Nog meer R-net; deel 3 in een 3luik zonder conclusie

Nog een derde deel als slot van een winterreeks over R-Net, een los samenhangend netwerk van roodzwarte (snel)bussen rond de hoofdstad. Deze serie hangt even los aan elkaar als dat netwerk. Onderaan dit document een ook al kant noch wal rakende slotbeschouwing.

< < < < < deel 2 al gelezen?

Voormalig NZH-tramstation Purmerend

PURMEREND: EEN STAD MET KLOTEN
IJSEI IN DE AVONDSPITS
INTERMEZZO: MET EBS NAAR MONNICKENDAM
LIJN 314: AMSTERDAM - HOORN
GEEN CONCLUSIE

 



 

PURMEREND, EEN STAD MET KLOTEN

Purmerend, zo ruim bedeeld met R-net-bussen en Bizzliners, is een forenzenoord met een kleine 80.000 inwoners. De meeste daarvan zijn uit Amsterdam afkomstig en studeren, werken, winkelen, eten, drinken en recreren daar nog steeds, maar verlangen er verder over het algemeen niet naar terug.

Weinigen zullen het zich realiseren bij een busrit langs de flatblokken van Overwhere of de kronkelerven van De Purmer, maar Purmerend is ook nog gewoon een knus stadje met een niet te verwaarlozen monumentenlijst. In 1949, het jaar dat de Blauwe Tram Amsterdam – Purmerend werd opgeheven, telde het 7.000 inwoners.

Het elektrische smalspoortrammetje boemelde erheen vanuit het tramstation aan het IJ, tegenover Amsterdam CS, en deed dat in de onhandige frequentie van 40 minuten. Het eindpunt lag aan de rand van de stad op wat nu nog altijd het Tramplein heet, bij wat nu nog altijd het busstation van Purmerend is – maar niet voor lang meer. Vanaf dit punt lag de hele stad aan de voeten van de reiziger. Een aanvullende stadsbus was niet nodig; je had alles binnen loopafstand.

Ook tegenwoordig heeft Purmerend nog alles wat een stad een stad maakt: singels, kerken, kroegen, een museum, een theater. Ooit was er een Amsterdamsche Poort. Dit soort verVINEXte plaatsen hebben vaak nog een blanke, onaangetaste pit; Zoetermeer, Amstelveen en Berkel bezitten zelfs nog een heus dorpshart.

In het stadshart van Purmerend kijk je gemakkelijk om de modernismen heen. Denk je de overdekte winkelpromenade weg, de parkeergarage en sommige artikelen in de etalages, dan ziet het er op het eerste gezicht nog net zo uit als in 1949.

In de tijd dat Constantijn Huygens Stedestemmen schreef, was Purmerend ook al een heel oud, heel klein stadje. Maar niet over het hoofd te zien; hun stem in de Staten van Holland telde even zwaar als die van Amsterdam.

Eeuwenlang was Purmerend het economisch hart van de streek. Het hart van Pumerend is op zijn beurt weer de uitgestrekte Veemarkt, die tot voor kort nog echt als zodanig heeft dienstgedaan. Het uitgaanskwartier is er omheen gegroepeerd. Het grote plein heeft een beeldhouwwerk met fiere runderen als blikvanger. Een stier staat op een voetstuk van… ja, ik kan er niets anders van maken dan kolossale kloten, als vruchtbaarheidssymbool; drie stuks, om het nog eens extra nadrukkelijk te accentueren.

Purmerend wil niet veel verder uitgroeien naar de bunders weiland die rond de stad verleidelijk leeg liggen te wachten op shovel, bouwvakker en projectontwikkelaar. De stad wil niet op weg naar de 100.000, en wil geen doorgetrokken Noord/Zuidmetro in plaats van al die bussen.

