Vondels Gijsbrecht ‘ten langen leste’ terug op de planken



Dank zij Het Toneel Speelt zijn Gijsbrecht (Mark Rietman) en zijn eega Badeloch (Carine Crutzen) terug op de – tegenwoordig met een hydraulische lift verstelbare – planken. Ik ging de voorstelling zien, uitgerekend in Rotterdam, waar de held uit Amsterdam 45 winters geleden werd weggehoond. Helaas miste ik de inleiding, die tegenwoordig nodig is om Vondel uit te leggen aan het theaterpubliek. Maar ik voorzag er zelf in één.


 

Gijsbrecht verguisd
Het verhaal
Schouwburg
De voorstelling
Verantwoording afbeeldingen
Literatuur

Gijsbrecht verguisd

Joost van den Vondels tragedie Gijsbrecht van Aemstel (1637): meer dan drie eeuwen lang was het een klassieker waaruit iedere Nederlander wel een paar regels kon citeren. Ooit was de Gijsbrecht traditioneel het eerste toneelstuk dat een kind of tiener zag in de schouwburg; was het niet met de ouders, netjes opgedoft, dan wel met een verplicht bij te wonen voorstelling via school. En dat meestal op of rond nieuwjaarsdag.

Aan het eind van de roerige jaren 60 kwam er abrupt een eind aan de Gijsbrecht-traditie. De wat statige, statische klassieker, met zijn ouderwetse taal en dreunende versregels, paste niet meer in een tijd van afrekenen met de gevestigde orde.

Gijsbrecht kwam ten val in Rotterdam, waar een held uit 020 altijd al een uitwedstrijd speelt. In 1967 werd kort na nieuwjaar een voorstelling in de Rotterdamse Schouwburg (de ´Noodschouwburg’, opgetrokken na het bombardement van 1940) verstoord door scholieren die ballonnen lieten knappen en regelmatig een gejoel aanhieven. De acteur die Gijsbrechts broer Arend speelde, moest tijdens zijn sterfscène om stilte verzoeken - en viel vervolgens ook nog van de brancard waarop zijn lijk werd afgevoerd. Meer over die gedenkwaardige woensdagmiddagvoorstelling in mijn rubriek FHM's >>>

Leraren namen het nota bene op voor de baldadige pubers, in plaats van ze eens flink aan de oren te trekken; de Gijsbrecht kon écht niet meer in deze tijd. De laatste nieuwjaarsopvoering in Amsterdam zou, ook in een rellerige sfeer, plaatsvinden in 1968. Dat was in zekere zin maar goed ook, want in 1970 zouden de acteurs ongetwijfeld een regen van tomaten naar het hoofd hebben gekregen; de Actie Tomaat wilde ons toneel met harde hand dwingen tot modernisering.

En eerlijk is eerlijk: wie onderstaand geluidfragment en filmpje afspeelt, zou tot de conclusie kunnen komen dat een Gijsbrecht vijftig jaar geleden een hele zit was : zo’n dikke anderhalfduizend wat stijfjes over het voetlicht gebrachte alexandrijnen en daarbovenop na het eerste tot/met vierde bedrijf nog eens een rei, een intermezzo met zang.

Wellicht had de regisseur in de jaren zestig die reien eigentijds moeten vervangen door muziek van de Beatles. Al Dente deed dat bij de opvoering van Faeton in 2009, en bewees daarmee dat de Gouden Eeuw en de jaren zestig elkaar beslist niet hoeven te bijten. 


1957: Beeldfragment uit het vijfde bedrijf

1963: Geluidsfragment: De droom van Badeloch


Gedurende de afgelopen veertig jaar zijn er nog vele Gijsbrechten opgevoerd, maar doorgaans edities waar Vondel zelf niet veel meer van zou snappen: vrouwvriendelijke Gijsbregten in het jaar van de vrouw, 1975, Gijsbrechten met slapstick in de jaren tachtig, Gijsbrechten met Amerikanen en Afghanen in de jaren nul van onze huidige eeuw.

Maar nu, in dit pasbegonnen jaar 2012, is Gijsbrecht van Amstel dan ‘ten langen leste’ (om te citeren uit de bekende openingsregel) in min of meer originele vorm terug op de planken. Het Toneel Speelt toert deze winter met deze klassieker door het land met een versie die zowel recht doet aan Vondels oorspronkelijke stuk als aan de ogen en oren en ongedurigheid van de moderne toeschouwer.

Ik kwam kijken, en deed dat uiteraard in Rotterdam, waar Gijsbrecht 45 jaar geleden zo’n smadelijke nederlaag leed. Eerst iets meer over de inhoud en de achtergrond van Gijsbrecht van Aemstel.

