Zeggen en spreken; stokpaardjes in Dagh-werck

Zedeprinten Startpagina <<< De karakterist (inleiding) <<< De karakterist (vertaling) <<<


Huygens begon in 1627, het jaar van zijn huwelijk met Susanna van Baerle, aan een nieuw, zeer lang gedicht: Dagh-werck. Het dichtwerk, dat een dag uit zijn leven beschrijft, is opgedragen aan en gericht tot zijn vrouw, die wordt aangesproken met de koosnaam Sterre. Na haar dood in 1637 liet Huygens Dagh-werck onvoltooid. Pas in 1658 zou het in boekvorm gepubliceerd worden.

Evenals in De doorsneedichter en De karakterist laat Huygens zich in Dagh-werck uit over zijn opvattingen over het dichterschap. Een dichter moet ‘spreken’ in plaats van ‘zeggen’. Hij moet iets zinnigs te berde brengen, en niet zo maar wat rijmelen. Verder dient hij zich uit te drukken in heldere, maar ook weer niet al te simpele taal.

(r. 1321) Sterre, vergeef me mijn aanmatiging, maar ik ben verschrikkelijk gebeten op het slappe, flauwe aan elkaar lijmen van alledaags gerijmel, en blijf me inspannen, dergelijke ellende te bekritiseren. Rijmen is wel een beetje meer dan spreken! En spreken is minder waard dan zeggen; geloof me! Dichten gaat alledrie te boven. Maar je hebt lieden die het doel proberen te treffen door te iets te zéggen op een manier alsof zij spráken. Hun dichtwerk is niet meer dan een praatje voor de vaak.

(r. 1332) Jullie, leeghoofden, luister eens naar een oude waarheid: alleen met zeggen komt niets tot stand. Uitgelezen woorden met een kern, een pit die het driedubbele waard is van wat de schil of dop belooft; klare en frisse taal, modern, zoals de mensen op straat spreken; de mening van mannen, het gepraat van vrouwen; duidelijke woorden voor ingewikkelde gedachten. Dan hoeft de lezer zijn hersenen niet te laten kraken, maar slaan zijn gedachten ook weer niet op de vlucht. Het rijm alsof de wind het voortdrijft; het metrum als in een stroom. Dat zijn de eigenschappen die ik probeer te benaderen. (r. 1346)

(...)

(r. 1361) Twee soorten dichters, die elkaar te vuur en te zwaard bestrijden, stellen je geduld het meest op de proef. Beide stapelen fout op fout. De ene zoekt zijn glans in het diepste duister. Hij zet alles wat leesbaar was, om in geheimschrift, zodat de lezer zich in een doolhof waant. Hij verschuilt zich achter een onsmakelijke brei van woorden, en wil zich wel graag uiten, maar niet graag blootgeven. Daarom zet hij zijn lezers een noot voor die ze met het sterkste gebit niet kunnen kraken. Wie heeft er plezier in, zijn tanden stuk te bijten op een noot die angst inboezemt, of hij nou bitter smaakt of zoet? Ik kijk uit naar een lekker hapje, en men maakt mij dol met noten om te kraken! Ik wil me te goed doen aan tong en jonge wijn; moet ik me zo verschrikkelijk inspannen voor de kost?

(r. 1381) De andere dichter staat erbij zoals hij geboren is: kaal, zonder lokken, en naakt. Ik weet in de eerste plaats hoe weinig hij te bieden heeft; ik voel hem nergens tussen mijn tanden. Als ik getrakteerd word op melk in een mandje, sta ik nog meer verzadigd op van tafel. Wie drinkt er graag olie in lauw water? Schenker van lang verschaalde wijn, ik mis alles waarvoor ik gekomen ben, en toch draait me de maag om. Wat een plezierig tijdverdrijf, als het feest met braken begint! Schaam je voor al die gladde nonsens; vet en zoetigheid maken dat ik last krijg van mijn gal. (r. 1395).

