Wij renoveren
Om Leiden heen; deel 3 (Noord)

<<< Lees eerst en vooral Deel 2 ! <<<

Oegstgeest; wijk Poelgeest


Wim Scherpenisse en ik ronden de stad Leiden te voet, in navolging van de Amsterdamse journalist Louis Stiller, die in Stillers omgang een rondgang om Amsterdam beschreef. Onze eerste etappe, op donderdag 4 augustus 2005, staat beschreven in de afleveringen Zuid en Oost van dit feuilleton, en gaat nog even voort in de onderhavige aflevering, voordat we een tijdssprong maken naar de herfst. We bevinden ons op het langwerpige Warmondse eilandje Tengnagel, met onzekerheid of we er, na het vertrek van de laatste veerpont, nog afkomen.

Wij zijn de Robinson Crusoe en Vrijdag van Tengnagel (ik laat in het midden wie wie); het is, op ons na, verlaten. De houten, wat afgebladderde snacktent is geloken; definitief, naar het lijkt. Misschien komt het doordat Tengnagel een eiland is voor natuurliefhebbers, en het aantal daarvan dalende is. Het recreatie-eiland Koudenhoorn, aan de Warmondse kant van Het Joppe, is doorgaans wat drukker beklant. Maar ik moet zeggen, dat ik daar ook al jaren niet geweest ben. 2005 vraagt vermoedelijk om ander soort vakantievertier.

De brug naar het vervolgeiland De Strengen bestaat gelukkig niet alleen op de kaart, maar ook in werkelijkheid, evenals die van De Strengen naar het Leidse vasteland. We bereiken de Broekweg, via de zoveelste molen en langs dames die op een golfcourseje hun swing proberen te verbeteren. De Broekweg is een lang, smal wilgenlaantje langs een sloot. Aan weerszijden van deze laan is in de jaren 70 de Merenwijk gebouwd. Het geasfalteerde laantje vormt een drukke route voor wat in Vlaanderen ‘de zachte weggebruiker’ heet. Voortdurend moet je hier opzij springen voor fietsers; rijwielen zijn nog heel wat harder dan wandelaars.

We worden wat melig. Om de laatste kilometer van een 20 kilometer lange wandeling draaglijk te maken, houd ik de moed erin met geestige gezegdes over autochtone Leidenaars; bijvoorbeeld: ze definiëren een maagd als een meisje dat harder kan lopen dan haar broers. Die grap heeft een baard van hier tot de Noordpool; ik heb hem horen maken door Engelsen over Welshmen, en door Castricummers over lui uit Limmen, maar hij is nog altijd goed voor een glimlach. Ik heb weinig bezwaren tegen de stad waar ik nu al 42 jaar woon, behalve dan dat er zoveel Leidenaars wonen, maar het voordeel van deze wandeling door de periferie is dan weer, dat je ze daar nauwelijks tegenkomt.

De Broekweg kruist de Veluwemeerlaan, deel van de ringweg door de Merenwijk. Hier nemen wij bus 45 naar het centrum van Leiden, waar wij dineren bij een Griek op de Stationsweg, tegenover een oude bioscoop waar de film Wij Renoveren draait. Die draait hier al ruim een jaar; het moet wel een mega-kaskraker zijn, al zien we niemand de bioscoop binnengaan of uitkomen. Rare naam voor een film, vinden we.


93 dagen later, 13 weken en 2 dagen dus, ofwel: één seizoen verder, keren we terug bij dezelfde Merenwijkse bushalte, met het doel, onze wandeling rond Leiden te voltooien. We schrijven zaterdag 5 november 2005, met voorspeld wisselvallig weer. Op weg van huis naar het station, om Wim op te halen, regen ik drijfnat; de rest van de dag wandelen we in overvloedig zonlicht.

Er is veel gebeurd in die 3 maanden. Wim heeft een ziekenhuisopname achter de rug en nog één voor de boeg, één van de redenen dat de tweede etappe van onze tocht om Leiden zo lang op zich liet wachten.

Wat ik zelf meegemaakt heb, is minder erg, maar ik ga er toch over uitweiden. Het gaat allemaal om de complete deconfiture van het bedrijf waar ik werk.

