‘tCostelijck mal : Zondige pronkzucht

Zedeprinten Startpagina <<< Een boer (inleiding) <<< Een boer (vertaling) <<<

Jan en Trijn maken zich vrolijk over de buitenissige kleding van de rijkelui in de stad. Huygens dreef er al eerder de spot mee. In 1622 schreef hij ‘tCostelijck mal (Duurbetaalde dwaasheid), een felle, scherpe satire waarin hij de pronkzucht van de rijken op de hak nam.

 

Na-apen

‘tCostelijck mal begint met een lange opsomming van bespottelijke kledingstukken die dan misschien wel mooi en kostbaar zijn, maar niet erg praktisch in het gebruik. De dragers ervan worden met dieren vergeleken; zo doen modieuze hoge hakken Huygens denken aan bokkenpoten.

Huygens bespot de snelle veranderingen in de mode: wat vandaag in is, is morgen alweer uit. De oorzaak: na-aperij. Hofdames willen dezelfde kleding dragen als de prinses. Die moet daarom telkens iets nieuws verzinnen om zich van hen te onderscheiden. De hofdames worden op hun beurt geïmiteerd door dames uit de hoogste kringen; die weer door hun dienstbodes en door minder aanzienlijke vrouwen. Zo maakt iedereen iedereen gek en verandert de mode van jaar tot jaar. De vrouwen hebben het zwaar te verduren in ‘tCostelijck mal; Huygens wijt de excessen in de mode vooral aan hen.

 

Zondig

Ondanks alle spot is ‘tCostelijck mal een ernstig gedicht. Huygens vindt al die pronkzucht zondig. Adam en Eva waren naakt in het paradijs. Dat wij kleding moeten dragen is een gevolg van de erfzonde, de straf die God de mensheid heeft opgelegd omdat Adam en Eva gegeten hadden van de boom der kennis. Uit schaamte over hun naaktheid bedekten ze zich met kleren.

Ook uit schaamte, maar dan voor hun rijkdom, droegen veel aanzienlijke burgers in de Republiek een sober, zwart tenue. Maar tot Huygens’ ergernis kwamen in zijn tijd steeds frivolere kledingstukken in de mode. Hij beschrijft een vrouw die zich, met behulp van haar kamenier, urenlang staat op te dirken voor haar kerkbezoek. Maar God ziet zijn kudde liever in meer ingetogen kleding in de kerk verschijnen. De rijke vrouw had het geld voor die dure kleren beter aan de armen kunnen geven.

Huygens schreef tCostelijck mal toen hij in Londen verbleef voor een diplomatieke missie. In dezelfde tijd beklaagde hij zich in brieven naar huis over zijn sobere kledij. Als diplomaat vertegenwoordigde hij zijn vaderland; dan moest je wel fatsoenlijk gekleed gaan. Door geldgebrek kon hij zich niet zo kleden als de fraai uitgedoste hofjonkers aan het hof van koning James I.

Huygens beseft terdege, dat een prins nu eenmaal duurdere kleren aan zijn lijf heeft dan een arbeider. Toch spreekt hij in ‘tCostelijck mal de hoop uit dat hij een sober mens zal blijven bij het beklimmen van de maatschappelijke ladder.

 

Naakt

Naakt zijn alle mensen hetzelfde en zijn alle rangen en standen weggevallen. Die gedachte uit ‘tCostelijck mal spreekt Huygens ook een aantal malen uit in Een boer:

Mensen die hun kleed hebben afgelegd, zijn allen gelijk, ongeacht of ze in hun bruidsbed liggen of in hun doodskist.

Slaven, jullie zullen sterven, en jullie zullen dan afstand moeten doen van je duurbetaalde dwaasheden. Begin daar toch op tijd mee! Wat heb je aan overvloed, terwijl je naakt ter wereld gekomen bent en de wereld ook weer naakt zult verlaten?

Trijntje zegt het nog plastischer:

Een vrouw die echt mooi is, is het ook as ze in d’r hempie staat; mijn blote kont is niks minder dan de hunne!

Door zulke woorden in de mond te leggen van twee eenvoudige en spontane boeren, maakt Huygens de extravagante Hagenaars des te belachelijker. Zo benadrukt hij in Een boer nog eens de boodschap die hij in ‘tCostelijck mal al gebracht had.


Meer weten?

L. Brunin, Geschiedenis van het kostuum. Antwerpen / Utrecht 1968.

M. Conrads en G. Zwartjes, Tirions kostuumgids, westerse kledingstukken van de vroege Middeleeuwen tot heden (geïll. door D. van Uitert-Kaltofen). 5e dr. Amsterdam 1981.

M. Jedding-Gesterling en G. Brutscher (et al.), Die Frisur. Eine Kulturgeschichte der Haarmode von der Antike bis zur Gegenwart, veranschaulicht an Kunstobjecten der Sammlung Schwarzkopf und internationaler Museen. Munchen 1988.

C. Huygens, Voorhout, Kostelick mal en Oogentroost. (…). Herzien door Dr. J. Karsemeijer. 2e dr. Zutphen 1966. Klassiek Letterkundig Pantheon 9.

J. Peacock, Kleding door de eeuwen heen; een visuele geschiedenis (vert. uit het Eng. door Saale Uitgeefservice). Haarlem 1991.

L. Rowland-Warne, Kostuums (vert. uit het Engels door L. Machielsen; red. Nederlandse uitg. J. Liefrink). Houten 1992.


© Frans Mensonides, Leiden, 2007.