 Het verhaal

Acteur Willem Ruyters in de kleedkamer, klaar voor zijn rol van Gozewijn; tekening van Rembrandt van Rijn.
Volgens een hardnekkige legende zou Ruyters bij een repetitie het woord ´mijter´ in zijn tekst vervangen hebben door ´strontpot´.

Vondels Gijsbrecht zou gezien kunnen worden als een vervolg op Geeraerdt van Velsen (dat ik in 2009 zag in Voorburg). Dat historische toneelstuk van P.C. Hooft uit 1613 handelt over het moordcomplot in 1296 van drie edelen, waaronder Gijsbrecht van Aemstel, tegen de Hollandse graaf Floris V. De titelheld uit dit stuk, Van Velsen, is bezeten van wraakzucht omdat Floris V zijn vrouw Machteld verkracht heeft.

Vondels Gijsbrecht speelt enkele jaren later, kort na 1300. Gijsbrecht van Aemstel is nu heer van Amsterdam, dat aangevallen wordt door Kennemers, Haarlemmers en Waterlanders die de dood van Floris V willen wreken. Aan het begin van het toneelstuk lijkt Amsterdam na een belegering van ruim een jaar de eindoverwinning te behalen; in de kerstnacht nemen de vijanden de wijk. Vosmeer, een overgelopen vijand, komt uit een gracht gekropen en wordt voorgeleid voor Gijsbrecht. Hij vertelt dat zijn makkers gevlucht zijn na onderlinge twist tussen twee legeraanvoerders, en in de haast een schip vol hout achtergelaten hebben.

Vosmeer beweert, bescherming te zoeken bij Gijsbrecht, maar is in werkelijkheid een spion en een bedrieger. Het schip, dat door Gijsbrechts mannen de stad wordt binnengehaald, zit tjokvol met onder het hout verborgen soldaten. In het holst van de nacht, als de bevolking van Amsterdam zich in de kerk bevindt om het kerstfeest en de overwinning te vieren, komen zij tevoorschijn en nemen de stad in. Een list die natuurlijk doet denken aan die met het paard van Troje – en aan de verovering van Breda met het turfschip, in 1590.

Gijsbrecht, nog onkundig van wat er in de stad gebeurt, treft zijn vrouw Badeloch thuis aan in staat van ontreddering: zij heeft in een droomvisoen haar overleden nicht Machteld gezien (die in 1296 verkracht was door Floris V en vervolgens bij de veldslag om het Muiderslot was omgekomen). Machteld waarschuwde Badeloch voor de op handen zijnde ondergang van de stad.

Dan dringt het krijgsrumoer door tot het kasteel van Gijsbrecht. Er volgen diverse militaire verwikkelingen, waarover de toeschouwers op de hoogte gehouden geworden door ooggetuigen, waaronder een bode. Slecht één gevechtsscène is te zien op het toneel. Vijandige soldaten dringen binnen in het Clarissenklooster, vermoorden de daar ondergedoken bisschop Gozewijn en verkrachten en doden de nonnen. In de 17e-eeuwse opvoeringen van de Gijsbrecht werd op dit punt een ´vertoning´ ingelast, een pantomime. Deze verstarde na enige tijd tot een tableau vivant. Tien minuten lang bleven de acteurs doodstil staan om het treurige tafereel uit te beelden.

In het vijfde en laatste bedrijf staat de wanhoop van Badeloch centraal. Gijsbrecht wil zijn zinloze en verloren strijd om Amsterdam voortzetten, en prest haar tot een vlucht met hun twee kinderen. Badeloch wil blijven en samen met Gijsbrecht ten onder gaan. Op het hoogtepunt van hun woordenstrijd daalt de engel Rafaël neer vanuit de toneelhemel en gebiedt beiden, de wijk te nemen naar Pruissen en daar een kolonie te stichten. Amsterdam zal dan over 300 jaar afrekenen met haar vijanden en haar kroon verheffen naar de hemel.

 Hans Jurriaensz. van Baden, Interieur van de Amsterdamse Schouwburg, 1653.


Schouwburg

Vondel schreef de Gijsbrecht in 1637 ter gelegenheid van de opening van de Amsterdamse Stadsschouwburg, het eerste stenen theater van Nederland (en de eerste ‘schouwburg´; dat woord is in 1637 bedacht door Vondel). Het gebouw aan de Keizersgracht was de opvolger van de Eerste Nederduytsche Academie op dezelfde plek, in 1617 gesticht door Samuel Coster (zie de pagina op mijn site). De nieuwe schouwburg was ontworpen door de bekende architect Jacob van Campen.

Diens creatie had op 26 december 1637 moeten worden ingewijd met de Gijsbrecht, maar er kwam verzet van calvinistische dominees die zich kantten tegen de vele katholieke elementen in Vondels toneelstuk. Daarbij verloor men blijkbaar uit het oog dat het speelde rond 1300, toen Calvijn en het calvinisme nog geboren moesten worden.