Ik ben sedert het jaar 2000 bij dat bedrijf in dienst. Het leek eerst een heel gezonde onderneming, met een oerdegelijke, correcte, wat kleurloze man aan het hoofd. Maar die directeur begon in de loop der jaren steeds meer merkwaardige trekjes te vertonen. Hij zou van zijn voetstuk gevallen zijn, als het überhaupt al verstandig zou zijn, mensen daarop te plaatsen.

Hij ontwikkelde de gewoonte, de telefoon te laten rinkelen, brieven en e-mail onbeantwoord te laten, niet op te komen dagen bij besprekingen met (potentiële) opdrachtgevers, en daar de meest bizarre smoezen voor te verzinnen. Aanvankelijk schreef ik dat toe aan een zekere originaliteit en onafhankelijkheid, die mensen zelden misstaat.

Bedenkelijker werd het eind mei 2003, toen hij niet in staat bleek, ons het salaris over die maand en het vakantiegeld te betalen. Vijf weken lang heeft hij ons aan het lijntje gehouden met de smoes dat de bank zijn betalingsopdrachten verkeerd had begrepen, en het geld telkens op zijn rekening terugstortte, in plaats van op de onze. Hij ontkende bij hoog en bij laag dat de firma failliet was of op zijn minst in betalingsmoeilijkheden verkeerde.

Aan medewerkers zonder financiële reserve verstrekte hij desgevraagd voorschotten, om van zijn solvabiliteit blijk te geven. Daartoe reisde hij met een grote tiet-met-(zwart?)-geld de verschillende werkplekken af, om handje-contantje uit te betalen; praktijken die onder koppelbazen misschien usance zijn, maar toch bevreemding wekken in een als oersaai bekend staande tak van zakelijke dienstverlening. Begin juli 2003 heeft hij vermoedelijk een bank beroofd, of de jackpot gewonnen, want ineens was het salaris daar: dat van mei, dat van juni, en het vakantiegeld.

Achteraf kan ik niet trots zijn op onszelf, als medewerkers: wekenlang hebben we de smoezen gelaten over ons heen laten komen. We hadden natuurlijk gezamenlijk moeten oprukken naar zijn egelstelling om ons geld op te eisen; hij hield kantoor aan huis, in een dorp halverwege Culemborg en Vianen. Ik zie die nooit plaatsgevonden hebbende scène nog wel eens voor mijn geestesoog: een deftige straat vol samengeschoolde, schamele lieden, als in een socialistische film. In werkelijkheid hebben wij het gelaten bij een verontruste brief, ondertekend door iedereen, op één medewerker na.

Er rees ernstige twijfel aan de financiële gezondheid van het bedrijf, ondanks het feit dat er opdrachten waren in overvloed. Die twijfel werd nog versterkt in 2004, toen we bijna uit het pensioenfonds gegooid werden, omdat de directeur al maandenlang geen premie afgedragen bleek te hebben. Toch slaagde hij er elke maand weer in, het salaris naar de rekeningen van zijn medewerkers over te maken – al kwam het geld soms van zijn privé-rekening.

Afgelopen zomer verkocht mijn werkgever dan eindelijk zijn noodlijdende bedrijf, en wel aan één van mijn collega’s; inderdaad: het was degene, die die brief niet had ondertekend. Die heeft de toko beslist niet cadeau gekregen; reken maar dat er bitter is onderhandeld over elk pennenbakje en elke memory stick! Die man is thans dus mijn directeur, en leest deze rubriek gelukkig nooit. Overige medewerkers zijn tot het allerlaatste moment onkundig gehouden van de deal, en kregen geen kans, zelf een bod uit te brengen op de firma, voor zover iemand daar nog behoefte aan zou hebben.

Grote twijfel werd geuit aan de managementscapaciteiten van die ene collega, die nu dus de báás is. Hij heeft míj nooit helemaal kunnen overtuigen van zijn kwaliteiten, maar dat zegt niets: om talent te onderkennen, moet je zelf over talent beschikken, zo is het natuurlijk wèl. Waarvan hij het allemaal betaalt, is ook een levensgroot raadsel; uit de overvloedige autobiografische gegevens die hij zijn medemens ongevraagd pleegt te verstrekken, is nooit het beeld naar voren gekomen van iemand die opvallend goed geboerd heeft in het leven. Hoe lang het nog goed blijft gaan met de firma, weet alleen de Toekomst.

