Dicht bij huis (3): Lijn 13, ofwel: Met mevr. Vogelaar in een prachtwijk


 

Deze reeks kende al stukjes over Katwijk en Voorburg. In de eerste aflevering kondigde ik de ultieme uitdaging aan: een verhaal schrijven over de stadsbus die zich door mijn eigen woonwijk slingert, Leiden Zuid-West. Dat is sinds december 2008 lijn 13 (Station De Vink – Leiderdorp Leyhof).

Maar die lijn rijdt ook nog door andere Leidse prachtwijken, waaronder De Kooi. Geen van die wijken stond op het lijstje van de afgedankte PvdA-integratieminister Vogelaar – die onlangs de over haar uitgegoten modder naar Wouter Bos retourneerde in een boekje dat ik nog niet gelezen heb. Maar dat ik zeker lezen g: altijd even sappig als verheffend, die richtingenstrijden in de PvdA!

Zelf heb ik zeer lang gelee een zeer blauwe maandag onder mevrouw Vogelaar (een andere) gewerkt aan de culturele verheffing van de Leidse arbeidersjeugd, en daar een zeer bescheiden rol in gespeeld. Het verhaal vraagt erom, op schrift gesteld te worden.

LEES OOK HET VERVOLG VAN NOVEMBER 2009 >>>


 

Eerst wat meer over het OV, toch nog altijd het hoofdonderwerp van De digitale reiziger. De achtereenvolgende Leidse busbedrijven (NZH, WN, ZWN en Connexxion) hebben nooit last gehad van bijgeloof. Het lijnnummer 13 is decennialang gedragen door een ringlijn door de Leidse dreven. Op die lijn deden zich niet meer ongelukken en incidenten voor dan op lijn 14, die het rondje in de andere richting reed, waaruit wel blijkt hoe onzinnig het bijgeloof rond het getal 13 is.

De nieuwe lijn 13 ontstond bij een herverkaveling van het busnet. Hij begint bij Station De Vink en volgt tot Leiden Zuid-West de route van de oude lijn 13. Dan gaat het volgens de voormalige route van lijn 40 verder naar Leiden Lammenschans en Leiden Centraal. Daarna wordt Leyhof bereikt via de ex-route van de eveneens opgeheven lijnen 15 en 17.

De lijn is hierboven in felgeel getekend op de kaart van Leiden en randdorpen. Het eerste wat opvalt: hij slingert nogal. 7 meanders kent de route. Begin- en eindpunt liggen hemelsbreed 6,1 km uit elkaar, maar de route over de weg is maar liefst 13,8 km lang.

Dat brengt natuurlijk ook een lange rijtijd met zich mee. Oh, mijn ritjes naar Leiden Centraal verlopen snel genoeg, in ongeveer een kwartier. Maar van de winter geviel het, dat ik een paar keer in de Sumatrastraat moest wezen, in De Kooi. Te voet leg ik daarbij 4,4 km af en doe daar exact 47 minuten over; met lijn 13 is de rit 9,3 km lang en duurt de reis een minuut of 35; toch een dozijn minuten winst. En dat allemaal voor twee strippen. Deze lijn lijkt speciaal ontworpen voor het chipkaarttijdperk. De reiziger betaalt dan de afgelegde afstand, en moet daarmee voor elke slinger in de beurs tasten.

Met al die slingers doet lijn 13 wel het hele winkelgebied van het centrum aan, en dat is de oorzaak van de populariteit die de lijn snel verworven heeft. Je zou kunnen uitstappen op de Korevaarstraat, op je gemakkie in tien minuten lopen naar de Pelikaanstraat, en daar dezelfde bus weer oppikken, die langer over zijn omwegen gedaan heeft dan jij over de kortste weg. Je hebt er natuurlijk niets aan, maar het KAN, daar gaat het nu even om.

Nog een bijzonderheid van deze lijn: hij kruist zijn eigen pad. Wie het volledige, ruim 50 minuten durende ritje rijdt van De Vink naar Leyhof, zal twee maal de Nieuwe Beestenmarkt passeren, met een tussenpoos van ongeveer 7 minuten. De argeloze vreemdeling denkt: hier ben ik toch al geweest?, en heeft gelijk. Op de terugweg ‘dubbelt’ de bus de Stationsweg. Even verderop, op de Steenstraat, staat een curieuze halte. Lijn 13 halteert in beide richtingen aan dezelfde haltepaal, zowel naar Leyhof als naar De Vink. Je begrijpt dat dit aanleiding geeft tot komische misverstanden onder reizigers!

