De digitale reiziger (14):
In het voetspoor van de nachtegaal; winter in Zeeland


<< naar thuispagina Frans Mensonides

Dichters, immer opgewekt volkje, gewend om uw geest naar grote hoogten te laten zweven! Altijd bent u welkom bij de goden, die u op hoogtijdagen uitnodigen voor hun banket. Daar mag u aanschuiven naast Apollo, god der poten, de wijste zoon van Jupiter. Hoe gelukkig bent u, vergeleken met iemand die voor een schamel loontje zit te verpieteren op een kantoor, zo’n grafgewelf waar je menige dode aantreft! Vanuit het diepst van mijn hart eer ik u als de brengers van onsterfelijkheid, terwijl ik verkeer in de schaduw van haar kroon.
Nu heb ik gehoord dat u met schrandere listen Zeeland bent binnengedrongen om ook hier uw toverkunsten te vertonen. Wilt u goud maken uit modder? Nee, het is een nog groter waagstuk dat u gaat ondernemen. Het zou een groot wonder zijn als u een Zeeuwse nachtegaal aangenaam kon laten kwelen, die in zijn moederstaal niets anders roept dan borrkkkkk.

Vertaling van Anna Roemersdochter Vissers Sonnet Aen de Zeeusche Poten in Zeeusche Nachtegael, p. 54.


Busstation Zierikzee


Een reprise, deze titel. In 2003, toen nog als hoofdredacteur van het Internettijdschrift-zonder-plaatjes REFLEXXIONZZ, schreef ik ook al eens een Winter in Zeeland. Dat jaar bezocht ik Rilland, Bath, Arnemuiden en Breskens. De tocht in februari 2006, wel voorzien van illustraties, zal voeren naar Zierikzee, Brouwershaven en Renesse, alle drie op Schouwen-Duiveland. Drie toeristenoorden; ik verkneukel me bij voorbaat al op de naargeestige, desolate sfeer die daar zal heersen op de winterdag – ieder zijn meug.

Nog een verschil met 2003: ik doe het deze keer niet per trein en boot, maar per bus. Tussen Rotterdam Zuidplein en Vlissingen NS / Veerhaven strekt zich de route uit van n van de langste streekbuslijnen van Nederland, connexxion lijn 133, met een rijtijd van op de kop af 2,5 uur. In die tijd reis je door 26 zone’s, leg je circa 120 kilometer af en passeer je slechts 48 haltes. En haltebord per 2,5 kilometer; die statistiek duidt op een rit door dunbevolkte landstreken. De toendra’s van Nederland; het zou erbij moeten sneeuwen. En Brouwershaven kom je dan nog niet eens tegen. Daarvoor moet je in Zierikzee overstappen op lijn 134: Zierikzee – Renesse.

 

De rit begint dus op Rotterdam-Zuidplein, waar ik een kwartier op de bus moet wachten, en me loop af te vragen waarom busstations toch altijd van die ongezellige tochtgaten moeten zijn. Dat van Zuidplein bestaat voornamelijk uit beton, dat doorgaans niet echt sfeerverhogend werkt.

Ik neem de wijk naar binnen, het metrostation, en observeer vijf minuten lang de passagiers die de klaphekjes passeren. In die tijd zie ik niemand die al in het bezit is van de nieuwe OV-chipkaart, die sedert december 2005 aan de man wordt gebracht. De kaart is momenteel te gebruiken in de metro en op de connexxion-lijnen naar Voorne-Putten en de Hoeksche Waard. Maar niemand heeft hem al; ik zie tientallen reizigers de poortjes openen met een strippenkaart of althans een voorwerp dat die breedte en dikte heeft.

Lijn 133 is enkele jaren geleden ontstaan uit een herverkaveling van het lijnennet in Zeeland. De lange lijn 104, Spijkenisse – Vlissingen werd ingekort tot Renesse, ten gunste van de 133, die tot dan nooit verder was gekomen dan Burgh-Haamstede. Lijn 104 reed indertijd eens per uur. 133 biedt overdag op werkdagen op Nerlands steppen zelfs een halfuurdienst, zij het dat reizigers op het traject Rotterdam – Oude Tonge om en om lijn 136 moeten nemen en in de laatstgenoemde plaats moeten overstappen.

