Keiharde Korting Kolder
Om Leiden heen; deel 4 (West)

<<< Lees eerst en vooral Deel 3 ! <<<


Fransferium


De McDrive is bedoeld voor mensen die de complete vloed gezond-eten-campagnes, voorlichtingsspotjes over de noodzaak van regelmatige lichaamsbeweging en publicaties over dreigende obesitas lijdzaam over zich heen hebben laten komen. De voorziening ligt aan de achterzijde van de reguliere McDonalds. Vanachter het stuur roep je je bestelling door het raampje, en dan geven ze je door dezelfde opening je vet; consumptie, zonder dat je je de aanzienlijke inspanning hoeft te getroosten, het portier te openen, de auto te verlaten en de deur van het restaurantgedeelte open te duwen. Zo hoef je ook geen kostbare tijd verloren laten gaan.

Wij hebben binnen plaatsgenomen; noodgedwongen, daar we beiden zelfs geen rijbewijs bezitten, laat staan een auto. Rondom ons zit het zaterdagmiddagpubliek dat je verwacht in zo’n gelegenheid: gezinnen met jonge kinderen, zo niet: complete kinderpartijtjes; er klinkt een schel gekrijs. Ze hebben allemaal een vlaggetje. Het meubilair is uiterst functioneel: het noodt niet tot lang blijven plakken, en een blind paard kan er geen schade aan veroorzaken. Je hebt hier waaierles Internet, maar ook door de week zul je hier niet veel zakenlieden aantreffen met hun laptopje.

Toch detecteren we nog twee andere vreemde eenden in de bijt: corpsstudenten, hierheen gewaaid op wat voor boemeltocht dan ook, of misschien afkomstig uit die troosteloze barakken die we net gepasseerd zijn. De ene student oogt nog brakker dan de ander. ‘Hee lul‘, spreekt de meest frisse tot zijn kompaan; ‘Gewoon even diep gaan! Vinger in je keel, en dan een biertje.’

‘Jullie gooien zo maar de deur voor me dicht!’, krijst een rotjong; er komt nog steeds meer publiek binnen.

Wat doen wij hier intussen, bedaagd en wat sip nippend van een kopje veel te sterke koffie? De aanstichter is die merkwaardige ex-werkgever van mij; die aterling die ik in de vorige aflevering introduceerde. Van de zomer, toen de onderhandelingen over de verkoop van zijn bedrijf in volle gang waren, ontving ik op zekere dag een envelop van hem met inhoud (enveloppen, geheel zonder inhoud, krijg ik zelden in de bus). Even dacht ik dat er een nieuwsbrief in zou zitten over de op handen zijnde bedrijfsovername. Maar nee, uit de envelop rolde een boekje met voordeelbonnen voor bij de McDonalds. Big Tasty’s, BigBigMacs, Quarterpounders, wel zestien bonnen zaten erin. Op vertoon van zo’n bon zou je de daarop afgebeelde lekkernij voor de helft van de prijs mogen verslinden.

De bonnen waren zes weken geldig, maar daarvan waren er al drie verstreken op het moment dat ik ze ontving. 16 keer bij McDonalds eten in eenentwintig dagen; dat overleeft geen mens. Wilde hij ons allemaal dood hebben? Hem kennende, en na een blik op de McDonalds website, kon ik reconstrueren hoe het gegaan was met die bonnen.

Er was een actie van de hamburgergigant, een campagne om ook het bedrijfsleven te winnen voor de lunches en diners die daar verstrekt worden; er moest een antwoord komen op de vier-uursdip van Cup-a-Soup, denk ik. Bedrijven konden gratis van die boekjes krijgen; evenveel als het bedrijf loonslaven telde. In een genereuze bui besloot mijn werkgever iets terug te doen voor zijn trouwe medewerkers, die de afgelopen jaren zijn riante oudedagsvoorziening bijeen gezwoegd hadden, en zich nooit openlijk hebben beklaagd over zijn dolce far niente.

