Nrs. 71 t/m 75; MAART 2011


75. EEN HUISHOUDEN VAN JAN STEEN, OFWEL: DE DUBBELE MORAAL VAN DE MORAAL (29/03/2011)
74. ‘STEDENBOUWKUNDIGE HARMONIE’: ‘T DUYFRAK EN NIEUW-RHIJNGEEST (24/03/2011)
73. ‘HERINNERT U ZICH DEZE NOG… NOG… NOG…?’ (19/03/2011)
72. MUSEUM DE FUNDATIE ZWOLLE: FRAAIE KUNST VAN FOUTE VERZAMELAARS (09/03/2011)
71. IN MEMORIAM; WAT IK ME NOG HERINNER VAN MIJN VADER (03/03/2011)

<<< FEBRUARI 2011 . . . . . APRIL/ MEI 2011 > > >

 

 



75. EEN HUISHOUDEN VAN JAN STEEN, OFWEL: DE DUBBELE MORAAL VAN DE MORAAL

 

Lang, heel lang heb ik geworsteld met de pagina over de humor van de Gouden Eeuw, die deel uitmaakt van mijn site over de Zedeprinten (Karakterschetsen) van Constantijn Huygens. Dat kwam door de moraal. Je moet, als uitlegger van de Gouden Eeuw, natuurlijk altijd benadrukken dat het om de moraal ging, om de lering, eerder nog dan om het vermaak.

Maar de Zedeprinten zelf ondermijnen dat beeld meteen al. Die zijn zo moralistisch als ik-weet-niet wat. Maar als je je verdiept in de biografie van Huygens en zijn levensomstandigheden, dan zie je al gauw dat deze jongeman, in die tijd een wat pedant bleekneusje, zich tijdens het schrijven van die bundel vooral liet leiden door zware frustraties over een vastgelopen loopbaan en een gezondheid die te wensen overliet. En zie je ook, dat juist dat feit die bundel een flinke emotionele lading geeft die hem interessant maakt.

Natuurlijk had je pretentieloze drekpoten die alleen maar melig of schunnig wilden zijn. Die passen niet in het vakje van de moralisten, en worden dan maar ‘anti-idealisten’ genoemd, om ze tenminste kwijt te kunnen in een eigen vakje. Want wat is de (literatuur)geschiedschrijving zonder vakjes? Je zou niet meer weten, waar je moest beginnen.

Lees je die anti-idealisten wat nauwkeuriger, dan zie je die soms toch ook een moralistisch vingertje heffen. Maar doen ze dat dan om hun pozie acceptabeler te maken, doen ze het uit ware overtuiging dat de wereld niet zo smerig hoeft te zijn als in hun burlesken, of is hun moraal k parodie?

Dan waren er in die tijden geleerden, die humor gewoon heilzaam vonden voor lichaam en ziel, of het nu verfijnde uitingen van moralisme waren, of platte grappen vol pies, poep en seks. En om het nog ingewikkelder te maken: de ware moraalridders uit die maatschappij, de strenge, invloedrijke Calvinistische dominees, moesten helemaal niets hebben van grappen, waarover dan ook. ‘ Wie dikwijls lacht op Aarde, zal dikwijls schreien in het hiernamaals’, vonden zij, en Jezus Christus stond per slot van rekening ook niet bekend als een grote lachebek.

Het beeld van ‘de’ moralistische humor in ‘de’ Gouden Eeuw wordt zodoende aardig vertroebeld. Ik werd er zelf knap chagrijnig onder, dat soort bezwaren te bedenken, totdat ik ineens in een flits van inzicht besloot, ze te accepteren en als leidraad te nemen. Toen was dat stukje gauw geschreven.

Aan dat alles dacht ik terug toen ik laatst in het Mauritshuis een bescheiden expositie bezocht van de schilder Jan (Havicksz.) Steen (1626?-1679), die met Rembrandt en Metsu gemeen heeft dat zijn wieg in Leiden stond. Een al te bescheiden expositie; men heeft slechts ongeveer 5% bijeen kunnen brengen van de ruim 300 schilderijen die Jan Steen geproduceerd heeft. Maar twee ervan worden ‘op zaal’ onder de ogen van het publiek gerestaureerd, en dat is toch iets wat je normaliter niet ziet in een museum.

