Oorlogsverschrikkingen in Apeldoorn; 5 brieven, oktober 1944-januari 1945

De vijf brieven die hieronder volgen, zaten in het oorlogsdagboek van mijn grootmoeder, Clara Lamberts-Gijzen, dat ik in 2013 heb gepubliceerd op mijn website. 

Deze brieven zijn afkomstig van mijn oudtante Jet Lamberts en haar vader (mijn overgrootvader) Mannes Lamberts. Zij woonden op een bovenwoning in het centrum van Apeldoorn. De brieven handelen over verschrikkelijke oorlogsgebeurtenissen in Apeldoorn: bombardementen, executies in de straten, de (tijdelijke) vermissing van Jet’s verloofde en de vele vluchtelingen uit de omstreken van Arnhem die opgevangen moesten worden.

Jets verloofde, een fabrikant, verbleef een weekend in Nijmegen, juist toen de Slag om Arnhem uitbrak. Daardoor kon hij niet meer terugkeren naar Apeldoorn en kon hij ook niets meer laten weten over zijn toestand; post en telefoon functioneerden niet of nauwelijks meer.

De afloop van dit avontuur heb ik niet kunnen opmaken uit de brieven; het staat mogelijk verhaald in brieven die zijn zoekgeraakt. Ik heb ook nooit gehoord wat er precies gebeurd is, maar weet zeker dat hij uiteindelijk weer boven water is gekomen; Jet is na de oorlog met hem getrouwd.

Helaas ken ik de nazaten / erfgenamen van mijn oudtante Jet niet. Ik heb hun dus ook geen toestemming kunnen vragen voor publicatie van deze brieven.Daarom heb ik mogelijk privacygevoelige informatie weggelaten of de namen van betrokkenen weergegeven met alleen een beginletter.

Meer over deze brieven in mijn rubriek FHM’s. Meer over de oorlogssituatie in Apeldoorn valt te lezen in enkele dagboeken, gepubliceerd op de site Apeldoornindeoorlog.nl, waaruit ik geput heb voor aanvullende informatie. Deze en andere aanvullingen heb ik in kleine, blauwe letters weergegeven tussen de tekst van de brieven.

Frans Mensonides
14 februari 2016

1. Brief van Jet Lamberts; vrijdag 6 oktober 1944

Apeldoorn 6 October 1944.

Lieve Clara Henk en Lia.

Ik hoorde vanmorgen dat er iemand een brief uit Leiden had gekregen, en nu zal ik het maar eens wagen om je te schrijven, en hoop ik dat je deze brief zult krijgen. Wat is het toch ellendig, dat je niets van elkaar kunt hooren. Merken jullie ook wat van de oorlog of zitten jullie nog rustig?

Nu we zitten er hier leelijk in, en hebben al een heleboel narigheid meegemaakt. Om te beginnen zit F. al 3 weken in Nijmegen, hij is daar Zaterdags heen gegaan op de fiets, en dan zou hij Zondagmiddag weer terug komen. Hij kreeg daar nog een boel geld van iemand, en dacht hij dat nog wel even rustig op te kunnen halen. Toen zijn Zondags de Engelsen daar ingevallen, en vermoed ik dat hij Nijmegen niet meer uit kon komen. Ik heb sindsdien niets meer van hem gehoord. Dus je begrijpt dat ik danig in de rats zit, want er is zwaar gevochten daar, en weet je maar niet wat er met hem gebeurd is.

Het is toch een verschrikkelijke toestand he. Als je nagaat dat heel Arnhem geëvacueerd is naar Apeldoorn en omstreken, die stumpers moesten maar zoo alles achterlaten. En we zijn ook nog zoo bang dat wij hier weg moeten, want het gevecht komt steeds naderbij. Dag en nacht hooren wij het kanongebulder, en ieder keer luchtgevechten hierboven. We weten nu tenminste wat oorlog is.