Hij vroeg dus 15 van die boekjes aan, maar toen hij ze in zijn bezit had, besefte hij plotseling dat er een groot bezwaar kleefde aan zijn vertoon van gulheid: hij zou die boekjes per post toe moeten zenden aan zijn vijf buitendienstmedewerkers. Dat zou hem een postzegel de man kosten. Nog drie weken lang heeft hij geaarzeld, of hij die postzegel er wel voor over had. Toen heeft hij de hand over het hart gestreken, en die bonnen toch maar verzonden; waarin een klein mens groot kan zijn!

Diep geroerd mailde ik Wim over dit staaltje warmhartigheid, en beloofde, hem tijdens onze Leiden-wandeling te vergasten op een maaltijd bij McDonalds, mogelijk gemaakt door die vleesbonnen. Van één keer zul je niet meteen dood gaan; er waren ook bonnen voor broodjes kroket (de MacKroket; denkelijk alleen in Nederland verkrijgbaar), en die kun je zelfs bij Mac nuttigen zonder ogenblikkelijk vergiftigd over de vloer te gaan rollen. Maar helaas; onze wandeling moest uitgesteld worden, zoals in de vorige aflevering vermeld staat, en toen hij uiteindelijk toch weer op het programma kwam, waren die bonnen al verlopen.

De bedrijfsovername had inmiddels ook plaatsgevonden. De baas, de ex-baas moet ik zeggen, had ons ooit een afscheidsdiner beloofd als het moment daar zou zijn. Dat we het zelf moesten ophalen bij McDonalds, en het dan nog voor de helft betalen ook, dat had de grootste cynicus niet voor mogelijk gehouden.

Daarom hebben Wim en ik maar een zuinig kopje koffie gedronken op mijn genereuze werkgever, en op alle mensen die liever anderen voor zich laten werken dan zelf een natte rug te krijgen. Ik weet op dat moment nog niet, wat ik wel weet nu ik deze woorden schrijf: dat ik in dienst genomen zal worden door mijn Castricumse opdrachtgever, en dus weldra van Scrooge BV verlost zal zijn.

Zo’n wegrestaurant is altijd goed voor een sanitaire stop. Ik bezoek het toilet, en zie ook de brakke student een hokje binnenwankelen. Even later schallen er uitvoerige braakgeluiden door de fraai betegelde, en om de paar uur met bleekwater gereinigde ruimte. Het komt echt van onder uit zijn tenen, zo te horen.

We gaan weer op weg. Vanaf de loopbrug naar de bushalte heb je een goed uitzicht op het verkeersgewoel beneden. Het transferium staat op een strategische plek, op het kruispunt van Rijksweg A-zoveel naar Den Haag en de Ir. Tjalmaweg, die Leiden verbindt met de kustdorpen. Ondanks deze ligging op het kruispunt der windstreken staan er niet veel auto’s op het parkeerterrein, niet veel meer dan er gezinnen bij de Mac zitten. Dat is ook wel begrijpelijk. Zo’n transferium is bedoeld om over te stappen van auto op OV, maar op zaterdag stoppen hier maar zeer weinig bussen. Je kunt twee keer per uur naar Leiden, en twee keer naar Den Haag; niet echt een aantrekkelijke frequentie.

Ooit zal daar verandering in komen. Het Transferium moet het eindpunt worden van de Rijn-Gouwelijn (RGL) Oost, en een paar jaar later tevens het beginpunt van de RGL-West. Dan is het transferium vanuit zowel Gouda als Noordwijk optimaal bereikbaar, per sneltram ofwel: lightrail, en zal ook het aantal geparkeerde auto’s hier flink toenemen, hoopt men.

De RGL zijn we al eerder tegengekomen op onze wandeling. Onvermijdelijk dat je hem twee keer kruist tijdens een tocht om Leiden heen. Over de RGL-Oost heb ik in mijn REFLEXXIONZZ!-tijd een paar keer geschreven; voor het laatst in DIT artikel, waarvandaan je het spoor terug kunt volgen. Nu, bijna 3 jaar later, is er nog niet veel schot gekomen in de discussie, die zich inmiddels al anderhalf decennium voortsleept. In Leiden spitst deze zich nog steeds toe op de veiligheid van de tramroute door de binnenstad - waarmee één van de belangrijkste bezwaren van deze OV-discussie genoemd is: men houdt alle rekening met de wensen van automobilisten, fietsers en voetgangers, maar nauwelijks met die van OV-gebruikers.