Drie NS-stations doet deze lijn aan: De Vink, Lammenschans en Leiden Centraal. Ongelooflijkerwijze heb je bij geen van deze stations een goede aansluiting op de treinen. Hoe krijgen ze een dienstregeling zo ontworpen! Bij De Vink bestaat er een zeer krappe (mis)aansluiting op de treinen naar Den Haag; bij Lammenschans op die naar Utrecht. Bij Centraal sluit die bus niet aan op enige trein die ik ooit neem. Eerlijkheidshalve moet gezegd worden dat het vanuit de richting Leyhof iets beter is, maar daar heb IK niet veel aan.

Lijn 13 rijdt om het kwartier, behalve op zon- en feestdagen en na 19:00, wanneer halfuursdienst geboden wordt. Bij de invoering van deze lijn verviel het stukje naar het voormalige eindpunt in Zuid-West aan de Cornelis Schuytlaan. Het leidde tot protesten van bewoners van het bejaardentehuis, sorry: Woon-zorgcentrum Rijn en Vliet, die nu afgescheept worden met lijn 48, die niet komt waar zij willen wezen. Ook de Koninginnelaan raakte verstoken van busvervoer.

Maar dat zal allemaal teruggedraaid worden. Per 30 augustus 2009 rijdt de helft van de ritten weer via Rijn en Vliet
en de Koninginnelaan, onder lijnnummer 14. De ritten op lijn 13 blijven rijden via De Vink en via Station Lammenschans.
Een succes voor de reizigerslobby, die streed onder de naam Busgroep Zuidwest.

Aangevuld op 22 juni 2009

 

Nachtopname van het voormalige eindpunt aan de Cornelis Schuytlaan (archieffoto 2007)

Aan de voet van dit artikel een reeks foto’s van lijn 13 in chronologische volgorde (in volgorde van de route, bedoel ik; ‘hodologisch’, zou je dat eigenlijk moeten noemen, als dat woord bestond). Nu iets over De Kooi.

De Kooi, dan, is een volkswijk in het oosten van Leiden. Hij ontleent zijn naam aan een eendenkooi die hier ooit geweest is (schreef ik ook al in dit sfeervolle stukje uit 2002, waarin ik me bij wijze van uitzondering per fiets verplaatste). De wijk kwam tot stand in de periode na de eerste wereldoorlog. In die tijd waren de bouwtechnische eisen wat minder streng dan thans. Er werd niet geheid, hoewel dat wel nodig was; het was toch maar voor arbeiders. Ook deden zich rond de bouw een aantal sappige schandalen voor.

Feitelijk was de boel al krakkemikkig toen de huizen opgeleverd werden. De Kooi leek geen lang leven beschoren, maar was wel populair. Leidenaren met gezondheidsklachten werd zelfs wel een verhuizing naar ‘buiten’ aangeraden, en met ‘buiten’ bedoelde men dan deze nieuwe wijk. De grote bevolkingsdichtheid in die knusse, smalle straatjes maakte een intensief buurtleven mogelijk – en intensieve burenruzies, zo stel ik me voor. De winkeltjes op de straathoeken waren erg in trek. Tegenwoordig staan er veel leeg en lijkt ook de rest ten dode opgeschreven. De Kooi kampt met verkeersproblemen en de mensen rijden liever met hun auto naar een weidewinkel.

In de jaren 80 werd een deel van de buurt gerenoveerd. Wat overbleef, de Oude Kooi, staat nu op de nominatie voor sloop. Het doet een hoop Kooienaren veel verdriet.

In 1975 ben ik een poosje vrijwilliger geweest in buurthuis Het Spoortje (eigenlijk in Leiden Noord, net over de wijkgrens). Uit die dagen herinner ik me levendige discussies over de verheffing van de Leidse arbeider. Linkse intellectuelen maakten zich daarvoor sterk en het clubhuizenwezen zat vol met die wezens.

Er werd over arbeiders gesproken alsof het een diersoort was, een bedreigde diersoort, maar wel n met gebruiksaanwijzing. ‘Eerst bekijken ze je misschien met wantrouwen. Je bent tenslotte een intellectueel; je komt intelligent over op die mensen. Daar kun je niets aan doen, maar je moet er wel rekening mee houden. Maar als je eenmaal hun vertrouwen gewonnen hebt, dn gaan de verhalen komen! Dan hoor je over die ellendige huizen, dan hoor je over hun problemen met de opvoeding, dan hoor je…’ Dan hoorde je van alles, en pas daarna kon er iets aan gedaan worden. Want ook hun wereld was maakbaar, zoals alles maakbaar was in 1975. Maar dat moest dan wel gebeuren door ns. Mt participatie van de betrokkenen, natuurlijk. En waar geen problemen bestonden, werden ze de mensen wel aangepraat.

