Nrs. 20 t/m 25; FEBRUARI 2010

25. DOODVERVEN; OVER EEN VERKEERDE WISSEL (28/02/2010)
24. RAADSVERKIEZINGEN LEIDEN (2): NASPUTTEREN OVER DE RIJN-GOUWELIJN (22/02/2010)
23. RAADSVERKIEZINGEN LEIDEN (1): IN HET GAT VAN WILDERS EN VERDONK (19/02/2010)
22. DE CANON VAN HET RIJKSMUSEUM (2) - MIJN PERSOONLIJKE TOP-5 (14/02/2010)
21. HOOGVLIET-LIED (08/02/2010)
20. DE CANON VAN HET RIJKSMUSEUM *1* (02/02/2010)

<<< JANUARI 2010 . . . . . . . MAART 2010>>>


 

25. DOODVERVEN; OVER EEN VERKEERDE WISSEL

Ik weet wel hoe het komt, hoor, die afgrijselijke blunder van schaatscoach Gerard Kemkers, die afgelopen dinsdag tijdens de Olympische 10.000 meter zijn pupil Sven Kramer de verkeerde baan in stuurde. Je kunt er kort of lang over praten, maar het is gewoon het verkeerde eindpunt van een op zich goede ontwikkeling, zoals zo vaak; een verkeerde richting die ooit is ingeslagen, figuurlijk, en daardoor in dit geval ook letterlijk.

Ik begon naar schaatsen te kijken in de tijd van Ard Schenk en Kees Verkerk. In die tijd was de coaching langs de baan nog simpel. Je had toen trainers als Anton Huiskes en Leen Pfrommer. Die spraken met de rijders een schema af, bijvoorbeeld: 16 minuten blank, voor die tijd een toptijd. Bij elke ronde gaven ze dan de stand aan met hun vingers; een vinger per seconde. Vingers naar beneden: je rijdt onder het schema; vingers naar boven: je rijdt erboven. Het was zo simpel als ik weet niet hoe.

Toen kwamen die digitale borden waarop je de rondetijden kon laten zien aan de rijder. Dan wordt het rekenen. Dan moeten ze getallen interpreteren in plaats van zo hard mogelijk schaatsen. Allemaal afleiding.

Toen wilde Kemkers ook nog tekstuele boodschappen gaan overbrengen. Ik herinner me nog een hilarisch moment, een paar jaar geleden. Sven Kramer zat op het schema van het wereldrecord. Kemkers wilde hem dat duidelijk maken en krabbelde WERELDRECORD op een briefje. Kramer maakte bij het passeren een woedend handgebaar; hij kon het briefje niet lezen bij die enorme snelheid waarmee hij passeerde.

Daarom schafte Kemkers een white-board aan. Daar was hij dinsdagavond een halve roman op aan het kalken, en daardoor zag hij niet dat Sven meteen bij het uitkomen van de bocht al gewisseld had. De rest is geschiedenis.

Dat is het: over-perfectie, over-communicatie, over-ingewikkeldheid. Medailles die uitgedacht worden achter de computer, en vervolgens op de ijsbaan niet gewonnen worden, want schaatsen is geen schaken.

Die 10 kilometer, die ‘we’ dan weliswaar niet gewonnen hebben, leverde wel fascinerende televisie op. Ik had een drukke dag gehad; ik zat half te slapen tijdens die race, die Sven toch wel zou winnen. Maar toen ik hoorde: ‘Ze zitten in dezelfde baan!’, was ik in één klap klaarwakker.

De beelden van Kemkers, die vertwijfelde Mijn-God-wat-heb-ik-gedaan-blik in zijn ogen, het slechtnieuwsgesprek na afloop met de zich kampioen wanende Kramer, het brilletje dat werd weggesmeten, het blokje dat werd weggeschopt, de woedende uitroep: ‘Lekkere coach; hij stuurt me naar binnen!’ We zullen het ons nog lang herinneren.

Waarom is dit zo verschrikkelijk? Een massapsycholoog liet woensdag in de krant schrijven: omdat Sven Kramer onze held is, en hij al die medailles haalt namens óns, wij die hangen bij de buis; leden van de stam der Nederlanders, die zich door zijn prestaties ook een beetje een held kunnen wanen. Maar zo ligt het niet. In de eerste plaats omdat psychologen er altijd, per definitie naast zitten; in de tweede plaats omdat het anders ligt.

