COLUMNS WEEK 44 *** 25 OKTOBER 1998
Frans Mensonides

Writers block

Ik weet niks om over te schrijven. Misschien had ik deze week de actualiteit wat beter moeten bijhouden. Er is voldoende gebeurd, maar ik heb de krant nogal slordig gelezen.

Op het journaal zag ik in de Stadsgehoorzaal, in mijn eigen Leiden, twee boze mensen vechten om een microfoon. Blijkbaar hadden deze mensen wel iets te melden; waarom anders slag geleverd om het spreekijzer? Het ging over de Islam, en of die nou Goed of Fout was. Een dag eerder was mij op het Stationsplein een pamflet uitgereikt door mensen die tegen de onderdrukking in Iran waren. (Of was het Irak?) Zo begon het pamflet tenminste, maar een paar alineaís later kwam de aap uit de mouw. De opstellers waren niet alleen tegen de onderdrukking, maar ook tegen de Islam in het algemeen. Toen ben ik afgehaakt. Nu weet ik niet genoeg over deze kwestie om er een sappige column uit te destilleren. Onze asielzoekerstent is trouwens steviger dan die van Ermelo. Waarin een kleine stad groot kan zijn. .

Afgelopen week overleed de dichter Vasalis. Ik heb nooit iets van haar gelezen. Ik lees zelden gedichten. Het klinkt vreemd uit de pen van iemand die drs in het Nederlands wil worden; nog net voordat deze taal wordt afgeschaft, maar ik heb een Readers Block voor gedichten. Ik bezit een boek met wel meer dan duizend gedichten. Het is nog niet open geweest. Ik kan dus niet oordelen over de kwaliteit van Vasalisí werk, maar de kwantiteit vind ik beneden de maat. Zij schreef 100 gedichten in 89 jaar. Dat is niet veul. Het komt neer op 1,1 gedicht per jaar; een kwatrijntje per kwartaal. Ze zal wel vaak een Writers Block gehad hebben..

Er zijn schrijvers die boeken schrijven over hun writers block. Dit moet boeiende literatuur opleveren. Waarom gaat zoín man niet snoekvissen, punniken of batikken? Dat kan ook heel ontspannend zijn. .

Nee, ik sla de column deze week maar over. Voor de volgende gelegenheid heb ik al weer een paar ideeŽn.



De digitale reiziger

Wagenbeleiders

In de trams van de RET zijn sedert enkele jaren teams van wagenbegeleiders actief. Zij mogen geen kaartjes verkopen, noch controleren. Ook hebben zij geen opsporingsbevoegdheid. Zij staan in de tram, meestal in de harmonica, geleund tegen de zijwand. Louter door overtuigingskracht moeten zij de opstandige menigte passagiers in bedwang houden. Om niet helemaal weerloos te zijn, opereren zij in groepjes van twee tot drie. Dat is wel gezellig; ze kletsen wat om de tijd te doden. Doorgaans zijn het allochtonen; wij Nederlanders zijn humaan genoeg om hen de perspectiefloze baantjes te gunnen waar we zelf geen zin in hebben.

Mijn twijfel aan het nut van het fenomeen "wagenbegeleider" werd onlangs bevestigd door het volgende incident. Afgelopen zaterdag had ik in Schiedam een uurtje stuk te slaan en nam lijn 1 naar Woudhoek. In de tram bevond zich een groep van ca. 50 kinderen die een dagje uit waren met de stichting of het clubhuis, of zoiets. Zij stonden onder leiding van twee jongemannen, die zelf nog maar net uit het ei waren gekropen en aan wie ik mijn kinderen alleen zou toevertrouwen als Dutroux het enige alternatief was. Terwijl hun pupillen een krijserig lied aanhieven, liepen de leiders naar de wagenbegeleidsters en hielden pestend een bundel strippenkaarten omhoog. "We hebben er te weinig afgestempeld, maar jullie mogen ons lekker niet controleren". De WB's lachten hartelijk; het waren vrolijke naturen.

"Jongens, de volgende moeten we eruit" brulde een van de ontaarde akela's."Kunnen we nog net even zingen en springen!" De kinderen sprongen op de maat van de "muziek" op de vloer, zodat het achterste gedeelte van de tram wild op en neer veerde. In Amsterdam schijn je zo een tram kunnen laten derailleren, maar de Rotterdamse trams staan iets steviger op hun wielen. De WB's keken strak de andere kant op. Uiteindelijk riep de bestuurder door zijn microfoon dat het gedonderjaag daar achterin uit moet zijn, waarna tot mijn verbazing onmiddellijk een doodse stilte intrad.

Na afloop van de rit liep ik met een katterig gevoel op de Scheepvaartweg. Ik had iets moeten doen, als burger. Ik had meer moeten doen dan de wagenbegeleidsters toebijten: "ik wou dat ik zo mijn geld kon verdienen, met niksdoen van een ander zijn belastingcenten". (Dat was niet aardig, en bovendien onwaar. Ik zou mijn baan bij de meest opmerkelijke gemeente van Nederland niet graag verruilen voor een uniform van de RET).

Wat had ik dan moeten doen? Tegen 50 losgeslagen kinderen en twee imbecielen kan ik het niet opnemen, maar ik had er minstens een paar met de koppen tegen elkaar kunnen slaan. Dan was ik op aanwijzing van de wagenbegeleidsters gearresteerd wegens mishandeling, want tegen eenlingen durft het geŁniformeerd gezag meestal wel op te treden.

Dit had ik moeten doen, bedacht ik een kwartier later: aan de noodrem trekken. En waardig uitstappen, met de woorden: "in zo'n rijdend gekkenhuis wens ik niet vervoerd te worden". Dat had me hooguit een boete van 65 gulden gekost; het geld meer dan waard.

Het systeem van wagenbegeleiders is een middel dat erger is dan de kwaal. Het is ineffectief, dus overbodig (waarom steken ze dat geld niet in een paar extra bussen naar Ter Aar). De wagenbegeleiders van de RET creŽren bij de passagiers een vals gevoel van veiligheid, bij zichzelf een vals gevoel van nuttigheid en bij slappe burgers als ik een vals gevoel van het-is-mijn-pakkie-an-niet-meer. Als je per se alle problemen wilt oplossen door een blik uniformen open te trekken, zorg dan tenminste dat die mensen voldoende bevoegdheden hebben om datgene te doen waarvoor ze aangenomen zijn. De softe nonsens die RET tentoonspreidt met deze wagenbegeleiding, zou je eerder in Amsterdam verwachten; het is een stad als Rotterdam onwaardig.