WEEK 19 / 7 MEI 2000


Frans Mensonides

Nog Lang Niet Dood

Laatst las ik er weer eens een artikel over: de Bijna Dood Ervaring, in (pseudo-)wetenschappelijke kringen meestal afgekort tot BDE. Voor die Bijna Dood Ervaringen geldt: als je er één gelezen hebt, dan heb je ze allemaal gelezen. De mensen die een BDE meegemaakt hebben, vertellen er allen bijna exact hetzelfde verhaal over.

Het begint met een levensbedreigende situatie; een hartaanval of een ernstig ongeluk. Het slachtoffer zinkt niet, zoals je zou verwachten, weg in diepe bewusteloosheid. Integendeel, alles wordt heel erg helder en licht om hem heen. Hij treedt uit zijn lichaam, dat hij duidelijk kan zien liggen op straat of in het ziekenhuisbed. Graag zou hij de ontstelde omstanders geruststellen: het is minder erg met hem dan zij denken; hij voelt zich juist lekkerder dan ooit. Maar in de etherische vorm waarin hij thans verkeert, kan hij zich niet meer uiten tegen de grofstoffelijke wezens die zich over zijn stoffelijk overschot hebben gebogen.

Lang kun je tijdens een BDE niet kijken naar het beweeg rond je sterfbed. Je verlaat de aarde en wordt via een lichtende tunnel omhoog gezogen naar een land waar het allemaal een stuk aangenamer is dan beneden. Een land met heldergroen gras en zuivere lucht, waar iedereen zich gelukkig voelt; ook zonder pillen. Ontheemd hoef je je er niet te voelen: er staat een welkomstcomité voor je klaar, bestaande uit reeds eerder verscheiden vrienden en bloedverwanten.

Zo langzamerhand wordt het de BDE-lijder duidelijk, dat hij is overleden, en dat er tóch een hemel bestaat, waar pijn en chagrijn zijn uitgebannen. Enkele minuten zweeft de patiënt in deze nieuwe wereld rond. Hij voelt een begrijpelijke opluchting; zijn leven op Aarde is voorbij.

Maar dan verschijnt de onvermijdelijke spelbreker ten tonele. Niet zelden is dit een oude, wijze man met een grijze baard; zoals atheïsten zich voorstellen dat God eruit ziet. Deze komt de patiënt vertellen, dat er een administratieve vergissing in het spel is, want ook aan gene zijde werken instanties soms langs elkaar heen. Hij is nog niet dood - al scheelde het maar een haartje - en kan dus geen aanspraak maken op een verblijf in de hemel. Niet zelden herinnert de wijze man de aardbewoner met mild-vermanende stem aan taken, die hij daar beneden nog te vervullen heeft.

Het slachtoffer wordt onherroepelijk uitgewezen, heeft geen recht op een beroeps- en bezwarenprocedure, en daalt weer af naar de wereld zoals wij die kennen, waar zijn ziel wordt versmolten met zijn deerlijk gehavende lichaam. Hij heeft zijn nabestaanden nu wel een sterk verhaal te vertellen, maar zal alras merken, dat niemand hem wil geloven.

De (pseudo-) geleerden zijn het niet eens over de interpretatie van dergelijke BDE-ervaringen. New-age profeten zien er vanzelfsprekend bewijzen in voor het bestaan van een hiernamaals. Medici reageren nuchterder: zij zijn van mening, dat een BDE veroorzaakt wordt door een combinatie van wishful thinking en zuurstofgebrek in de hersenen.

Wat ik er zelf mee aanmoet, weet ik niet. Ik geloof niet in een bereikbare wereld waar alles beter is dan hier (want wat doen we hiér dan??) maar ik heb dan ook nog nooit een BDE-ervaring gehad. Zelfs al was je zeker van het bestaan van een hiernamaals: de praktische waarde daarvan in het dagelijks leven zou gering zin. Zo'n pie in the sky helpt je niet af van je hedendaagse kiespijn.

Waar ik wél in geloof - want dat heb echt zelf meegemaakt - is de Nog Lang Niet Dood Ervaring (NLNDE).

Ik heb die ervaring meerdere malen gehad, toen ik nog werkte bij het bedrijf met de saaiste website van Europa.

Elke keer als ik het kantoor 's morgens vroeg of na de lunchwandeling naderde, hoopte ik vurig dat het tijdens mijn afwezigheid getroffen zou zijn door een brisantbom. Dat was nooit het geval: het gebouw stond nog overeind en ik moest er naar binnen.

Ik bracht mijn dagen er door in een muf, stoffig gewelf, zonder uitzicht op de buitenwereld; een decor als in een gedicht van Gerrit Achterberg. De kelder was gevuld met modems, moederborden, geheugenmodules, routers, hubs, switches, servers, printers en andere apparaten die ik aan de gang moest zien te houden zonder de werking ervan te doorgronden.

