Op de planken: Medespeler in Tussenland van PS|Theater





Woensdag 8 augustus 2018

Het kan geen Leidenaar ontgaan zijn, billboards langs alle straten en wegen: PS|Theater heeft een nieuwe toneelvoorstelling op stapel staan. Hij heet Tussenland en wordt opgevoerd van 14 augustus t/m 2 september 2018 (behalve op maandagen) in Polderpark Cronesteyn, achter theehuis De Tuin van de Smid. En ik mag meedoen als figurant, om niet te zeggen: medespeler.

Net als vorig jaar in de Fortuinwijk heeft PS|Theater ook deze keer weer levensverhalen van gewone en ongewone Leidenaars als uitgangspunt genomen. Deze keer 10 mannen (inderdaad, alleen mannen) die allen in 2018 een kroonjaar vieren: ze worden 10, 20, 30 … 100 jaar oud. Ze kijken achterom naar hun voorbije decennium en vooruit naar het volgende. Daardoor verkeren zij een korte periode in het 'tussenland' dat het hier-en-nu feitelijk altijd al is. Het thema is: niet vergeten worden.

De hoofdrollen worden gespeeld door Tijs Huys en Wil van der Meer. Wij, de medespelers: Jan, Fred, Dennis, Monaf, Joost, Sieb, Manouk, Timo, Teun en ondergetekende, variëren in leeftijd ook van ongeveer 10 tot…, nee, niet tot 100, maar wel tot de seniorenstatus.  

We bemannen het decor, dat een huis met kamers is. Op de achtergrond doen we allerlei dingen die we zelf momenteel nog niet helemaal begrijpen. Wat is bijvoorbeeld de functie van het lugubere decorstuk dat Het Karkas heet? Waarom krijgt dat karkas water met een plantenspuit? En hoe zit het precies met die oude buizenradio's; wat voor rol krijgen die in het geheel?

De stukken van PS|Theater krijgen in de loop van de repetities pas hun definitieve vorm. Je kunt ze op de première pas helemaal doorgronden. Des te beter; dan kan ik ook weinig van de plot verraden en hoef ik geen leeswaarschuwing boven dit stuk te plaatsen.

De regisseur, Pepijn Smit, weet optimaal gebruik te maken van ieders talenten én van mijn tekortkomingen. Zo slaagde ik er bij een bepaald onderdeel van het stuk steeds maar niet in om in de pas te blijven lopen met de rest – iets wat me in figuurlijke zin vaak ook niet lukt. Daarom mag ik nu gelukkig helemaal UIT de pas lopen; dat geeft een komisch effect.







In juli repeteerden we eerst twee keer per week in een zaaltje op het bedrijventerrein achter station Lammenschans. Op 1 augustus was het decor klaar. En dat decor mag er wezen! De voorstellingen beginnen om 20:30 uur, als het in de tweede helft van augustus nog net licht is. De schemering en daarna het duister vallen in de loop van het stuk in.

Op de tweede etage vergeet ik maar dat ik eigenlijk hoogtevrees heb; tijdens de repetities heb ik  helemaal geen tijd voor hoogtevrees. En het uitzicht is ook prachtig, daarboven. Het bestaat mede uit verbaasde wandelaars en fietsers die zich afvragen wat er allemaal gaande is op die stellage. Een hardloopster raakt van het rechte pad af. En een man op een brommer kijkt helemaal om; val niet, man, val niet! Wij vallen natuurlijk ook niet uit onze rol en gaan niet terugzwaaien of terugroepen.





Iedereen, van jong tot oud, heeft een kostuum, een pijp en een hoed. Die pijp en die hoed voelen wel wat onwennig, maar mij is al van meerdere kanten verzekerd dat ze me uitstekend staan. De pijp hoef ik niet echt aan te steken; sterker nog: roken is met deze droogte helemaal uit den boze rond De Tuin van de Smid.