Ook met Jan Steen worstelt de kunsthistorie. Zijn werken tonen meestal rommelige huishoudens of kroegtaferelen, vol liederlijke lieden. Maar vaak bevatten ze moralistische symbolen (bijvoorbeeld een papegaai om duidelijk te maken dat je geen naprater moet wezen) en beelden ze wijze zegswijzen uit.

Over zegswijzen gesproken: iedereen kent natuurlijk de uitdrukking ‘Een huishouden van Jan Steen’. Veel kunsthistorici - die misschien ooit bij hem op de thee zijn geweest – menen dat het bij hem thuis ook altijd een vrolijke, ongeorganiseerde bende was. Een feit is, dat hij vrijwel zijn hele leven op zwart zaad heeft gezeten, hoewel hij met dat geschilder toch een lieve cent verdiend moet hebben. Verder dreef hij een blauwe maandag een bierbrouwerij in Delft, maar wist van die onderneming geen succes te maken. ‘Leven in de brouwerij’, zo heet die tentoonstelling in het Mauritshuis; jawel, leven, maar geen centen.

Een losbol, kortom, dat werd het imago van Jan Steen, maar wel altijd die moraal. Maar kijk eens naar het schilderij boven dit stukje. Het heet ‘Wie een varken is, moet in het kot’ en dat was een spreekwoord in die tijd. De laveloze vrouw (links van het midden) wordt naar het varkenskot (rechts) geleid. Op de achtergrond zien we een andere dronkaard al terneer liggen bij zo’n knorrend zoogdier. Rechtsvoor staat een jongen klaar om de dronken vrouw een bak water in het gezicht te smijten, ter ontnuchtering. Verder wordt het doek gelardeerd met diverse beschonken halve zolen.

Behalve een moraal proef je in dit schilderij, zoals zo vaak bij Steen, ook gewoon een ontzettende lol om een liederlijk tafereeltje te schilderen. Welk van de twee was nou leidend, de lol of de moraal?

Weet je waar dit op lijkt: als vroeger op school een jongetje iets stouts deed wat je zelf niet durfde. Dat vond je prachtig. En als hij dan vervolgens op zijn kop kreeg van de juffrouw, dan vond je dat opnieuw prachtig, want het mcht natuurlijk niet, wat hij gedaan had. Dat is de dubbele moraal van de moraal; iets diepzinnigers weet ik er niet over te zeggen.

FHM
29 maart 2011

PS: deze rubriek, FHM’s A-viertjes, is eigenlijk bedoeld voor de donkere maanden van het jaar. Nu de zomertijd is ingegaan, zou ik er dan ook een streep onder kunnen zetten. Ik heb echter nog heel wat materiaal liggen dat ik niet wil laten verstoffen tot de herfst. Daarom is deze rubriek verlengd tot Pasen, en dat valt dit jaar gelukkig heel erg laat!

FHM

‘Wie een varken is, moet in het kot’ overgenomen uit: Jan Steen in het Mauritshuis, Zwolle 2011, p. 65;
Zelfportret Jan Steen overgenomen van Wikipedia NL, Jan Steen

 



74. ‘STEDENBOUWKUNDIGE HARMONIE’: ‘T DUYFRAK EN NIEUW-RHIJNGEEST

 


In de regio Leiden moeten de komende decennia nog tienduizenden huizen gebouwd worden, terwijl sommige andere streken in ons land langzaam ontvolkt dreigen te raken. De Leidse stedenmaagd telt dus blijkbaar nog vele bewonderaars. Voor die luxe betaalt zij wel een prijs: vrijwel elk braakliggend terrein en poldertje in en om haar stad zal de komende tijd veranderen in een met ronkende woorden aangeprezen steenzee.