Ik blijf hier niet lang; het gaat donkeren en regenen. Aan de andere kant van het stadshart, gezien vanaf het Tramplein, moet het NS-station liggen. Maar ik kom en ga vandaag per bus. Aangezien heel Purmerend uitstekende busverbindingen heeft met Amsterdam CS, vond NS het een paar jaar geleden niet meer nodig, ook nog een treinverbinding te onderhouden. Op de drie stations in Purmerend stopt alleen elk half uur de boemel Hoorn – Schiphol – Hoofddorp. Die komt op Amsterdam Sloterdijk aan op het excentrisch gelegen perron 9/10, waar ik was toen het pas geopend was, in 2009. 

Over het Noord-Hollands Kanaal is ter hoogte van het Tramplein de Melkwegbrug in aanbouw, die een verbinding tot stand moet brengen tussen het stadshart en de nieuwe wijk Weidevenne. Deze futuristisch ogende brug bestaat uit een fiets- en voetgangersgedeelte. De fietsbrug ligt vlak boven het wateroppervlak en kan open. De loopbrug stijgt tot een hoogte van 12 meter en is daarmee de evenknie van de Nesciobrug tussen Diemen en IJburg (zie dit verhaal).

Er zijn plannen om het busstation te verhuizen naar de overkant van de Jaagweg langs het kanaal. Dat schijnt dan te gebeuren op verzoek van enkele buurtbewoners die last hebben van de bussen die de hele dag op het busstation staan te ronken en te gassen. Dat betekent dat passagiers straks die drukke weg over moeten steken om te doen wat ik nu ga doen: bus 100 naar Amsterdam nemen.

Deze keer zit ik in een ongelede bus. Nog steeds worden haltes dubbel omgeroepen; het hoort blijkbaar zo, hier.







IJSEI IN DE AVONDSPITS

Deze foto breedbeeld op je scherm > > > > >


Aangekomen bij Amsterdam Centraal kun je uitstappen bij het nieuwe busstation IJsei aan de achterzijde van het station, of al een halte eerder aan de voorzijde, bij de Prins Hendrikkade. Dat laatste doet vrijwel iedereen. En dat komt door de filevorming rond Amsterdam CS van bussen uit het Waterland, die in een lange rij langs het IJ en onder de sporen door naar dat hooggelegen busstation koersen. En die file ontstaat dan weer doordat het uitchecken zo lang duurt. Het duurt een eeuw voordat de chiplezers reageren, als je je kaart erbij houdt. Daar komt bij dat ze dan een heel zachte piep geven, die niet alleen onhoorbaar is voor halve kwartels als ik, maar ook voor mensen met onaangetaste gehoororganen. Vooral in de ochtendspits leidt dat allemaal tot flinke vertraging.

In Purmerend wonen nijvere mensen, die ’s morgens vroeg uit de veren komen en ’s avonds pas vrij laat aanschuiven aan de avondmaaltijd. Vorige keer schreef ik dat bij het busvervoer van Purmerend naar Amsterdam de piek al vr 8:00 uur bereikt wordt. Op de terugweg zwelt de menigte pas aan tegen 17:30. Maar ook op dat tijdstip zie ik geen bussen vertrekken met staande passagiers. De ongelede bussen van EBS / R-net kunnen de reizigersstroom deze middag gemakkelijk verwerken.

IJsei oogt ook nooit echt vol; niemand hoeft lang te wachten. Nadeel van het busstation is het ontbreken van vaste halten. Aan elke zijde van de pijpenla halteert een hele vloot bussen. Je moet goed opletten of de jouwe ertussen staat. Maar het missen van een bus is ook weer geen drama met een frequentie die oploopt tot 4 minuten.





INTERMEZZO: MET EBS NAAR MONNICKENDAM



De EBS bij Broek in Waterland. De rechterrijstrook is afgesloten, en de bus richting Amsterdam deelt zijn baan met de rest van het autoverkeer.



Terug op IJsei, een weekje later en op een vroeger tijdstip, in de loop van de morgen. Echt stil hier, nu, en een fraai uitzicht op de IJ-veren naar Amsterdam Noord. Ik wil nu eens een chte EBS-bus van binnen zien, zo’n diep-gele, die in de minderheid zijn bij de roodzwarte R-net-bussen van die maatschappij. Daarom pak ik stopbus 118 naar Edam via Monnickendam, en zal dan onderweg wel ergens overstappen op het R-net.