Het is namelijk helemaal niet verschrikkelijk. Het was een verrassing, net zo welkom als de verrassende gouden medailles van Ireen Wüst en Mark Tuitert op de 1500 meter, schaatsers die normaliter altijd vierde of vijfde worden en die een hoop tegenslagen en sores gehad hebben. Dát willen we zien: dat mensen die door een diep dal zijn gegaan, uiteindelijk toch nog die gouden plak om de hals gehangen krijgen. En dat die gedoodverfde Herculeshelden ook een keertje door het ijs zakken op een cruciaal moment, en feitelijk net van die schlemielen zijn als wij.

Vandaar ook al die grapjes over het incident, die woensdagmorgen. Niet, zoals die massapsycholoog zei, om onze rouw te verwerken. Rouw? Kom op, jongens, het is spórt. En de charme van sport is, dat je van te voren niet weet, wie er winnen gaat. Gedoodverfde winnaars zijn de dood in de pot.

FHM 28/02/2010
Gisterenavond geschreven bij de tv, tijdens een potje curling, waarvan ik nooit helemaal op het puntje van mijn stoel raak.

Foto Kemkers overgenomen van Sportweek.
Schoolbord met tekst over Kramer gezien bij kunstijsbaantje in Leidschendam.



24. RAADSVERKIEZINGEN LEIDEN (2): NASPUTTEREN OVER DE RIJN-GOUWELIJN

 


Eer-eergisteren surfde ik op twee websites van lokale partijen die meedoen aan de gemeenteraadsverkiezing in Leiden. Hieronder de andere twee.

 

Stadspartij Leiden Ontzet

Stadspartij Leiden Ontzet bezette de afgelopen vier jaar een gemeenteraadszetel, en zal vast zeer ontzet zijn als ze hem op 3 maart as. verliezen. Onbetwist kopstuk van de partij is de sympathiek bebaarde Jan Boer, die als beroep ‘filmvertoner’ opgeeft.

Ook alweer iemand die op twee handdrukken zit van schrijver dezes. Mijn broer kent hem van vroeger. Hij ging regelmatig een film bekijken die door Boer vertoond werd. Zo’n film placht Boer dan met enige welgekozen woorden in te leiden. Dat ging dan bijvoorbeeld zo: “Nou, ik snap niet dat er vanavond nog zoveel mensen gekomen zijn. Want eigenlijk is het een waardeloze kutfilm!’ En dan ging hij omstandig staan uitleggen, wat er zo kuttig aan was.

Zulke ontwapenende eerlijkheid misstaat een politicus niet. Maar waar staat Leiden Ontzet nu precies voor? Ze willen Leiden ontzetten, 436 jaar na dato, en niet van Spanjolen doch van de regentenkliek die het nu voor het zeggen heeft. Dat willen meer mensen in de vijfde stad van Zuid-Holland, dus daar scoor je wel mee.

‘De stad Leiden is van haar bewoners’ klinkt een stuk vriendelijker dan ‘Leiden is voor de Leidenaren’. Hun programma geeft verder, op het eerste gezicht, ook niet veel reden tot het fronsen der wenkbrauwen. Ja, ze willen het aantal gemeenteambtenaren terugbrengen, maar dat willen alle partijen en het lukt toch niet. Je hebt alleen al een hele ploeg nodig om de raadsvragen te beantwoorden van al die protestpartijen; dat vergeten ze maar even!

Met hun lightrailbeleid ben ik het van harte eens: afzien van de Rijn-Gouwelijn (RGL), maar Leiden verbinden met o.a. Zoetermeer en Den Haag. Ik heb me zelf ook wel eens in die zin uitgelaten, al kan ik het even niet meer vinden.

Overigens hoogst merkwaardig dat de RGL hét hot item is van deze verkiezingsstrijd. Dat onzalige plan is er al lang doorgedrukt door hogere instanties, en dat ding gaat er toch wel komen. Ik heb me voorgenomen, er niet meer over te schrijven voordat hij daadwerkelijk rijdt.

