Rijm en metrum ontleed

Zedeprinten Startpagina <<< De doorsneedichter (Inleiding) <<< De doorsneedichter (vertaling) <<<


Voetmaat, rijm en rede. De eerste twee van dat drietal zorgden ervoor dat een gedicht welluidend en harmonisch klonk. Laten we eens nader kijken naar metrum (‘voetmaat’) en rijm, en een zedeprint onder het ontleedmes leggen. Hieronder de eerste acht regels van De gezant, de eerste van de reeks karakterschetsen die Huygens schreef (zie ook de pagina’s over De gezant op deze site).  


 u  /   u   /  u     / |  u   /  u    /    u /   u                    
Hij is een eerlick Spie; een buytens-baet-besorgher;

 u    /    u  /  u  / | u /  u    / u  /   u                                
Een hier, een allesins gevaerlick medeborgher;

 u    /   u   /    u   / |  u   / u /  u   /                  
Eens Vorsten langsten Arm; een ongeroepen gast,

 u   /   u     / u (/)|  u    /  u   / u  /                                              
Die nochtans nootelick aen ’thooger ende past;

 u    /   u  /      u   /   |  u   / u  /    u   / u               
Een staende licht, een balck, een waterloop verkregen
u / u / u / | u / u / u / u
Op Tuyn, op muer, op grond van verr’ of naest gelegen;
u / u / u / | u / u / u / Een Oogh op ’t sien gehuert, en daerom soo verhooght,
u / u(/) u / | u / u / u /
Op ’t sluymeren gelaeckt, op ’t slapen noyt gedooght.


Overgenomen van Constantijn Huygens (1623). (Universiteit Leiden). Uitgave naar het handschrift van Constantijn Huygens

Anatomie van de alexandrijn

Huygens dichtte de Zedeprinten, zoals veel van zijn werk, in alexandrijnen. Dit zijn versregels met zes jamben, versvoeten met een onbeklemtoonde lettergreep, gevolgd door een beklemtoonde (notatie: u /). In het bovenstaande fragment zijn deze versvoeten aangegeven met de symbolen u en / boven de tekst.

Elke alexandrijn heeft een middenrust of cesuur, hierboven aangegeven met een verticaal streepje. Deze cesuur volgt op de derde jambe, dus halverwege de regel. Daar valt bij hardop lezen een natuurlijke rustpauze in de zin. Er staat op die plek vaak een leesteken: een punt, puntkomma of komma.

De regels rijmen paarsgewijs. Daarbij wordt afwisselend staand en slepend rijm toegepast. Bij staand of mannelijk rijm rijmen de laatste lettergrepen: gast / past, verhooght / gedooght. Bij vrouwelijk of slepend rijm rijmen de voorlaatste, beklemtoonde lettergrepen: besorgher / medeborgher, verkregen / gelegen. Deze regels hebben een extra, dertiende, onbeklemtoonde lettergreep.

 

Metrische experimenten

In Huygens’ tijd was deze manier van werken betrekkelijk nieuw onder Nederlandstalige dichters. In de periode 1560-1580 waren auteurs als de Antwerpenaar Jan van der Noot en de Leidse stadssecretaris Jan van Hout begonnen te experimenteren met metrische gedichten. Men volgde daarbij klassieke Griekse en Latijnse dichters na, zoals Homerus en Ovidius. Die schreven veelal in dactylische hexameters, verzen met zes dactyli ( / u u ), waarvan sommige vervangen mochten worden door een spondeus ( / /). Dichters uit de oudheid hanteerden daarbij een systeem waarbij lettergrepen volgens bepaalde regels kort of lang werden uitgesproken.

Al snel ontdekten de Nederlandstalige dichters dat ze in hun eigen taal beter konden werken met klemtonen in plaats van met korte en lange lettergrepen. Zo gingen de dichters aan de slag met een afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen, met als versvoet de trochee ( / u) of de jambe (u /).