Ze zijn nu ook weer zwaar aan het vechten bij Arnhem. De ruiten rinkelen hier steeds. Ik heb een verpleegster uit Arnhem bij me, ik kende haar en vroeg ze, of ze bij me mocht komen, alhoewel we in het centrum geen evacuees mochten hebben. En nu F. weg is kan ze hier slapen en is het meteen wat gezelliger voor mij.

Maar die, moet je hooren wat ze in Arnhem meegemaakt heeft. De eerste Zondag was het meteen al in Engelsche handen, en de volgende dag was het weer Duitsch, en zoo ging het zoo’n beetje om één ander. De eerste dag lagen er al 700 Engelschen in dat ziekenhuis. We zien hier ook dagelijks honderden Engelschen voorbij komen, die gaan naar de kazerne. Ze steken steeds 2 vingers op, en ze lachen maar.

Zoo, ik moest even onderbreken met schrijven, want er was een erg luchtgevecht hierboven. Foei, ik beef er nog van. We gaan altijd maar onder bij de trap* staan. Alles hebben we zoo’n beetje gepakt staan. Maar als het er op aankomt, vergeet je het voornaamste nog. Je weet gewoon niet wat je doet op zoo’n moment.

* Dit gold bij bombardementen als de veiligste plek in huis, waar je het minste kans had om getroffen te worden door vallend puin.

We hebben hier Maandag een dag gehad om nooit te vergeten. Vorige week vrijdag stond er in de krant dat alle mannen tusschen 17 en 50 jaar zich moesten melden vóór Zondag*. Er is niemand naartoe gegaan. Ik zei al: dat zal wel een staartje hebben, en jawel, ’s Maandagsmorgens om 7 uur lagen de lijken hier al in de straat en overal. Er lagen er 37 in dorp**. Het was gewoon verschrikkelijk om te zien. Ze hadden alleen een groot wit papier op de borst waarop stond: ‘Terrorist’.   

** Apeldoorn werd indertijd nog niet als een stad gezien.

En toen gingen ze met luidsprekers door de straten dat iedere man zich melden moest, onverschillig wie, en zoo niet dan zouden ze tot de ergste maatregelen overgaan. Heel Apeldoorn was omsingeld zoodat niemand eruit kon. Toen kregen we het zoo benauwd. En ’s middags riepen ze weer rond dat alle vrouwen en kinderen niet op straat mochten, en die lijken bleven de hele dag liggen. Maar gelukkig zijn de mannen zich gaan melden, en was het Dinsdag weer rustig.

Nu, we hebben dan nu de Engelschen in ons land, maar ik wou dat ze maar nooit gekomen waren. Alles gaat eraan, het is gewoon verschrikkelijk, en het duurt allemaal zoo lang. Alle scholen zijn hier ingericht voor ziekenhuizen en geëvacueerden. Ook de winkel van J. ligt vol. Nu waren ze hier net van het Roode Kruis dat ze de fabriek van F. ook willen hebben. En nu zit ik overal alleen voor. 

Hoe gaat het anders met jullie? Met Clara’s verjaardag heb ik nog een brief gestuurd met bonnen, heb je die nog gekregen? En hoe is het, Clara, ben je helemaal weer beter, en hoe gaat het met Henk? Schrijven jullie maar eens terug, al duurt het dan ook lang, als we nog maar eens wat hooren. Het is zoo ellendig dat je niets van elkaar hoort. Ik heb geprobeerd over het Roode Kruis iets van F. te hooren . Maar dat gaat ook niet, omdat de Engelschen daar zitten. Wat zal die F. de pé in hebben dat hij niet hier is. Als hij tenminste nog in leven is. Enfin, we zullen het beste nog maar hoopen.

Ze hebben mij de fiets ook nog afgenomen. Het is niets als fietsen vorderen, dus die ben ik ook kwijt. Enfin, als ik geen grooter offer hoef te brengen voor de oorlog, dan ben ik blij.