De route door Leiden ligt nog steeds niet vast. Er is onlangs maar weer eens een nieuw rapport over verschenen. In de meest recente variant rijdt de tram in de richting Leiden Centraal via de Nieuwe Beestenmarkt, de 2 e Binnenvestgracht en de Stationsweg; twee scherpe bochten die zo’n lightrailvoertuig volgens mij niet eens kan maken. Zouden ze daar nog achterkomen, voordat hij gaat rijden??

In REFLEXXIONZZ! tekende ik in 2002 op, dat de Christenunie als enige raadsfractie tegen de RGL-Oost was. Thans, bij de nadering van de gemeenteraadsverkiezingen, gaan steeds meer partijen twijfelen aan de noodzaak van een tram. Het project leeft totaal niet onder de Leidse bevolking, en vrijwel geen enkele OV-reiziger ziet er heil in.

Wij bewandelen de Tjalmaweg, en daarmee de beoogde route van de RGL-West, de verbinding tussen Leiden en de kust, waarmee zo mogelijk nog minder vorderingen gemaakt zijn dan met de oostelijke tak. Een projectmedewerker van de RGL heeft een paar jaar geleden - in een in die kringen hoogst zeldzame aanval van realiteitszin - tegenover mij toegegeven, dat ook deze tramlijn een mission impossible dreigt te worden. Hij moet Leiden verbinden met zowel Noordwijk, Katwijk als de uitbreidingslocatie in het gebied waar nu nog Vliegveld Valkenburg ligt. Als je een trambaan aanlegt naar Noordwijk via Vliegveld Valkenburg en Katwijk, rijd je te ver om; neem je de min of meer kortste weg, dan kun je Vliegveld Valkenburg niet optimaal bedienen. Je rijdt erlangs, in plaats van erdoorheen. Hetzelfde geldt voor Katwijk aan Zee. Leg je zijtakken aan naar het voormalige vliegveld en naar Katwijk aan Zee, dan wordt de frequentie op die zijtakken te laag en de totale trambaan te lang en nog duurder.

De Zuid-Hollandse statenfracties van Christenunie en SGP hebben een busalternatief uitgewerkt, dat er redelijk realistisch uitziet. Het is niet toevallig dat juist de kleine christelijke partijen zich zo sterk tegen de lightrail gekant hebben. Dat is geen conservatisme, het is iets anders; ik meen het te begrijpen: de RGL is een gelóóf, en die mensen hadden al een geloof.

We passeren de brug over de Rijn, en bereiken via een steil trapje de Voorschoterweg. De wandeling wordt voortgezet over het grondgebied van de gemeente Valkenburg, met 3500 zielen een van de kleinste van Nederland. Het dorpje ligt 2 kilometer verderop, in een bocht van de Rijn; we laten het links liggen. In de Romeinse tijd heette het: Praetorium Agrippinae.

De dagen van de gemeente zijn geteld; op 1 januari 2006 wordt zij met Rijnsburg ingelijfd bij Katwijk. Langs de weg staan verkiezingsbillboards. De spanning stijgt: Katwijk wordt sedert de zondvloed geregeerd door een college van CDA en SGP, maar met die twee nieuwe dorpen erbij is het nog maar de vraag of dat ook in 2006 nog het geval zal zijn.

De Voorschoterweg voert langs de Valkenburgerplas, een grote zandwinningsput met volop recreatieve mogelijkheden. Het parkeerterrein staat vol, maar op deze herfstdag niet met windsurfers en picknickers. Op zaterdag trekken de Kwantumhallen en enkele aanpalende weidewinkeltjes veel klandizie. Ze veroorzaken parkeerdruk, en tevens overvloedig autoverkeer op deze smalle weg.

In dergelijke winkels vind je vooral jonge gezinnen met smalle beurzen en toch een auto voor de deur om al die koopjes te transporteren. De belofte van Keiharde Korting Kolder lokt echter ook twee kinderloze, autoloze, en niet volkomen armlastige late veertigers een schoenenhal binnen.