 

P.C. Hooft bekritiseerd

Pieter Cornelisz. Hooft (1581-1647) kreeg kritiek van Constantijn Huygens op zijn opvattingen over metrum. In het eerste decennium van de 17e eeuw had Hooft furore gemaakt met liefdespoëzie. Hieronder een sonnet van zijn hand uit 1610:

Mijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij toe,
Dewijl mijn lippen op haer lieve lipjes weiden.
De woordtjes alle drie wel claer en wel bescheiden
Vloeiden mijn ooren in, en roerden (‘ck weet niet hoe)
Al mijn gedachten om staech maelend nemmer moe;
Die ’t oor mistrouwden en de woordtjes wederleiden.
Dies jck mijn vrouwe bad mij claerder te verbreiden
Haer onverwachte reên; en sij verhaelde’ het doe.
O rijckdoom van mijn hart dat over liep van vreuchden!
Bedoven viel mijn Siel in haer
vol hart van deuchden;
Maer doe de Morgenstar nam voor den dach haer wijck,
Js, met de claere Son, de waerheit droef verresen.
Hemelsche Goôn, hoe comt de Schijn soo naer aen ’t Wesen,
Het leven droom, en droom het leven soo gelijck?

23 Januario
Saturdach. 1610.
‘Mijn liefste, mijn liefste, mijn liefste’, zei mijn liefste tegen mij,
terwijl mijn lippen zich aan haar lieve lipjes tegoed deden.
Die drie woordjes, zo helder en duidelijk
stroomden mijn oren in en ploegden (ik weet niet hoe)
al mijn gedachten om, voortdurend malend en nooit moe.
Maar het oor vertrouwde die woordjes niet en gaf ze weer terug.
Daarom vroeg ik mijn geliefde, haar onverwachte woorden
duidelijker uit te leggen, en zij heeft dat toen gedaan.
O, rijkdom van mijn hart dat overliep van vreugde!
Mijn ziel werd ondergedompeld in haar hart vol van deugd.
Maar toen de morgenster plaatsmaakte voor het daglicht
is, tegelijk met de heldere zon, de droevige waarheid tevoorschijn gekomen.
Hemelse goden, hoe komt het toch dat schijn zoveel op werkelijkheid lijkt,
en het leven op een droom, en een droom op het leven?

Zaterdag 23 januari 1610.

Originele tekst overgenomen uit: P.C. Hooft. Lyrische poëzie. Nieuwe tekstuitgave door T. Tuynman, bezorgd door G.P. van der Stroom.
2 dln. Amsterdam 1994. I, p. 173.

Dit gedicht is gebaseerd op de jambe ( u /). Maar Hooft week nogal eens af van de ideale afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. In het gedicht hierboven zijn zulke afwijkingen aangegeven in rood. Op al die plaatsen is de lezer geneigd, een klemtoon te leggen op de eerste lettergreep van een versvoet, zoals bij ‘Vloeiden’ ( / u, i.p.v. u /). Een uitzondering vormt ‘te’ in regel 7; daar staat juist een ‘stomme’ lettergreep op de plek waar je een beklemtoonde verwacht.

Hooft zag geen bezwaar in dergelijke afwijkingen, die de declamatie van een gedicht alleen maar verlevendigden. Maar in 1623 raakte hij verzeild in een briefwisseling met Huygens over deze kwestie. Het was kort voordat Huygens zou beginnen aan de Zedeprinten. Huygens was voorstander van een ijzeren regelmaat in het metrum, zonder de frivoliteiten die zijn 15 jaar oudere kunstbroeder zich permitteerde.

Bij de voorbereiding van zijn dichtbundel Otia verzocht hij Hooft, hun polemiek over het metrum te mogen publiceren. Maar Hooft weigerde, met als reden dat hij de kwestie achteraf niet de moeite waard vond om er zo veel woorden aan vuil te maken.