De kas op de voorgrond doet dienst als orkestbak. De muziek, daar gaat de toeschouwer beslist iets van meenemen: de melodie van het nummer J´attendrai, dat in de voorstelling meerdere keren terugkomt. Het wordt steeds begeleid door een soort dansje van ons, medespelers. Het lied zit de hele dag in mijn hoofd en ik ken alle gebaren nu van buiten. Bij oiseau (vogel) klapwieken we met onze handen, en bij nuit (nacht) maken we een slaap-gebaar. En we moeten daarbij dan liefst allemaal tegelijk precies hetzelfde doen; het kostte wat oefening, de afgelopen weken.

J’attendrai is een melancholische ballade over een nog niet vergeten geliefde. Hij is misschien nog bekend in de disco-achtige uitvoering van Dalida (1976), maar is veel ouder. Het origineel werd in 1938 op de 78-toerenplaat gezet door Rina Ketty en was een grote hit in Frankrijk. In de oorlog groeide het uit tot een van de meest populaire soldatenliederen, na Lili Marleen. De originele uitvoering vind je HIER op YouTube, als opwarmertje voor de voorstelling; de tekst plus vertaling HIER.

 






Als de zon achter de horizon is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de Rode Planeet, wordt het decor er alleen maar fraaier op.


 

 

 

Ga dit zien, het wordt prachtig!

Zondag 12 augustus 2018

Vorig jaar juni speelde PS|Theater Droomland in mijn eigen buurt, Leiden Zuid-West. Ik behoorde tot de (on)gewone buurtbewoners die in het stuk een stuk van hun eigen biografie konden meebeleven. Zelf figureerde ik als De Verwarde Man, op zoek naar een auto die hij niet meer bezat.

Tijdens die reeks voorstellingen begon ik de theatermakers ervan te verdenken dat ze een speciaal lijntje hadden met de weergoden. Het regende die maand overvloedig, maar nooit tijdens een repetitie of voorstelling. Maar als zo’n lijntje al bestaan heeft, dan was de gunstige gezindheid van de goden de afgelopen week wel voorbij. Zaterdag 4 augustus werden we tijdens een repetitie rond het middaguur zo ongeveer geroosterd en gebraden door de koperen ploert. Maar afgelopen donderdag en vrijdag: noodweer!

In de polder, in een decor dat een flink eind boven het maaiveld uitsteekt, komen de elementen kneiter- en knoerthard binnen. De zon schijnt veel feller dan in de straten en stegen van de stad, de wind blaast er veel en veel harder en de regenvlagen striemen veel ongenadiger neer.

Donderdagavond was het code-oranje in de provincie Zuid-Holland. Alle twitteraars in mijn tijdlijn vonden dat maar zwaar overdreven en overtrokken. Maar die twitterden vanuit huis. Wij, in de polder, zochten ons heil ook binnen, in theehuis De Tuin van de Smid, dat na wat schuiven met stoelen en tafels snel omgetoverd was in een tribune en een toneel. ´We zetten alles straks weer goed, hoor´, stelden we de exploitant gerust.

Op vrijdagavond waren alle codes ingetrokken en begonnen we onder begeleiding van motregen welgemoed te repeteren in het decor in de openlucht. Van een beetje regen smelten we niet, en het publiek zit straks redelijk droog. Na nog geen half uur hield het ineens op met zachtjes regenen en kozen de eerste bolhoedjes het luchtruim. Dat was het sein om opnieuw naar binnen te gaan.

De stortbui geselde de ramen van het theehuis en hield urenlang aan. Goed voor het gras en de bomen, dat zeker! Bij zulke weersomstandigheden moeten straks de voorstellingen helaas afgeblazen worden. De beslissing daartoe wordt dan om 12:00 uur genomen.

De Hooiberg, waar we ons omkleden onder het geblaat van 7 ooien en 2 rammen die de landelijke sfeer nog eens accentueren.

Een paar dagen daarvoor hadden wij het (voorlopige) script van heel Tussenland ontvangen. Het stuk omvat 4 bedrijven: zomer, herfst, winter en lente. Het script telt 36 A4’tjes. Ik heb bewondering voor de hoofdrolspelers, Tijs en Wil, die die lappen tekst binnen een paar weken tijd in hun hoofd moeten stampen – met alle wijzigingen die tot op het laatste moment aangebracht worden.