Na het schrappen van enkele al te paapse scènes kon de opening op 3 januari 1638 toch nog doorgang vinden. Het Amsterdamse gemeentebestuur woonde de première van de Gijsbrecht niet bij, om de dominees niet voor het hoofd te stoten, en bezocht de voorstelling pas op 5 februari. Al heel lang voor de sixties was de Gijsbrecht een omstreden stuk!

Evenals Hooft bij Geeraerdt van Velsen baseerde Vondel de Gijsbrecht heel losjes op de historische feiten. In werkelijkheid is de stad Amsterdam wél belegerd geweest, maar nooit op grote schaal verwoest – en was Gijsbrecht in die tijd een stokoud man, of zelfs al overleden. En evenmin als Hooft had Vondel de intentie, een getrouw beeld te schetsen van een stuk middeleeuwse geschiedenis. Nee, het was hem erom begonnen, een heldhaftige ontstaanslegende te creëren van Amsterdam, en die te baseren op goddelijke voorzienigheid. Daarbij speelde hij, zoals zoveel dichters in zijn tijd, leentjebuur bij de klassieken, en wel bij Aeneis van de Latijnse toneelschrijver Vergilius.

De Aeneis verhaalt hoe de held Aeneas weliswaar de Trojaanse oorlog verliest en moet vluchten uit zijn vaderland, maar wel de stichter wordt van de stad Rome. Ook Vondels Gijsbrecht moet zijn vaderstad verlaten om deze drie eeuwen later tot volle bloei te laten komen (het verband tussen beide gebeurtenissen maakt de engel Rafaël niet geheel duidelijk).

De voorstelling



Arend sterft deze keer zonder rumoer uit het publiek


Vondel, die Abraham zag in het jaar dat hij de Gijsbrecht dichtte, heeft nog meegemaakt dat het stuk een nieuwjaarsklassieker werd. Gedurende de eerste 100 jaar na de première is het stuk 300 keer opgevoerd, alleen al in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Tegenwoordig moet de Gijsbrecht ingeleid worden bij het publiek, omdat vrijwel niemand het meer kent van school. Een veel uitgebreidere inleiding dan de mijne ging in Rotterdam vooraf aan het stuk (door mij overgeslagen wegens een krappe agenda). Men kon hiervoor al om 19:00 uur bijeenkomen in een bijzaaltje.

Als ik een uur later de schouwburg betreed, zie ik vooral jongere ouderen als ikzelf (waarvan er vast een aantal bij die beruchte opvoering van 1967 waren, en vandaag boete doen). Maar ook zie ik een jongen van een jaar of 13, die volgens oude traditie door middel van de Gijsbrecht wordt ingewijd in de toneelcultuur; ‘Het moest er nu maar eens van komen’, zegt zijn vader. De jongen, in zijn netste overhemd, lacht flauwtjes.

Op het doek van de bijna uitverkochte schouwburg zijn de contouren van Amsterdam geprojecteerd, zoals die waren rond 1300: een onbeduidend havenstadje aan weerszijden van Damrak en Rokin; niet de machtige wereldstad uit de tijd van Vondel. Het stuk wordt ingeleid door geluiden van donderend krijgsgeweld. 

Een moment waarnaar ik met spanning heb uitgekeken: hoe gaan ze het doen? In originele taal op rijm, zodat veel moderne toehoorders moeten afhaken? In moderne bewerking in proza, zodat voor de ingewijden in het vroegmoderne Nederlandse toneel de fleur eraf is? Ik laat me verrassen; heb van te voren bewust geen recensies of achtergrondartikelen gelezen.

De regisseur, Jaap Spijkers, blijkt een zeer bevredigende middenweg gevonden te hebben. De toneelspelers  spreken in Vondels versregels, maar op sommige plaatsen zijn in onbruik geraakt woorden vervangen door moderne, wat natuurlijk de begrijpelijkheid zeer ten goede komt.

De acteurs gaan met deze rijmende alexandrijnen ook om op de enige acceptabele manier voor moderne oren: ze werken ze heel handig weg. Waar je in de hierboven gelinkte geluidsfragmenten toch na enige tijd steeds meer in de greep komt van de ‘dreun’, komen de teksten hier heel natuurlijk over de lippen van de acteurs. Ik moet de tekst echt op de voet volgen om het metrum en het rijm te onderkennen – maar waarom zou ik eigenlijk? Juist door het wegwerken van rijm en metrum komt de kracht en de emotionele lading van Vondels tekst goed over het voetlicht. Waar Hoofts Geeraerdt van Velsen toch op veel plaatsen vooral een rationeel discussie-stuk is, toont de Gijsbrecht veel duidelijker de zielenworsteling van de hoofdpersonen.