Ik bewandel vier nieuwe, of nog in aanbouw zijnde wijkjes. Hieronder de eerste twee, even buiten de gemeentegrenzen, aan weerszijden van de Oude Rijn die een paar kilometer verder bij Katwijk uitmondt in de zee.

 

’t Duyfrak, Valkenburg

De belangrijkste persoon in de moderne stedenbouw hanteert de pen van de poet als werktuig, en niet het potlood van de planoloog. Dat is degene die de wervende teksten schrijft op de website van een nieuwbouwproject. Dankzij zijn inspiratie veranderen een paar lullige vijvertjes bij een sportcomplex in een ‘Recreatief Waterpark’ en behoudt een stuk versteende grootstad een ‘uitgesproken dorps karakter’, alleen omdat het ten zuiden ligt van een dorpje met 3800 inwoners.

In ’t Duyfrak ‘wordt een stedenbouwkundige harmonie gecreerd tussen het oude en nieuwe gedeelte van Valkenburg met water en groen als leidende principes’. Overal in ons polderland lopen waterwegen en watergangen, maar in ’t Duyfrak zijn het leidende principes, en dat tilt de wijk meteen naar een hoger peil. Ik zou als ik jou was, er eerst zelf maar eens gaan kijken, alvorens er iets te kopen, en me niet op voorhand laten aansteken door het enthousiasme van de scribent.

’t Duyfrak: tuinen worden aangelegd, buren slaan de handen ineen en helpen elkaar bij het realiseren van aanlegplaatsen. Sloepen liggen voor de deur. En in de singels zijn her en der al wat waterlelies waar te nemen en vestigen zich al enige watervogels.

De vorige alinea heb ik niet geschreven; dat deed nog steeds de woordkunstenaar van de website, al verbloemde ik dat feit door de aanhalingstekens weg te laten. Als ik dit geschreven had, had er wel gestaan: ‘sloepen staan voor de deur’, want ook dat is het geval.

Er gaapt een aanzienlijke kloof tussen werkelijkheid en websijt. Ik vind de bouw hier niet bijster origineel . Dat ene grijsbruine flatblok domineert de skyline bovendien nogal, zodat ’t Duyfrak van afstand meer lijkt op een metropool dan dat sprake is van een dorps karakter.

Aan de andere kant: er viel aan dit kale, weggewaaide dorp niet veel te verprutsen. En de kinderen mogen hier dan wat minder gelukzalig lachen dan op de site; het is beslist aangenaam wandelen langs de boorden van de Oude Rijn.

Het Recreatieve Waterpark is nog niet af, evenmin als de brug die deze wijk moet verbinden met Nieuw -Rhijngeest. Daar ga ik een ander keer kijken.

 

 

Nieuw-Rhijngeest, Oegstgeest

En hier sta ik dan aan de andere kant van de rivier. Deze wijk in wording heeft voorlopig nog de Oude Rijnsburgerweg als enige toegangsweg. Die brengt me de naam Gaiapolis te binnen, uit een diepe geheugenkrocht.

Vroeger, toen dit hoekje Oegstgeest nog een tuindersgebied was met rustieke fietslanen, kocht ik hier altijd troebele appelsap bij Gaiapolis, die die drank vervaardigde van echte appels, en hem bottelde en etiketteerde. Niet van die steriele uilenzeik, waar ze in de frisdrankfabriek een appel tien tellen in ondergedompeld hadden gehouden; nee, echte appelsap. Dat vond ik dertig jaar geleden allemaal noodzakelijk: PPR stemmen, me druk maken over de bom, en troebele appelsap drinken.

Nieuw-Rhijngeest lijkt meer aanspraak te kunnen maken op de kwalificatie ‘dorps karakter’ dan zijn overbuur (maar hou me ten goede; beide wijken zijn nog niet af, dus voor een eindoordeel is het te vroeg). Midden in de wijk is een blok dorpsachtige huizen voltooid, die er ouder uitzien dan ze zijn, en daardoor toch nog goed harmoniren bij de echte oude huizen waarvan er hier ook nog een paar staan.