Nu, pa wil ook nog iets schrijven, en eindig ik in de hoop, van jullie ook spoedig iets te hooren. In ieder geval komt er zoo af en toe nog wat post over. Nu dag hoor, hartelijk gegroet en we zullen hopen tot spoedig ziens.

Van ons Pa en Jet

 

Beste Hendrik, Clara en Lia,

Wat hier te doen is, heeft Zus al geschreven. Wij zitten er mooi tusschen, met dat kanongebulder wordt mijn hart er niet beter op, vooral als men ’ s nachts recht overeind in bed wordt getild door een regen van gloeiende kogels juist boven je heen. Ik was er al bang voor toen die lui niet weg wilden, het was trouwens dom van die lui want ze moeten toch, niet goedschiks dan maar met geweld. Het moet trouwens toch gebeuren als men zijn land wil verdedigen, dat is ook onze plicht.*

* Mijn overgrootvader doelt hier vermoedelijk op de mannen die zich op 1 oktober 1944 weigerden te melden, waardoor ze, naar zijn mening, anderen in gevaar brachten, daar er ongetwijfeld represaillemaatregelen zouden volgen. De mannen die zich uiteindelijk gemeld hebben, werden op transport gesteld naar Rees, bij Kleve, waar zij graafwerk moesten verrichten.

Hendrik, als alles nog weer goed komt heb ik nog een collectie prachtboeken voor je, alle architectonische, prachtig. Maar ik kan ze nu niet sturen want ze nemen geen pakken aan. Als ik kan stuur ik ze. Nu, we hebben onze koffers gepakt en de kar staat klaar.

Vele groeten van Pa.

De brief gaat nog verder op een hoekje van het voorblad:


Wij zitten hier ook al 14 dagen zonder licht bij een kaarsje de hele avond.

Wij krijgen juist een brief van J. Die was een week onderweg geweest [uit Amsterdam]. Daar was het ook beroerd.

Er komen ook 10.000 man uit Utrecht en Amersfoort naar de grens.

Pa.



2. Brief van Jet Lamberts van maandag 16 oktober 1944 (fragmenten)

(…)

Die verpleegster [ging] naar Haarlem, en kon ze mooi even deze brief meenemen, zoodat je weer een teeken van leven hoort. Nu het schiet anders nog niet hard op met de oorlog en zitten we maar steeds in angst hoe het gaan zal.

Gisteren was het hier de heele dag weer schieten enz. en de vorige week hebben ze een paar bommen gegooid op de fabriek van Talens* naast tante S., toen ging het er zoo heen, en tante S. is nu bij A. en G. in huis. Ze was door de luchtdruk van de kamer naar de keuken geslagen, maar verder heeft ze het er goed afgebracht doch ze durft er niet te blijven. De bommen waren waarschijnlijk bedoeld voor het station. Er waren ook nog dooden en alle ruiten in de omgeving stuk alsmede een paar huizen in puin.

Ook op de Soerenscheweg vooraan kwamen er een paar dagen daarvoor een paar bommen. Zoo zie je dat we hier ook niet meer rustig zitten. Ik lig ’s nachts aangekleed in bed, want als er iets gebeurt kun je het niet zoo gauw klaarspelen om je aan te kleeden. En het gaat vaak de heele nacht zoo’n beetje door met vliegen. Hier staat nu ook overal afweergeschut, zoodat het er zoo nu en dan aardig heen gaat.

(…)

Van F. heb ik nog niets gehoord, dat is ook verschrikkelijk, want je weet maar niet wat er gebeurd is. En hoe lang kan het nog wel duren.

(…)

[De zenuwen] hebben mij op het oogenblik aardig te pakken, maar dat kan ook niet anders. Pa houdt zich gelukkig aardig goed.

(…)

Jets vader schrijft in de marge:

Jet had net de brief af toen kwam hier weer een luchtgevecht boven, zoodat ik nog niet van de schrik ben bekomen. Alles naar beneden en alles in vuur. Het is nu 7 uur. Mijn hart wordt er niet beter op met zulke slagen.