Wij medespelers hebben geen tekst, maar moeten wel op de tekst letten. Want die bevat ‘cues’, momenten in de voorstelling waarop wij in actie moeten treden. Soms zit zo’n cue ook in de muziek in plaats van in de tekst. Je moet alle cues onthouden, en dan vanzelfsprekend ook nog wat je doen moet na elke cue.

In Droomland had ik er maar één, meer dan genoeg voor een Verwarde Man. Nu hebben we er enkele tientallen. Ik heb er best moeite mee om ze allemaal te onthouden, en repeteer ze zo vaak mogelijk. Het zou met leeftijd te maken kunnen hebben. Ik schat zo in, dat de 10-jarigen er minder moeite mee hebben dan ik. Maar die hebben dan weer een kortere concentratieboog, zoals een andere medespeler opmerkte. Ik kan daarom, als ik het tijdens de voorstelling niet meer weet, me het best spiegelen aan de 20’ers en 30’ers, denk ik. En dan hopelijk snel aanpikken, zodat ik niet ga lijken op korporaal Jones uit de legendarische BBC-sitcom Dad’s Army. Jones was steevast een volle seconde later dan de anderen met het uitvoeren van commando’s.

Er doen twee 10-jarigen mee met de repetities (volgende week komt er nog een derde bij, die nu nog met vakantie is). Eén van de twee bezit zo te zien alle flair van de aankomende artiest. De andere lijkt wat verlegen, maar zet, net als ik, een knop om en is dan ook acteur. Straks spelen de drie jongens om de beurt een voorstelling; 6 keer per week laat naar bed zou te gek zijn.

De rol van de medespelers wordt gaandeweg steeds duidelijker. Kenners van klassiek toneel of van klassiekers als Vondels Gijsbrecht, zouden ons ongetwijfeld herkennen als een moderne variant op een rei. Soms heeft deze ‘rei’ ook een heel prozaïsche functie in het stuk: de acteurs, die beide een 5-dubbelrol vervullen, even in de gelegenheid stellen om zich om te kleden.

We zijn niet alleen een rei, maar opereren ook vaak op rei rij. Soms echter ook in een kluitje of een V-formatie. Laat je niet misleiden door de term: ‘kluitje’. Dat is geen zooitje ongeregeld; iedereen weet nu tot op de decimeter waar hij staan moet.

Zaterdagmorgen weer repeteren in het decor. Het was in de stad toch weer warm aan het worden, maar in de polder nog vrij fris en winderig. Wel droog, tot onze opluchting. We maakten een extra uurtje om de achterstand van die twee stormachtige dagen in te lopen. En deden een ‘Italiaantje´: met zevenmijlslaarzen door een bedrijf heen, alleen van cue tot cue, om ze goed onder de knie te krijgen.

Het is mooi om iets moois te maken, samen met mensen waarvan ik de meeste pas een paar weken ken. As. maandag de generale, dinsdag voor ’t echie de eerste try-out, en vrijdag de 17e de première!

Frans Mensonides
11 augustus 2018


Nee, (nog) geen foto’s van scènes in dit blog; alleen van het decor en de rekwisieten. Vanaf 14 augustus kun je alles live zien. Wacht niet te lang met kaarten reserveren! Die voor de 15e zijn vandaag (zondag 12) al bijna, en die voor de 16e al helemaal uitverkocht.




Dinsdagmorgen 14 augustus 2018

Deze dagen horen we nog een paar voor mij nieuwe toneeltermen: de montage en de doorloop. Het eerste zou je associëren met de filmwereld (waar elke scène soms 10 of 20 keer over moet) en niet zozeer met het toneel (waar het eigenlijk in één keer goed moet en waar je mindere stukken er sowieso niet meer uit kunt knippen). Maar de montage van een toneelstuk is de opeenvolging van scènes en de overgang van scène tot scène, met de cues waarmee sommigen zo worstelen.

Een doorloop is een repetitie waarbij het stuk gespeeld wordt alsof de tribune vol zat; helemaal van begin tot eind, zonder ingrijpen van de regisseur, die zijn opmerkingen oppot voor na afloop. En dat allemaal in vol ornaat, met kostuums, belichting en muziek.