Ik erger me in deze kolommen vaak feestelijk aan dat soort ouwelijke nieuwbouw, maar hier oogt het wel knus. En het pand op de foto boven dit FHM’etje, in de stijl: dorpsgemeentehuis-anno-1900, is toch wel erg bijzonder. Met dat kanariegele, pijn aan de ogen doende dak wordt het gedrochtelijke kitsch; eerder lachwekkend dan irritant. Die architect moet een joint teveel gerookt hebben op de dag dat hij dit ontwierp. Het 35 meter hoge menselijk lichaam van Corpus, een halve kilometer verderop, keert zich er vanaf; ook hij kan het niet meer aanzien.

Maar op de foto ziet het er allemaal nog best aardig uit. Het is de verdienste van het late-winterzonnetje en niet in de laatste plaats die van de fotograaf, al zeg ik het zelf.

FHM
24 maart 2011
Er geweest:zondagen 6 en 20 maart 2011

 

 



73. ‘HERINNERT U ZICH DEZE NOG… NOG… NOG…?’

 

Platenhoes overgenomen van Gamer Investment, Simpson overgenomen van BBC, Olympics 2008

Herinnert u zich deze nog? Voor wie ‘Ja’ kan antwoorden op die vraag, liggen er tegenwoordig fraaie prijzen in het verschiet. Boven het Noordzeekanaal, en misschien ook wel in andere delen van het land, rukt de popquiz op. Het concept is eenvoudig. In meestal een caf luisteren ploegen van vijf zes man naar fragmenten van tophits uit de laatste halve eeuw, met de nadruk op de jaren 70 en 80. Je noteert simpelweg de titel en uitvoerende artiest, en krijgt twee punten als die beide goed waren.

Ik doe met een team van collega’s mee aan de maandelijkse popquiz in Hotel Borst in Bakkum. De concurrentie is pittig, het is bijna altijd hetzelfde team dat wint, maar n keer hebben wij de altijd ondankbare 4e plaats veroverd, van 33 deelnemende teams, en dat was toch een aardig succes.

Bij mij op het werk hebben we sinds kort ook een eigen tweemaandelijkse popquiz, georganiseerd door een collega die in zijn vrije tijd DJ is. Daar wint altijd een ander team, maar dan wel meestal het team waar IK in zit. Ik, volkomen gespeend van muzikaal talent, heb voor dit werk nou juist een enorme feeling; plaatjes die 38 jaar geleden tot 39 kwamen in de top-40, weet ik me vaak nog te herinneren. Louter om dat feit zal ik zelf dan ook herinnerd worden: ‘Dat was die vent, die zo goed was in melodietjes raden. Wat hij hier verder uitgespookt heeft, ik zou het niet meer weten…’

Hoe komt dat precies, dat je je deunen van een half mensenleven geleden nog herinnert? Het heeft iets te maken met je ontwikkeling. De plaatjes uit je puberteit blijven het langste hangen; daar zijn psycho- en musicologen op gepromoveerd. Daarom is het ook verstandig, een popquizteam samen te stellen uit mensen met uiteenlopende leeftijden. Mijn eigen puberteit moet dan ongeveer geduurd hebben van mijn 8ste tot mijn 31ste; ik herinner me Chubby Checker, Trea Dobbs en Q65 nog even duidelijk als Duran Duran en The Housemartins.

Maar hoe werkt het dan precies, je muziek herinneren? Heel raar, zoals alles waarbij het geheugen betrokken is. Muziek van weleer neemt je altijd mee terug naar tijden van weleer. Maar de muziek hoeft niets te maken te hebben met de gebeurtenissen die je je dan herinnert.

Neem nou dit voorbeeld. Het was in juli 1967; ik was tien, of ‘bijna elf’, zoals ik zelf wel gezegd zal hebben. Ik keek die maand elke avond naar de samenvatting van de Tour de France-etappe op de televisie. Op een dag gebeurde er iets afschuwelijks. De Britse renner Tommy Simpson stierf tijdens de beklimming van de Mont Ventoux, bij een temperatuur van 40 graden.