Toch heeft Hooft zich laten beïnvloeden door Huygens, of in ieder geval door de heersende dichtmode, die een strak metrum voorschreef. Toen hij in 1636 een verzamelbundel van zijn poëzie uitgaf, paste hij van verschillende oude gedichten het metrum aan. Ook het liefdessonnet uit 1610 onderging zo'n bewerking. Hieronder staat links staat het origineel van 1610 en rechts de versie van 1636. Of het gedicht werkelijk is opgeknapt? De lezer oordele zelf!

Mijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij toe,
Dewijl mijn lippen op haer lieve lipjes weiden.
De woordtjes alle drie wel claer en wel bescheiden
Vloeiden mijn ooren in, en roerden (‘ck weet niet hoe)
Al mijn gedachten om staech maelend nemmer moe;
Die ’t oor mistrouwden en de woordtjes wederleiden.
Dies jck mijn vrouwe bad mij claerder te verbreiden
Haer onverwachte reên; en sij verhaelde’ het doe.
O rijckdoom van mijn hart dat over liep van vreuchden!
Bedoven viel mijn Siel in haer
vol hart van deuchden;
Maer doe de Morgenstar nam voor den dach haer wijck,
Js, met de claere Son, de waerheit droef verresen.
Hemelsche Goôn, hoe comt de Schijn soo naer aen ’t Wesen,
Het leven droom, en droom het leven soo gelijck?

23 Januario
Saturdach. 1610.
Myn lief, myn lief, myn lief. Zoo sprak myn lief my toe,
Terwijl mijn’ lippen op haer’ lieve lippen weydden.
De woordjens alle zes, wel klaer en wel bescheyden,
Ten ooren vloejden in, en roerden ‘k weet niet hoe,
All’ myn gedachten om : die nemmer maelens moê,
Het oor mistrouwden, en zyn oordeel wederleydden.
Dies ik myn Troosje badt, my klaerder uyt te breyden,
Den zin van ’t zoet geluydt. En zy verhaeld’ het doe.
O rijkdoom van myn hart, dat overliep van vreughden!
Bedoven viel myn’ ziel in d’haere vol van deughden.
Maer toen de morghenstar nam voor den dach haer wijk,
Is, met de blijde zon, de waerheidt droef verrezen.
O hemelgoôn, hoe komt de schijn zoo naer aen ’t weezen,
Het leeven droom, en droom het leeven zoo gelijk?

Tekst links: zie hierboven. Tekst rechts overgenomen uit: P.C. Hooft, Gedichten van den Heere Pieter C. Hooft, Drost te Muyden, Baljuw van Goeylandt, &c. Verzaemelt en uytgegeven door Iacob vander Burgh, Raedt des Heeren van Brederode. Amsterdam 1636. p. 224.
Facsimile-uitgave door University Press Amsterdam. Amsterdam 1972.


Meer weten?

Jan van Hout (1542 -1609). DBNL-auteurspagina.

P.C. Hooft (1581-1647). DBNL-auteurspagina.

Jan van der Noot (1539(?) -1595). DBNL-auteurspagina.

Revolutie in de Nederlandse literatuur (literatuurgeschiedenis.nl)

Pieter Corneliszoon Hooft, de elegante intellectueel (literatuurgeschiedenis.nl)

P.C. Hooft Liederen en gedichten. Samenstelling Johan Koppenol, m.m.v. Emel Spaninks en Madeleine de Vetten. Amsterdam 2004. Griffioen-reeks.

K. Porteman en M.B. Smits-Veldt, ‘Poëticale vernieuwingen in Leiden’. In: K. Porteman en M.B. Smits-Veldt, Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700. Amsterdam 2008. p. 118-128.

K. Porteman en M.B. Smits-Veldt, ‘De lyriek van Hooft en Bredero’. In: K. Porteman en M.B. Smits-Veldt, Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700. Amsterdam 2008. p. 206-215.


© Frans Mensonides, Leiden, 2008.