Er gaan over deze bedrijfsovername ook nog allerlei rare geruchten, maar dat zijn maar geruchten; vergeet ze maar; ik had er niet over moeten beginnen.

Naar alle waarschijnlijkheid heeft het Noodlot dit alles gearrangeerd om mijn 30-jarig kantoorjubileum op te luisteren. Ik versomberde nogal, de afgelopen maanden. Wat had ik niet kunnen bereiken in de wereld, als ik zelf enig talent had bezeten voor zaken en zaakjes!

Goed, einde intermezzo; we lopen opnieuw op de Broekweg, een schat aan nare ervaringen rijker.

De Merenwijk bestaat uit een buurt met galerijen, die rond 1970 tot stand is gekomen, en één met eengezinswoningen, die dateert van iets later. Het eerstgenoemde gedeelte heeft zijn eerste renovatie al achter de rug. De Broekweg loopt door het doorzongedeelte van de wijk, en vormt een langwerpige oase in een steenwoestijn.

Langs veel sloten zien we vandaag van die manshoge, pluizige pluimen. Ik heb ze nooit eerder gezien. Is dit een nieuwe species, ontstaan door de vermeende klimaatveranderingen van de laatste jaren, of, wat waarschijnlijker is, zijn ze ons gewoonweg nog nooit opgevallen?

De Broekweg kruist de spoorbaan naar Haarlem en Schiphol via een smal, onoverzichtelijk tunneltje. We betreden het villadorp Oegstgeest. Hier worden we verwelkomd door een plotseling overwaaiende flard juichkreten uit honderden, zo niet duizenden kelen; ergens op een voetbal- of hockeyveld is een doelpunt gescoord.

Een deel van mijn familiewortels liggen in Oegstgeest; mijn moeder heeft er 6 jaar van haar kindertijd doorgebracht, en mijn grootvader verrijkte als architect het dorp met Hofwijck, een bejaardentehuis, thans zorgcentrum, met aanleunwoningen. We komen er niet langs, maar het is hier op de foto gezet door een Oegstgeestenaar. Om die redenen is Oegstgeest een beetje ‘mijn’ dorp, in tegenstelling tot een oord als Leiderdorp, waar ik niets mee heb.

De nieuwe wijk tegenover het spoor heet Poelgeest, en staat beschreven in dit verhaal uit 2003. Die bustunnel, waarvan toen sprake was, is er nog steeds niet, maar is ook nog niet helemaal afgeschreven. Het station Leiden-Noord zie ik er op korte termijn ook niet komen. Poelgeest doet het dus nog steeds met de beltaxi. Volgens Wim lijkt de wijk sprekend op de nieuwste uitbreidingswijk rond het station van Zuidhorn. Al die huizen komen uit dezelfde fabriek; van Delfzijl tot Terneuzen zie je overal hetzelfde.

‘Pfft, pfft’, is hoorbaar; de microfonist van sportcomplex Kikkerpolder probeert zijn spreekijzer. ‘Hier volgen de ruststanden van de 3e klasse…’ De wind waait ze naar ons toe, in aanzwellende en wegebbende golven, maar ik vind het niet de moeite waard, ze te noteren.

Voorbij Poelgeest pakken wij een stukje Haarlemmertrekvaart mee, waar ooit, zoals de naam al zegt, de trekschuit naar Haarlem passeerde. Op dit punt aangekomen had je als passagier nog zo’n 3 uur voor de boeg – tot Lisse, wel te verstaan, waar je kon zeggen dat je op de helft was. Dit is een wat aparterig stukje Oegstgeest, met woonwagens, woonboten, in de verte een jachthaven, achter ons de silhouet van Poelgeest, vóór ons dat van kasteeltje Oud-Poelgeest, en boven alles uittorenend de TV-mast aan de Kwaaklaan. Zo’n wandeling langs de buitenranden van een stad is ongelooflijk gevarieerd.

Het kasteeltje ligt op een ideale plek voor een ‘buiten’. Het is omgeven door een bosachtig park uit de 19e eeuw. Uit dezelfde eeuw dateren de geinige uivormige koepeltjes. Zelf is het veel ouder; 1000 jaar geleden stond hier al een huis. Van de eerste bewoners kun je moeilijk zeggen dat ze buiten Leiden woonden; van Leiden zelf was nog nauwelijks sprake.