We zien het in één oogopslag: deze schoenen zullen ónze voeten nooit schoeien. De enige andere middelbare man hier instrueert twee dames, één van zijn leeftijd en een hele jonge; hij wijst met een driftige wijsvinger op zijn horloge, en begint, op de trap, leunend over de balustrade, met spiedende blik de gehele winkel te observeren. Is het de bedrijfsleider, op jacht naar winkeldieven, of is het een geërgerde huisvader, die eigenlijk helemaal niet wil winkelen, en zijn die vrouwen zijn vrouw en dochter?

Mijn aantekeningen worden in de loop van deze lange wandeling steeds schaarser en bondiger. Wat er in de echte Kwantumhallen, naast de schoenenzaak, te zien is, weet ik niet goed meer, maar ik herinner me iets van kerstversiering, een speelgoedauto die in de Engelse taal tegen kinderen praat, tapijtrollen als overmaatse Chinese rotjes en quasi-ouderwets meubilair in de stijl Louis-de-smakeloosste.

‘Retouren melden bij de klantenservice’. Wij melden ons retour, en trekken verder. Via een smal wandelpaadje komen we terecht op de ventweg langs de Rijksstraatweg naar Wassenaar en Den Haag. Even verder slaan we rechtsaf de J. Pellenbargweg in. Het klinkt erg Drents, maar die weg heet wel degelijk zo, en voert naar de Valkenburgerplas, en een mooi restaurant met zicht daarop (maar we zitten vol, na Pain & Co. en McDonalds) en het Nationaal Smalspoormuseum.

Dat museum is gewijd aan industrieel smalspoor, nog smaller spoor dan het meterspoor waarop trams gereden hebben. De locomotieven en wagentjes worden door vrijwilligers opgekalefaterd en onderhouden. Maar dat is nog niet alles: er is een smalspoorbaantje aangelegd rond de plas, en bezoekers kunnen een ritje maken met een heuse stoomtrein, eveneens bediend door een vrijwilliger.

Het museum is alleen geopend in de zomer. Wij zetten onze wandeling daarom meteen voort; het moet ook wel, want de middag is al een aardig eind op streek en we hebben nog wel een uur of anderhalf voor de boeg.

‘Tienhuizen’, heet de halte van bus 43; er staat hier inderdaad een rijtje met ongeveer tien woningen langs de Rijksstraatweg.

Vervolgens nemen wij een fietspad dat Oude Trambaan heet. Inderdaad reed hier ooit een tram, en wel de ‘intercommunale’ tram Den Haag –Wassenaar - Leiden van de HTM; de gele tram in de Leidse volksmond, waarmee hij werd onderscheiden van de blauwe, die naar Den Haag reed via Leidschendam. Wassenaar heeft tramverkeer gekend van 1923 tot 1961. De gele tram reed Leiden binnen via het universiteitsterrein waar wij eerder deze middag wandelden, en had zijn eindpunt op de Haarlemmerstraat. Daar werd nooit gemopperd over verkeersonveiligheid; automobilist, fietser en voetganger lieten zich er blijmoedig pletten door een vooruitgangssymbool als de intercommunale tram.

Dit is ook weer een typisch stadsrandtraject: links hebben we auto’s; rechts weilanden met schaapjes. We koersen af op de onder de gemeente Wassenaar ressorterende buurtschap Maaldrift. Die bestaat uit een grote camping, een bedrijventerreintje, enkele huizen en ten slotte een school speciaal voor Amerikaanse kindertjes, van wie niet wordt gevraagd wat van andere buitenlanders wel wordt gevergd: integratie in onze desintegrerende samenleving.

De aanleg van de Rijksstraatweg heeft Maaldrift ooit doormidden gekliefd. Het rijtje huizen is aan de overkant beland. Ik kom hier zelden, en heb vage herinneringen aan een loopbrug over de snelweg; ik hoop van harte dat hij er nog is. We verlaten het relatief veilige fietspad, en lopen over de ventweg, langs slopers, bouwers en verhuizers.

Daar in de verte doemt goddank de loopburg op; ik vreesde al dat we dezelfde weg terug moesten lopen. Er staat een abri van lijn 43 aan de voet ervan. We klimmen. De constructie wankelt en kraakt onder onze voeten; het valt te vrezen, dat het slecht onderhouden gevaarte geen eigendom is van de rijke gemeente Wassenaar, doch van ons arme Rijk, dat ook verantwoordelijk is voor de weg die eronderdoor loopt.

