WEEK 3 / 14 JANUARI 2001


Deze rubriek verschijnt eens per veertien dagen.

Frans Mensonides

Stijgers en dalers

"Mijn excuses voor dit ongemak", las ik laatst in grote zwarte verfletters op een plan-V trein. De tekst was aangebracht door een graffitispuiter. Ik wil dezelfde woorden toeroepen aan mijn lezers, want in tegenstelling tot normaal bevat deze aflevering van REFLEXXIONZZ! twee columns over OV, in plaats van één. Dit komt, doordat mijn literaire inspiratie momenteel geheel zoek is, en dat komt weer doordat ik me de laatste weken teveel heb beziggehouden met de toestanden in 's-Neêrlands OV.

- - -

Enkele jaren geleden, kort na de opening van de nieuwe parlementsgebouwen in Den Haag, was er weer eens zo'n ouderwetse verkiezingsavond, met de onvermijdelijke winnaars en verliezers. Voor de TV werden zij geïnterviewd op de hoge roltrappen in dat glazen gebouw aan het Binnenhof. De winnaars mochten zich via de roltrap naar boven laten verplaatsen; de verliezers dienden hun verhaal te doen tijdens de lange, lange afdaling. Misschien is het tijdschrift OV-magazine door deze scene op het idee gekomen voor het artikel "Stijgers en dalers", dat verscheen in het nummer van december 2000.

Het OV-tijdschrift nam enkele OV-bobo's op de korrel en verdeelde ze in koppels van telkens één hoogvlieger, en één persoon die van schaamte beter in de rivierklei had kunnen wegzinken. In enkele gevallen werden complete bedrijven en instellingen gewaardeerd op deze zwart-witschaal, die weinig ruimte laat voor de zo noodzakelijke nuance.

Ik zou hier niet over geschreven hebben, en ik zou het artikel misschien niet eens gelezen hebben, ware het niet dat tussen alle pasfoto's het hoofd van ROVER-voorzitter Rudy Schoonveld stond te prijken, dat ik op deze site altijd probeer te imiteren.

Rudy stond bij de stijgers. Dat verbaasde me, niet alleen omdat ik hem niet mag, maar ook omdat het volgens mij helemaal niet zo verschrikkelijk goed gaat met ROVER. Het aantal afdelingen dat nog functioneert, is op de tenen van één voet te tellen; de rubriek "ROVER in actie" in De Papieren Reiziger is in de loop van de jaren allengs korter geworden, en ik beklaagde me onlangs nog over het feit dat ROVER de grote afwezige was tijdens de slag om de reizigersgunst in de voorlaatste werkweek van 2000. Wat schrijft OV Magazine echter? "[de] Roverhoofdman [valt] niet meer te negeren" en krijgt "veel zendtijd in de media". Ook is er veel waardering voor het feit, dat ROVER een geld-terugregeling bij treinvertraging in de wacht heeft gesleept, maar dat komt bij mij over als een energieverslindend achterhoedegevecht.

Nou, goed, misschien heb ik Rudy al die tijd verkeerd veroordeeld. Maar mijn nieuwsgierigheid was gewekt, en ik vroeg me af in wiens goede gezelschap ROVER zich zou bevinden. Wat is er voor nodig om in de ogen van OV-magazine te behoren tot de "goeden"? Het was me eerst niet helemaal duidelijk. Tineke Netelenbos staat met stip bij de stijgsters, hoewel in haar juryrapport onder andere de zinsneden "gebrek aan kennis", "lift mee op huiswerk van voorgangster" en "toont weinig eigen beleid" voorkomen. Wel heeft zij een "ijzeren glimlach", en "wil zij graag een tweede termijn", welk ambitieniveau blijkbaar op zich al voldoende is om tot de top-dogs te behoren. De daler, die als een weermannetje aan weervrouwtje Neet gekoppeld is, heet Pieter Boot, waarvan ik nog nooit gehoord had.

Onder de provinciale bestuurders behoort Jan Boelhouwer, gedeputeerde van Noord-Brabant, tot de stijgers, omdat hij medestijger Neet "de mantel durfde uit te vegen", wat ook stijgers van tijd tot tijd wel nodig zullen hebben. Drenthe en Groningen daarentegen (niet de gedeputeerden, maar de complete provincies) zijn echter dalers, omdat zij het openbaar vervoer niet naar hun hand weten te zetten. Boelhouwer kan dat wel, maar alleen met zijn mond: "nu de daden nog", luidt de aansporing van OV-magazine aan de gestegen gedeputeerde.