 

Stem Terug

Als dat eens zou kunnen! Roepen: ‘Geef me mijn stem terug’, als de door jou gekozen partij het vier jaar lang heel erg slecht blijkt te doen in de gemeenteraad. Maar het motto luidt hier: ‘Eens gegeven blijft gegeven’.

Even intrigerend als de naam van deze partij is de titel van hun manifest: ‘Wees realistisch, eis het onmogelijke’. Dat onmogelijke zul je volgens Stem Terug dan wel zelf moeten vormgeven en waarmaken. Het is geen partij voor klagers, maar wel voor mensen die er zelf de schouders onder willen zetten. Participatie, dus.

Onder de maar liefst twaalf lijsttrekkers die deze partij telt, bevindt zich Jacques de Coo, ex-raadslid van Leiden Weer Gezellig / De Groenen. Aan die partij heb ik ooit eens een onverkort overgenomen advies gegeven voor hun verkeersparagraaf. Een andere lijsttrekker is de in Leiden wereldberoemde straatzanger Lampie (Lambert Wouda).

Het opmerkelijke van hun manifest is het feit dat het verschijnt in zes talen en drie schrifttypen: Nederlands, Engels, Duits, Frans, Arabisch en Grieks. Ware polyglotten! Hun streven is: Meer democratie, minder overheid, mehr frische Luft, less Commercialism, more Cultural Diversity, Une voix pour la démocratie directe.

De uitwerking van al die punten is aan de beknopte kant, precies wat je verwacht van een participatiepartij. Ook in dit programma zie ik weinig volslagen absurds. Behalve dan hun idee voor een fijnmazig net van busboten. Ze hebben een andere OV-specialist in de arm genomen; dat idee is zeker niet afkomstig van mij.

Dit waren ze dan. Ik heb mijn definitieve keuze nog niet bepaald. Maar een eerste schifting is zeker tot stand gekomen.

FHM
22/02/2010



23. RAADSVERKIEZINGEN LEIDEN (1): IN HET GAT VAN WILDERS EN VERDONK

 


De gemeenteraadsverkiezingen zitten er aan te komen. Natuurlijk ga ik op woensdag 3 maart stemmen. Maar al even natuurlijk geef ik mijn stem niet aan een van de landelijke partijen. Die richten hun campagne toch alleen maar op landelijke issues, en zetten hun nationale kopstukken als joker in; altijd weer diezelfde smoelwerken…

Een gemeenteraadsverkiezing hoort niet over Uruzgan te gaan. Eens per vier jaar heb je de kans, te stemmen op de dorpsmalloot, die misschien een kennis van een kennis is, of die je wellicht zelf persoonlijk kent. Die kans mag je niet voorbij laten gaan.

In de gemeente Leiden hebben vier lokale partijen zich laten inschrijven in het kiesregister. Om mijn keuze te bepalen, ben ik maar eens een paar avondjes gaan surfen op hun websites. Ik werk ze alfabetisch af en begin met de L van Leiden.

 

Leefbaar Leiden

Daan Sloos is de lijsttrekker van Leefbaar Leiden, een partij die daarmee ‘Duidelijk! Daan’ is.

Bij het woord: ‘leefbaar’ gaan meteen al mijn alarmbellen rinkelen. In dit geval is dat zonder meer terecht. Leefbaar Leiden duikt in het gat dat ook in onze gemeente wordt opengelaten door Wilders. Maar deze plaatselijke partij overtreft de PVV verre in xenofobie.

Vanzelfsprekend heeft men het niet op Islamieten, Turken, Marokkanen, Polen, Bulgaren en dat soort spul. Maar met hun slogan ‘Leiden is voor de Leidenaren’ gaan ze nog een brug verder. Ook iemand als ik, die zijn eerste levensjaren in een buurgemeente doorbracht, wordt gerekend tot de ‘gelukszoekers die hun geluk in de stad komen zoeken van buitenaf’. Ze zeggen het niet expliciet, maar het klinkt door in alles wat ze schrijven: ik zal in hun ogen nooit een echte Leienaar worden (waarvoor ik ze tussen haakjes zeer dankbaar ben).