De dag daarop gingen wij naar het zwembad in de buurt om verfkoeling te zoeken voor een zompige zomerhitte; ik ruik bijna het smeltende asfalt nog op de parkeerplaats van dat zwembad, waar de halve stad in de rij stond voor een kaartje. Ik stond me in die bedompte hitte af te vragen, of ik nog wel verder kon kijken naar de Tour de France. Misschien kon de tv vanavond beter uitblijven, uit eerbied. Misschien kon de hele Tour beter afgelast worden, maar dat was ook wel zonde, want Jan Janssen stond er net zo goed vr in het algemeen klassement.

Veel mensen hadden een transistorradio bij zich, en die stonden allemaal afgestemd op Veronica. En zo ongeveer elk uur barstte die middag All You Need Is Love van de Beatles uit alle luidsprekers. En het gekke is: dat nummer is een icoon uit de flower power-tijd, maar als ik het hoor, denk ik tot de dag van heden steevast aan Tommy Simpson. Ik vind het ook een wat sneu en treurig nummer, nog steeds, n van de mindere van de Fab Four.

Omgekeerd: als de dood van Simpson weer eens wordt opgerakeld, omdat het zoveel jaar geleden is, begin ik bijna automatisch de eerste maten van All You Need Is Love te fluiten, die – dat is dan wel toepasselijk – bestaan uit die van het Franse volkslied. En als ik langs dat zwembad loop, is er grote kans dat ik denk aan zowel Tommy Simpson als All You Need Is Love. Die drie zaken zijn aan elkaar vastgeketend in mijn geheugen, niet omdat ze iets met elkaar te maken hadden, maar louter door gelijktijdigheid. Dat heb ik met meer nummers (al is het verhaal erbij doorgaans nog minder vermeldenswaard dat dit), en zo onthoud je ze misschien beter.

Maar klopt dat nou allemaal wel? Ik ging toch maar even google’en. Veronderstel dat ik weer mail zou krijgen van lezers, dat dat nummer van de Beatles pas weken na de dood van Simpson uit was gekomen, en het in Nederland in die tijd bovendien voortdurend van de lucht goot, zodat zwembadbezoek er niet in zat.

Tommy Simson stierf op donderdag 13 juli 1967. All You Need Is Love was op 7 juli van dat jaar op de platenmarkt verschenen en zou op de 15e op 2 binnenkomen in de top 40. Op 14/7 meldde Vliegveld Valkenburg, bij ons bijna om de hoek, een maximumtemperatuur van 25 graden, bij zware bewolking en hoge luchtvochtigheid. Een vieze, benauwde, nare, rottige dag; mijn geheugen had me niet bedrogen.

FHM
19 maart 2011

PS: dit stukje was mede bedoeld om het einde aan te kondigen van mijn rubriek Soundbites over gouwe ouwen uit de jaren 60, 70 en 80. Die beleefde een paar maanden geleden zijn 101ste aflevering, met een waardig besluit over de nummer-1-hit in mijn geboortemaand. De rubriek, waarmee ik in 2002 begon, paste niet goed in het format van FHM’s. Ook heb ik er nooit grote bezoekerscijfers mee gescoord – wat ik een moedgevend gegeven vind, want het zou kunnen betekenen dat deze site vooral wordt gelezen door jongeren. En wie nog door jongeren gelezen wordt, is daardoor ‘iets minder overleden’, zoals Simon Carmiggelt eens terecht opmerkte.

Er gaat wel iets in de plaats komen voor Soundbites, maar daar ben ik nog niet helemaal uit.

FHM



72. MUSEUM DE FUNDATIE ZWOLLE: FRAAIE KUNST VAN FOUTE VERZAMELAARS

 

 

Mijn bezoek aan Museum De Fundatie in Zwolle was uit nood geboren. Ik had die zaterdag eigenlijk - als De digitale reiziger en niet als FHM - de Hanzelijn willen bewandelen, maar zeer ongunstige weerberichten deden mij van gedachten veranderen. Waarom niet gekozen voor dit museum op een locatie die plezierig dicht bij het station ligt?