De directe voorganger van het huidige Oud-Poelgeest is gesneuveld tijdens het Beleg van 1574, dat al eerder in deze reeks ter sprake is gekomen. Met deze wandeling doen wij eigenlijk wat de Spanjaarden deden: de stad omsingelen. Onvermijdelijk, dat we hier en daar hun pad kruisen.

Het huidige huis kwam tot stand rond het jaar 1640. Generaties van aanzienlijke Leidenaars hebben het kasteeltje bewoond. Zeker niet de minste van hen was de befaamde medicus / botanicus Hermannus Boerhaave, die het pand rond 1725 in zijn bezit had. De arts was zo wereldberoemd, dat ‘Boerhaave, Europa’ volstond als adressering; zo’n brief werd zonder mankeren door de brievenbus van Oud-Poelgeest geschoven. Die anekdote heb ik vaker verteld; voor het laatst in 1997, toen het Internet nog pril was; het mag wel weer eens een keer.

Ook nu kent het kasteel nog bewoners - zou je kunnen opmaken uit de bloedrode Ferrari die voor het pand geparkeerd staat. Maar nee, Oud-Poelgeest is thans conferentieoord, het landgoed wandelpark, en de auto maakt deel uit van een trouwstoet; bruid en bruidegom worden op het grasveld vereeuwigd door een fotograaf. Hier wordt een jongensdroom vervuld! Niet zozeer trouwen (volgens mij dromen weinig jongens daarvan), als wel één keertje in je leven rijden in een bloedrode Ferrari, al is het maar met 40 kilometer per uur door de bebouwde kom van Oegstgeest. Een beetje zielig vinden wij het wel. De reiger, roerloos met zijn snavel boven de vijver, denkt er onverstoorbaar het zijne van.



De Leidse Hout, een paarhonderd meter verderop, is rond 1930 aangelegd als werkverschaffingsproject. Veel parken in Nederland kunnen dat zeggen. Het geldt ook, bijvoorbeeld, voor het Hubertuspark in Den Haag; het hoge namaak-duin, midden in het park, is bijeengegraven door honderden mannen die anders lekker werkeloos geweest zouden zijn, en heet om die reden nog altijd de Bloedberg.

Maar er werden ook andere nuttige dingen gedaan dan parken aanleggen. Wel altijd werk voor mannetjesputters: het graven van kanalen was erg populair. De werklieden werden ondergebracht in kolonies, in barakken, en verdienden nauwelijks het zout in de pap. Werkverschaffing was niet onomstreden, socialisten beschouwden het als een moderne vorm van slavernij (wat je ook zou kunnen zeggen van het werken in loondienst bij een commercieel bedoeld bedrijf). We staan een ogenblik stil (terwijl we gewoon door blijven lopen) bij de lieden die driekwart eeuw geleden voor een habbekrats en een homp brood dit park hebben aangelegd.

Rondom het park woonde, en woont, de sjiek van Leiden. Mijn nieuwe directeur heeft hier vermoedelijk een huis op het oog, maar woont voorshands elders in de stad, in het schotelantennekwartier.

In de huiskamers van de huizen hier kun je gemakkelijk 28 prepubers een zitplek bieden en laten dansen. Ik weet dat, omdat ik in één van deze huizen in 1968 mijn eerste klasseavond beleefd heb. Ik zat net op de middelbare school. Voor zover ik me kan herinneren, hebben we die avond voornamelijk gedanst op Hey Jude van de Beatles, dat op nummer één was binnengekomen in de Veronica-top-40. Wim heeft de klasseavondsfeer ooit verwoord in een gedicht (dat over een ander legendarisch nummer ging).

Hoe zou het afgelopen zijn met de zoon des huizes? Hij rees één kop boven me uit, en was minstens twee keer zo breed als ik; hij was vermoedelijk al een paar keer blijven zitten. Op school liep hij me altijd af te kammen, maar bij hem thuis (ik was de eerste gast, drie kwartier te vroeg, omdat ik beslist niet te laat wilde zijn voor mijn eerste klasseavond) was hij de volmaakte gastheer, een metamorfose die me verbaasde. Hij leidde me rond door alle vertrekken van het huis, een rij waar bijna geen eind aan kwam.

