De digitale reiziger (40a)
'
Aan de grens van de Duitse heuvelen'; Heuvellandlijn

Heerlen De Kissel

 

Aan de grens van de Duitse heuv’len
Zag men na een bloedige slag
In de stille avonduren
Een Canadees soldaat op wacht.

Smartlap uit 1979 van de Sunstreams,
die godbetert in de top-10 kwam.

 

Het is een kwestie van geduld,
Rustig wachten op de dag
Dat heel Holland Limburgs lult.

Liedje van Rowwen Hèze
dat elk jaar door honderdduizenden Limburgers
de top-2000 in wordt gestemd

 

Ook de Limburgse Heuvellandlijn van Veolia (Maastricht Randwyck – Heerlen - Kerkrade) wordt sinds kort gereden met GTW’s van Stadler. Ik ging er kijken, en deed dat met een Kruidvat-kaartje dat me ter beschikking was gesteld door een dankbare lezer. Ik betaal met een verhaal, vanzelfsprekend. Mijn reisdag: de eerste zaterdag van dit jaar, tijdens de eerste echte koudegolf van de eeuw.

Er is over vrijwel elke plaats langs de Heuvellandlijn wel iets te vertellen. We doen daarom ook deze lijn in twee delen, maar het tweede verschijnt pas als de zon zijn weg heeft hervonden naar het noordelijk halfrond van de hemelbol.

Acht uur, bij duisternis, dichte mist en een temperatuur van min 7 graden. Het zijn geen omstandigheden waaronder je op pad wilt. Gelukkig is station Leiden Centraal sinds kort uitgerust met warmtezuilen op de perrons. Het eigenlijk nog fonkelnieuwe station (1996) verkeert in een grootscheepse renovatie die nu al weer bijna een half jaar duurt. Het wordt omgebouwd van een station tot een winkelcentrum waar je ook de trein kunt nemen.

Ook gewone reizigers mochten inspreken. Ik heb geschreven en gezegd dat ik wel een verwarmde wachtruimte op de perrons wilde hebben; daar had ik als OV-reiziger meer aan, zei en schreef ik, dan een winkelcentrum dat misschien vooral door automobilisten uit Oegstgeest bezocht wordt. Die verwarmde ruimte komt er niet, maar wel die warmtezuil. Die is uitgerust met te felle lampen, die reizigers en passerende machinisten verblinden en die de Leidse vrieslucht staan op te warmen.

De waanzin ten top gedreven, in een tijd waarin iedereen spreekt over energiebesparing! Ik ben er vanochtend niet langs geweest, heb er geen foto van en ben trouwens bij Lammenschans opgestapt. Ik had die warmtezuilen ongenoemd kunnen laten.

Tussen Gorinchem en Leerdam rijden bussen in plaats van treinen, als gevolg van de weersomstandigheden. Ik lees het op Utrecht CS en heb er weliswaar niets mee te maken, maar vind het toch onheilspellend: onder welke afgrijselijke weersomstandigheden rijden bussen wel en treinen niet?

Als de duisternis optrekt, krijgen we zicht op mist en een berijpt landschap. Die mist maakt uiteindelijk plaats voor zonneschijn; het weerbericht heeft niet gelogen.

Ik luister naar een discussie van ruim een kwartier tussen een ouder echtpaar en een conducteur. Ze reizen allebei op goedkope meereiskaartjes. Daarmee mag je meereizen met een reiziger die een geldig plaatsbewijs heeft. Maar deze twee reizen mee met elkaar. ‘Ja, maar zo werkt dat dus niet’, vindt de conducteur, die na lange discussie één meereiskaartje in beslag neemt en het echtpaar naar het plaatskaartenloket verwijst. Sip ondergaan de reizigers hun lot, met een houding van: we hebben het in ieder geval geprobeerd.

