COLUMNS WEEK 37 *** 6 SEPTEMBER 1998
Frans Mensonides

Ogenblikkeloos

Meteen, direct, onmiddellijk (dubbel-d, dubbel-l), ogenblikkelijk, dadelijk, linea recta, stante pede, onverwijld, terstond, subiet, als een speer, zonder uitstel, als de gesmeerde bliksem.

Eén woord ontbreekt in dit rijtje van synoniemen: "gelijk". Ik heb het opzettelijk weggelaten. "Gelijk" is fout, zo is mijn generatie voorgehouden. Ik heb nooit reden gezien, daar aan te twijfelen. Ik gruw werkelijk als ik iemand het woord "gelijk" hoor bezigen in de betekenis van meteen, direct, onmiddellijk, enzovoort. Zelf zal ik het woord nooit gebruiken. Behalve als ik iemand ten tonele wil voeren die (hoewel op zich misschien geen slecht mens) niet al te snugger is en niet al te best weet hoe het hoort.

"Gelijk" is fout omdat het een lelijk woord is, en lelijk omdat het fout is. Wat was er eerder: het lelijke of het foute? Daar kun je over twisten. Over mooi en lelijk valt helaas niet te twisten. Over fout gelukkig ook niet: fout is gewoon fout.

Inmiddels - dertig jaar later - gebruikt iedereen het foute woord gelijk. Niet alleen wat dommige (hoewel misschien sympathieke) arbeiderstypes uit volkswijken, maar ook gestudeerde mensen, zoals TV-presentatoren. Die doen het dus allemaal fout. Dit is geen feit waaraan je lichtzinnig voorbij mag gaan. Het is een duidelijk teken dat het mensdom, althans het Nederlands sprekend deel daarvan, aan het verworden is. De naamvallen zijn al in onbruik geraakt; dit kan er ook nog wel bij.

Zelfs als iedereen "gelijk" zegt; zelfs als Onze Taal ergens in de jaren-dubbelnul schrijft dat we de bestelbon voor een abbelement gelijk op de bus moeten doen, zelfs als in de 96ste druk van van Dale onder het hoofdje meteen vermeld staat: "(verouderd) gelijk"; zelfs als mijn jongere medeburgers in 2056 vertederd achter mijn rug om glimlachen en zeggen: "die man gebruikt nog van die 20ste eeuwse uitdrukkingen", dan nog zal ik blijven volhouden dat "gelijk" fout is. Waar gaan we heen als twee plus twee plotseling zeven is, alleen maar omdat het dan lekker veel lijkt?

Heb ik gelijk of niet?



De digitale reiziger

Het verdwalen

Weg kwijt

Regelmatige bezoekers van "De digitale reiziger" zullen weten dat ik een opvallend talent heb om in normale, overzichtelijke situaties op een spectaculaire wijze te verdwalen. Wetenschappelijk beschouwd is dit terug te voeren op coördinatie van de beide hersenhelften, of liever: het ontbreken daarvan.

Ook linkshandigheid heeft er het nodige mee te maken. Als linkspoot heb ik voortdurend het gevoel, in een gespiegeld universum te leven. Dit leidt tot dolkomische verwikkelingen.

Zo heb ik het bij de Menckemaborgh in Uithuizen ooit gepresteerd, te verdwalen in een doolhof van hooguit 25 bij 25 meter. Dat ik zo'n labyrint binnenga, heeft te maken met een hoogstmerkwaardig bijverschijnsel van mijn verdooldheid: ik meen iedere keer opnieuw, dat ik mijn weg perfect weet te vinden. Niemand is verbaasder dan ikzelf als ik het spoor weer eens geheel en al bijster ben geraakt.

Na een halfuur in stijgende vertwijfeling doorgebracht te hebben in het Uithuizense doolhof, heb ik uit pure drift enige heggen en heesters ontworteld, waarna ik plotseling weer buiten stond.

Een zekere erfelijke belasting speelt een rol bij mijn verdwaaltalent. Ook mijn moeder verdwaalt regelmatig, vooral wanneer zij achter mij aanloopt. Op een herfstavond hebben wij eens uren door 't Loo in Apeldoorn lopen te dolen; een bos waarvan ik beweerd had, er de weg te kennen. Door informatie te vragen aan houtvesters, joggers en liefdesparen hebben wij de uitgang nog voor middernacht weten te bereiken.

Een heel sterk staaltje van verdwaalkunde heb ik eerder deze avond ten beste gegeven (ik schrijf dit op donderdag 3 september, te elfder ure). Om 18.45 moest ik aanwezig zijn in een gebouw dat gevestigd is aan de Nieuwe Gracht te Utrecht. De ingang is echter gelegen aan de Herenstraat. Geholpen door daglicht en een duidelijke plattegrond slaagde ik er in, het gebouw te vinden en zelfs te betreden. Later die avond schijn ik hetzelfde gebouw echter via de Nieuwegracht-zijde verlaten te hebben. Onbewust: ik liep achter een kluit medestudenten aan. Ik wist voor 100% zeker dat het station aan mijn linkerhand lag. Na ca. 300 meter sloeg de hele meute rechtsaf. Behalve ik: glashard en steeneigenwijs wendde ik de steven naar links. "Die mensen zijn misschien wel op weg naar een parkeergarage", zei ik tegen mezelf. "Of ze gaan ergens een afzakkertje drinken. Of ze zijn verdwaald". Dergelijke gedachten zijn kenmerkend voor de ontkenningsfase.

Een kwartier later stond ik voor een rijtje bezienswaardige huizen, dat ik herkende als het Bruntenhof, gelegen op vele kilometers van het centraal station.

"Godsgloeiende typhus" schold ik hardop, want erg subtiel in mijn woordkeus ben ik op dit soort momenten niet. De volgende fase is het uitbreken van paniek ("ik kom hier noooooit meer uit"); deze weerhoudt mij van de voor de hand liggende gedachte om mijn plattegrond te raadplegen.

Dan rest er nog maar een ding: een halte opzoeken en de bus nemen. Aan welke kant van de weg ik dan moet gaan staan, weet ik niet, maar dat kan ik meestal wel opmaken uit de informatie in de abri.

Dit is een ontegenzeglijk voordeel van een buslijn boven een auto, een fiets of de benenwagen: je kunt er maar twee kanten mee op.