Thuisgekomen van deze wandeling zoek ik hem op op Google, maar vind hem niet, een veeg teken. Ik zoek wel vaker klasgenoten van weleer op op Google; ik weet niet waarom ik dat doe, maar de meerderheid van hen blijkt spoorloos verdwenen. Dood kunnen ze niet allemaal zijn, dat bestaat niet, maar wie niet te vinden is op Google, existeert in mijn ogen feitelijk nauwelijks.

Weinig ex-klasgenoten veroorzaken zoveel hits als ikzelf. Mijn thuispagina is vrijwel ongeëvenaard. Ja, een paar hebben iets bereikt in een beroepsleven, en staan uit hoofde van hun functie op Internet, maar dat is eigenlijk geen kunst. Dan zijn er nog wat ik noem: de incidentele vermeldingen. Een jongen uit mijn klas neemt deel aan tennistoernooien 45-plus. Hij staat vermeld in uitslagenlijsten en klassementen, maar verder is er over zijn leven niets bekend.

Wim zoekt ook vaak op ex-klas- en studiegenoten. Hij weet wèl, waarom hij het doet: nieuwsgierigheid; wat zou er van hem of haar geworden zijn? En hij heeft nog een tip voor de lezer: zoeken op nieuwsgroepen, en in het Web Archive; met aanwending van die extra middelen zijn de meeste mensen wel op te sporen.

Ik Google ook vaak op mezelf, en ontdekte laatst, dat ik in de Wikipedia-encyclopedie sta. Niet als zelfstandig lemma, dat komt nog wel, maar ze hebben me geciteerd over plaatjesdraaier Stan Haag, en gelinkt in het artikel over successchrijver Arthur Japin.

Leiden en Oegstgeest zijn al sinds de jaren 20 aaneengekit; ze vormden al een agglomeratie toen het woord nog uitgevonden moest worden. Ik wijs Wim op een curiosum: de huizen aan de zuidzijde van de Warmonderweg staan in Leiden, maar de straat ervoor behoort tot het grondgebied van Oegstgeest. En Wim herinnert zich nog een verhaal dat ik hem eens verteld heb: op de Terweeweg, in het dure restaurant Beukenhof, heeft Hitler nog eens geluncht.

Dit lijkt hem zelf toch ook wel vrij onwaarschijnlijk. ‘Nee’, corrigeert hij zichzelf; ‘hier hebben Wiegel en Van Agt gedineerd’. Een begrijpelijke vergissing: ‘Wiegel’ en ‘Hitler’ zijn een geval van klinkerrijm, en Van Agt had ook een zwarte spuuglok (vooral in cartoons van tekenaars ter linkerzijde). In 1977 zouden Wiegel en Van Agt in dit restaurant hun kabinet gesmeed hebben, dat het, ondanks een zeer geringe kamermeerderheid, heeft uitgehouden tot aan de verkiezingen van 1981. Ik schrijf het met enige reserve; meer etablissementen claimen deze eer.

Van Agt heeft er spijt van. Waarvan? Zo ongeveer van alles behalve zijn maaltijd in De Beukenhof: van zijn rigide bezuinigingen, van zijn slaafse houding tegenover Amerika, van zijn opstelling in de koude oorlog; van alles. Hij zou het anders aangepakt hebben als hij het mocht overdoen, heel zijn minister-presidentschap; hoe is het mogelijk: de hoogste functie van het land hebben, en het dan nog vier jaar lang verkeerd doen, ook! Geen retro-programma laat hij links liggen om het ons te vertellen; hij is er buitengewoon trots op. Wat je al niet moet doen, als bejaarde Bekende Nederlander, om nog op TV te komen! Inmiddels hangt Wiegel de grijze eminentie uit, en houdt hij de vrees levend, dat hij terugkeert naar Den Haag. En zou dan de Beukenhof opnieuw het toneel zijn van onderhandelingen?