 

 

De GTW’s van de Heuvellandlijn verschillen niet spectaculair van die, die ik laatst op de lijn Dordrecht – Geldermalsen zag. Ze worden elektrisch aangedreven, hebben een doorloopmotor, een compartimentje voor fietsen en stoelen in 3+2-opstelling.

De GTW is de laatste jaren sterk in opmars, en is nu de meest gebruikte trein op Nederlandse regionale spoorlijnen. Daarmee hebben ze de Talenten en LINT's achter zich gelaten - en natuurlijk de Protossen; die worden niet meer gemaakt en zullen beperkt blijven tot de Valleilijn.

Op de Heuvellandlijn rijden elk halfuur stoptreinen die het gehele traject afleggen. Die doen maar liefst 48 minuten over de 33 kilometer tussen Randwyck en Kerkrade, een streekbustempo. Deze stoptreinen worden aangevuld met sneltreinen Maastricht – Heerlen, ook in halfuursdienst, die alleen halt houden in Meerssen en Valkenburg.

Ik stap in in Heerlen, richting Kerkrade. Deze GTW heeft, in tegenstelling tot die in de Betuwe, wel een schijthuis aan boord. Dat is goed nieuws, bij weersomstandigheden die gemakkelijk aanleiding kunnen geven tot de kwaal, genaamd Diuresis Frigida. Maar het slechte nieuws is dat ze tot februari 2009 buiten gebruik zijn, omdat dit nog maar proefbedrijf is, en er nog geen echte WC in zit. Of zo. Gelukkig heb ik al gezeken in de IC.

‘Heerlen de Kissel’, wordt aangekondigd, ‘uitstappen rechts’. ‘Eutstappe Reghts’, herhaalt een Limburgse tegen haar eega. ‘Handigh dat ze dat erbéé zeghe’. Jammer, dat er geen apart letterteken bestaat voor een zaghte ghéé. Ik behelp me maar met ‘gh’.

De Kissel is een nieuw station, geopend in december 2007; ik ga er straks wel even kijken. Het ligt anderhalve kilometer van Heerlen en ook anderhalve kilometer van station Landgraaf, dat eigenlijk in Schaesberg ligt. Voorbij dat station takt het lijntje naar Aachen af. Dit wordt geëxploiteerd met 'Talenten' en wel door Euregiobahn, die het vervoer uitbesteed heeft aan Deutsche Bahn AG. Dat lijntje gaat naar rechts en vervolgens met een zwier onder ons door naar links, vlak bij wat misschien een mergelgroeve is; ik zie kuilen, ladders en transportbanden.

De Heuvellandlijn doet zijn naam eer aan met doorkijkjes op heuvelland. Die heuvels daar in de verte staan in Duitsland. Net als in die smartlap van de Sunstreams die de titel is van dit verhaal. Je kunt hem beluisteren op YouTube; hij is zeer, zeer de moeite waard. Ik zal niet verklappen hoe het afloopt, maar die Canadese soldaat gaat in ieder geval dood.

Ik krijg het feestelijke gevoel dat ik vanmorgen huis en warme haard terecht verlaten heb. Dat gevoel ontstaat meestal langzamerhand in de loop van de dag. Tegen de tijd dat ik naar huis moet, wil ik niet meer naar huis terug.

Eygelshoven is een curieus dorp. Het telt twee stations aan verschillende spoorlijnen; Eygelshoven zonder meer, waar ik nu ben uitgestapt, en Eygelshoven Markt, in 2007 geopend aan dat Duitse lijntje. De perrons van Eygelshoven-zonder-meer liggen aan weerszijden van een provinciale weg; de trein kruist in beide richtingen eerst de weg en stopt dan pas. Ook dat is handigh.

Eygelshoven blijkt bij bewandeling een zeer on-Hollands plaatsje, met veel hoogteverschil, met Duitserige vakwerkhuizen, met 18e-eeuwse buitenhuizen die bij nader inzien rijtjeshuizen zijn en met uitheems uitziende kerkjes. Er ligt hier sneeuw; ik glibber een heuvel op, bij een elegant beeldje van een turnster op een wit grasveld.

