WEEK 16 / 16 APRIL 2000


Frans Mensonides

Nogmaals IQ en EQ

Ik ben weliswaar heel erg intellectueel, maar ik kán vrijwel niets. Aan deze omstandigheden wijt ik het geringe succes dat mij in mijn leven ten deel is gevallen. Andere mensen wijten het aan mijn tekortschietende emotionele intelligentie. Ik op mijn beurt, heb vorig jaar om deze tijd vernietigend teruggeslagen met een column waarin ik probeerde aan te tonen, dat emotionele intelligentie helemaal niet bestaat. Een nogal emotionele column, als ik hem overlees. Eigenlijk zou ik, met mijn intelligentie, in staat moeten zijn, mijn stellingname wat meer wetenschappelijk te onderbouwen.

Het onderwerp bleef me bezighouden. Onlangs las ik in mijn lijfblad "Psychologie" een aankondiging van een lezing over IQ en EQ, door professor J.J. Elshout van de Universiteit van Amsterdam. De lezing maakte deel uit van de Publieksdag Intelligentie, op zaterdag 8 april 2000 te houden bij de UvA.

Ik naar Amsterdam. Even aarzelde ik, bij de ingang van dat moderne universiteitscomplex op de Roetersstraat. Het was een mooie zaterdagmiddag; de zon scheen zo lekker, en Amsterdam noodde tot alles, behalve intellectuele inspanning. Maar kennis is als zout water, en ik ben nu eenmaal iemand die wil wéten. Ik keerde Amsterdam de rug toe, en liep het UVA-gebouw binnen.

Spijt kreeg ik beslist niet van mijn bezoek. Meteen al een opsteker van je welste. Er was een tentoonstelling over intelligentietests, waar de bezoeker zijn geestesvermogens kon meten met die van schaakkampioen Gary Kasparov. Deze intellectuele gigant had men onderworpen aan een pittige IQ-test ("speciaal voor hem gemaakt"); hij had daarbij 29 van de 40 vragen goed beantwoord. De bezoeker van de UVA-dag werd uitgedaagd, nu juist die problemen op te lossen, die Kasparov boven de pet waren gegaan. Deze 11 opgaven stonden afgedrukt op een paneel, met de belofte van het juiste antwoord op de achterkant.

Het was een wedstrijd met hindernissen; op nog geen tien meter van het paneel speelde een jazzorkest, dat best een paar decibel minder had gekund. Desondanks kan ik - en ik doe dat met gepaste trots - mededelen dat ik ruim de helft van die 11 vragen correct wist te beantwoorden, zonder te spieken op de achterzijde. Ik, een betrekkelijk gewoon iemand uit Leiden, minstens even intelligent als 's werelds beste schaker!

"Wat zegt zoiets nou eigenlijk", zei ik in mezelf, toen de overwinningsroes enigszins was gezakt. Ik zal ook wel intelligenter zijn dan de voetballende gebroeders de Boer, zelfs als ze hun scores bij elkaar mogen optellen. Maar schaken kan ik niet. Ik heb het altijd al een pokke-spel gevonden. Het praktische nut ervan is me ook niet duidelijk. Je kúnt niets met schaken, behalve winnen van andere schakers.

J.J. Elshout ondermijnde mijn vertrouwen in intelligentie nog verder. Een hoog IQ is heel erg handig zolang je nog in de schoolbanken zit, maar daarna, in de boze carrièrewereld, verliest het al gauw zijn voorspellende waarde.

Hangt je kans op succes dan toch af van je Emotioneel Quotiënt, zoals zo vaak beweerd wordt? Ook met deze stelling was Elshout het niet eens. Zijn bezwaren leken wel enigszins op de mijne, die ik vorig jaar naar voren bracht in die emotionele column.

Elshout vindt, dat EQ-tests - in tegenstelling tot intelligentietests - geen duidelijke vaardigheden meten. Nieuwe wijn in oude zakken: emotionele intelligentietests lijken nog het meest op de aloude vragenlijstjes in populaire tijdschriften, van het type: "bent u gierig of heeft u een gat in uw hand?". Het zijn inventariserende vragenlijsten, en die inventarisatie mag je bovendien zelf uitvoeren, om dingen over jezelf te ontdekken die je al lang wist.