Leefbaar Leiden, dat thans drie zetels bezet in de raad, doet mij wat denken aan de onsterfelijke Volkspartij Tegen De Enge Buren van Koot en Bie. Maar deze enge politici ZIJN bijna mijn buren! Het is voor mij de dichtstbijzijnde partij, hun partijbureau staat in mijn eigen Fortuinwijk. Op de lijst staat ook een ex-klasgenoot van mij, van de lagere school. Tijdens het speelkwartier zocht ik meestal zijn bescherming, omdat hij heel erg goed kon knokken.

Maar dat is nog geen reden, 45 jaar later op hem te stemmen. Snel naar de volgende, dus.

 

Partij Sleutelstad

Het alfabet verder aflopend stuiten we meteen op de tegenpool van Leefbaar Leiden, de Partij Sleutelstad. Die heeft alleen allochtonen op de lijst. Misschien is dat wel een geschikte partij voor iemand die geboren is in het dorp van Spinoza en Prinses Marianne, en bovendien een uitheems klinkende achternaam draagt. Misschien is het ook wel een geschikte partij voor een stad die eigenlijk helemaal geen autochtonen kent, omdat vrijwel ieders voorzaten er als vluchteling zijn binnengekomen.

Lijsttrekker Anand Jitan laat op de website van PS aantekenen dat hij het politieke gekissebis beu is. Als hij het voor het zeggen krijgt in Leiden, wordt er dan ook niet meer gekissebist, maar gereferendumd. Hoe allochtoons de partij ook is, ze hebben Rita Verdonks Internetdemocratie omarmd: bindende referenda online.

Zonder er een referendum over gehouden te hebben, laat men alvast weten dat ‘het ambtenarenapparaat binnen een Leidsche (sic) gemeente veel efficiënter kan’. Veel mensen die niet zelf bij een gemeente werken, denken dat. Verder heeft de partij van rijschoolhouder Jitan vooral standpunten over het verkeer of over bepaalde plekken in Leiden waar hij met zijn lesauto toevallig langsgekomen is.

Het program maakt een zeer amateuristische indruk. Maar voor gemeentebestuurders hoeft dilettantisme beslist geen bezwaar te zijn. Zonder vakdiploma’s kun je bij een gemeente geen bode of medewerker Groen worden, maar wel raadslid of wethouder.

Hiermee is mijn A-viertje alweer vol.

FHM
19/02/2010

PS: Misschien wordt PS het wel. Maar ik zoek op een andere avond toch nog even verder.




22. DE CANON VAN HET RIJKSMUSEUM (2) - MIJN PERSOONLIJKE TOP-5

In de eerverleden aflevering beloofde ik de vijf absolute highlights aan te wijzen van het Rijksmuseum, dat in afwachting van zijn heropening alleen zijn topstukken uit de Gouden Eeuw exposeert. Rembrandt komt er niet voor in aanmerking; daar heb ik even helemaal genoeg van. Maar wie worden het dan wel? Voor de top van het klassement zoek ik natuurlijk naar een werk dat tekenend is voor de hele Gouden Eeuw. NB: klik op de duimnageltjes om de schilderijen groots op je scherm te krijgen.

Op nummer 5 kies ik het Straatje van Johannes Vermeer uit ca. 1658, dat mooie, verstilde straatje in Delft, waar enkele figuurtjes rustig doen wat ze doen moeten, zonder acht te slaan op de camera, bij wijze van spreken.

In een boekje over Vermeer, dat ik kocht in de museumshop, las ik dat er al tientallen jaren een polemiek gaande is: waar op de plattegrond van Delft ligt of lag nu dit straatje? Het huis rechts dateert uit de middeleeuwen en moet dus de brand van 1536 overleefd hebben, die vrijwel de gehele stad in de as legde. Dat beperkt de zoekmogelijkheden drastisch. Toch hebben ze nog een stuk of vier, vijf kandidaten voor het enig echte straatje van Vermeer. Komen ze er ooit nog achter?