Op de De Kempenaerstraat lopen jongetjes in hockey-tenue met hun stick te zwaaien. Als ik hier met mijn moeder loop, verhaalt ze altijd dat er een kapper gevestigd was, die op hardhandige wijze krullen in haar van nature kaarsrechte haar probeerde aan te brengen. 'Het deed gemeen zeer, dat getrek aan dat haar. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen. Het moest van je grootmoeder. Ik moest op Shirley Temple lijken.'

Wij strijken neer bij Brasserie Le Pain & Co voor de lunch. Er zit hier publiek op leeftijd, vaste mensen op vaste plaatsen, bediend door serveersters die een beleefd dienstbetoon laten zien, dat in zijn oorspronkelijke, meest pure vorm alleen nog voorkomt in dit soort villadorpen.

Wij hebben het wankelende tafeltje, waar verder niemand wil zitten, omdat ze weten dat het wankelt. Veel bonter dan tosti maken we het hier niet. Druk pratend met Wim merk ik de dame met de rollator aanvankelijk niet op, die er graag door wil. Eindelijk dringt haar aanwezigheid tot me door. Beleefd maak ik ruimte, door mijn stoel nog een paar centimeter naar voren te schuiven. ‘Kunt u er zo langs?’, vraag ik vriendelijk. ‘Ik ben er al twee keer langs gewurmd’, zegt de vrouw bestraffend, met mild verwijt in haar stem, en een vinnige ondertoon. ‘Jongeman!’, voegt ze er nog net niet aan toe. Ik zit haar gedurende het hele lunchuur al dwars; een Leidenaar in Oegstgeest stoot alleen al door zijn aanwezigheid iedereen voor het hoofd, en trapt op de tenen.

Wij vertrekken maar. Op naar de Deutzstraat, twee hoeken om. In deze weinig opmerkelijke straat is toevallig wel Jan Wolkers geboren, die onlangs zijn 80ste verjaardag heeft gevierd. Zijn roman Terug naar Oegstgeest uit 1963, is hier wat slordig, en hier wat beter samengevat. Als je de roman leest, zie je heel Oegstgeest voor je. Ik begrijp niet warom de VVV geen Wolkers-wandeling heeft uitgestippeld door het op zich al redelijk bezienswaardige dorp – maar misschien hebben ze dat wel, we hebben de VVV niet bezocht.

Mijn moeder bezocht in de periode 1932-1934 de kleuterschool in de Deutzstraat, die er nog steeds staat. Met Jan Wolkers heeft ze nooit geknikkerd; ze scheelden ruim twee jaar jaar, en de gereformeerd opgevoede Wolkers mocht vast niet omgaan met kinderen uit een goddeloos vrijdenkersmilieu.

Op de grens van Leiden en Oegstgeest ligt een weilandje dat gedurende de gehele 20ste eeuw stand heeft gehouden tegen de agglomeratievorming. Ook nu durft nog geen projectontwikkelaar zijn handen er naar uit te strekken, al hebben ze aardig huisgehouden op de Geversstraat, die er op uitkijkt; een winkelstraat waar weinig meer herinnert aan het decor van Terug naar Oegstgeest.

Als wij de koeien staan te bewonderen, die een blasfemie lijken in zo’n stedelijk milieu, zegt een stem: ‘mooi hè’. Een bohémien met een slap zwart hoedje en een vage baardschaduw heeft onze fotograferende activiteiten gadegeslagen. Wij beamen zijn stelling, en hij zegt, met een verfijnde glimlach op het gelaat: ‘en het is míjn uitzicht!’. Hij verdwijnt in een huis aan de Nachtegaallaan, ons verpletterd van jalousie achterlatend.

Via de Vogelwijk bereiken wij het Bos van Bosman, waar we een wat modderige rondwandeling maken. Er zou in dit land eens een limiet gesteld moeten worden aan wat nog een ‘bos’ genoemd mag worden; dat van Bosman is niet veel groter dan een hectare. Het bosje stelt niet veel voor, en er wandelt nooit een sterveling. Ooit was hier een landhuis; Jan Wolkers werkte in zijn jonge jaren als tuinman voor de eigenaar, die in de roman Houtheer genoemd wordt.