Deze gele bussen trekken minder volk dan R-net, zeker rond het koffie-uur. Ze hebben kleurig interieur en nogal frle ogende stoeltjes die redelijk zitten. Verder zijn het krek dezelfde bussen als de R-netten: Scania Omnilink. De rijeigenschappen van deze EBS-bussen zijn weinig opvallend, wat voor rijeigenschappen meestal een goed teken is.

Van een Waterlander hoorde ik dat EBS gefascineerd blijft door zijn eigen afkorting. Ze hadden al reclamestunts met Echte Bus Snoep, of zoiets, maar laatst was er een slogan-wedstrijd met alternatieve invullingen voor de afko EBS. Het zal wel veel vondsten opgeleverd hebben als Echt Beroerde Service van ontevreden clinten; daar vrg je gewoonweg om.

Deze lijn rijdt via winkelcentrum Buikslotermeerplein, waar ze nog steeds werken aan die metro die ooit toch een keer af moet komen. De namen van de stations zijn nu verzonnen, en officieel vastgelegd. Die metrolijn loopt echt van Noord naar Zuid, want dat worden de namen van de beide eindpunten. Verder stopt hij bij Noorderpark (ex-Johan van Hasseltweg), Centraal Station, Rokin, Vijzelgracht, De Pijp (ooit op de planning als Ceintuurbaan), Europaplein (v/h Beatrixpark, RAI en ook wel Wielingenstraat) en Zuid. Nu al naamsverandering van stations die nog niet eens bestaan. We zullen er wel aan wennen, als hij eenmaal rijdt. 2017, hopen ze nog steeds.

Toekomstmuziek, maar mijn hoofd is meer bij het verleden. Vanmorgen ontmoette ik in de bus naar het station mijn oude onderwijzer uit het schooljaar 1966-1967. Sinds die jaren had ik hem niet of nauwelijks meer gezien of gesproken.

Ik moest de onvermijdelijke vraag beantwoorden, wat ik de afgelopen decennia zoal gedaan had. Daar ik nog steeds een jongetje ben dat niet overtuigend kan liegen tegen grote mensen, antwoordde ik: ‘Och, niet veel soeps eigenlijk; allerlei dingen die ik ook net zo goed had kunnen laten’, en gaf in 4,5 minuut een ontluisterend overzicht van 45 jaar leven.

Weet je: als je zo’n leven in vogelvlucht vertelt, is het nog treuriger dan het van jaar tot jaar mee te moeten maken. Ik zou er sneu van geworden zijn, als ik al niet sneug wakker was geworden, vanmorgen.

‘Je was een heel bijzondere leerling, je kon altijd zo goed rekenen’, sprak de onderwijzer in ruste. Maar ik heb me menigmaal verrekend op mijn levenspad, of buiten de waard gerekend. En waarom ik, met zulke halfvergeten rekentalenten, nou uitgerekend Nederlands ben gaan studeren, dat snap ik zelf ook niet helemaal meer. Dat is toch al een raar vak; je eigen taal studeren aan de universiteit. Hoe vaak heb ik het niet gehoord? ‘Studeer je Nederlands? Maar je kn toch al Nederlands?’

Waarheen ik onderweg was? Liegen kan ik niet, zoals gezegd, dus ik antwoordde naar waarheid dat dat naar groot-Amsterdam was, om foto’s te maken van roodzwarte bussen. Als ik nou nog een beetje serieuze, spectaculaire hobbysite had gehad, wandelen in de Andes, of zo… Maar mensen die zulke waagstukken ondernemen, schrijven er zelden boeiend over.

Uitwaaien is nu wel geboden, op een dag als deze. Ik stap uit aan de rand van de Monnickendamse vesting. Je moet profiteren van de zon, als die schijnt. Dat doet hij vandaag met weinig overtuigingskracht. Hij staat krachteloos als een maan aan de hemel en bestraalt een wereld die door een gure, harde wind wordt geteisterd.