Die sneeuw lag er al voor de jaarwisseling. Bewijsvoering? Nou, vuurwerkhulzen hebben de sneeuw roodgekleurd en er kruitsporen op achtergelaten. ‘Mijn waarde Watson, je moet echt beter gaan letten op dergelijke ogenschijnlijk onbelangrijke, doch in werkelijkheid zeer veelzeggende details’.

De komende week zal de thermometer in Limburg zakken tot beneden de -15. In Ell, in het vorstendom Thorn, wordt het zelfs -20. Vandaag is het hier nog aangenaam winterweer, een paar graden vorst bij zon. Je hoort niet veel meer over Al Gore, de laatste maanden. Misschien in een wak gereden.

Ik loop naar het andere station. Bij de markt staat een lomp, lelijk flatcomplex grof te vloeken (‘sapristi’) met de omgeving. Het steekt de heuvelen naar de kroon en is bewoond door anti-krakers. BEWAAKT en BEWOONT, lees ik van afstand; een spelfout. Maar als ik dichterbij kom, staat er: CAMELOT BEWAAKT EN BEWOONT, en dan klopt het wel. Toch aardig, je geld te kunnen verdienen met wat anderen geld kost: het bewonen van een huis.

 


Bij een kerkje zie ik de grijze stenen heiligenbeelden die ik verwacht en een kolenkarretje dat ik niet verwacht had. Dat laatste is ter nagedachtenis aan de mijn Laura en Vereeniging, die in 1974 werd gesloten. Even verder een hoog, smal viaductje onder het Duitse lijntje door. Ik loop nu door een wijk met zeer uitheems aandoende oude boerderijen, maar ga in de verkeerde richting (de grens al over?) en keer op mijn schreden terug. Tijdens deze wandeling spookt voortdurend dat liedje van Rowwen Hèze door mijn hoofd. Zou Limburg daar nou echt beter van worden, als heel Holland hun taal gaat spreken?

Eygelshoven, in volgorde van tegenkomst

Na enig speuren vind ik station Eygelshoven Markt. Op deze plek was tot 1952 ook een station, met de naam Eygelshoven Kegelbaan. Voor de nieuwe versie, ruim een jaar oud, was Schraalhans bouwmeester. Het is een vaag grensgeval met een verfromfraaide vertrekstaat van NS en een Duitse kaartjesautomaat die geen kaartjes produceert die verder gaan dan Heerlen. Er is politiek krakeel geweest over die automaat; men vindt dat hier ook een Nederlandse automaat moet komen, maar die staat er nog steeds niet. De treinen worden trouwens gereden met NS- en DB-personeel en tanken diesel in Heerlen, waar het goedkoper in dan in Aachen.

Mag ik hier nu eigenlijk in de trein stappen met mijn Kruitvadkaartje, Kruidvatkaartje? Ik denk van niet; het is alleen geldig bij NS, Connexxion, Syntus, Veolia en Arriva. Terwijl ik aarzel, rijdt de trein er al vandoor. Over een uur komt de volgende pas. Jammer eigenlijk, maar ik bedenk dat ik deze lijn al eens gedaan heb: in dit verhaal uit 2003. Ik ga dan de markt maar bekijken en zal daarna gewoon teruglopen naar het Veolia-station van Eygelshoven.

Mijn dankbare lezer vult aan (maar dat weet ik nu nog niet):

* Je mag met elk Nederlands treinkaartje, dus ook een Meereis- of een Kruidvatkaartje
reizen tot en met de grens, dus ook naar Eygelshoven Markt.
* Voor € 6.40 kan je in de NS-automaat een retourtje naar Aachen kopen.
Kies dan wel de knop NS-traject gratis. Je mag dan reizen tot Aachen-Rothe Erde,
via Herzogenrath, Kohlscheid, Aachen West, Aachen Schanz en Aachen Hbf. 
Een retour is 2 maanden geldig.