De montageweek hebben we achter de rug. Zondagavond was de eerste doorloop. Aan alles merkte je dat dit een hyper-spannend moment was voor de regisseur: hoe ziet het stuk er nou echt uit? Vooraf gingen we met z’n allen (spelers, belichters, geluidsmensen, muzikanten) in een kring staan om te luisteren naar een korte toespraak van Pepijn. Daarna was het: toi-toi-toi en was het spel op de wagen.

Pepijn was na afloop beslist niet ontevreden. Maar als medespeler heb je zelf helemaal geen idee hoe het stuk, en je eigen aandeel daarin, overkomt vanuit de ‘zaal’. Je mist daardoor wel een hoop, maar ziet aan de andere kant ook wat spektakel dat voor het publiek verborgen blijft. Indrukwekkend zijn de omkleedscènes van Wil en Tijs, die in soms niet meer dan 15 seconden tijd een complete metamorfose moeten ondergaan.

Woensdag ga ik het stuk zien in de rol van gewone toeschouwer. De medespelers, met zwart pak en dito hoedje, zullen een aardig contrast vormen met de musici in de orkestbak. Die zijn in een schitterend, knal- en knalgeel pak gestoken, dat je ook ver na zonsondergang nog op een kilometer afstand zou kunnen zien.

De kleding brengt me op een belangrijk persoon die nooit op de bühne verschijnt: de kostuumontwerpster, Maartje. Ze heeft ons een paar weken geleden allemaal de maat genomen.  De Hooiberg heeft ze omgetoverd tot een bijna compleet atelier met naaimachine en strijkplank. En van tijd tot tijd neemt ze het witgoed mee voor in de was; allemaal om ervoor te zorgen dat we elke avond perfect gekleed het podium op gaan.

De montage en de doorloop leidden tot diverse aanpassingen. Zelfs maandagmiddag, vlak voor de generale repetitie, bleken er nog flinke wijzingen aangebracht te zijn in de tekst en de opvolging van de scènes.  We zien de hoofdrolspelers ijsberen over het grasveld om zich de wijzigingen in het hoofd te stampen.

Ik zelf had op school al moeite met uit het hoofd leren, laat staan nu, 50 jaar ouder. Het is ook een beetje Sisyfusarbeid om je al je cues van buiten te leren, met al die wijzigingen. Gelukkig bestaat er een modern hulpmiddel, ter vervanging van de aloude souffleur die vroeger in schouwburgen in een speciaal hokje zat, onzichtbaar voor het publiek, om de spelers teksten en aanwijzingen in te fluisteren. Tamar, de regisseuse die ons, medespelers, instrueert, steekt een portofoon in onze broekzak. Daardoor kan zij tijdens de voorstelling aanwijzingen fluisteren. Beslist geen overbodige luxe. 

Daarnaast hebben we elk ook een handig notitieboekje dat we tijdens de voorstelling even discreet zouden kunnen raadplegen. Nee, je kunt daar vanzelfsprekend niet ten overstaan van het publiek met weidse gebaren in gaan staan bladeren. Weidse gebaren passen toch al niet in Tussenland. Als wij ons iets teveel laten meeslepen door ons enthousiasme, roept Pepijn: ‘Maak het wat kleiner!’

Na alle wijzigingen is het stuk er voor de medespelers iets eenvoudiger op geworden, met minder verplaatsingen in het 'huis'. Verder zijn er een paar scènes verdwenen, waaronder die waarbij ik uit de pas moest / mocht lopen. Ook de buizenradio’s zijn geschrapt. Ze waren al ontdaan van hun loodzware buizen, maar staan nu geheel aan de kant – en kunnen vast nog wel eens een keer gebruikt worden voor een andere voorstelling.

Het karkas bleef, en hangt nog fier in het huis, op zijn plek op de tweede etage links (voor de kijker rechts). Voor de duidelijkheid en de volledigheid: het karkas is van plastic, en niet van koe. Het behoort aan een van de hoofdfiguren, een 90-jarige ex-slager (Wil), die terugkijkt op zijn loopbaan en leven, en daarover knorrige discussies voert met zijn zoon (Tijs).  ‘Weet je hoeveel koeien ik in mijn leven geslacht heb?’ De medespelers kijken tijdens deze scène vanaf de eerste etage de polder in, waar je echte, levende koeien ziet.