- - -

Op 4 Jan Steens Dansles: ondeugende kinderen, die een kat kwellen en door een oude man vermaand worden. Ook al weer zo’n tafereeltje dat er uitziet of het gefotografeerd is. Jan Havicksz. Steen (1626-1679) schilderde graag kinderen, en had modellen bij de vleet onder zijn dak; meestal verschenen zijn eigen koters op het doek.

- - -

Kinderen doen het altijd goed op schilderijen. Probeer je ogen maar eens droog te houden bij nr. 3, dit miniatuurtje Het zieke kind van Gabriël Metsu. Metsu (1629-1667) is evenzeer een Leidse schilder als Rembrandt van Rijn en Jan Steen, maar iets minder bekend bij Amerikanen die de oversteek wagen. De Gouden Eeuw was een eeuw vol zieke kinderen; nog niet de helft van de borelingen haalde de meerderjarigheid.

- - -

Verder op zoek naar hét verhaal van de Gouden Eeuw, verteld binnen de lijst van een schilderij. Nummer 2, deze zgn. Burgemeester van Delft, wederom van Jan Steen, komt in de buurt. Een rijke patjepeeër met zijn nuffige, hoogmoedige dochter, laat een arme brievenbestelster vergeefs wachten op een paar duiten fooi. Dat is dan wel interpretatie; ik heb er indertijd niet bijgestaan, bij dit tafereel.

- - -

Dat schilderij is dan de opmaat naar de absolute winnaar: het dubbelportret uit 1642 hieronder, van Andries Bicker en zijn misselijke zoontje Gerard. De vader was een hyper-rijke koopman, tevens burgemeester van Amsterdam en daarmee één van de aristocratische regenten die het voor het zeggen hadden in dit land. Die kwasterige zoon heb ik al eens beroddeld in het stukje over het Muiderslot.

Het dubbelportret is geschilderd door Bartholomeus van der Helst (1613-1670). Die werd gezien als de beste portretschilder van Nederland. Als je echt geld teveel had, ontbood je hem, en niet Rembrandt.

Wat leer je hier nu van over de Gouden Eeuw (behalve dat obesitas ook toen al tot de welvaartskwalen behoorde)? Mijn A-viertje is alweer bijna vol, dus ik laat graag die bondige Amerikaanse leraar kunsthistorie aan het woord, die met driftige passen de zaal in beent, zijn leerlingen in sukkeldraf achter zich aan.

‘Andries Bicker was de machtigste man van de machtigste stad op aarde, dus was hij de machtigste man op aarde, right? Maar sober gekleed. Want hij was ook calvinist. En calvinisten vonden het zondig om te pronken met hun rijkdom, OK? Want God (Gààààd) beschikte alles, en als Hij het wilde, dan werd je straatarm, right?

Maar dan Gerard. Echt tweede generatie. De duurste, meest verfijnde kleren die te koop waren in Amsterdam. En die verwaande blik. Vènderhelst heeft hem knap geschilderd. He was the greatest painter of the Golden Age, right? Kijk eens naar die ogen, hoe knap! Die ogen van Gerard volgen je overal. Ze kijken je overal aan, waar je ook staat, OK?’

Nee, niet OK. Dat laatste klopt echt niet. Als ik de zaal verlaat, kijk ik nog even om. Maar Gerard kijkt me niet na, heus niet.

FHM, 14/02/2010

 

 

Alle schilderijen afkomstig van de site van het Rijksmuseum



21. HOOGVLIET-LIED

 

Ik behoor gelukkig niet tot de mannen van wie ze zeggen dat ze een vrouwenhand nodig hebben. Je kent ze wel: de mannen die het stoer vinden om niets te kunnen in het huishouden, en dan heel zielig onthand zitten als ze er alleen voorstaan.

Ik kan gelukkig (vrijwel) alles: de wasmachine bedienen, koken… en nou bedoel ik: kóken; echt koken; niet alleen zo’n naar piepschuim smakende maaltijd opwarmen in de magnetron. Het kwam me goed van pas toen mijn moeder een poosje in het ziekenhuis verbleef; ik schreef er laatst over.