 

De markt van Eygelshoven bezit een bovenlokale faam; het is er druk. Marktkooplieden bieden tegen elkaar op met gebrul. Het is een kakofonie van onverstaanbare, rauwe gorgelklanken. Dit versta ik nog net: ‘OEH-LAH-LAH, LEKKER, LEKKER, LEKKER, LEKKER, LEKKER, LEKKER!!!

Een andere standwerker heeft een nog grotere strot, met een actieradius van zeker 750 meter. Als die fusie van Roda JC en Fortuna nog doorgaat, kunnen ze hem als stadionspeaker inhuren, dan hebben ze geen geluidsinstallatie nodig. Een voor een, quasi willekeurig, werpt de Stentor diverse vruchten in een plastic zak: appels, sinaasappels, meloenen, grapefruits. Op de maat van die bewegingen loeit hij:

GHOEI DIE D’R BÉÉ
EN GHOEI DIE D’R BÉÉ
EN GHOEI DIE D’R BÉÉ
EN GHOEI DIE D’R BÉÉ
EN GHOEI DIE D’R BÉÉ
EN GHOEI DIE D’R BÉÉ
EN DIE D’R NOGH BÉÉ
EN DIE D’R NOGH BÉÉ
EN DIE D’R NOGH BÉÉ
EN DIE NOGH…
EN DIE NOGH…
TWÖLF EURO!

Op een markt heb je ook ‘stille kramers’, weet ik als gemeenteambtenaar, maar tot dat gilde behoort deze man zeker niet. Een koper meldt zich. De standwerker int het geld, de zak vol fruit verwisselt van eigenaar en de man begint aan een nieuwe zak en een nieuwe reeks kreten:

GHOEI DIE D’R BÉÉ
EN GHOEI DIE D’R BÉÉ…

Een koopmannetje, meneer! Die twölf euro worden grif neergeteld, hoewel de koper niet mag uitzoeken wat hij hebben wil en hij ongetwijfeld minder zou betalen als hij alles afzonderlijk kocht. Die kramer zal wel bek-af zijn als hij ’s avonds thuis komt. Nog lang klinken zijn kreten me na.

 

 

Dit is dan station Heerlen De Kissel. Ik kan dienstregelingtechnisch kiezen tussen een verblijf van vijf minuten hier of een van 35, alvorens de trein terug naar Kerkrade te nemen. Het worden er vijf; er is hier niets te zien. Het station bestaat uit een perron en een abri. Het industrieterrein waarnaar het genoemd is, schreeuwt niet om een wandelaar. Evenmin doet het woonwijkje dat, dat ligt voorbij een hectarengroot stuk braakland. Je kunt hier een ANTIEK SNUFFELHAL bezichtigen, maar daar heb ik ook geen zin in.

Op naar Kerkrade, dan. Ook hier was ik al eens in een verhaal in 2003. Ik deed die mooie tuinen van Terwinselen, maar liet het Industrion liggen voor later. Het Industrion, vlak bij het eindstation van de Heuvellandlijn, lijkt op een mijn, met die liftwielen erboven. Ik verwacht er een tentoonstelling aan te treffen over driekwart eeuw mijnbouw in Limburg, en wat daarbij zoal technologisch kwam kijken. Maar mij wacht een tegenvaller. De vaste collectie is in reorganisatie en verbouwing, en het museum is tijdelijk ingericht als… wist ik het maar.

Ik moest thuis lachen om het prijslijstje op Internet:

Jeugd 5 t/m 11 jaar ....... € 4,00
Volwassene .................. € 4,00
Senioren vanaf 55 jaar.. € 4,00

Ik ga ervan uit dat ze me bij de kassa wel schroomvallig zullen vragen of ik de 55 wellicht al gepasseerd ben, maar ik krijg zonder nadere vragen een kaartje voor 4 euro.