Gisterenavond om halfnegen was de generale repetitie. De weergoden lijken nu toch weer op onze hand. Het voorspelde onweer klonk aan het begin van de middag al boven Leiden, en tijdens de generale waren er alleen soms wat dreigende wolken, die louter sfeerverhogend werkten in dit polderstuk.

Om het echt te maken, waren er enkele tientallen toeschouwers uitgenodigd voor een gratis voorstelling: vrijwilligers van PS|Theater; personeel van het theehuis.

Dat met die portofoons werkte wel. Behalve op momenten dat er ineens heel rare boodschappen doorkwamen, die niets met het stuk te maken hadden, zoals (in plat Leids): ‘Juh, gaan we zo nog een lekker bakkie doen, dan?’ Vermoedelijk mensen die kilometers verderop op hetzelfde kanaal zaten.

Er gingen wat kleinigheidjes mis tijdens de generale, maar een generale repetitie is ook nog maar een repetitie. Vanavond spelen we de eerste echte try-out. Zo’n portofoon kan defect raken, zo’n opschrijfboekje naar beneden vallen, en zelfs de medespeler met het fotografische geheugen, waar we soms allemaal achteraan lopen, kan er een keer naast zitten. Laat ik ophouden met schrijven en vanmiddag nog een beetje gaan studeren op die cues!

Frans Mensonides
14 augustus 2018




Maandag 20 augustus 2018

 

Michiel (Wil) en Jorrit (Tijs) op een cruciaal punt in hun relatie
Foto: Ben van Duin

 

Geen uitvoering van Tussenland op de maandag, en dat is daardoor een uitgelezen dag om dit blog bij te werken. En om even bij te komen van de vermoeienissen.

De montageweek, de generale, de try-outs, de première, dat betekent: 14 dagen flink buffelen, voor iedereen die bij de productie betrokken is. Maar is de première eenmaal achter de rug, dan lóópt zo’n voorstelling meestal wel, van avond tot avond.

‘Iedereen die bij de productie betrokken is’, dat zijn nogal wat mensen; ik schat op zijn minst 25 in totaal, veel meer dan een toeschouwer zou denken. Naast de regisseurs, hoofdrol- en medespelers, musici en belichters heb je bijvoorbeeld de vrijwilligers die elke avond klaarstaan om de voorstellingen in goede banen te leiden.  Zij controleren de kaartjes, wijzen de bezoekers de weg naar de tribune, begeleiden gehandicapte toeschouwers die dank zij hen de voorstelling ook kunnen bijwonen, en weten wat ze te doen staat als er onverhoopt een noodsituatie zou ontstaan.

Op de foto hieronder zie je (bijna) de hele crew, luisterend naar een toespraak van Pepijn (derde van links). Dat was vóór de eerste try-out op dinsdag de 14e . Maar Pepijn houdt ons voor dat feitelijk elke voorstelling de eerste is. Elke avond komen er toeschouwers die het stuk voor de eerste en meestal enige keer zien. Die mensen moeten waar voor hun geld krijgen! Nooit gaan drijven op je routine!

 

Foto: Ben van Duin

 

Met in totaal 18 voorstellingen is het gevaar daarvoor niet erg groot. Maar hoe zou dat zijn voor acteurs die in een heel theaterseizoen soms wel 75 keer hetzelfde stuk spelen, vandaag in Delfzijl, gisteren in Terneuzen, morgen in Kerkrade?

Ik heb, hoe betrokken ik inmiddels ook ben geraakt bij het locatietoneel van PS|Theater, niet het gevoel dat ik mijn roeping als acteur ben misgelopen. Dat zou ook erg sneu zijn op m’n 61ste. Aan de andere kant: je bent nooit te oud om een nieuwe weg in te slaan. Als je die ene beslissende seconde maar weet te grijpen, dat ene moment waarop alles verandert.