De buurtschap aan de overkant, ‘Maaldrift-zuidzijde’ zullen we haar maar noemen, telt nog minder dan tien huizen, maar wel twee kroegen. Daarvan is Café Maaldrift bestemd voor gewone mensen, en De Drie Wilgen voor truckers. Je durft er niet aan te denken, wat er gebeurt als je als gewoon mens De Drie Wilgen betreedt.

De zon daalt, en de schaduwen lengen. Boven ons glijden sportvliegtuigjes; Vliegveld Valkenburg is nog in functie. We lopen nu weer langs een ventweg, aan de andere kant van de Rijksweg, met de belofte van de afslag Leiden-Zuid over 1200 meter. Een imbeciel op een motorfiets passeert ons met een snelheid van 120 kilometer per uur.

De Leidse nieuwbouwwijk Stevenhof wordt begrensd door een hoekig fiets- / wandelpad dat een vorstelijk uitzicht biedt op de weilanden van Wassenaar. Een man uit de huizen wast zijn auto; hoe weinig origineel, op zaterdagmiddag! De molen hier is ouder dan de huizen; hij stond er al in 1797.

De zon neigt nu ter kimme, en we werpen dientengevolge langere en langere schaduwen. Hoe lang? Het valt moeilijk vast te stellen, met een slootje ertussen, en zelfs al was dat er niet, dan was het nog moeilijk, want als je naar je schaduwhoofd loopt, om het af te passen, verplaatst dat zich.

Kun je het ook uitrekenen, zonder het na te meten? Daar komen sinussen en tangensen aan te pas. Je moet je lichaamslengte vermenigvuldigen met de cotangens van de hoek zon-waarnemer-horizon, menen wij zeker te weten, hoewel wij 30 jaar geleden voor het laatst onderricht ontvangen hebben in de trigoniometrie.

Maar hoe groot is die hoek? Hier kan, als je van huis bent gegaan zonder sextant en theodoliet, een oude truuk van amateur-astronomen uitkomst bieden. Houd je hand zo ver mogelijk van je oog, en kijk langs die hand naar de hemel. De breedte van je duim omspant nu aan de hemel twee booggraden, een gebalde vuist acht booggraden, en een volledig gespreide hand 22 booggraden tussen duim- en pinknagel. Gemiddeld, natuurlijk; mensen met korte armpjes en kolenschoppen van handen, moeten een onbekende correctiefactor toepassen.

Zo meet ik, dat de zon thans 3 graden boven de westzuidwestelijke horizon staat. Nu moet ik dus de cotangens hebben van 3 graden, maar helaas hebben we geen van beiden een calculator bij ons, en heb ik mijn rekenliniaal en logaritmetafels vanmorgen op het nachtkastje laten liggen. Natuurkunde van het vrije veld hadden we ook wel in de tas mogen steken.

Er zijn bovendien ineens geen schaduwen meer; de zon is schuilgegaan achter bewolking. Wat we feitelijk hadden moeten doen: een kort stokje loodrecht in de grond steken, vaststellen hoeveel maal zolang de schaduw van het stokje is als het stokje zelf, en dit getal vermenigvuldigen met onze respectievelijke lichaamslengten; te laat!

Daarmee zijn we beland in de avondschemering. De zonovergoten foto’s bij dit deel van de wandeling heb ik volgende week zondag gemaakt.

Op de valreep van deze 18 kilometer lange wandeling belanden we opnieuw op het grondgebied van een randgemeente. Bij NS-station de Vink lopen we onder het spoor door Voorschoten binnen, waarvan we in augustus ook al een hoekje hebben meegepikt.

Via een labyrint van woonerven en hondenuitlaatstrontveldjes betreden wij het laatste wat je in een villawijkje zou verwachten: een oud landgoed. Het heet Ter Wadding. In het schemerduister ploeteren wij hier door de blubber; misschien was deze omweg niet echt een goed idee. De uitgang van het park ligt midden in de woonwijk Noord-Hofland. Bij het hek staan twee beelden van wandelende bejaarden.