Eigenlijk zouden ze loslopende mensen van mijn leeftijd helemaal niet moeten toelaten. Dit is zo’n doemuseum waar kinderen geacht worden zich te amuseren. Na vijf minuten heb ik het al gezien. En gehoord; hels gedruis tettert me tegemoet. Wat is dit? Demonstratie van Newtons zwaartekrachtwetten, vrees ik; ik zie en hoor in ieder geval houten schijven uit apparaten kletteren.

 

 

Een alfa klampt zich ook in een doemuseum vast aan tekst; hij maakt er een leesmuseum van. Maar tekst is nu juist het zwakke punt van techneuten. Wat moet ik bijvoorbeeld met dit verhaal, bij een raar muziekinstrument dat lijkt op een kruising tussen een vibrafoon en een pijpcarillionorgel:

Bij ’t Orgel wordt het geluid op een niet meteen begrijpbare manier voortgebracht. De wat verder kijkende en luisterende toeschouwer zal het toch wel duidelijk worden. Met het draaien aan de zwengel worden een aantal excentrische ringen rondbewogen. Dit draaien wordt omgezet in een op- en neergaande beweging. De dikke buizen kantelen op en neer en de daarin heen en weer vallende proppen blazen de fluiten aan. Zo horen we het geluid van een draaiorgeltje. ’t Orgel is programmeerbaar, echter niet door het publiek.

Nou, het is me zo helder als koffiedik. Om je rot te ergeren! Even verder een soort bougies, hangend aan koperen draden die zachtjes op de luchtstromen bewegen en ook weer niet in het minst verduidelijkt worden door de begeleidende tekst.

Ik kom in een hal met blauw licht, waar mens, mensenkind en machine een ziekelijke teint hebben. Over robots gaat het hier. Er zijn er vele te zien, in foto’s en als echt werkende modellen, maar een rode draad heeft de samensteller van het spul er niet in aan weten te brengen. Sommige robots lijken op mensen; ze kijken je aan en kennen een paar zinnen, zoals een papegaai ook een paar zinnen kent. Andere robots lijken niet op mensen, maar die doen juist nuttig werk: medicijnen transporteren in ziekenhuisgangen, bijvoorbeeld. Dat is de boodschap (die een alfa overal uit wil puren): echte robots lijken niet op echte mensen.

Er rollen een paar schotelvormige robots, met de doorsnee van een ouderwets 45-toerenplaatje, rond over de vloer. Ze ontwijken obstakels, zoals mijn voeten, maar waarvoor ze dienen, staat nergens. Misschien alleen wel voor het ontwijken van obstakels, zoals mijn voeten.

Er zijn workshops voor kinderen (die hier met 12 jaar al volwassen zijn, getuige de toegangsprijzen). Arme, hoogbegaafde drommels worden, naar ik vrees, gedwongen hieraan deel te nemen ter afwisseling van hun saaie bestaan op school. In mijn tijd was het veel gemakkelijker om een ‘voorlijk’ kind te zijn (hoogbegaafd bestond toen nog niet, als woord). Je hoefde alleen maar de juffrouw overbodig te maken door alles wat zij wilde zeggen, al te weten. Als je zelf dan de les niet verstoorde, werd je zelf verder ook met rust gelaten. Je hoefde weinig; bijvoorbeeld niet een niet echt werkende robot in elkaar te knutselen van blik, koperdraad en allerlei andere rommel.

Andere kinderen moeten in deze blauwe zaal van alles doen met voorwerpen in genummerde kisten; het is een educatieve speurtocht. De allerslimste kinderen hebben het opgegeven, hier iets zinnigs te leren. Ze spelen verstoppertje onder de vitrines; veel leuker.