Dan de reien, ook altijd een teer punt in bewerkingen van toneel uit de 17e eeuw. Je hebt er verstokte liefhebbers van… In de huidige toneelpraktijk worden ze echter meestal vervangen door moderne muziek (waarbij ik de Beatles bij Faeton passender vond dan Stevie Wonder bij de nogal tegenvallende opvoering van Lucifer door Annette Speelt in 2005), of geheel weggelaten.

Knap is de oplossing die Het Toneel Speelt bedacht heeft. Marise van Eyle draagt na elk bedrijf een kort gedicht in hedendaags Nederlands voor met dezelfde strekking als de reizang in de Gijsbrecht (bijvoorbeeld de kwetsbaarheid van het kindeke Jezus, omringd door vijanden, vergelijkbaar met de situatie van het belegerde Amsterdam). Onmisbare gevleugelde woorden als ‘Waer werd oprechter trouw / Dan tusschen man en vrouw / Ter weereld oit gevonden?´en: ´O Kersnacht, schooner dan de daegen´ worden er dan wel ingevlochten.

Toch even afgeleid, vraag ik me opeens af, wanneer eindelijk Gijsbrecht, the movie eens gemaakt zal worden. Dan kunnen we al die indirect verhaalde gevechtsscènes eens echt meebeleven, en in rustigere fragmenten genieten van de originele reizangen als achtergrondmuziek. Plannen voor een verfilming zijn er ooit geweest.

Terug naar de voorstelling van Het Toneel Speelt. Heel bijzonder is het decor. Het bestaat uit een plateau dat met behulp van een hydraulisch hefwerktuig kan stijgen, dalen en kantelen, en in de loop van het stuk afwisselend een kloostermuur voorstelt, een torentrans of de geblokte vloer van Gijsbrechts en Badelochs stadskasteel. Een vondst die toch ook teruggrijpt op de theaterarchitectuur en -techniek van de 17e eeuw, die voorzag in vaste torentransen en verwisselbare of draaibare panelen met verschillende voorstellingen.

De bewerker heeft de schaar gehanteerd, en vooral het lange laatste bedrijf, dat ca. een derde van de totale tekst beslaat, drastisch ingekort, zonder dat de niet-ingewijde echt iets zal missen. Daardoor klinkt reeds om 22:00 uur het slotwoord:

Vaer wel, mijn Aemsterland: verwacht een' andren heer.

Het einde van een alleszins bevredigende voorstelling. Ik wandel naar het station met het gevoel dat alles met alles verzoend is: een klassiek stuk met de moderne toeschouwer, en een Amsterdamse held met het Rotterdamse publiek, dat met zijn slotapplaus de acteurs drie maal terugriep naar het podium. Die wanvertoning van 1967 goedgemaakt; het is een avond om niet snel te vergeten!

Frans Mensonides
19 januari 2012
Gezien: woensdag 11 januari 2012 in Rotterdam


Verantwoording afbeeldingen:

* Affiche: Het Toneel Speelt
* Scènes uit het stuk: Theater aan de Parade (foto 1, foto 2)
* Portret Vondel: uit J.F.M. Sterck et al., De werken van Vondel. Dl. 5. 1645-1656. Amsterdam 1931. p. 54.
* Gijsbrecht met schild: Albert van Dalsum in 1932. Foto: Nederlands Theater Instituut; overgenomen uit Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Groningen 1993. p. 232.
* Gozewijn: Collectie Devonshire, Chatworth. Overgenomen uit: Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam 1996. p. 205.
* Interieur Schouwburg: Nederlands Theater Instituut. Overgenomen uit: Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam 1996. p. 195.

Literatuur:

* Joost van den Vondel, Gysbreght van Aemstel. Met inleidingen en aantekeningen door Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1994.
* L. van Gemert, ‘De opening van de Amsterdamse Schouwburg. Vondel en de Gijsbrecht-traditie’. In: Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Groningen 1993. p. 230-236.
*M. Smits-Veldt, ‘Opening van de Amsterdamse Schouwburg met Vondels Gijsbrecht van Aemstel. Begin van een traditie en het beheer de Schouwburg’. In: Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam 1996. p. 204-211.
*W.M.H. Hummelen, ‘Jacob van Campen bouwt de Amsterdamse Schouwburg. Inrichting en gebruik van het toneel bij de rederijkers en in de Schouwburg’. In:
Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam 1996. p. 192-103. 
*M. Gnyp, De ontragische dood van Gysbreght van Aemstel: Het einde van een eeuwenlange opvoeringstraditie in de culturele context van Nederland van de jaren zestig van de twintigste eeuw.
* B.Albach, Drie eeuwen ‘Gijsbreght van Aemstel’. Kroniek van de jaarlijkse opvoeringen. Amsterdam 1937. 


© Frans Mensonides, Leiden, 2012.