Pa.

 

Mijn overgrootvaders handschrift; een briefje op slecht oorlogspapier

3. Brief van Mannes Lamberts  (ongedateerd)

Beste Hendrik, Clara en Lia,

Hoe gaat het met U? Ben je weer beter, dan moet je je maar kalm houden. Heb je het hout * aan mootjes? Het schijnt wel dat het frisch is. Ik had je wel eens willen zien schuiven met Lia achter die kar. Het hout is hier op distributie. Ieder kan 50 kg krijgen.

* Mijn oma tekende op vrijdag 27 oktober 1944 aan in haar dagboek dat ze 400 kilo hout op de kop hadden getikt. Blijkbaar stond dat feit ook vermeld in een brief aan Apeldoorn. Deze brief van mijn overgrootvader moet dus van een latere datum zijn.

Het gaat er hier anders raar na toe. Wij zitten vol zenuwen, ik ben gisteren naar de Docter geweest voor mijn ingewanden en het hoofd. Alles rommelt mij in de kop, het gaat er hier raar na toe. Laatst hebben ze hier 7 bommen tegelijk gegooid. Ze waren voor het station bestemd, doch er kwam er maar één op de lijn en een naast Hotel Suisse, en de andere vijf in Wormen*. Daar waren wel 100.000 pannen van de huizen en er waren 5.000 ruiten stuk, vertelde ons die controleur, want er was bij ons ook nog een ruit stuk, maar wij krijgen [onleesbaar woord].

* Dit bombardement vond plaats in de avond van maandag 23 oktober 1944. Hotel Suisse stond aan het Stationsplein. Wormen: de wijk ten zuiden van het spoor.

Het is jammer dat ik u die boeken niet kan sturen. Dat zijn allemaal wetenschappelijke platen van de schilderijen uit alle museums en een boek met allemaal karakterkoppen van de geleerde personen welke men meest ziet op zuilen in oude kerkgebouwen. Het eene boek bevat alle merkwaardige gebouwen uit West-Europa, waaronder alle boerderijen uit die landen, en nog een mooi boek. Ze zijn in prachtband en allemaal platen. Maar ze nemen geen postpakketten aan.

Ik word steeds nieuwsgieriger naar die boeken, maar kan me niet herinneren dat ik ze bij mijn grootouders ooit gezien heb.

Ik zit nu alle dagen thuis*, dat maakt mij ook zo beroerd. Er is niets te doen, geen schop vol cement. In de tuin heb ik ook niet veel te doen. Het huis zijn ze allemaal uit, maar er zitten weer anderen in, de gezant van Seyss-Inquart**, en twee dochters en een [procureur?]. De hele Loolaan is afgezet met wachten, want Seyss-Inquart is in hotel Bloemink. Ik kan zelfs niet in de tuin komen, doch ik heb een Ausweis van de gezanten.

* Mijn overgrootvader was 75 jaar oud toen hij deze brief schreef. Uit dit fragment valt op te maken dat hij nog werkte, o.a. als tuinman bij een huis op de Loolaan. Misschien uit financiële noodzaak, misschien als hobby; ik heb geen idee.

**Arthur Seyss-Inquart, bijgenaamd: zes-en-een-kwart, was Hitlers rijkscommissaris en daarmee de hoogste nazi-functionaris in Nederland. Hij verbleef van tijd tot tijd in een villa bij Hotel Bloemink op de hoek van de Loolaan en de Langeweg in het noorden van Apeldoorn. Hij had deze villa gevorderd en daarnaast een bunker laten aanleggen. Die werd na de oorlog opengesteld voor het publiek en werd toen spottenderwijs omgedoopt in Bunker 6 1/4. 

Nu wensch ik u het beste, en houd maar goede moed. Ik hoorde vandaag dat het gevechtsterrein in Midden-Nederland komt, dus kunnen wij ons wel opzouten. Nu groeten van Pa.