 

De Kooi in 13-voud, met onder meer een oude kerk met een klok zonder wijzers, een fonkelnieuwe moskee, bus 13 nog een keertje op de Surinamestraat en het bordje (moeilijk leesbaar) met de jaartallen 1919-1920

Een paar maanden later (nog steeds in 1975) kreeg ik een baan bij de Openbare Bibliotheek, een soort werkervaringsplaats voor schoolverlaters, met een afkorting die ik me niet meer te binnen kan brengen. De bibliotheek kon wel wat extra handjes gebruiken. Er was – ook alweer tot culturele verheffing van de arbeidersjeugd – ‘contributievrijdom’ van kracht geworden. Tot 18 jaar kon je gratis lid worden van de bibliotheek. Tot dan toe had een jeugdlidmaatschap 5 gulden per jaar gekost; een te grote barrire in kringen waar nooit boeken werden gelezen, maar slechts ‘boekies’, tijdschriften met weinig tekst en veel illustraties.

Ik had er een hard hoofd in, maar de contributievrijdom werd een levensgroot succes. Een te groot succes, bijna, want het bibliotheekpersoneel werd in arbeiderswijken bijna onder de voet gelopen door leeslustige kinderen. En daar de omgangsvormen van deze diersoort wat ruwer waren dan die van de VWO-kindertjes die de leeszalen tot dan toe bevolkt hadden, gaf dat nog heel wat problemen.

Zeker op filiaal Noord, gevestigd in de kelder van een modern schoolgebouw in de noordoosthoek van De Kooi. Het filiaalhoofd was daar de genoemde mevrouw Vogelaar; niet Ella dus, maar iemand die toevallig ook Vogelaar heette. Ik had haar nog nooit gezien, maar talloze legenden over haar gingen door de bibliotheekgangen.

Mevrouw Vogelaar was lang niet voor de poes. Ze zwaaide met harde hand de scepter. Ze was bereid, leners tot de uithoeken der aarde te achtervolgen voor een dubbeltje boete (er was wel contributievrijdom, maar geen vrijdom van bibliotheekboetes). Raddraaiers verwijderde zij bovendien hoogstpersoonlijk hardhandig uit de bibliotheek. Ze trok ze desnoods aan de oren. Ze had de wind eronder.

Maar op een woensdagmiddag brak er een opstand uit tegen mevrouw Vogelaar. Enkele door haar uit de leeszaal verwijderde lezers blokkeerden de uitgang van die kelder. Leeftijdsgenoten sloten zich aan, het werd een hele volksoploop. Het bibliotheekpersoneel moest de werkplek onder politiebegeleiding verlaten via een raam aan de achterzijde.

Ik kon hartelijk lachen om zulke verhalen, tot de week dat ik op woensdagmiddag zelf naar filiaal Noord werd gestuurd ter assistentie. Ik werkte normaliter op de centrale bibliotheek in de Breestraat, maar was inzetbaar op alle filialen. Tot dan toe had ik de woensdagmiddag doorgebracht met een veel rustiger activiteit: op filiaal Steenschuur kleutertjes voorlezen uit Rupsje Nooitgenoeg.

Filiaal Noord was open van 14:00 – 17:00 uur. Ik was er natuurlijk op gebrand, een goede indruk te maken op mevrouw Vogelaar, en arriveerde al om 13:45 bij die kelder. Op de trap stond al een drom van tientallen jeugdige leesgierigen. Ik drong naar voren en belde aan, maar er werd niet opengedaan, want er was die middag natuurlijk al honderd keer belletje getrokken. Ik wilde er toch wel in, dus begon ik maar tegen de ramen te tikken. Ook daarop werd niet gereageerd, om vergelijkbare redenen. ‘Jh, lange, hij gaat pas om twee uurr aupe, hoorr!’, werd me toegevoegd.

Op dat tijdstip liet ik me met de menigte kinderen en pubers, niet veel jonger dan ikzelf, mee naar binnen drijven. Mevrouw Vogelaar was een magere vrouw van middelbare leeftijd, met een felle bril en een gezicht dat bij voorbaat al op ontploffen stond. Voorzichtig met open vuur, dacht ik. Haar medewerksters zagen er aan het begin van de middag al afgetobt uit; die contributievrijdom hakte er aardig in.

Na een korte begroeting besloot ik me nuttig te maken met het terugplaatsen van de teruggebrachte boeken. Daar lagen er binnen tien minuten honderden en honderden van opgetast. Wat je ook kon zeggen van arbeidersjeugd: ze lzen!

