
In 't groen
… thaz her dodon erquekkeda, allarslachta sicheduom heileda,
over mere mit drugon fuozen gieng, diuvela verdreif, thaz draph ad diviniatem.
(…dat Hij doden opwekte, allerlei ziekten genas,
over het water ging met droge voeten, duivels uitdreef, dat is een teken van Zijn Goddelijkheid).
Uit de Egmondse Williram. Overgenomen uit: Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Amsterdam 2006.
… de grote snoeshaan legt een glazen ei.
Wanneer je ’t schudt, dan sneeuwt het op de Egmondse abdij.
Boudewijn de Groot & Lennaert Nijgh
Deze snoeshaan zal ook weer eens een ei leggen! Het tweede deel van een ei, wel te verstaan, het vervolg van een bedevaart over de geestgronden. In de vorige aflevering kwam ik tot de Runxputte in Heiloo. Deze keer ga ik vanaf dat punt verder naar de abdij in Egmond Binnen. En omdat Egmond, als alle heilige zaken, bestaat uit drieën, is er ook nog een toegift met foto’s uit Egmond aan Zee en Egmond aan den Hoef.

Ik maak mijn tocht op een donderdag, en stap drie uur later in de trein naar Castricum dan op maandag, woensdag en vrijdag, als ik er werken moet. Het lijkt daardoor een nieuwe treinreis, door een onbekend en vreemdsoortig landschap. De zon staat te elfder ure elders dan om acht; het licht valt anders en bovendien kijk ik tijdens mijn woon-werkritten helemaal nooit naar buiten, maar verdiep me in De pers.
In Castricum neem ik de bus richting Alkmaar – waarbij ik de lezer er alvast op voorbereid dat dit hele artikel geen enkele foto zal bevatten van een openbaar vervoermiddel. De bussen rijden weer, maar staan gewoonweg niet op mijn rolletje, merkte ik bij thuiskomst; ik ben ze vergeten vast te leggen.
Ik smaak het genoegen, op een vrije dag langs mijn werkplek te rijden. Collega’s zullen me morgen vertellen, dat zij rond 11:50 uur een huivering van jalousie over hun ruggengraat voelden: ‘Hij is in de buurt, die halve rentenier uit Leiden; ik wéét het, ik voel het!’ Ik heb mijn werkgever al twee keer aangeboden, voortaan vier in plaats van drie dagen per week uit het raam te komen kijken, nu mijn studie erop zit. Maar tot dusverre wil men niet op mijn aanbod ingaan. Men vreest dat ik me dan te zeer zal gaan vervelen, en dat zou ook nog best eens kunnen wezen.
Ik stap uit voorbij Limmen, en loop via dat thans nog rustieke ‘Wonen in het Groen’-landschap naar de kapel waar de vorige aflevering eindigde. Wonen in het Geel, is het vandaag de dag; het heeft al een tijdje niet geregend, en ook vandaag hebben we een droge, zonnige, warme dag.
Een vrouw staat gebogen over de rand van de Runxputte. Zij put er water uit en giet dat over in een PET-flesje.
Ik wil die kapel nu wel eens van binnen bekijken, waar vorige keer net een huwelijk werd ingezegend. Voorzichtig open ik de deur, maar – wel sapristi! – er is deze keer net uitgerekend een kerkdienst aan de gang. Daar ga ik niet tussen zitten. Veronderstel, dat de priester ineens brult: ‘Er is een ongelovige onder ons!’ Die verschutting had mijn overgrootmoeder al eens, tijdens haar kortdurende bekering tot het spiritisme; ik hoef het niet mee te maken.
Vorige keer vertelde ik dat mijn heidendom zijn oorsprong vindt in een stukje familiegeschiedenis. Mijn grootmoeder van moederszijde haatte het katholieke geloof, waarin zij was opgevoed. Rond 1920 kreeg ze kennis aan mijn grootvader. Die was hervormd, maar bracht zijn zondagen al jaren liever door op het voetbalveld dan in de kerk.