Een half museum, moet ik eigenlijk zeggen. De andere helft van de collectie bevindt zich in Kasteel Nijenhuis bij Heino, en dat is toch meer een excursie voor op de zomerdag. Nijenhuis mag dan een kasteel zijn, de locatie in Zwolle is niet minder dan een Paleis: het overvloedig van zuilen voorziene voormalige Paleis van Justitie op de Blijmarkt, dat dateert van 1841.

Een andere goede reden voor een bezoek aan dit museum: het was genomineerd voor de BankGiro Loterij Museumprijs 2010, die jammer genoeg net voor de Overijsselse neuzen werd weggekaapt door Boijmans van Beuningen in Rotterdam. En dat ging dan nog niet eens via een loterij; het ging via een stemming waarbij De Fundatie net een paar stemmen tekort kwam.

Tussen die twee musea loopt een lijntje. De collectie van De Fundatie is bijeengebracht door de verzamelaar Dirk Hannema (1895-1984), de zeer omstreden ex-directeur van Boijmans. De website van De Fundatie is daar erg beknopt over, maar op Wie is Wie in Overijssel staat te lezen dat deze prominente Overijsselaar in de oorlog heulde met de bezetter – maar niet voor zichzelf en zijn eigen belang, maar om de kunstwerken uit de naziklauwen te houden. Overigens liet hij zich grandioos foppen door de beruchte vervalser Han van Meegeren, die hem onder meer een ‘echte’ Vermeer in de maag splitste.

Dat las ik allemaal achteraf pas, en het staat het kunstgenot bovendien niet in de weg, zelfs al zou je er voorkennis van hebben. Foute kunst is iets verschrikkelijks, maar aan goede kunst van foute verzamelaars kun je toch niet achteloos en met neusophalen voorbijlopen.

Diezelfde gedachte bekroop me bij het zien van de tentoonstelling Neoclassicisme en Biedermeier op de eerste verdieping van het Paleis. Deze toonde een collectie werkelijk prachtige portretten, genrestukken en landschapjes van kunstenaars als Friedrich von Amerling, alle uit het ‘brave’ Biedermeier-tijdperk van de wereld na Napoleon.

Deze collectie is eigendom van de prinselijke familie van het Vorstendom Liechtenstein en is overgevlogen uit Vaduz, de hoofdstad daarvan, en Wenen. Als je afgaat op hun eigen portretten, dan deden deze lieden van eeuw tot eeuw niet veel meer - behalve enkele tienduizenden onderdanen regeren - dan zich in protserige kleren te laten afbeelden op schilderijen. Diep medelijden krijg je met die arme prinsenkindertjes die zo lang moesten poseren, zoals de jonge prins Johan II, door Friedrich von Amerling geportretteerd op een pony.

Ook aan deze verzamelaars zit een luchtje. De prinsenfamilie geeft tegenwoordig leiding aan een beruchte witwas- en belastingontduikersbank in Vaduz. Dat verstrekt ze het kapitaal om hun kunstcollectie uit te breiden. Maar dat doen ze dan ook met veel liefde. Op een documentaire in de filmzaal zagen we er de huidige prins, Hans-Adam II, mee bezig op zo’n veiling waar je een miljoen euro armer bent als je even aan je neus krabt. Die collectie, al komt ze dan uit een halve schurkenstaat, is beslist van grote betekenis.

Natuurlijk wilde ik ook hier een top-3 aanwijzen in de vaste collectie. Daartoe maakte ik aantekeningen met ballpoint, iets wat expliciet wordt toegestaan door het zeer uitgebreide bezoekersreglement, mits je dat niet doet tegen de muur of gezeten op de vloer. Natuurlijk kent een voormalig Paleis van Justitie een zeer uitgebreid reglement. Maar in Zwolle zijn ze daar toch al gek op; de stationsrestauratie alias Brasserie verbiedt met zoveel woorden het bestellen van een kindermenu voor personen die zich in de puberteitsjaren bevinden of deze al achter de rug hebben.