Dan Dé NS. Stijger is NS Railinfrabeheer; daler Railned. Jarenlang heb ik gedacht, dat dit twee synoniemen waren voor één en dezelfde organisatie. Ik mag ontploffen, als ik die dochters van NS nog uit elkaar kan houden.

De busbedrijven. Connexxion de stijger ("flitsende uitstraling; "houdt de vuile was binnen", weet OV-magazine); Arriva de daler ("werd tot de grond toe afgebrand in NRC-artikel, hoewel niet iedere reiziger en politicus ontevreden is over prestaties"). Nou, ik kan me vergissen, maar het lijkt me voor een OV-bedrijf belangrijker dat de klanten tevreden zijn, dan dat een NRC-journalist dat is.

Aan Amsterdam wordt veel aandacht besteed in het artikel. Verkeerswethouder Köhler is een soort daler in het kwadraat; hij krijgt het meest vernietigende rapport van allen, omdat hij "weinig wezenlijks voor elkaar [weet] te boksen in het Amsterdamse". Wie bokst daar wel het nodige voor elkaar? André, Jonkheer Testa, directeur van het GVB, het prototype van een stijger. Rr gebeurt in de visie van OV-magazine niets positiefs in Amsterdam, maar áls er iets positiefs gebeurt is dat de verdienste van Testa.

Aan de corpulente jonkheer is als daler gekoppeld de "tandeloze brancheclub" Mobis. Daarbij staat afgebeeld een foto van.... Jonkheer Testa, want laat híj nu voorzitter zijn van Mobis! Testa is een gespleten persoonlijkheid, waarvan de ene helft daalt, en de andere stijgt; een weinig begerenswaardige positie.

Dan de RET versus de HTM. Ik gun de lezer enige denkpauze om te raaien, wie van de twee de daler is. Ik zelf zou denken: de HTM, want er rijdt geen tram op tijd in de Residentie, en HTM is mede verantwoordelijk voor die tramtunnel die er zo nodig moest komen. RET daarentegen maakt op mij soms een gestroomlijnde en geperfectioneerde indruk. Personeel is vaak opvallend behulpzaam; abri's en metrostations zijn redelijk schoon, en foutieve beslissingen, zoals van de zomer met lijn 20 en 22, worden tenminste nog teruggedraaid.

Fout! Stijger: HTM-directeur Kaper, die al sedert het tijdperk van de intercommunale tram een directiestoel zit warm te houden. Hij is erin geslaagd, Stadsvervoer Dordrecht, een ander noodlijdend vervoerbedrijf, op te kopen. Daler: RET-voorman Claydon, die het zo goed als failliete Dordtse bedrijf voor zijn neus zag weggekaapt door Kaper. Alleen dat bepaalt het verschil tussen HTM en RET; nergens wordt gesproken over bijvoorbeeld HOV-plannen, punctualiteit of klantvriendelijkheid. (Of is er iets anders aan de hand: heeft Kaper wellicht eindelijk een proefabonnement genomen op OV-magazine, terwijl Claydon verzuimd heeft, het abonnementsgeld te gireren?)

Nu begint zich zo langzamerhand af te tekenen, wat er mankeert aan de tweedeling waarop OV-magazine de OV-hotemetoten beoordeelt. Het draait alleen om behendigheid aan de onderhandelings- of bestuurstafels; om gunstige overnames en privatiseringscontracten; om het politieke machtsspel dat nodig schijnt te zijn om mensen van A naar B te verplaatsen. Niet om iets wat een reiziger zou kunnen interesseren.

Vroeger was dit OV-vakblad anders. Toen ging het nog wel over OV-reizigers. Er kwamen zelfs wel eens reizigers aan het woord! Sterker nog: ikzelf ben een keer door het blad geïnterviewd; door een journalist die geen auto had, alles met de trein moest doen en daardoor grote affiniteit had met het onderwerp van het tweegesprek: de treinvertragingen. Maar nu verdiept het blad zich het liefst in zaken die even weinig met OV te maken hebben als de financiële slag om de voetbalclub Vitesse te maken heeft met het edele voetbalspel.

Voor mij behoort OV-magazine daarom al enige tijd tot de dalers, waarmee het bepaald niet uit de pas loopt met zijn lezerskring: de complete OV-sector van Nederland.