Dat werd dus twee (on)geloven op één kussen. Mijn oma kreeg bezoek van een kapelaan die haar wegwijs zou maken in het huwelijksleven – en en passant een vurig pleidooi hield voor de katholieke doop van ten minste de helft van de kinderen die uit die verbintenis geboren zouden worden. Ze deden het in zulke gevallen wel om en om, in die verlichte tijden.
Het bleef bij één bezoekje. ‘Die vent mocht zelf niet trouwen, en zo’n ouwehoer zou míj dan even komen vertellen hoe het moest, in het huwelijk!’
Mijn grootouders kregen maar één kind. Hoe had dat nou gemoeten met dat dopen? Maar vanzelfsprekend werd mijn moeder helemaal niet gedoopt. Ze ging naar een openbare school en mocht daar van haar moeder zelfs de godsdienstlessen niet bijwonen.
‘Ik moest de klas uit als de les begon. Ik moest ergens apart maar wat gaan zitten handwerken, of zo. Ik vond het verschrikkelijk, ik voelde me buitengesloten.
Dat had ik ook als ik bij vriendinnetjes kwam die gelovig waren. Ik logeerde eens heel lang bij twee vriendinnen, twee zusjes, toen je oma langdurig ziek was. Ze zat maandenlang in een rusthuis; daar zagen ze toen nog heil in, in rust. Tegenwoordig moet je juist allerlei dingen DOEN, als je overspannen bent, maar goed.
Die mensen waren gereformeerd. Ik mocht op een zondag mee naar de kerk. Ik was wat angstig; had geen idee wat me te wachten stond. ‘Gaan ze dan zingen?’, vroeg ik. De oudere broer van die zusjes zat me te pesten. Hij zei: ‘Ze zingen er allemaal kinderliedjes, van Jacob Hamel’. Nou, dat leek me toch sterk, dat geloofde ik niet. Maar ik wist nergens iets van. Ik kende de liederen niet, ik snapte niet waar de dominee het over had, ik wist niet hoe je bidden moest. In mijn idee duurde het uren en uren. Ik had het gevoel dat iedereen mij aankeek; een raar kind, dat nooit naar een kerk ging!

Ik loop verder, kruis de spoorbaan via het tunneltje en stap enkele hectometers verder de gemeente Castricum weer binnen. Voor me kronkelt een B-weg, de Zanddijk, zich naar de kim en naar de buurtschap Bakkum Noord.
Het is hier écht platteland! Hooguit eens per vijf minuten passeert me een auto. Een hele grote koe staat me woedend, met wijd opengesperde neusgaten, toe te loeien, vlakbij, maar gelukkig aan gene zijde van schrikdraad. Fietsers groeten me, maar net als in Maasdijk laatst: als ik zelf iemand groet, groeten ze niet terug. Dat verhaal uit Maasdijk kende hetzelfde thema als dit: een vreemdeling in Jeruzalem.
Ik passeer puissante tuintjes met miniatuurmolentjes erin. Kolven van het een of andere gewas buigen zich met de wind mee, die fel blaast vanuit het westen. De geestgronden, waar immer de elementen woeden. De wind loeit hier harder dan waar ook, de mist is klammer, de zon schijnt helderder en de regen striemt genadelozer neer, maar de buien duren korter. Het is écht waar, het licht is hier lichter, en ook anders van kleur, als je goed kijkt. In Castricum knipper ik altijd als een mol tegen het licht, als ik van binnen in de buitenlucht kom.

De hoge gevels van de abdij doemen op uit een bosje. Ik nader Egmond Binnen en daarmee een dorp met nog geen 3000 inwoners. Het valt tegenwoordig onder de gemeente Bergen, die zich van hier door de duinen uitstrekt tot Groet en Schoorl, boven Alkmaar.
Egmond Binnen lijkt wat op Castricum, met stolpachtige huizen in de dorpsstraten. Een winkeltje verkoopt opoe-fietsen. Busvervoer is hier dun gezaaid. Vijf keer daags kun je met het reguliere streekvervoer naar station Castricum. Verder rijden er op onregelmatige tijdstippen buurtbusjes naar Heiloo en naar alle uithoeken van de gemeente Bergen. Er staat in het dorp een oude abri, nog uit de NZH-tijd. Toch nog een OV-foto in deze aflevering.