Wat ook mag in De Fundatie is fotograferen, maar dan alleen voor eigen gebruik, zonder flits en uit een hopelijk vaste hand. Ik deed het niet, ging achteraf op zoek naar de afbeeldingen, en heb ze niet alle gevonden.

Zo had ik bijvoorbeeld De Vier Aalscholvers van Johan Thorn Prikker willen laten zien, om te tonen dat ik ook moderne kunst kan waarderen (althans kunst die ruim een eeuw geleden tot de nieuwlichterij behoorde). Maar helaas; nergens gevonden. Van de winter was er een expositie van Thorn Prikker uitgerekend in Boijmans, maar ik was er niet want ik wist het niet.

En zo heb ik Cornelis Troosts Drinkenburg uit 1742 alleen in zwart-wit, terwijl hij in kleur, als je er voor staat, beslist aardiger is. Het schilderij toont een stel dronken boemelaars die na een drinkgelag uit een huis komen wankelen en de koets nemen. Troost leefde in een tijdvak waarin men volgens kwaadsprekende historici niets anders deed dan omkijken naar de Gouden Eeuw en het voorbijzijn daarvan te betreuren. Troost was nog net in de 17e eeuw geboren en was een typisch 17-eeeuwse schilder, hoewel hij werkte in de 18e. Tikje conservatief en retro, dus keurig passend in deze site door een grijsaard.

Deze van de bekende IJsselschilder Jan Voerman sr. heb ik gelukkig wel in kleur: Hattem, geschilderd bij het soort weer dat aanleiding was tot mijn bezoek aan Museum De Fundatie.

FHM
9 maart 2011
Er geweest: zaterdag 26 februari 2011.

Hattem bij zwaar weer overgenomen van Kunst van de maand;
Drinkenburg
uit Frans Gijzenhout, Cornelis Troost. NELRI. Bloemendaal 1993, p. 20.

 



71. IN MEMORIAM; WAT IK ME NOG HERINNER VAN MIJN VADER

 

Mijn vader en ik op de Floriade in Rotterdam, Bevrijdingsdag 1960

In de zomer gingen we vaak naar Scheveningen. Op een duintop stond, en staat nog steeds, een trapeziumvormig gebouwtje, een uitkijkpost. Als kind noemde ik het altijd ‘de prullenbak’, omdat hij wel wat op een omgekeerde prullenbak leek. Mijn vader en ik renden altijd om dat ding heen en speelden kiekeboe.

- - -

Mijn ouders hadden een slee voor me gekocht. Bij de zeldzame gelegenheden dat het sneeuwde, wilde ik echter niet op het ding gaan zitten. We wandelden in de buurt. ‘Wat zonde van dat dure ding’, zei mijn moeder. ‘Ja’, antwoorde mijn vader, ‘als Fransje er toch niet op wil gaan zitten, kunnen we hem eigenlijk net zo goed in de sloot gooien!’
‘Nee, nee!’, brulde ik, en ging ogenblikkelijk op de slee zitten, die mijn vader tot dan toe leeg achter zich aan had getrokken.

- - -

Haarwassen op zondagmorgen. Mijn moeder smeerde een haarwatertje in mijn haar, het laatste restje uit de fles. ‘En nou heb IK niks meer’, quasi-huilde mijn vader. Ik lachte. ‘Er staat nog een nieuwe fles in de kast, hoor’, stelde mijn moeder gerust.

- - -

Boven lunchroom Heck op het Spui was een Chinees restaurant. Je bereikte het via een smalle trap met rode lopers. We aten er op een zondagavond. Ik kreeg geen eigen loempia, maar alleen maar een stukje van die van mijn vader.

- - -

De laatste foto waarop mijn vader staat met mij. Die dag herinner ik me nog. Ik weet namelijk nog, hoe saai ik die uitgestrekte perken vond met alleen maar tulpen. Ik sta ook met een verveelde blik op die foto. Ik was 3,5 jaar oud.