Huygens had Monnickendam ook al op de korrel
, en greep de naam van de stad aan voor een sneer naar het katholicisme. Ik loop met zevenmijlslaarzen door het mini-stadje, dat in wezen een gemankeerde wereldstad is. Ik schreef er al eens eerder over, en copy-and-paste het maar even, want dit is geen dag om het wiel opnieuw uit te vinden:

Monnickendam is een would-be wereldstad. Hij is ongeveer even oud als Amsterdam, maar heeft reeds aan het eind van de 16e eeuw de concurrentiestrijd met die stad verloren. Als de geschiedenis iets anders was gelopen, zou Monnickendam nu 700.000 inwoners gehad hebben, een wereldhaven, straten vol zwervers en afval, criminaliteitsproblemen, een omstreden Noord-Zuidmetro in aanleg en een kwalijke reputatie in binnen- en buitenland. Tulips from Monnickendam zou een veelgedraaide gouwe ouwe geweest zijn, evenals Aan de Monnickendamse grachten en Big City. Deze song van Tol Hansse zou dezelfde titel hebben behouden, maar dan met de tekstregel ‘Monnickendam, holadiee’ in plaats van ‘Amsterdam, holadiee’. Bij de videoverhuur zou het storm lopen voor de c-film Monnickendamned (waarvan overigens minstens n scene is opgenomen in Utrecht; kijk maar eens goed naar de speedboot-achtervolging). En Amerikanen en Japanners zouden in Monnickendam in de rij staan voor een bustrip naar het schilderachtige en nog onbedorven vissersplaatsje Amstelredamme, aan de overzijde van het IJ. Monnickendam zou dan, als dat allemaal gebeurd was, natuurlijk geen Monnickendam geheten hebben, maar Monkendam, want hoe vaker een woord gebruikt wordt, hoe sneller het slijt.

Monnickendam dus, is een goed geconserveerd plezierhavenstadje aan het IJsselmeer. De belangrijkste grachten (die soms dezelfde namen hebben als die in Amstelredamme) vertonen een lichte glooiing, en hebben aan de zijkant goten voor een natuurlijk waterafvoer, volgens het aloude principe der gravitatie. Markant zijn ook de houten klompenbankjes naast de voordeuren.

Het moet 's zomers druk zijn in Monnickendam, met al die varensgasten, maar buiten het seizoen is het er zeer rustig, zeer provinciaal, en men kan zich moeilijk voorstellen dat men zich binnen een straal van 10 kilometer van Amsterdam bevindt. Welke van de twee vissersplaatsen is er het best af met de loop van de geschiedenis, die de ene tot wereldstad, en de andere tot vergetelheid voorbestemde?

, schreef ik elf jaar geleden. Wat er nog aan toe te voegen? Dat je moet oppassen, niet met je auto weg te zakken in het veen; ik zag er een waarschuwingsbord over. En dat anders zijn dan anderen hier nog minder getolereerd wordt dan in de rest van Nederland; ‘Anders zijn mag niet, zo heet een statige woning op De Zarken.






LIJN 314: AMSTERDAM – HOORN

Ik pak R-net-bus 314 naar Hoorn, bij de halte bij de Monnickendamse benzinepomp. Lijn 314 rijdt - in de spits aangevuld met bus 317, die nog minder stopplaatsen kent – in een uurtje tijd van Amsterdam Centraal naar Hoorn NS. Hij stopt daarbij in of bij Schouw, Broek in Waterland, Monnickendam, dus, Katwoude, De Zedde, Edam, Middelie, Warder, Oosthuizen, Beets, Oudendijk en Scharwoude. De bus brengt ’s morgens veel forenzen uit die tussenliggende dorpen naar de hoofdstad, en veel scholieren naar Hoorn. Weinig reizigers zullen de hele rit meemaken; met de trein ben je een dik kwartier sneller in Hoorn.