 

Overgenomen van Mijn Gelderland

4. Brief van Jet Lamberts van dinsdag 7 november 1944

Lieve Clara, Henk en Lia,

Zoo, ik zal nog maar eens een briefje schrijven, alhoewel de zenuwen tot boven aan m’n keel zitten. We hebben weer een paar mooie dagen gehad.

Zaterdag hebben die krengen de heele dag hier boven gezeten en ’s middags waren er zoo ongeveer 50 tot 60 vliegtuigen hier boven, en uit al de machines kwam vuur, en maar schieten. Het was gewoon verschrikkelijk. Toen hebben ze bommen uitgegooid bij het Loosche station.* Het was zoo’n lawaai dat je er gek van werd. Pa en ik staan dan maar onder aan de trap en die arme man moest onderwijl nog pilletjes innemen.

* Station nabij Paleis Het Loo aan de ‘Baronnenlijn’ Apeldoorn – Zwolle, een lokaalspoorlijn (zie het stukje van mij uit 2011).

Als het zoo nog een poosje doorgaat, word ik stapelgek. Ik lust geen eten of drinken van de angst en zenuwen, en we zitten hier zoo in het centrum. Zaten we maar bij jullie; ik heb zoo’n idee dat ze daar nog lang niet zijn. Als ik alleen was, kwam ik op de fiets, maar dat gaat met Pa natuurlijk niet.

En ’s avonds gingen we naar beneden en begon het lieve leven weer. We hadden nog geen rust dat we even zaten, want ze waren geregeld in de lucht. En dan ging het afweergeschut weer, zoodat we iedere keer opvlogen en onder de trap in de gang gingen staan. We durfden niet naar bed te gaan, en toen we eindelijk gingen, was het 12 uur. Ik ben toen geheel aangekleed op bed gaan liggen, zelfs met de jurk aan, en het ging de hele nacht maar door. En zondagsmorgens begon het lieve leven al weer, en zoo ga je maar door. Ik lig tegenwoordig altijd gekleed op bed, en dan rust je ook niet.

Nu Clara, je kunt nog beter droog brood [eten] als dat je deze angst hebt. En men zegt dat het nog erger worden zal. Van F. heb ik nog niets vernomen, dat is ook iets. Maar ik denk dat hij daar beter zit dan wij hier. Alleen kan er niets uit of in. Enfin, daar zullen we ook het beste nog maar van hopen, het voornaamste is op het oogenblik dat we het leven er bij mogen houden.

Maar dat weet ik al wel, dat wanneer Holland vrij mag worden, ik geen feest zal vieren, want daarvoor is er vel te veel leed over Nederland gekomen. Je moet die stumpers uit Arnhem maar eens opzoeken. Het is op die manier wel een mooie bevrijding als eerst heel Nederland plat moet, en al die menschenlevens die er mee gaan.

We zitten hier al vanaf 14 september zonder licht en gas; in het achterkamertje heb ik een kachel staan en beneden hebben ze een fornuis, dus daar redden we ons wel mee. En ook hebben ze carbid, zoodat het met het licht ook nog wel gaat, en komen we om de andere avond maar bij elkaar.

Clara zit nog maar niet over het eten in, want angst is veel erger. Als ik niets had dan een droge snee brood dan was ik al tevreden, als die krengen maar weg blijven.

Nu Clara en Henk, ga ik weer eindigen. Schrijven jullie gauw terug, want het is zoo prettig, iets te hooren. Hebben jullie de bonnen van tante S. nog ontvangen; die is haar huisje ook maar uit. Pa heeft een vluchtwagen gekocht in geval we nog eens weg moeten, dan kunnen we misschien nog wat kleeren meenemen. Ontvang nu alle 3 onze hartelijke groeten en we zullen hopen tot ziens.

Pa en Jet.