Wat een achenebbisj-museum! Als je het een museum mag noemen; muzen zijn ver te zoeken. Ik troost me in het restaurant, waar ik een zeer late lunch bestel. Ik had verwacht dat die me in zo’n avant-gardistische omgeving wel geserveerd zou worden door een dienrobot. Maar neen, ik krijg een zwart kastje mee. ‘Als hij ghaat trèllen, dan is uw ééte klaah!’ Dan mag ik het zelf afhalen aan het buffet. De techniek staat weer eens voor niks. Stond de techniek nou nog ergens voor…

 


Ik verlaat Kerkrade vroeg genoeg om station Valkenburg nog te kunnen fotograferen in het laatste zonlicht. Het station dateert van 1849, nog vier jaar voordat hier treinen zouden stoppen, merkwaardigerwijze, en is daarmee verreweg het oudste, nog bestaande station van Nederland. In 1853 werd de eerste spoorlijn in Limburg geopend: die van Maastricht via Simpelveld naar Aachen. Limburg was eerder met Duitsland verbonden dan met Holland. Het is tekenend voor deze landstreek. Ze zitten al 2000 jaar onder de knoet van vreemde overheersers, maar de overheersing door de Hollanders, bijna twee eeuwen nu, is ze tot nu toe nog het slechtst bevallen.

Dit bezoekje aan de Heuvellandlijn moest wat afgeraffeld worden door snel invallende duisternis en kou. We keren in de loop van dit voorjaar nog een keer terug.



In Eindhoven heb ik zowaar nog een ouderwetse stationsrestauratie ontdekt – wel met modern Waaijfaaij Internet. Hij heet ‘Grand Café la gare du sud’ en is er vast al jaren, maar ik heb hem altijd versleten voor een hoerenkast of goktent, omdat hij bont gekleurde ramen heeft (rare associatie, misschien). Hij zit aan de voorkant van het station, die eigenlijk de achterkant is, omdat de bussen aan de achterkant vertrekken. Je moet er een trap voor op. Op die trap mag je niet gaan zitten. Dat staat erop.

Het etablissement is open tot ongeveer het vertrektijdstip van de laatste trein; kom daar nog eens om, tegenwoordig! Consumptie is verplicht, maar tussen vijf en acht is dineren verplicht en alleen consumeren zonder te dineren verboden.

Ik verorber een gebakken schol aan het raam, met uitzicht door een late kerstversiering op een koud plein vol taxi’s. Het personeelsbestand bestaat uit twee jonge serveerstertjes die zich de poten uit de kont draven met dienbladen, en een wat louche Zuideuropeaan die de bar doet. Nu mag je in dat restaurant op dat tijdstip niet aan de bar hangen zonder de intentie te hebben, te dineren. De mediterraan heeft dus niets te doen en werpt melancholiek-broeierige blikken naar buiten, in het duistere verschiet van een lichtstad.

Plotseling, als de twee dienstertjes een paar woorden wisselen, beent hij zijn bar uit, met veel armgewapper op de meisjes af, en scheldt: ‘Ja, tempo, tempo, je ziet dat die borden klaarstaan, dan moet je meteen aanpakken, niet wachten tot er iets gezegd wordt, zelf het initiatief nemen, het werk zién; er moet hier eens een beetje tempo gemaakt worden!’

Daar hebben ze niet van terug; gelaten laten ze de tirade over zich heenkomen. Nahijgend van deze plotselinge inspanning sloft de barbaas terug naar zijn domein, waar hij begint aan een nieuwe serie blikken uit het raam. Op dit moment besluit ik, van deze restauratie mijn vaste dinerplek te maken voor Zuid-Nederland.

En hoewel dit ding niets te maken heeft met de Heuvellandlijn, schrijf ik een paar woorden bij de foto’s, neem ik een paar foto’s bij de woorden en zet dan toch nog onder dit verhaal:

EINDE

Frans Mensonides
24 januari 2009
Er geweest: 3 januari 2009


© Frans Mensonides, Leiden, 2009.


<< naar thuispagina Frans Mensonides