---

Amen. Gelukkig behoort ons eigen Internetmagazine De digitale reiziger, waarvan deze column deel uitmaakt, wél tot de stijgers, met nu al bijna 500 bezoekers per veertiendaagse aflevering. Graag wil ik alle lezers en kijkers van DDR bedanken voor hun zeer gewaardeerde aandacht, en wil ik erop wijzen, dat lezers ook nog steeds zelf artikelen kunnen inleveren.


alle columns, van 1998 tot heden, in het column-archief





De digitale reiziger

Er was een een tramlijn

Deze column gaat, na een korte taalkundige inleiding, over de Rijn- Gouwelijn. De lezer die niet bekend is in het land van Rijn en Gouwe, kan hier klikken voor een schematisch kaartje dat hopelijk verhelderend werkt.


Is het je wel eens opgevallen, dat ook een toekomstverhaal wordt geschreven in de onvoltooid verleden tijd? "In 2042 waren de rapen goed gaar", schreef ik 14 dagen geleden in het korte verhaal in het linker-rijtje. Je kunt het een goed verhaal of een snertverhaal vinden, maar niemand die zoiets leest, denkt dan dat ik een fout gemaakt heb, en in plaats daarvan "In 2042 zullen de rapen goed gaar zijn" had moeten schrijven.

De verleden tijd is in het Nederlands nu eenmaal de verteltijd bij uitstek. Sprookjes beginnen met "er was eens"; niet met "er zal mogelijkerwijze wellicht ooit zíjn, als we daar allemaal samen met een positieve instelling in eendrachtige samenwerking de schouders onder zetten". Dat is meer taal voor politieke en religieuze geschriften. Kinderen voelen zulke dingen haarfijn aan, zonder daarvoor het grammaticaboek van de plank te hoeven trekken. "Jij was de boef, en ik was de pliessie", hoor je zeggen op de speelplaats, om aan te geven dat de status van delinquent en opsporingsbevoegd ambtenaar louter in de fantasie van de spreker aanwezig is, en niet berust op de werkelijke gezagsverhoudingen.

In 1996 besloot ik een science fiction-verhaal te schrijven, en wel over de ontwikkelingen rond de Rijn-Gouwelijn, de tramlijn die volgens sommigen een rechtstreekse verbinding zal moeten verzorgen tussen Gouda aan de Gouwe en Katwijk aan de Rijn (en Noordwijk aan de zee, dat in één moeite wordt meegenomen, omdat dat maar een paar kilometer af ligt van de Rijnmond). Dit SF-verhaal was mijn laatste officiële daad als secretaris van de ROVER-afdeling Leiden en omstreken. Het speelde in 2001, en ik schreef het in de verleden tijd; terugkijkend op alles wat er tussen 1996 en 2001 gebeurd was. En dat was nogal wat.

Het eerste gedeelte van de Rijn-Gouwelijn, de tramverbinding Katwijk aan Zee - Leiderdorp, was in mijn verhaal net geopend. Over de rest van de ca. 55 kilometer lange tramlijn werd nog gesteggeld, op de vruchteloze manier waarop in dit land doorgaans gesteggeld wordt over alles wat gebeuren moet.

Mijn meesterwerk, dat zelfs in de eigen ROVER-kring niet door iedereen begrepen werd, was bedoeld als pleidooi om het mega-tramproject te splitsen in goed behapbare deelprojecten. Waarbij je natuurlijk begint met dát gedeelte waarvan je het meeste succes verwacht. Het tramlijntje Katwijk - Leiderdorp (toch altijd nog een 15 kilometer lang) trok ruim 20.000 reizigers per dag - voorspelde ik op grond van de hoge bezettingsgraad op de buslijnen naar die plaatsen -; aantallen waarover je op bijvoorbeeld het traject Gouda - Alphen zelfs in een SF-verhaal niet zou mogen dromen.

Een tramlijn Katwijk - Leiderdorp was redelijk makkelijk aan te leggen. De rest van het Rijn-Gouwe project zou stuiten op onneembare barrières, profeteerde ik. Het medegebruik van de spoorbaan tussen Alphen aan den Rijn en Leiden Lammenschans zou afketsen (was afgeketst) op capaciteitsproblemen, en op de onwil van de NS om zijn kleine broertje "tram" toe te laten op het railnet. Verder is de punctualiteit op zo'n lange lijn natuurlijk volkomen onbeheersbaar, zeker als er vertragingsgevoelig traject door de binnenstad in voorkomt, én een traject over een reeds overbelaste spoorbaan.