De abdij ligt een stukje buiten het dorp. Ik wil eerst iets eten, tijd voor een ‘eetmoment’, een woord waarop mijn diëtiste gek is. Je moet het aantal eetmomenten wat beperken, maar tijdens die eetmomenten wel goed en bewust kauwen, dan krijg je veel minder snel honger, en kun je een buikje voorkomen en Sonja Bakker buiten de deur houden. Het is niets nieuws, De Klisjeemannetjes (Van Kooten en De Bie) zeiden het tientallen jaren geleden al: ‘Goed je bammetjes kâhwe, dat het voedsel gelèkmatâg verdeild in je bloe’ komp.’ Eerst een eetmoment, dus, om te voorkomen dat ik straks in die abdij een appelflauwte krijg, en om een bord pap moet vragen in de refter.
Dit doet me trouwens wel denken aan een ontiegelijk melige mop die ik eens gehoord heb. Hij speelt in een klooster waar de broeders een zwijggelofte hebben afgelegd. Alleen op de eerste zondag van de maand mag tijdens de maaltijd één broeder iets zeggen. Zegt die ene broeder: ‘Die pap is knap koud’. Zegt de volgende maand die andere broeder: ‘Dat vind ik nou ook!’ Zegt weer een maand later een derde: ‘Kunnen we het hier nu eens over iets anders hebben dan kouwe pap?’
Ik strijk neer bij Het Wapen van Egmond voor een sobere maaltijd en een kogelflesje gazeuse. De animo voor het voetbal zal ook in Egmond wel verflauwd zal zijn sedert afgelopen zondag, toen we verloren van Guus’ Rusland. We liggen er weer eens een keertje uit. Het is weer eens het ouwe verhaal: de ene keer halen we een 9 als rapportcijfer en de andere hooguit een 4. Dan win je nooit die beker, waar de spelers in hun dromen vast alvast mee stonden te zwaaien. Die gaat doorgaans naar ploegen die constant presteren en er net dat kleine schepje bovenop kunnen doen, als de nood aan de man komt. Vind ik, en met mij vele anderen.
Er werd driftig over nagekaart, maandag op kantoor. Er waren weer 16 miljoen deskundigen in dit land. Een collega heeft me wel vijf keer op woedende toon verteld, wat Van Basten had moeten doen en laten om de sof af te wenden: ‘Haalt hij die snelle die-en-die [de namen van die poppetjes vergeet ik altijd meteen] eruit en zet hij die slome die-en-die erin! Ja, bén je dan g.v.d. van de ratten besnuffeld, als je zoiets doet! Dan vráág je toch om te verliezen!’
- ‘Hij had Sven Kramer er in moeten zetten’, zei ik. ‘Die heeft toch niets om handen in de zomer, en die zoekt altijd naar nieuwe uitdagingen. Dat zijn tenminste nog gasten die de mentaliteit hebben om tot het gaatje te gaan! Niet van die verwende godenzoontjes, die nog moe zijn van acht dagen geleden!’ Daar waren we het roerend over eens.
Behalve mijn persoon zit er alleen een bejaard echtpaar op het terras. Zij is eerst even naar de WC en hij zegt tegen de serveerster: ‘Voor mij graag een cappuccino. Voor mijn vrouw ook denk ik, maar ik wacht toch nog maar even met bestellen tot zij er zelf is’. Daar heeft hij leergeld mee betaald. Als hij zonder overleg een cappuccino voor haar bestelt, had zij natuurlijk net iets anders gewild, en komt er de grootst mogelijke bonje van: ‘Jij ook altijd, met je…’
Ik krijg altijd een acute aanval van neerslachtigheid van oudere echtparen. Ze zijn zo vreselijk uitgepraat. Daar ze na een halve eeuw goede verstaanders zijn, spreken ze ook maar in halve woorden. ‘Nou, nou, het is een hele maaltijd’, zegt zij, als de broodjes met tonijnsalade arriveren. ‘Juh’, doet de man, een half woord, daar