Ik stap in de bus met dat lijnnummer, en ben in het gezelschap van een vijftiental studerenden op een vroege thuisreis. We vertrekken, en nemen voorbij het Vaanplein snelweg A-29 richting Zeeland. Voorbij de Heinenoordtunnel doet de zon een halfslachtige poging, het dikke wolkendek te doorboren. De kortstondige koudegolf, hierheen gewaaid uit Siberi, is alweer op zijn retour; momenteel staat de thermometer een paar millimeter boven het nulpunt.

Wij kruisen onder meer de Stougjesdijk, de Oud-Cromstrijensedijk en de Bommelskoussedijk; heerlijk, dergelijke uitheemse namen op viaducten! Hoewel de route van lijn 136 door de Hoeksche Waard voert, is deze bus niet voorzien van een Chipkaartlezer. Dat zou ook overdreven zijn; deze lijn heeft slechts n halte in de Hoeksche Waard, en wel langs de snelweg, ter hoogte van Numansdorp.

Het moet een zekere charme hebben, studeren of werken in een wereldstad en elke dag terugkeren naar een plek waar je van de wereld dreigt af te vallen. De bus stopt bij een halte op Goeree-Overflakkee, op slechts een halfuur rijden van de grote stad. Een abri in een kouvlakte, een fietsenstalling en een ANWB-wegwijzer met belofte van dorpen op fietsafstand: Achthoven en Ooltgensplaat.

Alles is vlak en recht, in deze streken. Recht zijn de dijken, recht de wegen, recht de voren in het akkerland, recht de wieken van de windmolens, recht de hoogspanningsmasten. Deze rechtlijnigheid doet beslist niet onaangenaam aan. Je waardeert hier des te meer alles wat ook enigszins gebogen en rond is: de wolken, de elektriciteitkabels, wijzelf.

Even later het busstation van Oude Tonge, een lange, blauwe abri in de polder, naast het dorp van die naam. Het dorp heb ik nooit bewandeld. Ik heb er ook vandaag geen zin in; hier stap je alleen over.

Verder met lijn 133. In een soort drooggevallen waddenzee – een slik, heet zoiets, geloof ik – houden diverse watervogels dapper stand in de kou. Vele kilometers verder maken we een lus door Bruinisse. ‘Schitterende Recreatie Buitens’ belooft dit watersportdorp de argeloze passant. Ik zie ze, in het ‘Resort Aqua Staete’, met ae, uiteraard; bijeengegroepeerd en op een hoop gedreven, met rustieke houten geveltjes, en zo dicht op elkaar dat je ‘s nachts je buurman kunt horen pissen.

70 minuten na vertrek uit Rotterdam rijden we Zierikzee binnen. Eens was hier het hoofdkantoor gevestigd van de busmaatschappij ZWN, die in 1999 is opgegaan in connexxion. Het pand huisvest nu een makelaardij; het busstation is teruggebracht tot een lange, brede stoep met een paar haltes erlangs.



Zierikzee is een sympathieke monumentenstad, met doorkijkjes onder poorten door, met molens, met smalle gevelstraatjes die aflopen naar de Nieuwe (jacht)Haven. Rond de oude zeehaven, anderhalve eeuw geleden gedempt, zie je duidelijk dat Zierikzee eens een machtige stad was. De gevangenis oogt grimmig, de stadstorens onneembaar, de Sint Lievensmonsterkerk is inderdaad van monsterlijke proporties.

Die lelijke, grauwe toren bij die kerk had nog veel hoger moeten worden dan de 62 meter die hij nu telt; wat je nu ziet, is feitelijk maar het onderstuk. Daar hebben ze dan al 56 jaar over gedaan. Minstens 130 meter hoog had hij moeten zijn; volgens sommige historici zelfs 180 200 meter. Daarmee was de toren verreweg de hoogste geweest van Nederland en omstreken. Een waagstuk, hier in de kleigrond, en het is dan ook niet gelukt. Na die 56 jaar bouwen, en nadat de Zierikzeenaren er 100.000 gulden en miljoenen bakstenen in hadden gestopt, waren de centen op. Men heeft hem maar zo gelaten. In later eeuwen hebben ze er nog het lullige puntdakje opgezet dat het gevaarte nu ontsiert.

62 meter is voor mij hoog genoeg. Ik heb het ding eens beklommen; dat was vr de tijd dat ik gektevrees kreeg bij het vertoeven op grote hoogten. Ik word nu al beroerd als ik dat geval zi.