 

Kon dat in werkelijkheid maar, die ene seconde vangen in een netje, zoals wij, ‘Tijdvangers’, hier doen.
Foto: Ben van Duin

Try-outs heten niet voor niets zo. De voorstelling moet ook dan al compleet en ‘af’ overkomen op het publiek. Maar er kan na zo’n try-out nog wel van alles veranderen; scènes die niet goed over het voetlicht kwamen. Er werden dan ook de nodige wijzigingen aangebracht in het script. Daarom moesten we vóór elke voorstelling extra repeteren. Feitelijk is dat dubbel zo lastig als een gewone repetitie, want je moet het oude afleren en het nieuwe aanleren.

Onder ons, medespelers, ontstond daarom nog wel eens gemurmureer; heb je net alles uit je hoofd geleerd... Marijn, die Tamar een paar dagen verving, zei eufemistisch dat er ook deze keer weer een paar ‘details’ veranderd waren. Maar die details waren soms erg gedetailleerd, en ook nogal talrijk.

Maar laten we niet mopperen! De hoofdrolspelers hebben het zwaarder, want wij spelen stommetje tijdens de voorstelling en hoeven niet eens teksten uit ons hoofd te leren.

Behalve dan de teksten die voor ons een cue betekenen. Maar dat is ook nogal problematisch. Want op de tweede etage van het decor horen ook medespelers met een beter gehoor dan ik, niet veel meer dan wat echo’s uit de verte.

Dat met die oortjes is al met al wel een uitkomst. Die zorgen ervoor dat alle handelingen tegelijk worden ingezet en dat we niet allemaal een tel achter lopen op Dennis (die ontkent dat hij het fotografische geheugen heeft dat ik hierboven aan hem toeschreef).

Alleen tijdens de eerste try-out ging het niet helemaal soepel met die portofoons. Het geluid eruit versterkte vooral de muziek uit de orkestbak, en de commando’s van Tamar ontgingen ons soms. Wat volgens mij niet eens echt gemerkt is door het publiek; ik sprak na afloop tenminste iemand die niks raars gezien had.

 

‘Wil iedereen die mij kan horen, even zijn hand opsteken?’ Tamar en Marijn, in de weer met de ‘oortjes’, resp. de meest recente versie van het script, dat nog warm is van het uitprinten na de laatste aanpassing.
Foto: Ben van Duin

 

Woensdag hees ik me niet in het kostuum en speelde ik de rol van toeschouwer. Ik bekeek het stuk vanaf de tribune. Het optreden van mijn mede-medespelers zag er echt strak en gelikt uit; de problemen met de oortjes waren opgelost.

Het is een eeuwenoude toneelwet, ter plaatse door mij bedacht: als je in het publiek zit, krijg je toch een betere indruk van een toneelstuk dan wanneer je op het podium staat. Ik ga me niet wagen aan een recensie van een stuk waaraan ik zelf meedoe; dan zou ik in wezen een slager zijn die zijn eigen vlees keurt – iets waarvoor de gepensioneerde slager die in Tussenland voorkomt, trouwens vast niet zou terugdeinzen.

Maar ik wil wel kwijt dat de verhaallijnen van het stuk knap in elkaar zitten. Alle figuren (ik tel er 10, gelijkelijk verdeeld over Tijs en Wil, inclusief twee personages die Tijs en Wil heten) staan voor grote veranderingen in hun leven. Zo niet: voor de poort van de dood, zoals de 100-jarige en de terminaal zieke Leidse vogelliefhebber. En allemaal moeten ze angsten overwinnen; levensangst en doodsangst – en zoiets triviaals als watervrees, maar dat is zowel levens- als doodsangst, zoals Wil laat zien in de hilarisch-tragikomische slotscène.

Mijn hoogtevrees is ook wel verdwenen. En gelukkig ben ik nooit behept geweest met angst voor insecten. Muggen en andere stekende beesten hebben met acteurs gemeen dat ze zich graag koesteren in het licht van de spotlights. Na elke voorstelling gaan we dan ook krabbend naar huis, met jeuk op uiteenlopende plekken. Maar dat heb ik graag over voor de charme van spelen in de openlucht.