De huidige versie van huize Ter Wadding dateert uit 1770. Het pand wordt binnenkort verkocht, maar herbergt nu nog een kantoor van Provinciale Waterstaat. Ik heb er een keer een open dag bezocht, louter en alleen om Ter Wadding eens van binnen te zien. Van de tentoonstelling herinner ik me alleen nog, dat de Rijnbruggen van Alphen aan den Rijn per jaar 16.500 keer open gaan; dat is eens per halfuur, voorwaar. En oh ja: ook hier reed eens een tram; een stoomtram, in het tijdperk vóór de blauwe en gele tram.

Boven de kassen langs kanaal de Korte Vliet zien we een maansikkeltje en de Avondster. Het wandelpad eindigt bij een raar, hoog bruggetje, dat aanvankelijk door de gemeente Leiden aan de man werd gebracht als fietsbrug, maar tot voetgangersbrug werd omgebouwd nadat enkele wielrijders er hun nek hadden gebroken.

Nu naderen wij mijn oude lagere school. Het gebouw werd opgericht in 1962, en heeft alle onderwijsvernieuwingen en stromingen in scholenarchitectuur overleefd, ten koste van een paar grondige renovaties. Indertijd werden die scholen gefabriceerd uit een soort bouwpakket. In Leiden stonden wel een stuk of tien exact dezelfde standaardscholen. Alleen aan de hand van de kleur waarin de houten gevelpanelen geschilderd waren, kon de leerling vaststellen dat hij de goede school betrad. De mijne was donkerblauw.

Het gebouw ziet er nu beter uit dan in 1968, toen ik afzwaaide. Er zit momenteel een kinderdagverblijf in, alsmede een school voor moeilijke kindertjes.

Eens was ik er zelf een. Het was een naar jaar, medio de jaren 60; het ging niet goed met me op school. Ik had vooral moeite met Nederlandse Taal (andere talen kregen we nog niet). We hadden van die oefeningen. Stukjes tekst, waarin alle persoonsvormen vervangen waren door infinitieven tussen haakjes, zo van ‘Frans (schrijven) in een schrift’. Raar pidgin-Nederlands, dat wel wat leek op het taaltje dat de kleine Hiawatha wekelijks uitbraakte in Donald Duck. Maar onze taak was: de onbepaalde wijs vervangen door de juiste persoonsvorm in tegenwoordige of verleden tijd, met toepassing van alle stamp-plus-t-regels.

Ik begrijp nog steeds niet goed hoe het komt: domheid, luiheid, een zwak concentratievermogen, snelle afgeleidheid, een onderwijzer die geen orde kon houden in een klas met 55 kinderen, maar hoe het ook zij, ik bakte er niets van, dat jaar, niets. Ik haalde de ene één na de andere. Uit tien successievelijke taalwerkjes scoorde ik 23 punten, wat neerkwam op een fraaie 2+ op mijn paasrapport.

Samen met nog een paar andere domme kinderen kreeg ik speciale bijlessen van de juf van de eerste klas; elke morgen na elven. Ik had een hekel aan haar; het was een slissend serpent, en ze noemde haar pupillen altijd ‘suffie’ (fuffie), als daartoe aanleiding was, en dat was nogal eens het geval. Desondanks wist ik onder haar leiding mijn moyenne voor Nederlands op te krikken tot een nog altijd magere 5-.

Buiten mijn medeweten vonden zorgelijke gesprekken plaats tussen mijn moeder en de onderwijzer; wat moeten we toch met dat kind? Hij is slordig, hij is lui, hij let niet op, hij (kunnen) het bèst, hij (zijn) veel te snel afgeleid, hij (maken) vlekken in zijn schrift. ‘Nee, mevrouw Mensonides, u (moeten) niet meteen schrikken van de term: ‘LOM-school‘; (denken) u er eens over na…’ Waarom klinkt er dan geen donderende stem uit de hemel, met de mededeling, dat de besprokene ooit, al duurt het nog een kleine 40 jaar, aan de universiteit zal afstuderen in datzelfde vak?

Aan de LOM-school ben ik nog ontkomen; ik werd uit medelijden voorwaardelijk bevorderd naar de vijfde klasse, met de dreiging, met kerstmis ‘teruggezet’ te worden als mijn prestaties niet zouden verbeteren. Vermoedelijk heb ik moed geput uit dat zwaard van Damocles, want daarna heb ik geen ernstige moeilijkheden meer gehad met onze taal. Ja, bepaalde dingen kan ik nog steeds niet onthouden: wanneer het ‘hen’ is en ‘hun’, en wanneer je getallen voluit schrijft en wanneer in cijfers, maar het (zullen) me eerlijk gezegd een biet wezen.