- - -

We woonden n-hoog op een portiekflatje, en mijn vader kon de trappen bijna niet meer op. Hij moest op het platformpje halverwege de eerste etage uithijgen. Steunend kwam hij boven. Mijn moeder en ik stonden aan de deur. Mijn moeder keek bezorgd.

- - -

Bij mijn moeder achterop op de brommer naar het ziekenhuis Sint Antoniushove, een oud gebouw met hoge gangen. In het ziekenhuis lag mijn vader in een bed.


Mijn vader, Hayo Frans Mensonides, overleed op 3 maart 1961, vandaag precies een halve eeuw geleden. Hij was 32 jaar oud en bezweek aan een slepende hartkwaal waartegen de toenmalige medische wetenschap geen remedie had.

Ik was ruim 4 jaar oud op die dag. Mijn jongere broer lag nog in de wieg. Dank zij een ver terugreikend geheugen heb ik nog herinneringen aan mijn vader. ‘Oh, nog honderden dingen weet ik’, zeg ik altijd als mijn vader ter sprake komt.

Maar dat valt dan ook nog tegen. Laatst pakte ik een vel papier en schreef in telegramstijl alles op wat ik nog wist. Ik kwam tot krap 50 herinneringen, waarvan ik er hierboven een paar heb uitgewerkt. Weinig opmerkelijke gebeurtenissen in een jong gezin, bovendien zeer fragmentarisch overgeleverd. Die hierboven vormen nog een soort verhaal. Maar soms zie ik niet veel meer dan een los beeld.

Het is een wat wonderlijk rijtje. Een rijtje feiten, niet veel meer dan dat. Hoe mijn vaders stem geklonken heeft, weet ik niet meer; hoe hij eruit zag, alleen uit het fotoalbum. De plattegrond van ons flatje in Voorburg kan ik nog tekenen, maar de geuren en kleuren zijn verfletst.

Het zijn ook geen dingen die me naderhand verteld zijn; het zijn echte, eigen herinneringen. Ik zie ze uit het kikkerperspectief van een peuter. En zulke dingen vertellen ze je ook niet over een vader. Ze vertellen je wie hij was; niet dat hij op een zondagavond in 1959 of 1960 boven Heck een stukje loempia voor je afsneed, of altijd sleen in sloten gooide, of placht te huilen om haarwater. En wie hij was, dat valt nou juist uit mijn fragmentarische herinneringen niet goed te destilleren.

Wie hij was, hoor je later van anderen, licht gedealiseerd, denk ik, en – zonder dat ze het er echt bijzeggen - als voorbeeld ter navolging, wat een onmogelijke opgave is, daar ik mijn vader niet ben.

Wat me opvalt aan het rijtje herinneringen in mijn opschrijfboekje is het onveranderlijke karakter ervan. Het lijkt op een verstofte archeologische verzameling. Waarom de ene vuistbijl wel, en de andere niet? Omdat die ene bewaard is gebleven en die andere niet. Er ontbreken belangrijke dingen, er staan onbelangrijke dingen bij die je wel had kunnen missen, er komt nooit meer iets bij en er gaat nooit meer iets af.

Als ik 89 mag worden in volle geestelijke helderheid, zal ik hetzelfde rijtje kunnen opschrijven als nu. En me herinneren dat ik dat in 2011 ook al eens heb gedaan. En wat herinner ik me dan feitelijk nog, 1961 of 2011? Een jaar na zijn dood had ik ook hetzelfde rijtje kunnen opschrijven. Het beeld van mijn vader was toen al vervaagd, vermoedelijk al veel eerder, misschien al gedurende de maanden dat hij in het ziekenhuis lag.

Kinderen kijken niet terug, maar leven in het nu. Dat trof me zo in Kees de jongen, hoe snel die vader tijdens zijn ziekte al verbleekte in de geest van Kees, die veel ouder was dan ik.

Ondanks dat snelle vervagen bleef er toch nog iets over. Een herbarium van herinneringen; ik koester het als een kleinood.

FHM
3 maart 2011


Frans Mensonides, Leiden, 2011


<< naar thuispagina Frans Mensonides