Wij van ROVER zaten in 1996 echt niet te springen om lightrailvoertuigen door de Leidse binnenstad - in de ogen der beleidsmakers een van de belangrijkste onderdelen van het RGL-project - temeer daar de gemeente in ruil voor die ene tramlijn het complete busvervoer door het Leidse stadshart wilde omleiden via een zeer ongunstige route. Verder voorzagen we, dat instelling van een tramverbinding Alphen - Leiden, met nieuwe stops in bijvoorbeeld Hazerswoude-Rijndijk en Zoeterwoude-Rijndijk, ten koste zou gaan van parallelle buslijnen, zodat de bewoners van de Rijndijk-dorpen er zeer zeker niet op vooruit zouden gaan. Onze boodschap in dat SF-verhaal was dus: begin met de westtak van de RGL; het gedeelte naar de kust.

***

Die Rijn-Gouwelijn heeft wel iets weg van de komeet van Halley. Hij komt eens in de zoveel tijd langs, doet vriend en vijand van zich spreken, kent enthousiaste bewonderaars, en ook mensen die er een omen in zien van onafwendbaar onheil, en verdwijnt na een paar maanden weer uit het zicht en uit de herinnering van de gemiddelde krantenlezer. Halley verschijnt eens in 76 jaar; de Rijn- Gouwelijn heeft een periode van ca. 18 maanden. In het voorjaar van 1998 maakten we een Rijn- Gouwegolf mee; ergens in 1999 een hele onopvallende verschijning. Nu, rond de jaarwisseling van 2000-2001 is het weer tijd voor deze komeet-zonder-staart. Het aantal krantenberichten over de RGL begon vanaf begin december plotseling te stijgen, en politici gingen er weer kreten over slaken. Bijvoorbeeld dat de tram over vijf jaar al zou kunnen rijden.

Ik zou liegen als ik beweerde, dat er veel nieuws onder de zon was, voor mensen die de RGL-ontwikkelingen de laatste 10 jaar hebben bijgehouden. Voor velen kwam de roep van een gedeputeerde, om een zijtak naar Schiphol, als een kerstster uit de lucht vallen. Een doldriest plan, maar ik herinner me al eens eerder zo'n voorstel op papier te hebben zien staan. Elke stads-, lands of provinciebestuurder, mits beschikkend over een goed bijgehouden archief, kan voor een oorspronkelijk denker doorgaan. Het voordeel van bestemming Schiphol is overigens wel, dat ook Alphen-Ridderveld weer binnen de gezichtskring komt van de RGL-planologen. Deze grote woonwijk met 40.000 inwoners is een paar keer als zijtak toegevoegd aan het tracé van de RGL, en er even vaak weer uitgeknikkerd.

Verder passeren allerlei Gordiaanse knopen opnieuw de revue, zonder dat er ook maar één wordt doorgehakt: de route van de tram over de smalle infrastructuur in Katwijk en Noordwijk; de inrichting van de Breestraat in Leiden; de keuze voor een tracé via Valkenburg (omdat dat zo'n lekker snelle route is, althans tot 2010, wanneer er 7.000 nieuwe huizen gebouwd gaan worden) of via Oegstgeest - Rijnsburg (omdat daar ook tussen 1880 en 1960 al een tram reed: voor sommige toekomstdenkers is dat een doorslaggevend argument).

Hoe denkt ROVER-Leiden nu over de Rijn- Gouwelijn? De meningen zijn wat meer uitgekristalliseerd dan op het moment dat ik die club verliet. Waar ik nog twijfel uitte aan een sneltramroute Gouda - Leiden Centraal via de Leidse binnenstad, is men daar nu ronduit tegen. Naast de argumenten die ik hierboven heb opgesomd, hebben de lokale ROVER's een nieuw, zeer steekhoudend bezwaar naar voren gebracht: bewoners van bijvoorbeeld Gouda en Waddinxveen zijn totaal niet geïnteresseerd in de Leidse binnenstad (men doet zijn boodschappen rond het Goudse stadhuis), maar des te meer in een snelle route naar Leiden Centraal, en de grote werk- en schoolconcentraties daar in de buurt.

ROVER-Leiden pleit nu - en naar mijn mening terecht - voor een splitsing van het RGL-project, dat tot dusverre als één onverbrekelijk geheel aan het publiek verkocht is.

Er komt in de visie van de reizigersvereniging een lijn van Gouda naar Leiden Centraal, via bestaand spoor, dus buiten het centrum van Leiden om. Die lijn moet gereden moet worden met light trains of hoe je het ook maar wilt noemen. Dit moois mag niet te koste gaan van de sneltrein Leiden - Utrecht, die al vermeld stond in het plan Rail 21 van 1988, en die we nu eindelijk eens zouden willen zien rijden.