 



5. Brief van Jet Lamberts van woensdag 10 januari 1945

Lieve Clara, Henk en Lia,

Vanmiddag was ik bij tante K. en waren daar een paar jongens in de buurt die uit Leiden kwamen, zoodat ze deze brief willen meenemen. Ik heb echter pas een brief naar jullie geschreven en is er dus niet veel nieuws.

Jullie brief hebben we ontvangen en daaruit vernomen dat Henk en Lia wilden komen. Nu, ik heb ze iedere dag verwacht, maar nu geef ik de moed op.*  Je hebt het zeker niet voor elkaar kunnen krijgen met die tandem. Ik hoorde hier al van een fietsenmaker dat de wielen van een gewone fiets te licht waren voor een tandem. We hadden ons er al zoo op verheugd en nu met die sneeuwboel zal er wel helemaal wel niets van komen. Ik had al meer vleesch genomen en lekkere soep gekookt, enz. Maar ik geef de moed nog niet op en heb ik nog een stille hoop dat ze nog onverwachts voor mijn neus staan. Pa denkt maar dat hij jullie niet weer ziet, en het maakt hem soms erg zenuwachtig.

*Mijn moeder en opa zouden de fietstocht Leiden – Apeldoorn pas op 21 februari ondernemen; zie het Hongerwinterdagboek.


Het is hier wat vliegmachines betreft op heden aardig kalm, gelukkig. Alleen plofte er vanmiddag weer een V1* uit elkaar. Dat zijn ook zulke smeerige dingen.

* Deze ‘vliegende bommen’ werden vanaf december 1944 afgevuurd van lanceerbases in Lettele en Rijssen in Overijssel, en waren gericht op Antwerpen. Het westen had al eerder kennis gemaakt met de lanceringen van deze ‘vergeldingswapens’; zie het Hongerwinterdagboek, vanaf 27 oktober 1944.

Henk hoeft nu niet meer bang te zijn dat ze hem oppakken, hè, want het is nu van 16 tot 40 jaar. Dus [onze neefjes] zijn er ook bij. Het zijn nog net zulke kinderen.

Wat is het toch een ellendige toestand. En hoe langer het duurt, hoe erger het nog wordt.

Nu Henk, je hebt een mooie aardappeltocht gehad*. Je kunt nog beter op de fiets hiernaartoe komen, alhoewel je dan niet zooveel aardappelen losgeklopt zou hebben. De boeren zijn er allemaal gek mee. Kun je het nogal redden met koken, Clara? Ik heb hier een Salamander** van F.*** zijn kantoor staan en heb daar een kookbus achter, dus dat gaat aardig goed. Alhoewel het wel verschrikkelijk behelpen is. En als de oorlog nog lang aanhoudt, dan moeten we van ’t zomer ook nog stoken om het eten gaar te krijgen. We leven wel in mooie tijden.

*** Deze brief geeft geen uitsluitsel over het lot van F. Er zijn diverse brieven zoekgeraakt in de loop der tijd – of misschien helemaal nooit aangekomen. De posterijen functioneerden niet goed meer en brieven werden meegegeven aan soms wildvreemde mensen die toevallig dezelfde kant op moesten, zoals ook blijkt uit deze brief, ook weer in de volgende passage:

S. is ook weer in de omgeving van Apeldoorn, er kwam althans een brief van J. die hij mee had gebracht. Die had hij in Epe op de bus gedaan, dus hij zal eerdaags wel voor m’n neus staan.

We hopen toch zoo dat Henk en Lia nog zullen komen. Wat de oorlogshandelingen betreft zal het nog wel gaan, want ze schieten geen laars op.

Zoo, nu weet je weer het één en ander. Ik hoop dat jullie deze brief in goede gezondheid mogen ontvangen.

Ontvang nu alle drie onze hartelijke groeten, en we zullen hopen tot spoedig ziens van ons beiden

Pa en Jet

 

April 1945: geallieerde tanks in het centrum van Apeldoorn.
Overgenomen van Apeldoornendeoorlog.nl