De kerk die erbij hoorde, was zo groot als een voetbalveld. In 1832 brandde hij uit en af. Na een zich tientallen jaren lang voortslepende architectenruzie besloot men, de kerk in iets kleinere afmetingen opnieuw op te bouwen. Het winnende ontwerp voorzag in veel te hoge en dikke Griekse zuilen. Het resultaat: de naar mijn smaak allerlelijkste kerk van Nederland. Maar indruk maakt hij wel.

Aan de andere kant van de stad staat nog zo’n grotesk bouwsel: een 47 meter hoge graansilo, in 1954 gebouwd onder protest van een iegelijk die nog enig gevoel voor smaak en proporties in zijn donder had. Toch stoort ook die silo me allerminst, het hoort op een of andere manier bij dit stadje, dat graag de hemel in reikt, maar in de breedte niet erg is uitgedijd in de loop der eeuwen.

Je went aan de kou; er is geen geldige reden om binnen te blijven. 31 januari 2006; de watersnoodramp van ’53 is vandaag 53 jaar geleden, valt me in. De koude straten van de in de zomer zo drukke havenstad zijn aangenaam stil. Ik ben de enige die hier met een fototoestel rondloopt, en daarmee zelf een bezienswaardigheid. Ik zie mensen gniffelen en elkaar aanstoten: daar loopt een toerist, waar heeft die man zin in!

Maar daar, buiten de poort, zie ik meer mensen met een camera. Werken, een schouwspel dat nimmer verveelt! Er wordt een betonvloer gestort, een enorme vloer, alles gaat hier nog steeds in het groot. Een hydra, uit de Griekse mythologie, kronkelt zich over een rooster van staal en produceert een dikke straal beton. Het komt uit een grote machine, die om de drie seconden een hikkend, kokkend geluid maakt. Het lijkt wel of de hydra beton staat te kotsen. Een stoere werkman heeft een ijzeren haak waarmee hij de slang bezweert.


‘Wandeling’, zo heet een straatje bij de Zierikzeese wallen. De mijne zit erop; ik pak de bus naar Brouwershaven. Ik deel het voertuig met een viertal middelbare scholieren, tweede klassertjes, met beugels. Vroeger was je een beklagenswaardig wezen met zo’n stuk ijzerwerk tussen je kaken; tegenwoordig zie je iedereen ermee, en loop je met traumata rond als je de enige van de klas bent zonder. Hopelijk vergoedt het ziekenfonds het allemaal nog steeds, ook na 1 januari 2006.

-‘Ik heb bijna al mijn Rolo’s weeggegeven’, zegt een beugeljongen.
-‘Sukkel, lul, waarom koop je ze dan?’
-‘Gaat je niks aan!’

Hij was door een leraar betrapt op snoepen tijdens de les en werd eruit gestuurd. Uit het gesprek dat volgt, maak ik op dat je in Zierikzee niet erg veel hoeft te misdrijven om dat lot te delen: als je je boeken niet bij je hebt, als je een poging hebt gedaan tot afkijken; je vliegt eruit. Eruit gestuurd worden brengt een hele nasleep met zich mee, zoals brieven aan ouders die geparafeerd terugbezorgd moeten worden, en een uitgebreid pakket aan strafmaatregelen: de volgende dag aanwezig zijn op een onchristelijk vroeg tijdstip, een opstel schrijven over normen en waarden.

De beugeljongen is er wel tien keer uitgestuurd, zegt hij, stoer, de laatste keer wegens het luisteren naar een MP3-speler tijdens de les. ‘Niemand kan hem zo hard zetten als ik. Er zit Dolby-SurroundSound op’.

De zon komt erdoor en de kerk van Brouwershaven doemt op, al even wanstaltig groot als die van Zierikzee. Het godshuis lijkt een paar meter boven de landouwen te zweven, als een ruimtevaartuig vol marsmannetjes of Klingons zonder vreedzame bedoelingen. ‘Ik heb zin in spekkies’, zegt de gebeugelde.

Ik stap uit bij de enige halte die het havenstadje rijk is. Brouwershaven, dat in geen enkele eeuw veel meer inwoners heeft geteld dan 1500, was ooit een geduchte concurrent van Zierikzee; haven en kerk staken de buurstad naar de kroon. Tegenwoordig is dat eigenlijk ook nog zo. De jachthaven mag er in ieder geval wezen. Hij ligt stilletjes te soezen in de winterzon, evenals de hectarengrote kinderboerderij bij de wallen, waar ik, ongelogen, de laatste in leven zijnde dodo zie rondwandelen.