Om één of andere reden had zich het denkbeeld in mijn geest vastgezet, dat ik tot mijn dood, of in ieder geval tot mijn VUT, in die kelder zou moeten blijven. Het was in zo'n stemming, dat ik die column schreef over het vallende rotsblok. Een heel kort stukje maar, want al die apparaten kon je geen tel alleen laten.

En toen overviel me op zekere dag plotseling mijn eerste NLNDE. Ik was dan weliswaar de veertig al gepasseerd, maar wie zei me nou eigenlijk, dat mijn leven al voorbij was? Nog vele decennia had ik voor de boeg; naar eigen inzicht in te vullen. Plotseling zag ik heel helder de juistheid in van wat - ik meen - Wim de Bie eens geschreven heeft: ik kan op mijn leeftijd nog alles worden wat ik wil (behalve topsporter, voegde hij daar zurig aan toe, maar dat zou je niet eens moeten willen worden).

In die kelder begon ik plannen te smeden voor mijn leven erná; "de tweede helft", zoals iemand die het goed met me voorhad, het toen uitdrukte.

Aanvankelijk waren die plannen wel wat erg mooi en extreem; bijna net zo fel overbelicht als de hemelsillusie van de doorsnee BDE-er. Veel ervan heb ik niet kunnen waarmaken. De topcarrière bij een ander bedrijf stuitte op mijn onvermogen om me tijdens de vleeskeuring genaamd "sollicitatiegesprek" op een adequate manier te presenteren. Die briljante roman pakte wat minder geniaal uit dan ik hem in gedachten had gehad, en is door slechts door een handjevol welwillende verwanten en vrienden gelezen. Ook de nieuwe werkgever die ik uiteindelijk vond, had enkele verborgen gebreken.

Achteraf moet die overbelichting van mijn NLNDE misschien geweten worden aan de pillen die ik toen moest slikken. Hoe dan ook, nutteloos is het niet geweest, want het heeft me toch de kracht gegeven om me uit die kelder te bevrijden.

Wonderlijk: waar de BDE de gemoederen blijft bezighouden, hoor je nooit iets over de NLNDE. Deze column is het eerste stukje dat ik erover lees. Ik neem aan, dat ik niet de enige ben, die door een NLNDE is getroffen. In vele huiskamers zitten misschien mensen met vergelijkbare ervaringen, waarover zij in hun familiekring nooit hebben kunnen praten. Ik vind, dat al deze mensen maar eens uit de kelder moeten komen, want de wereld moet het horen: Wij Zijn Nog Lang Niet Dood!


column-archief

De digitale reiziger

Aangewezen worden

-"Jongens, jongens, niet zo gillen! We zitten niet alléén in trein, hoor!" Met een schelle stem riep de moeder haar kroost tot de orde. Een hard, onaangenaam stemgeluid, als van een krijsende vogel.

Wie gilt hier nu eigenlijk! dacht de heer Maarssen (voor intimi Henk), die op weg was van zijn woonplaats Amstelveen naar zijn werk bij de Leidse universiteit. Hij hield een zo groot mogelijk gedeelte van zijn gestalte verborgen achter een exemplaar van het NRC-handelsblad.

Het gezin zat schuin voor hem. Nadat hij zijn krant ietsje had laten zakken, kon hij één van de kinderen goed zien. Het was blond jongetje van een jaar of acht, die met zijn hoofd over de leuning hing, en hem geobsedeerd aangaapte.

Al spoedig begon het geschreeuw opnieuw. Henk Maarssen kon uit de wirwar van stemmen opmaken, dat er twee à drie kinderen waren. Een vader scheen te ontbreken. Die mocht die dag gewoon naar zijn werk, en zat nu vast en zeker in een rustige treincoupé van zijn krantje te genieten. Waarom zei nou niemand iets van dat belachelijke kabaal. Van zoiets moest een mens toch gewoon iets kunnen zeggen!

"Nee, je krijgt geen Fristi", toeterde de moeder, boven de schelle stemmen van haar kroost uit. "Je krijgt pas weer Fristi al de wijzer van de klok weer helemaal bovenaan staat. Straks ben je al misselijk voordat we in Vlissingen zijn!"

Ze moeten helemaal naar Vlissingen, dacht Henk. Arme medepassagiers! Gelukkig mocht híj er in Leiden al uit.

"Even stil, jongens, ik weet een leuk spelletje", hoorde hij de moeder blaten. Ze had zo'n lelijk, ordinair Amsterdams accent. "Ik neem iemand in gedachten, en jullie moeten raaien wie ik bedoel. Hij heeft een... blauw pak aan, en hij... loopt door de trein".
-"De conducteur, de conducteur, de conducteur" brulden de kinderen in koor.