Als je wilt koken, moet je natuurlijk eerst naar de supermarkt. Boodschappen doen kan ik ook al jaren; van jongs af aan. Ik doe dat tegenwoordig bij Hoogvliet. Die ken je misschien niet; het is een supermarktketen uit deze streek, al breidt hun imperium zich de laatste tijd als een olievlek uit over de kaart van ons land.

Hoogvliet is bewezen goedkoper, ongeveer anderhalve euro per mud boodschappen; het scheelt toch. Het personeel is er opvallend vriendelijk en beleefd. En hun winkel, hier bij ons op de Kennedylaan, is lekker overzichtelijk; veel plezieriger winkelen dan bij Super de Boer (zie dit stuk uit 2008).

Heel bijzonder is de muziek. Geen flauwe winkelmuzak, nee, ze hebben bijna live muziek, ten gehore gebracht door groepen poppen. Met een druk op een knop op kindhoogte kun je ze in werking zetten. Kinderen doen dat graag; ze horen een leuk deuntje en zien de poppen bewegen en zelfs instrumenten bespelen. Maar de teksten zijn gericht op de oren van hun ouders. Het zijn geen kinderteksten, het is pure reclame. Dat doen ze handig!

Het groepje van drie varkens bijvoorbeeld, staat tegenover de vleeswaren en zingt de lof van hetgeen door vegetariërs versmaad wordt. Op de opwekkende maat van de Radetzky-mars gaat het van:

Verse worst, verse worst, verse worst-worst-worst (bis)

In die trant gaat het nog een paar coupletten door:

Lekker vlees, lekker vlees, lekker vlees-vlees-vlees (ook bis)
Lekker stuk, lekker stuk, lekker stuk biefstuk (alweer bis)
Malse kip, malse kip, malse kip-kip-kip. (nog steeds bis)

Ook het refrein, op een bekende yell, is erg pakkend:

En van je hela-hela-hela kwaliteit,
Hela-hela-hé gezelligheid,
Hela-hela-hé betaalbaarheid,
Hela, hela, hela, vers altijd!

Ik mijd de afdeling vleeswaren als het enigszins kan; die deun blijft soms de hele middag in m’n kop hangen als ik hem eenmaal gehoord heb.

Een paar schappen verder, bij de zuivel, staan de koeien; de koeien met hun gitaren. Ik dacht ooit, een meisje van een maand of 30 een plezier te doen door op de knop van de koeien te drukken. Maar het kind schrok zich zo wezenloos van die grote koeienkoppen die geheel uit de maat van de muziek heen en weer begonnen te deinen, dat het krijsend naar haar moeder vloog, die me een vernietigende blik toewierp.

Dat koeienlied is een contrafact op De uil is in de olmen:

De melk komt uit de uier,
Uit de uier komt de melk.
Dan gaat’ie vers naar Hoogvliet,
Want vers is goed voor elk.
Koe-koe (koe-koe), koe-koe (koe-koe),
De melk komt van de koe.

Wel een verhelderend liedje voor moderne kinderen; die denken dat melk uit een pak komt. Ja, als ze erover doordenken, snappen ze ook nog wel dat het pak uit de kartonfabriek komt, maar verder reikt hun kennis niet.

Bij de ingang staat nog een derde band, geinponems van clowns die op een grote boemketel slaan. Maar dat lied hoor ik nooit helemaal, in mijn haast om de verkoper van de daklozenkrant te ontwijken.

Die Hoogvlietliederen, daarvan las ik laatst dat ze door Leidse studenten regelmatig gezongen worden tijdens kroegjolen. Het zijn ideale lal-liederen voor pakweg halfvijf in de morgen. Ik zie ze ooit nog de top-40 binnenstormen. Maar oordeel zelf; HIER kun je ze downloaden.

FHM, 08/02/2010

Foto muzikaal varken afkomstig van site Hoogvliet



20. DE CANON VAN HET RIJKSMUSEUM (1)

 

Amsterdammers kunnen een wedje leggen: wat is eerder klaar, de Noord/Zuidlijn of de verbouwing van het Rijksmuseum? Over het eerste project schreef ik vorig jaar om deze tijd al een stukje. Het laatste, begroot voor dik 200 miljoen euro, werd opgepakt in 2003, is nu al een paar jaar uitgelopen en zal op zijn vroegst in ’13 voltooid zijn.