Elshout werd zelf bijna emotioneel toen hij kwam te spreken over waardevrijheid, een van de grootste waarden in de psychologie. EQ-tests zag hij als tekenen van een gevaarlijke trend: het evalueren van persoonlijkheidseigenschappen. Wie optimistisch is, en extravert, en invoelend, en positief, die is goed; een in zich zelf gekeerde, horkerige, pessimistische cynicus is, behalve onsympathiek, gewoon fout, nu ook in de ogen van de vroeger zo objectieve psychologen.

Verder merkte de inleider fijntjes op, dat hij de Q in EQ niet kon plaatsen. Die Q, van quotiënt, suggereert dat er twee getallen door elkaar gedeeld worden; bij EQ is dat helemaal niet het geval. Dit onderschrijft dan weer mijn stelling, dat EQ louter berust op imitatie van het al langer bestaande IQ.

Maar wat voorspelt dan wél de kans op iemand succes, als IQ en EQ daarvoor te kort schieten? Voor Elshouts eigen stiel, het wetenschappelijk onderzoek, is dat vanzelfsprekend wetenschappelijk onderzocht. Het bleek, dat de eigenschap zelfverzekerdheid heel sterk correleerde met onderzoekerssucces. Het is alleen nog niet duidelijk, wat oorzaak is en wat gevolg: behalen zelfverzekerde onderzoekers de beste resultaten, of zijn de mensen die kunnen bogen op de beste resultaten, het meest zelfverzekerd? Zoals het zelfvertrouwen van beursgoeroes groeit als zij de trends toevallig een keer juist voorspeld blijken te hebben?

In veel "succesberoepen" draait het volgens Elshout louter om ervaring. Voor een hoop beroepsmatige activiteiten is nu eenmaal een periode van tien jaar nodig om ze echt goed onder de knie te krijgen (beschaamd moest ik mezelf toegeven, dat ik nog nooit iets tien jaar lang heb volgehouden).

We kregen een wijze raad mee van Elshout: heb je een advocaat nodig, of een hartchirurg, of een piloot, neem niet per se de slimste, of de aardigste: nee; neem de meest ervarene.

De lezing van Elshout helderde veel op. Het was al met al een leerzame middag, die ik niet graag gemist zou hebben. Ik snap nu alleen nog steeds één ding niet: waarom ik vrijwel niets kán. Maar de onderzoekingen vorderen.


column-archief

De digitale reiziger

Debieltje met mobieltje

Deze column begint met een groet aan de DDR-fans in Israël en Suriname, want zeker: ook daar wordt ons periodiek gelezen.

Voor de buitenlandse lezers van De digitale reiziger verduidelijk ik even, dat er in Nederland de laatste tijd een ernstige ooraandoening heerst, die hier genadelozer schijnt toe te slaan dan waar ook ter wereld. Nederland heeft in dit opzicht de grootste "dichtheid", of "marktpenetratie", of "dekking", zoals de deskundigen op het gebied van deze endemische ziekte dat uitdrukken; erg merkwaardig om in economische termen te spreken over een feit van medische aard.

Wie wandelt op de Kalverstraat, of wie plaatsneemt in een gemiddeld Nederlands intercityrijtuig, zal merken dat vele Nederlanders een vuistgroot zwartkleurig gezwel hebben (een goedaardig gezwel, Godlof) aan één van de oren; doorgaans het linkeroor, maar bij linkshandigen niet zelden het rechter. De aandoening, hoe goedaardig ook, schijnt gaat gepaard te gaan met intense pijnen; althans dit zou opgemaakt kunnen worden uit het feit dat de patiënt voortdurend, zelfs tijdens het lopen, zijn hand aan het getroffen oor houdt.

De ziekte kent ook psychische gevolgen. De patiënt heeft de neiging, bij vlagen wartaal uit te slaan (daartoe verplaatst hij het gezwel tijdelijk van de oren naar de mond) en daarbij te spreken op onnodig luide toon. Zo'n aanval van wartaal wordt doorgaans ingeluid met een positiemelding: "ik zit in de trein", dan wel: "ik loop op de Kalverstraat".