De originele tekst, uitgegeven naar het handschrift van Constantijn Huygens (Universiteit Leiden).
Voor het proza-commentaar, zie de editie van F.L. Zwaan.


Kladje

Net als in de karakterschets De wijze hoveling schetst Huygens in Dagh-werck een geïdealiseerd zelfportret, vol goede voornemens over het leven dat hij wil gaan leiden. Deze keer staat echter niet zijn werk aan het hof centraal, maar zijn bestaan als gezinshoofd en huwelijkspartner.

Voordat Huygens de pen in de inkt doopte voor Dagh-werck, maakte hij een lijstje van te behandelen onderwerpen. Hij schreef het in telegramstijl in het Latijn, afgewisseld met stukjes Frans, Grieks en Nederlands. Zo ontrolde zich op een kladpapiertje een complete dag uit zijn leven, vanaf het ochtendgebed dat hij samen met zijn vrouw uitsprak, tot het avondgebed met zijn personeel.

 

Uitweidingen

Godsvrucht en liefde voor Sterre, dat zijn de twee voornaamste drijfveren van Huygens en tevens de hoofdthema’s van Dagh-werck. Natuurlijk zien we hem op deze dag, evenals in De wijze hoveling, als een betrouwbaar, verstandig en evenwichtig mens. In vele uitweidingen berijdt de dichter bovendien de stokpaardjes die al bekend waren uit eerder werk: nuttige besteding van vrije uren, soberheid in kleding en levensstijl, geen geklets en geroddel. De felle uitval naar slechte dichters hierboven is een van de vele zijpaden die Huygens bewandelt.

Ondanks Huygens’ pleidooi voor doorzichtige poëzie werd Dagh-werck een van zijn meest gecompliceerde en minst toegankelijke dichtwerken. Het was nooit bedoeld voor een breed publiek. De dichter schreef het in de eerste plaats voor zijn vrouw, met wie hij zich innig verbonden voelde en die een goede verstaander was van zijn poëzie.

 

Onvoltooid in druk

Dagh-werck wilde niet erg vlotten. Door drukke werkzaamheden aan het hof en de vele militaire campagnes had Huygens weinig tijd om te dichten. En natuurlijk had deze huisvader ook de handen vol aan zijn vijf kinderen. Het gedicht was ook nogal breed opgezet. Na tien jaar telde Dagh-werck weliswaar een kleine 2000 versregels, maar had Huygens nog maar ongeveer de helft van de punten van zijn lijstje afgewerkt.

Na de dood van zijn vrouw was Huygens lange tijd niet in staat tot dichten. Hij besloot Dagh-werck niet te voltooien volgens zijn oorspronkelijke schema, en rondde het af met een rouwklacht voor Sterre.

Aanvankelijk wilde hij het gedicht niet uitgeven. Hij kwam tot andere gedachten na de enthousiaste reacties van vrienden en kennissen aan wie hij het manuscript had toegezonden. Alleen de dichter en tragedieschrijver Joost van den Vondel was niet erg onder de indruk van Dagh-werck en putte zich, tot ergernis van Huygens, uit in wat muggenzifterige detailkritiek.

Pas in 1658 verscheen Dagh-werck in druk; Huygens nam het op in zijn verzamelbundel Korenbloemen. Hij vreesde dat het gedicht nogal duister zou zijn voor de doorsnee-lezer. Daarom doorspekte hij het met toelichtingen in proza. Zoals hij zelf schreef in Dagh-werck: een dichter moet zijn lezers niet achterlaten in een doolhof.


Meer weten?

E. Grootes, Hoe te leven, hoe te overleven? Huygens’ Dagh-werck en Hoofts Dankbaar genoegen. Vijfde Gouden Eeuwlezing donderdag 30 oktober 2008. Amsterdam 2008.

C. Huygens, Dagh-werck. Editie F.L. Zwaan. Assen 1973. Webeditie DBNL


© Frans Mensonides, Leiden, 2009.