Dan mogen we nog blij zijn dat de Noord/Zuidlijn niet onder het Rijksmuseum doorloopt. Dan zouden al die duizenden kunstschatten, nu zo zorgvuldig bewaakt met metaaldetectoren bij de ingang, vermoedelijk op een kwaaie dag in een boorgat verdwijnen.

Het Rijksmuseum toont nu in een paar zalen zijn highlights. Daarbij zijn ze er ook nog in geslaagd om een overzichtstentoonstelling van ijsmeester Hendrick Avercamp in twee veel te krappe zaaltjes te proppen. Geen wonder dat het storm loopt bij de ingang, en dat je een minuut of 20 in de kou moet wachten voordat je een kaartje kunt kopen (12,50 euro de man; geen vriendenprijsje voor de duur van de verbouwing).

Interessant is de vraag, wat men dan als de highlights ziet; kortom: wat de canon is van het Rijksmuseum. In ieder geval zijn dat, zonder één uitzondering, werken uit de Gouden Eeuw. Op ons grondgebied is van de hunebedbouwers tot aan de beeldenstorm, en van de 18e eeuw tot in de huidige, blijkbaar niets van blijvende waarde geproduceerd.

Ik weet wel, waarvoor al die Amerikanen in het vliegtuig stappen. Dat is natuurlijk de Nachtwacht. En daar vind ik nou zelf net helemaal niks an. Een duister schilderij met wat aangeklede operettesoldaten die buiten noodzaak met vaandels zwaaien. Niet ten onrechte hebben ze ooit een paar repen van het schilderij afgesneden om het passend te maken. Schutterstukken zijn so wie so al niet erg interessant, maar er hangen hier toch echt een paar aardigere.

Ja, dit klinkt misschien stuitend uit de mond van een Leidenaar. En dan nog wel één die net tegenover een Amerikaans echtpaar nog heeft staan opscheppen dat hij op dezelfde middelbare school heeft gezeten als Rembrandt. ‘En dat vermoedelijk met evenveel weerzin’, wilde ik er nog aan toevoegen. Maar als ik op diezelfde school beter had opgelet, had ik het Engelse woord voor weerzin gekend.

Een Gouden Eeuwer die zijn ogen nog eens zou mogen opslaan, zou hogelijk verbaasd zijn over de huidige adoratie van Rembrandt. In zijn tijd was de in Leiden geboren schilder hooguit een goede subtopper. Maar in de 19e eeuw begon Rembrandt pijlsnel te stijgen op de top-2000-lijstjes, en zonken zijn concurrenten even hard.

Ik ga nu zelf op zoek naar hét werk uit de Gouden Eeuw; dat lijkt me een aardige missie voor deze namiddag. Ik doe dat in het kielzog van een Amerikaanse docent kunstgeschiedenis die een tros jongeren achter zich aansleept.

Bij elk schilderij van ZIJN persoonlijke canon houdt hij een minuut halt en roept hij een paar zinnen naar zijn discipelen. Dit moet allemaal snel, snel; vandaag hebben ze vermoedelijk Van Gogh al achter de rug en moeten ze nog naar de Hermitage. ‘If it’s Saturday, this must be Emsterdem, and if it’s half past three, this must be the Raiks-youseehim’. Gisteren liepen ze achter hem aan in het Pergamonmuseum, morgen doen ze dat in het Louvre. Zoals ik op die school de Romereis had, hebben zij nu hun Europareis.

Achter elke zin zegt hij ‘right?’, of ‘okay?’, op een nogal dwingende toon, meer met een uitroepteken dan een vraagteken. Alle Amerikanen doen dat als ze iets beweren; ze zijn bang dat ze anders niet geloofd worden.

Ik geloof hem wel, hij heeft er echt kijk op, hij vat alles knap samen in zo korte tijd. Hij helpt me bij het bepalen van mijn keuze. Die onthul ik in een volgende aflevering.

FHM
02/02/2010
Er geweest: zaterdag 23 januari 2010.

Nachtwacht overgenomen van de site van het Rijksmuseum

© Frans Mensonides, Leiden, 2010


<< naar thuispagina Frans Mensonides