszins vanzelfsprekend is. Maar wat ik bedoel: als Schoonveld zijn eigen schoonheid op die manier weet te exploiteren, dan mag ik zeker niet achterblijven! Al kan men daarover een andere mening zijn toegedaan; maar dat is dus mijn persoonlijke mening.

Zo, en dan dank ik iedereen voor zijn of haar aandacht [voordat iedereen helemaal in slaap valt] er verklaar ik bij dezen het nieuwe jaar negentien-tweeduizend voor geopend. Ik dank u! Dank u wel!

Ach, Sjef, als je wilt: doe die overheadprojector even terug in de doos. Ze komen hem zo weer ophalen. Ik heb hem maar voor een half dagdeel gehuurd. [BOEM, BONK, RINKEL, KLETTER!] Bedankt, Sjef!