En er komt een aparte tramlijn door de Leidse binnenstad, die vanuit Leiden uitwaaiert naar Katwijk, Noordwijk, Leiderdorp en eventueel Voorschoten en Zoetermeer. De bewoners van de twee kustdorpen Katwijk en Noordwijk, die traditioneel veel meer op Leiden georiënteerd zijn, krijgen zodoende een snelle verbinding met Leiden Centraal én een verbinding met de Leidse Breestraat. Leiden Lammenschans en Leiden Centraal worden de knooppunten; daar kan worden overgestapt van de Rijn-Gouwelijn Oost (Leiden - Gouda) op de Rijn Gouwelijn West (Leiden - kust / Voorschoten / Zoetermeer).

Die lijn naar Voorschoten is geen wild idee van ROVER; hij komt ook voor in variant-nummer-zoveel van het projectbureau dat zich met de ontwikkelingen rond de RGL bezighoudt. Zou je zo'n lijn in het leven roepen, dan ligt het voor de hand, hem meteen maar door te trekken naar het 4 kilometer verderop gelegen Leidschendam, waar hij kan aantakken op HTM-lijnen 7 en / of 3. De Rijn- en Gouwelijn wordt zodoende verrijkt met een Vliet-tak. Het zou ook helemaal geen slecht idee zijn, er HTM-trams over te laten rijden: die zijn comfortabel genoeg voor grotere afstanden, kunnen over het nieuwe tramtracé eindelijk eens hun topsnelheid van 75 km/uur halen, en zijn smal genoeg om in de centra van Leiden, Katwijk en Noordwijk te kunnen rijden zonder de verf van de gevels te schrapen.

Hoe meer ik erover nadenk, hoe helderder het me word, dat je die Rijn-Gouwelijn-West moet uitvoeren volgens het Agglo-net principe van HTM. Het succes van de eerste Agglo-lijn (HTM 17; Den Haag CS - Wateringseveld), ondanks fanatieke tegenwerking van een Rijswijkse wethouder, is moedgevend. Lijn 17 biedt, als we de binnenstad van Den Haag even buiten beschouwing laten, een snelle verbinding, en dat bij onderlinge halteafstanden van ca. 700 meter, tegen de 1 à 2 kilometer die je altijd in RGL-nota's ziet staan.

Natuurlijk moet het Agglo-systeem van HTM nog wat aangescherpt worden: mét negenogen die echt altijd op wit springen als er een tram nadert, en zónder personeelsleden die expres zo langzaam mogelijk rijden omdat ze een conflict met de directie hebben over de duur van hun koffiepauzes.

Op een middag in de donkere dagen na Kerstmis gaf ik met Han Poortman, de huidige voorzitter van ROVER-Leiden, een interview aan het Leidsch Dagblad over de tram-ontwikkelingen in onze regio. Ik hield mijn hart vast, want het valt niet mee, iemand in drie kwartier bij te praten over een sprookje dat al 10 jaar loopt. "Rover: tram in Breestraat is nutteloos", kopte onze streekkant de volgende middag, wat nooit onze bedoeling is geweest te beweren. Met angst en vreze begon ik het artikel te lezen, maar het viel nog mee; wie het aandachtig bestudeert, en een beetje thuis is in de streek, krijgt een goede indruk van ROVER's opvattingen over de ontwikkeling van de Rijn-Gouwelijn. Eén onjuistheid, die het artikel bevat, is de journalist niet aan te rekenen. Hij schreef, dat ROVER zich nog nooit eerder had uitgesproken over de RGL. Dat hebben wij wel, nl. door middel van mijn nota uit 1996. Maar ik heb het verzwegen. Als je in 2001 aankomt met een toekomstverhaal uit 1996, dat speelt in datzelfde jaar 2001, dan kun je geen aanspraak meer maken op begrip.

Zo, en nu maar wachten op de volgende verschijning van de RGL, die vermoedelijk gepaard zal gaan met pleidooien voor een Phileas .

Rest nog de vraag, hoe het tramsprookje gaat aflopen. Mag ik nog één keertje de tarot-kaarten leggen? Ik denk dat de laatste twee zinnen als volgt gaan luiden:

"Zij leefden nog lang en gelukkig, daar aan de boorden van de Rijn en de Gouwe. Alleen die tram; die is er nooit gekomen".