Een klein jaar geleden ben ik afgestudeerd als bachelor. Het hagelde en stormde die avond, wat me niet belette, tegen middernacht het oude loopje naar mijn school te maken, en ouderwets mijn tong uit te steken naar dat schuldeloze gebouw. Er was iets rechtgezet; eindelijk!

Wel een wat overtrokken reactie, achteraf, maar Wim kan een vergelijkbare anekdote vertellen. ‘MAVO, hooguit MAVO, met veel pijn en moeite‘, zei de hoofdonderwijzer in 1970 tegen zijn ouders. Geen gunstig advies: MAVO was toen een rest-school, waar je heen werd gestuurd als je niet slim genoeg was voor HAVO/VWO en niet handig genoeg voor de LTS. Wims ouders sloegen de raad in de wind, en gaven hem op voor het gymnasium. Voor straf heeft Wim deze onderwijzer 5tien jaar later niet uitgenodigd voor zijn promotieplechtigheid.

Loop je nog een kilometer verder langs het Korte Vlietkanaal, dan kom je terecht in het Hoogkamerpark, waar onze wandeling drie maanden en 15.000 woorden geleden begon. Je zult vergeefs zoeken naar de Van der Willigenhof; het bejaardencentrum, toen al flink onttakeld, is inmiddels met de grond gelijk gemaakt.

Zo’n stad is een organisme; hij groeit ten koste van het platteland eromheen, maar op microniveau sterft er soms een cel, en wordt vervangen door een andere.

Wij moesten deze wandeling overdoen over 25 jaar, bij leven en welzijn en het bezit van ons loopvermogen. Onmogelijk te voorspellen wat er dan veranderd is en wat niet, en via welk medium we verslag zullen doen van onze bevindingen.

Die lagere school zal dan inmiddels wel verdwenen zijn. Ter Wadding en Poelgeest zullen er nog wel staan, nieuw oorlogsgeweld daargelaten. Voor de Mac geldt hetzelfde; elk jaar wordt er een nieuwe jaargang fijnproevers geboren. Het Leidse Hout is er dan ook nog steeds, maar ik vrees voor het park Cronesteijn; natuurbehoud zal steeds verder uitraken. VINEX-land zal groter zijn dan nu, of juist misschien kleiner; na de Grote Epidemie van 2023 worden al die ontvolkte wijken natuurlijk één voor één gesloopt en teruggegeven aan de boeren en reigers. Of zou de Grote Overstroming van 2007 de halve stad wegvagen? Al te hard hebben we gegniffeld over New Orleans; hoogmoed, die doorgaans vooraf gaat aan de val.

Over de Rijn-Gouwelijn zal tegen die tijd nog volop gediscussieerd worden. Het nieuwste rapport is verschenen binnen de incubatietijd van dit stukje. De trambaan wordt in het centrum van Leiden enkelsporig uitgevoerd. Maar het halveren van het aantal sporen gaat gepaard met het verdubbelen van de aanlegprijs. Ik kan het niet rijmen.

Die OV-chipkaart zal er tegen die tijd wel zijn. Maar hoeveel euro of gulden ons ritje naar de Merenwijk zal kosten; het is een open vraag.

Voorspellen is lastig, vooral als het om de toekomst gaat, zoals een wijs staatsman gezegd heeft. We stoppen daarom met dergelijke speculaties. We begeven ons naar de binnenstad, waar de bioscoop ‘Wij renoveren’ op de Stationsweg inmiddels, na een halve eeuw cineastisch genot verschaft te hebben, definitief is gesloten. Het pand staat te koop; het wordt mogelijk een grand café, en anders een klein cafeetje. Zo’n stad is een organisme, hij sterft en groeit…

Frans Mensonides
2 december 2005
Er geweest: 5 en 13 november 2005


 

© Frans Mensonides, Leiden, 2005, m.u.v. de foto van mij, die is van Wim Scherpenisse


<< naar thuispagina Frans Mensonides