Mensen zie ik niet in Brouwershaven; ik zie geen hond, maar hoor ze wel overal blaffen. Achter een muur vandaan klinkt een gebas dat wel moet duiden op een hellehond, of minstens een hound of the Baskervilles. Het geblaf gaat over in een vervaarlijk gegorgel. Liters kwijl en snot zijn in beroering in die hondenkeel. Hij zit gelukkig achter een dikke schutting; de aanblik blijft me bespaard. Het klinkt bepaald niet als een Zeeuwse nachtegaal. Die eretitel is bovendien al vergeven aan de kikker, die ik vandaag nergens hoor of zie. De Zeeusche Nachtegael is bovendien de naam van een bundel pozie uit 1623, samengesteld op initiatief van Jacob Cats, om de Zeeuwse dichters op de literaire kaart te zetten, die nogal door Hollanders gedomineerd werd.

Juist als ik zover ben in mijn train of thoughts, zie ik een zeshoekig bordje: Jacob Cats Route, alsof mijn gedachten het tevoorschijn hebben geroepen. Nu begint het langzaam maar zeker tot me door te dringen dat ik me bevind in de stad waar deze op handen gedragen en verguisde dichter in 1577 geboren is. Ik had er eerder op moeten wijzen, maar heb er gewoonweg niet aan gedacht; ook niet toen ik thuis deze dagtocht zat voor te bereiden.

Dat is de narigheid met Jacob Cats; je kunt niet om hem heen, maar zou hem gaarne verbannen uit je geheugen. Hij heeft een complete eeuw Nederlanders opgevoed met zijn vrome, moralistische gedichten; hij is bewierookt door het nageslacht, hij werd Vadertje Cats genoemd. Maar, als ik even uit de collegezalen mag klappen: als er tegenwoordig onder studenten Nederlands vrijwilligers gevraagd worden om een spreekbeurt of werkstuk te wijden aan deze dichter, dan vallen er pijnlijke stilten. Dan bladert iedereen verwoed in zijn aantekeningencahier; dan kijkt men uit het raam, omdat er buiten net iets zeer opmerkelijks voorvalt; dan observeert een ieder nauwgezet het groeien van zijn vingernagels – een activiteit die ongeveer even boeiend is als het lezen van Cats.

Die man is zo saai. Het is niet alleen zijn brave onderwerpkeuze en de voorspelbare manier waarop hij het uitwerkt; het is ook die doordringende dreun, dat metrum. Ik ben tijdens het lezen een keer letterlijk in slaap gevallen. Dat doe ik overigens ook bij moderne moralisten, zoals Freek de Jonge.

Ik heb humoristische literatuur gekozen als studieterrein (na jarenlang vergeefs gepoogd te hebben, zulke literatuur te schrijven); er is weinig kans dat ik Cats nog tegenkom. Wel las ik laatst iets grappigs over hem. Cats maakte carrire in Den Haag, en liet daar een buitenhuis bouwen, dat thans bekend staat onder de naam Catshuis en ambtswoning is van de minister-president. Een van de aannemers die bij de bouw van het Catshuis betrokken was, heette Balkeneijnde; wonderlijk hoe gebeurtenissen en personen hun schaduw eeuwen vooruit werpen!

Wie de humor bestudeert, lijkt op Schouwen-Duiveland een uitwedstrijd te spelen. Uit deze streek kwamen de strengste calvinisten; lieden die je nooit hoorde lachen, omdat ook nergens in de bijbel een lach vermeld staat van Jezus Christus. De lach, wat humor, een beetje relativeringsvermogen: het is nooit het sterkste punt geweest van fundamentele godsdienstigen. Heel de wereld houdt zich vandaag, 31 januari 2006, bezig met een paar cartoons die in het verkeerde keelgat geschoten zijn van de muzelmannen. Mohammed wint met afstand de prijs voor de profeet met de langste tenen.



Gedenk te sterven! Heel het leven in deze streek is, of was, doordesemd van de dood. Ik heb in abri’s gestaan in Roodeschool en Oostburg, in Huisduinen en Spekholzerheide, en overal daartussenin, maar nergens trof ik nog aan wat ik hier in Brouwershaven zie: een reclameposter voor een begrafenisondernemer. Hij is op heel Schouwen-Duiveland en aanpalende eilanden aan huis te ontbieden; hij kan dag en nacht gebeld worden. Vraag de gratis kleurenbrochure aan!