Aanstekelijk is het enthousiasme van Manouk, Teun & Timo, de drie ‘kindsterren’ van Tussenland. Op vrijdag, de dag van de première, zijn ze nauwelijks meer te houden. ‘Doe eens een beetje rustig’, raden wij, bezonken senioren, ‘straks heb je geen energie meer over voor de voorstelling’. Maar daarover hadden we ons geen zorgen hoeven maken; onvermoeibaar! Er speelt tussen haakjes maar één van de jongens mee, en de andere kijken toe tijdens de première. Toekijken mag geloof ik onbeperkt van de Arbeidsinspectie, terwijl het aantal voorstellingen dat kinderen zelf mogen spelen, aan strikte beperkingen is gebonden.

Nog weer een toneelterm die ik niet kende: het toi-tje. Dat is een speeltje of hebbedingetje met soms een persoonlijke boodschap, dat je voor de première cadeau krijgt van o.a. de regisseur. Het is bedoeld als dank voor het harde werken en bij wijze van toi-toi-toi voor de voorstelling.

Even kwistig als met toi-tjes vooraf en bloemen na afloop, wordt rond de première gestrooid met knuffels, zoenen, aaien, hi-fives, boksen met de vuisten, schouderklopjes, omhelzingen, yells, bemoedigende woorden en wat dies meer zij. Het is even wennen voor iemand met meer dan 40 jaar kantoorervaring. Misschien moesten we dat daar ook eens introduceren; baat het niet, schaadt het niet. Ja, wie weet helpt dát. Met maar een kwart van de saamhorigheid van het theater, zouden we het leven op kantoor… enfin, dat is een ander onderwerp.

De première zelf verliep … ‘perfect’ wil ik niet zeggen, maar ‘heel goed’ durf ik wel te schrijven. We doen ons stinkende best, dit niveau tot / met 2 september vast te houden. De kaartverkoop loopt goed, maar het goede nieuws is dat ze nog niet uitverkocht zijn. Wacht niet te lang meer met boeken!

Frans Mensonides
20 augustus 2018

 




Dinsdag 28 augustus 2018

 

Regen!

 

En zo werd de zomer van 2018 uiteindelijk dan toch nog een heel normale Nederlandse zomer. In de tweede speelweek hadden we een bonte afwisseling van regen, harde wind, onweer, en soms ook nog wel wat zon. Donderdag de 23ste beleefden we wat Pepijn noemde: onze regenpremière, de eerste keer spelen bij neerslag.

Tussen 18:00 en 20:00 kletterden er zware slagregens neer op Park Cronesteyn. Tussenland begint altijd om 20:30. ‘Nog een half uur’, wordt er geroepen als de klok acht slaat. Een toneelvoorstelling heeft iets weg van een raketlancering; zeker Tussenland, dat begint met ‘10, 9, 8, 7 ,6 ,5 ,4, 3, 2, 1, 0!’, gescandeerd door het publiek.

De voorbereiding van een elke uitvoering verloopt volgens een strak draaiboek en iedereen weet, wat hij wanneer moet doen. Preppen, bijvoorbeeld, wat neerkomt op het op de juiste plaats zetten van de props, de rekwisieten. Waarom heet dat dan geen proppen in plaats van preppen? Enfin, volgens dat draaiboek staan wij, medespelers, om 20:00 uur al lang startklaar in kostuum en met oortjes.

Maar deze donderdagavond was iedereen op dat tijdstip nog bezig met het verwijderen van liters regenwater. We bezemden het van het decor, dat knap glad was geworden, zeker op de tweede etage, die onbeschermd is tegen regen. De Wervelwind zouden we die avond maar iets minder enthousiast uitvoeren dan gewoonlijk, dat was beter voor de veiligheid. We spraken af, er een Zacht Briesje van maken.

Theedoeken werden uitgedeeld om de eerste vier rijen stoeltjes van de tribune droog te wrijven; ook daar ben je niet erg beschermd tegen de elementen. Een kwartier later dan normaal werd het publiek toegelaten. Altijd een mooi gezicht om die lange rij toeschouwers te zien naderen langs het lichtsnoer. Een gezonde spanning maakt zich dan van ons meester: nu gaat het beginnen; het publiek, daar doe je het voor!