Goed, alle gekheid op een stokje: ik weet niet, wat ik aanmoet met al die mobiele telefoons. Ik ben er niet tegen en ik ben er niet voor. Ik heb zelf nog geen mobieltje, maar kan me wel omstandigheden indenken, waaronder het handig zou zijn, er één te bezitten.

Wat ik mezelf nog niet zie doen: in het openbaar allerlei intieme feiten door het zwarte plastic gaan zitten roepen die, behalve door de geadresseerde, ook vernomen kunnen worden door enkele honderden omstanders. Ik ben een voorzichtig mens; "Feind hört mit", en telefoneren hoort mijns inziens nog altijd plaats te vinden in een discrete geluiddichte cel. Aan de ander kant: ik heb er beslist geen bezwaar tegen, dat anderen wél in het openbaar bellen: je hoort nog eens wat, al is het zelden iets verstandigs.

Dit alles neemt niet weg, dat de Digitale reiziger toch gemeend heeft een actie te moeten beginnen tegen het mobiele bellen in het openbaar vervoer. Niet zozeer tegen het bellen door de passagiers, als wel tegen dat door de man achter het stuur. Ook hij, Brutus!

De eerste keer dat ik het zag was vorige zomer, in een Connexxion-bus tussen Woubrugge en Hoogmade. De chauffeur werd gebeld, en bracht het mobiele gezwel naar het oor, op een zodanige wijze, dat hij het stuur nog kon bedienen met de ellebogen. Dat de bus wat begon te slingeren, deerde hem niet.

Ik was te verbijsterd om er een klacht over in te dienen; bovendien zou niemand dit verhaal geloven. Een paar maanden later zag ik het opnieuw gebeuren, nu in Voorschoten. Deze chauffeur deed het netjes: hij manoeuvreerde zijn bus naar de kant, alvorens de telefoon op te nemen, en bleef gedurende het gesprek in een parkeerhaven staan.

Weer een poosje later zat ik in een Haagse lijn 3. De trambestuurder zat gedurende de gehele rit over de laan van Meerdervoort mobiel te telefoneren. Nu heeft een tram geen stuurwiel dat om veiligheidsredenen omklemd moet worden, maar het leek me toch niet bevorderlijk voor de concentratie. Bovendien reageerde de trambestuurder uiterst korzelig op vragen van reizigers. "Ziet u dan niet, dat ik zit te bellen", straalde zijn hele houding uit.

Soms heb je wel eens gemak van moderne communicatiemiddelen. Via de internetsite van HTM diende ik een klacht in. De dag daarop kreeg ik per kerende E-mail een ontvangstbevestiging, met belofte van een spoedig onderzoek.

Daarna twee maanden stilte. Het onderzoek werd zeker zeer grondig aangepakt. Terwijl het toch niet zo moeilijk is. Je belt zo'n bestuurder gewoon even op, tijdens zijn dienst; op zijn mobieltje. Neemt hij dan op, en hoor je tramgeluiden op de achtergrond, dan is het bewijs meteen geleverd.

Goed, twee maanden later rolde er toch nog een antwoord van HTM in mijn brievenbus. De bellende bestuurder was op zijn gedrag aangesproken, en een aantekening daarover zou enige tijd in zijn dossier bewaard blijven.

En nu de actie, die de Digitale reiziger gaat ondernemen tegen het debiele bellen door OV-personeel. Het werkt als volgt: Wanneer je een bestuurder of chauffeur betrapt op telefoneren tijdens de rit, dan grijp je onmiddellijk je eigen mobiele foon, en dient stante pede een klacht in bij het vervoersbedrijf. Verzuim daarbij niet, aan te dringen op een negatieve aantekening in het dossier van betrokkene.

De actie wordt gelanceerd onder de pakkende naam: "Belt u mobiel, dan doen wij dat ook". Zo krijgen wij die uitwassen van de telefoonziekte er wel ónder.