Ook in een openbare bibliotheek waar je nooit geweest bent, kun je de weg vinden. Heb je er n gezien, heb je ze allemaal gezien. Ik sorteerde de boeken op SISO-code (Systematisch IndelingsSchema voor Openbare Bibliotheken), plaatste ze op een karretje en reed dat naar de kasten, zorgvuldig mevrouw Vogelaar en de samenscholingen van de meest vervaarlijke Kooienaren vermijdend. Maar die laatsten kwamen wel naar mij toe – om de boeken van mijn karretje te pikken. Al snel merkte ik waarom: ze keken erin, ze waren vol belangstelling, ze wilden ze lzen! Mij best; die boeken hoefde ik in ieder geval niet meer terug te zetten in de kasten. De kasten die er geplunderd uitzagen, met veel lege plekken.

Lange rijen ontstonden bij de uitleenbalie, nog langere bij de inschrijfbalie, waar nog eens tientallen jongeren stonden te wachten op een gratis lidmaatschapskaart. Hun vriendjes hadden er ook al een.

Om kwart over vijf slaagden we erin, de laatste lezers met enige zachte drang afscheid te doen nemen. Gelukkig was mevrouw Vogelaar erg tevreden over me, en mocht ik zelfs een compliment in ontvangst nemen. ‘Eindelijk eens iemand die het werk zit. We KRIJGEN soms mensen van de centrale…’

Dat alles had wel tot gevolg dat ik ook de woensdagen daarna in Noord moest invallen. Maar nooit een incident meegemaakt.

Hoe is het afgelopen met Noord? Het eens zo bloeiende filiaal is ergens in de jaren 80 of 90 wegbezuinigd. Die kelder is er nog. Ik liep er laatst langs. Silhouetten van marteltoestellen achter de ramen. Er zit nu fitness in; er wordt nu echt niet meer gelezen; door niemand.

Zo’n uitweiding uit de tijd dat werken nog leuk was (zoals gewoonlijk opgetekend uit een feilbaar geheugen). Hij kwam bij me op toen ik De Kooi doorkruiste om lijn 13 te fotograferen. Terug naar die bus, dus. Hieronder de foto’s.

 

LEES OOK HET VERVOLG VAN NOVEMBER 2009 >>>

 

Station De Vink, beginpunt van de lijnen 11, 12 en 13. 12 staat er; de dame links wacht met ongeduld op de hoofdpersoon van dit verhaal: lijn 13.

 

Hier is hij dan, bij de halte Trompweg, de enige op Voorschotens grondgebied.

 

Debussystraat in Zuid-West.

 

De Rooseveltstraat hoort eigenlijk niet tot een busroute. Maar door een zich al drie jaar lang voortslepende reconstructie van de Vijf Meilaan en het winkelcentrum De Luifelbaan moet de bus zich al die tijd al door deze industriestraat wringen.

 

De Lammenschansweg, met het baken voor busreizigers, de Petruskerk, die soms drie minuten achter- en soms zeven minuten voorloopt, maar nimmer de juiste tijd aangeeft.

 

Breestraat, vanaf de stadhuistrap. Wat zoek ik er? Doorgaans wordt hij alleen door trouwlustigen betreden.

 

Prinsessekade

 

De halte op de Steenstraat, die door de bussen in beide richtingen wordt aangedaan.

 

Leiden Centraal

 

Op archieffoto (zomer 2008): Lange Gracht, straks onderdeel van de route van de Rijngouwelijn. Hier rijdt, behalve 13, ook (2)56 naar Leimuiden.

 

Pelikaanstraat

 

Archieffoto van lijn 15 op de Zijlsingel, bij de meelfabriek (zomer 2008)

 

Lijn 13 in De Kooi: Sumatrastraat

 

Verkeersproblemen in de Kooi: in de file op de Lage Rijndijk

 

Bij de meubelboulevard langs de Zijldijk in Leiderdorp

 

De Zijllaanmolen in Leiderdorp

 

Voor deze flats langs loopt een busbaantje. Het is in de jaren 90 aangelegd, hoewel de buurtbewoners ertegen geprotesteerd hebben tot de hoogste instantie na God. Het is een paar jaar gebruikt, maar nadat lijn 15 was doorgetrokken tot Leyhof, is de busbaan komen te vervallen.

 

De wijk Leyhof met huizen als kastelen, ‘My home is my castle’.

 

Eindpunt: halte Brandwacht in Leyhof. Ik ben hier bijna nog nooit geweest, eigenlijk. De bus brengt me terug naar huis. Met een beetje geluk zit ik over drie kwartier achter mijn computer om dit allemaal op te schrijven.

 

Frans Mensonides
28 april 2009
Laatste wijziging 22 juni 2009.
Foto’s gemaakt op diverse dagen in 2009.

LEES OOK HET VERVOLG VAN NOVEMBER 2009 >>>

Frans Mensonides, Leiden, 2009


<< naar thuispagina Frans Mensonides