Maar die donderdag was het een beetje trieste paraplu-parade. Er waren enkele rolstoelers bij die in ieder geval vooraan moeten zitten, en die dag compleet in plastic gehuld werden. Ook voor het publiek is het soms afzien, openluchttheater. De regen was wel wat minder geworden en hield na negenen helemaal op, tot opluchting van het publiek en de spelers.

Vrijdag de 24e was het echt helemaal hommeles: code geel wegens dreiging van onweersbuien. In de loop van de middag kwam het bericht dat de voorstelling was afgelast. Het publiek wordt in zo’n geval tijdig geïnformeerd en kan omboeken naar een andere avond.

Ik had dus onverwachts een televisieavond thuis, en dan wel een knap chagrijnige. Ik zat vurig te hopen dat er een ongekend noodweer boven Leiden zou losbarsten; dan was de afgelasting tenminste niet voor niets. Donar liet lang op zich wachten, maar tegen tienen begon het toch nog te onweren. Als de voorstelling was doorgegaan, had het publiek de apotheose ervan moeten missen.

Zaterdag was het droog en was ik er niet bij. De show, genaamd Beminde zaterdag, moet ook doorgaan. We hebben 3 senioren, Jan, Fred & ik, voor twee seniorenrollen, zodat wij kunnen afwisselen.

Voor zondag stond ik wel op het speelschema. Wederom regen en een stevige bries erbij. Maar geen onweersdreiging en de voorstelling kon gelukkig doorgaan. Het werd een pittige klus met die windvlagen op de tweede etage en met een tekst die daarboven moeilijk verstaanbaar was door vervaarlijk geklapper en geratel van de zeilen op de tribune. Maar des te meer voldoening dat we het stuk helemaal hebben kunnen uitspelen! Maar één kleinigheidje: Jans hoed waaide af; de Trage Hoedscène was toen al achter de rug.

Man met hoed in regen en duisternis
foto: Paul Boshuizen

Even tegenvallend als het weer waren de kritieken. Van het Leidsch Dagblad kreeg Tussenland een hele mooie recensie, maar die in de Volkskrant, NRC en Theaterkrant waren zuinigjes en erg matig.

Als ik zelf naar een toneelstuk ga, ik bedoel gewoon als publiek, dan lees ik vooraf nooit recensies, om het stuk onbevangen te kunnen ervaren. Kees van Kooten, ik geloof dat hij dat was, schreef eens dat hij slechte recensies niet eens in zijn plakboek plakte. Ik link ze lekker niet.

Wat die critici vooral stoorde, was het fragmentarische karakter van Tussenland, het ontbreken van één groots, meeslepend verhaal. Maar dat vind ik nou juist de charme ervan. En het is ook inherent aan de werkwijze van PS|Theater. Het is geen Griekse tragedie in vijf bedrijven, het is de tragikomedie die het leven is. Het zijn fragmenten uit de levens van Leidenaren.

Wel roemden alle critici de muziek van Rian, Ralf en Pepijn II, en dat is dan weer helemaal terecht. Maar ik vroeg me af hoe de theatermakers zouden reageren op de kritiek op het stuk zelf. Zou er een grafstemming heersen bij de eerstvolgende voorstelling? Nee, daar bleek niets van.

Ik durfde er eigenlijk niet goed naar te vragen. Er schijnt in de toneelwereld nogal wat bijgeloof te heersen (niet de naam Macbeth noemen, niet ‘succes!’ zeggen als je ‘toi-toi-toi’ bedoelt).Misschien zou het spreken over recensies ook wel taboe zijn.

Maar uiteindelijk stak ik toch mijn licht op, en het antwoord was duidelijk: niemand trekt zich er iets van aan. Het publiek ook niet, dat elke avond toestroomt. Op Facebook scoort Tussenland veel meer sterren dan in de krantenrecensies; beter zo dan andersom!




Publiek in afwachting

Vanavond gaan we de laatste speelweek in. Na zondag 2 september is het afgelopen. We gaan dit missen!

Frans Mensonides

© Frans Mensonides, Leiden, 2018