In de universiteitslaboratoria langs de Wassenaarseweg martelde Wolkers beroepshalve, en in de lunch- en koffiepauzes voor zijn lol, muizen en andere kleine dieren, en kreeg daar later evenveel wroeging van als van Agt van zijn premierschap. Wij zien de opvolgers van deze laboratoria, en de opvolgers van de opvolgers. In één ervan is het Anatomisch Museum gevestigd, dat helaas zelden geopend is, maar waar ik toch eens een voet heb kunnen zetten (zie dit stukje).

Nergens in Nederland heerst zo’n spookachtige sfeer als op een universiteitsterrein in het weekend. Wind blaast, zon schijnt, herfstbladeren waaien op, een zwaan zit bewegingsloos in het kroos; er klinkt geen enkel geluid dat menselijke aanwezigheid verraadt. Als enigen lopen wij hier rond, en genieten van de eclatante architectuur van de laboratoria. De architecten in mijn regio hebben zich nergens zo uitgeleefd als op dit terrein, door geen enkel ongeleerd mens ooit betreden en bekeken. Daar fietst een meisje met een hockeystick achterop; ongetwijfeld op weg naar het universitaire sportcentrum, de enige plek waar in het weekend activiteit waarneembaar is.

Het Stilleriaanse wandelen bevalt ons ook vandaag uitstekend. We hebben vorig jaar eens 14 kilometer gelopen langs een riviertje in Overijssel, door Natuur met een hoofdletter, naar het stadje Ommen, maar we waren blij dat we er eindelijk wáren, zonder het elkaar te durven toegeven. En je kunt natuurlijk een hele middag wandelen in een mooi gevel-stadje, met een VVV-gidsje in de hand waar ze allemaal instaan, en welk jaar, en wie, en waarom; ook dat kan. Maar volg je de stadsrand, een gemeentegrens, dan zul je gefascineerd raken door de afwisseling van op zich niet bijzondere en soms zelfs ronduit lelijke dingen die je ziet. Zaken die geen esthetische waarde bezitten, maar die er gewoon ZIJN; zoiets, gedachten die we later nog wel eens zullen uitwerken. Of laat maar zitten, ook; stadsrandfilosoof Stiller verwoordt het allemaal veel beter, in zijn boek.

Een louterende wandeling. Wij renoveren dan misschien weliswaar niet, vanmiddag, maar voelen ons nu al, halverwege de tocht, gezuiverd en schoongewaaid van drie moeilijke maanden.

Aan de westkant van het terrein bewonderen we daarom ons eigen beeld in twee grote spiegels, en verwonderen we ons over het Huygenslaboratorium, dat zo scheef staat, dat de werknemers hun dag wel moeten doorbrengen in voortdurende draaiduizelingen.

Via een tunnel onder de Rijksweg-zoveel belanden we opnieuw in de gemeente Oegstgeest. In deze uithoek van de gemeente, ooit tuinbouwgebied, komt een groot bedrijventerrein; dat had Oegstgeest nog niet. Rijnfront heet het hier; wat galmend. Momenteel galmt er nog niets. Op de kale, winderige vlakte tussen hier en het Transferium staan rijtjes houten barakken, geschilderd in lelijke poepkleuren. Het zijn woningen voor onfortuinlijke studenten die geen kamer hebben weten te bemachtigen in één van de studentenhuizen in de binnenstad. Een naargeestige woonomgeving, maar het voordeel is ongetwijfeld dat je hier wèl aan studeren toekomt, wat er in die studentenhuizen nog wel eens bij inschiet.

Onze helden koersen nu af op het Transferium en de bijbehorende MacDrive. Het lijkt wel, of ze aanstalten maken, er binnen te gaan, wat je niet zou verwachten van epicuristen die ook lunchen op de De Kempenaerstraat. Jawel, daar openen zij de klapdeuren die toegang geven tot het restaurant! Wat dat te betekenen heeft, wordt onthuld in de volgende aflevering. Het heeft iets te maken met die merkwaardige bedrijfsdirecteur, die hierboven ten tonele is gevoerd, zo kan op deze plek alvast onthuld worden.

Frans Mensonides
17 november 2005, met enkele geringe aanvullingen in oktober 2007.
Er geweest: 4 augustus en 5 november 2005, en opnieuw op 13 november 2005, om de foto te maken van Poelgeest in maanlicht.

Lees verder: deel 4 >>>



© Frans Mensonides, Leiden, 2005


<< naar thuispagina Frans Mensonides