Op de lange rechte weg die langs het stadje loopt, zie ik een gelede streekbus rijden. Even acht ik me het slachtoffer van een zinsbegoocheling, maar een paar minuten later stopt het voertuig toch vlak voor mijn neus; het is wel degelijk lijn 134 richting Renesse. Er zitten wat scholieren in en een hoogbejaarde man, die tegen de chauffeur zegt: ‘Ik ben wezen klaverjassen. Vorige week ook al, in Burgh-Haamstede, en de week daarvoor in Zierikzee. Je mot toch wat, as je achentachenteg bent.’
-‘Mijn vader is vierentachenteg, maar die wandelt nog hele einden’, zegt de busbestuurder, op een toon van: nou jij weer.

Bus 134 wordt in 2007 het slachtoffer van bezuiniging; het staat nu al op de haltevertrekstaten aangekondigd. Na de jaarwisseling, thans nog 11 maanden weg, zal de lijn alleen nog rijden op tijden dat scholieren onderweg plegen te zijn. Alleen in het toeristenseizoen wordt dan nog een volledige dienstregeling geboden.

‘Rness-sur-Mer’, kondigt de chauffeur aan; hij zal die grap tot zijn achentachentigste blijven maken. De bus stopt op het transferium. In de zomer is het hier een komen en gaan van strandbusjes; Renesse kent dan een dicht net van bussen naar stranden en campings. Ik had gehoopt, hier meteen te kunnen overstappen op bus 133 richting Vlissingen, maar ik moet helaas 40 minuten wachten.

Opnieuw een zinsbegoocheling; op het lege, stille, schemerige plein stopt een Strand Expresse, een felgekleurd achtpersoons busje. Niemand stapt in; niemand wil naar het strand, op het schemeruur in de winter. Ik loop op het busje af en klop op het koetswerk. Dat klinkt en voelt echt, maar dat zegt niets; het kan deel uitmaken van mijn zinsbegoocheling.

Hier blijf ik liever niet staan; wie weet wat er straks allemaal nog meer gebeurt. Ik loop Renesse binnen. Eindelijk overvalt me de desolate sfeer die ik vandaag gezocht heb. Het dorp is zo stil als een Texaans stadje tijdens de sista of een bezoek van de gebroeders Dalton. Tot overmaat kom ik hier uitgerekend op dinsdag, de winkelsluitingsdag.

Verderop, bij de kerk is toch nog iets open. Je kunt er de Bild-zeitung kopen, en de Frankfurter Allgemeine, in deze Duitse enclave, maar vandaag wil niemand ze hebben. Ik loop nu maar terug naar het busstation, waar de Strand Expresse verdwenen is – ik had al weinig vertrouwen in de existentie ervan.

Bus 133 brengt me naar Middelburg. Het is donker geworden, en ik zie dus niets meer. Ook de Oosterscheldedam zie ik niet. Hele delegaties Amerikanen zijn er onlangs naar komen kijken, om te onderzoeken of ze in de omgeving van New Orleans ook niet zoiets zouden kunnen aanleggen. Heel vleiend voor ons, Nederlanders, al die aandacht, maar het is wel pijnlijk dat we die delegaties moeten weghouden van de rotte plekken in onze eigen dijken. De Afsluitdijk staat op punt van verkruimelen, en dat met die klimaatveranderingen, die nu echt wel doorgaan – zowel koude winters als zachte zijn er een voorbode van, evenals gemiddelde winters zoals we dit jaar beleven; we kunnen de kop niet meer in het zand steken.

Noem mij een zwartkijker, maar ik had de afgelopen weken ineens een paar keer een beeld op mijn netvlies van een evacuatie via een weggennet dat normaliter bij het eerste sneeuwvlokje al volkomen vastloopt, op de vlucht voor een metershoge watermuur uit zee. Let er maar niet op; ik zit nu eenmaal zo in elkaar. Laat ik me spiegelen aan bewoners van vulkaanhellingen, die nooit denken aan lava.

In Middelburg stap ik uit op het Hof van Tange, en loop vervolgens nog drie kwartier door de binnenstad te dwalen voordat ik het spoorwegstation gevonden heb. Nachtegaal wordt nachtvlinder.

Frans Mensonides
7 februari 2006


Gegevens over Zierikzee ontleend aan Zierikzee – Monumentenstad, een heel mooie site, een bezoek waard.
(Her)lees Winter in Zeeland uit 2003; deel 1 en deel 2

Frans Mensonides, Leiden, 2006


<< naar thuispagina Frans Mensonides