Ook deze bus, vroeg in de middag, is niet druk. Achter me zitten twee vrouwspersonen na te kaarten over een recent huwelijksfeest en vooral over wat er daarbij gedragen werd.
‘Die bruidsjapon van haar, dat vond ik nou echt niks. Zo’n bloot geval van boven. Dat is veel te, ik weet niet, voor een huwelijk. Dat past trouwens ook helemaal niet bij haar.’
‘Ja, maar hij had nou juist weer zo’n gewoon pak. Dan is zo’n man zuinig en wil hij een pak dat je ook nog bij andere gelegenheden kunt dragen. Maar dan is toch het geen echt bruidegomspak meer?’
‘Nee, voor die ene keer in je leven dat je trouwen gaat, mag je toch wel…’

Tussen Monnickendam en Edam zie ik vanuit de bus op een landje een verroest tramrijtuig staan – niet eens van de Blauwe. Van Amsterdam tot en met Oudendijk houdt bus 314 de hoofdwegen aan en waagt zich niet in dorpskernen. Bij Scharwoude wringt hij zich echter door een smal dorpsstraatje. Verder gaat het, langs een hoge dijk, waarachter het IJsselmeer / Hoornse Hop ligt, waar we de Spanjaarden er in 1573 nog van langs hebben gegeven.

De onderwijzer van daarnet kon boeiend vertellen over de Tachtigjarige Oorlog, die tegenwoordig De Opstand heet; ook dingen die voorbij zijn, veranderen soms met terugwerkende kracht van benaming. Prachtige verhalen. Alva was de schurk en Willem de Zwijger de held; de objectiviteit was soms ver te zoeken, zoals in elk goed verhaal. In denk dat die die oude onderwijzer mijn keuze, 35 jaar later, voor de 17e-eeuwse letteren nog heeft benvloed.

Zo zijn alle cirkels weer rondgekomen, vandaag. Ik zat mijn voormalige onderwijzer gewoonweg te jijen en jouwen, vanmorgen. Toen hij nog voor mijn klas stond, was ik 10 en hij 25. Hij leek me oud en wijs als Methusalem. Maar 55 en 70 scheelt niks meer; je bent allebei senior. Wat je deed, doet er niet zoveel meer toe.

Via een achterdeur rijden we Hoorn binnen, waar lijn 314 rijdt als soort stadsdienst, kilometer na kilometer door een onafzienbare nieuwbouwwijk langs het Hop (hop, hop in de snelbus!).

Bij het station vragen scholieren zich zichtbaar af, waarom ze op de foto gaan voor De digitale reiziger, maar het gaat me echt alleen om de bus.





GEEN CONCLUSIE

Soms denk ik tijdens het beleven van een reisdag al: dit wordt ht artikel of d reeks van het jaar op mijn site. Bij deze serie over R-net heb ik dat gevoel geen seconde gehad, al heeft hij me wel aardig de winter doorgeholpen. Deze serie gaat pas ergens over, als je al dat gezever over die roodzwarte bus overslaat: over de dood, zoals het hele leven; over dromen, desnoods over bussen; over moderne expansie en over vroeger; over winter en kerstmis en kilte en schaarse warmte; over ambitie en teleurstelling, over alles wat ik kwijtwilde.

Terug naar de bus. Ik beloofde de lezer ooit, in deel 1 van deze reeks, een studie naar het intrinsieke van R-net. Dat heb ik eigenlijk niet gevonden. Het intrinsieke van R-net is dat er weinig intrinsieks aan is, dat moet de conclusie maar zijn.

Frans Mensonides
13 maart 2012
Er geweest: Purmerend dinsdag 14 februari, Monnickendam woensdag 22 februari, in Hoofddorp (zie foto hieronder): vrijdag 9 maart 2012


PS: R-net heeft de voormalige Zuidtangent tenminste knappe abris opgeleverd, waar vroeger altijd wat mee aan de hand was. Hieronder halte Bornholm in Hoofddorp, die zelfs een lift heeft.




Frans Mensonides, Leiden, 2012.