Je kon in een geval als dit, filosofeerde Maarssen, twijfelen tussen aanleg en milieu. Hadden de kinderen hun formidabele stemgeluid geërfd van hun moeder, of was het niets anders dan een vorm van adaptie aan hun omgeving, die bestond uit dat schreeuwende vrouwspersoon? Je moest er als kind toch bovenuit zien te komen, om gehoord te worden.

"Ik weet nóg iemand", schalde een jongensstem door de coupé. "Hij zit in deze trein. Hij leest in de krant. Het is een heel oud mannetje, met zwarte schoenen aan, en een grijs pak."

"Godverdomme, dat gaat over míj"!, fluisterde Henk Maarssen, wiens kleding inderdaad aan de gegeven beschrijving voldeed.

Een oud mannetje! Hoe durfde die rotblaag! Alsof hij een kromme, strompelende grijsaard was. Hij, een rijzige, gezonde vent van 53!

Maarssen voelde een hete woede in zich opstijgen. Eigenlijk zou hij dat vervelende pestventje uit zijn stoel moeten sleuren en hem een flinke Oud-Hollandse schop onder zijn derrière geven. Maar hij zag ervan af: ongetwijfeld zou hij met deze actie alle omstanders tegen zich in het harnas jagen. Het vrouwmens zou bovendien nog harder gaan schreeuwen, en misschien aan de noodrem trekken.

"Kijk maar, daar zit hij", gilde de jongen. Die knaap stond vast en zeker naar hem te wijzen. Maar hij kon het niet zien: als een schild hield hij zijn NRC voor zijn gezicht, en hij zou hem voorlopig niet meer laten zakken.

Om hem heen werd besmuikt gelachen. Niet echt uit volle borst: een zekere spanning was de treincoupé binnengeslopen. Iedere reiziger kon het volgende slachtoffer zijn, en zijn signalement door de trein horen roepen.

Nog twee personen werden onder de loep genomen. De een werd bevonden vieze schoenen te hebben; de ander een gerafelde jas.

"Ik weet nog iemand", zei de moeder, nog altijd duidelijk verstaanbaar. "Ze is kinderoppas, en kok, en werkster, en verpleegster en huiswerkoverhoorster, en ook nog, ehh, boodschappendoender".

"Oh Jezus, nou gaan we dát krijgen", kreunde Henk Maarssen vanachter zijn veilige krant. De kinderen moesten diep nadenken over dit raadsel, wat als plezierige bijkomstigheid had, dat zij tenminste enkele seconden hun mond hielden.

Toen kondigde de microfoon station Leiden Centraal aan. Henk vouwde zijn handelsblad dicht, waar hij die morgen nog niet al te veel in gelezen had. Eigenlijk zou hij in het voorbijgaan een sarcastische opmerking moeten maken tegen dat afschuwelijke mens met die snertkinderen van haar. Maar hij wist niets te bedenken, en koos zijn route zodanig, dat hij niet langs dat stel hoefde te lopen.

Hij stapte uit en liep de trap af. In de stationshal was iets aan de hand; reizigers groepten samen en er klonk kabaal. De mensen waren opvallend lawaaierig, vandaag. In de hal zag hij een vreemd uitgedoste man, die woedende gebaren maakte en van tijd tot tijd een uitzinnig geschreeuw aanhief. De man was halfnaakt en had zijn lichaam geschilderd in de meest exotische kleuren. In zijn hand droeg hij een soort profetenstaf.

Mensen die de man zagen, stootten elkaar lachend aan. Henk was nu in de hal aangekomen. Hij verstond wat de profeet schreeuwde: "Ik ben de God van de hemel en de aarde! Alleen ík maak uit wie leeft en sterft!".

Een gek, dacht Maarssen. Eén van de velen. Het leek wel, of er van dag tot dag meer bijkwamen.

Nu kreeg de profeet Henk in het vizier. Hij priemde naar hem met een vuile vinger. "Ik ben de God van de hemel en de aarde!", riep hij nogmaals. "Alleen ík maak uit wie leeft en sterft. En jíj sterft, sterft, sterft!"

Er was geen twijfel mogelijk: de profeet bedoelde hém. De man keek hem aan met ogen die vonkten van haat en woede. Henk versnelde zijn pas. Opnieuw werd er om hem gelachen. Hij scheen die morgen een hoop mensen te amuseren. Waarom nou ík weer, dacht hij. Uitgerekend ik, uit al die mensen.

"Jij sterft, sterft, sterft", brulde de gek hem achterna. Hij stampte op de grond met zijn profetenstaf."Sterf, hond, sterf, sterf, nu!".

Henk Maarssen voelde onwillekeurig even aan zijn hart. Maar het klopte nog.