Nr. 320 - zondag 8 maart 2026 (week 10)
Friese doodlopers; (niet) schaatsen in 1966

LAATSTE ZES AFLEVERINGEN

319. MIJN MUSEUM-6-DAAGSE (5): HET SPOORWEGMUSEUM (18/01/2026)
318. MIJN MUSEUM-6_DAAGSE (4): DESIGN MUSEUM DEN BOSCH (11/01/2026)
317. MIJN MUSEUM-6-DAAGSE (3): DE KUNSTENAARSFAMILIE TER BORCH (28/12/2025)
316. MIJN MUSEUM-6-DAAGSE (2):  KUNSTENAARSDORPEN - HET JAAR 1913 (14/12/2025)
315. MIJN MUSEUM-6-DAAGSE (1): THUIS IN DE 17e EEUW (07/12/2025)
314. 'DE BORSTPARTIJ ROEPT VRAGEN OP'; DE ONBEKENDE MEESTER I.S. (09/11/2025)



FHM’s A-viertjes is een rubriek op de Thuispagina van Frans Mensonides, die Henk als middle name heeft en dus FHM als initialen.
FHM’s verschijnt altjd op zondag, maar niet elke zondag



Ons landje is bekend van boter, eieren en kaas
Maar op de gladde ijzers zijn we ook een hele baas.
Van al die grote namen trekken wij ons echt niets an
We hebben hier twee jongens, nou die kunnen er wat van!

Heya, heya zet hem op! Ard en Keessie aan de top!

Ard en Keessie geef hem van katoen
Een van jullie tweetjes wordt straks wereldkampioen.
Ard en Keessie geef hem van katoen
Als Ard het niet kan fiksen dan zal Keessie het wel doen.

‘Ard en Keessie’ van Johnny Hoes en het Heya Heya Koor, een liedje dat in maart 1966 de 29ste plaats haalde in de Veronica top 40 en dus niet zo’n hoogvlieger was als de 2 bezongen helden.

 

Links: Kees Verkerk (jaar en plaats onbekend). Foto: Anefo; overgenomen van Wikipedia (NL), Kees Verkerk
Rechts: Ard Schenk (Oslo, 1968). Foto: Bert Verhoef, Anefo; overgenomen van Wikipedia (NL), Ard Schenk

‘Ik ben dol op schaatsen; ik kan er wel úren naar kijken’, dat is een grap die ik geloof ik wel eens eerder gemaakt heb in mijn kolommen. Dit lange weekend, vanaf donderdagavond, kom ik weer aardig aan mijn trekken. Nog maar 2 weken na de Olympische Winterspelen in Milaan, vindt in Heerenveen het wereldkampioenschap schaatsen plaats, dat ik op de voet volg op de tv. 4 WK’s eigenlijk voor de prijs van één: sprint en allround, voor mannen en vrouwen.

Elk nummer op zo’n toernooi begint met wat minder interessante ritten tussen de krabbelaars uit Spanje, het VK, Denemarken en dat soort niet-schaatsnaties. Dat zijn rijders die het aloude olympische ideaal waarmaken: deelnemen is belangrijker dan winnen.

Ja, ja, ik praat over ‘krabbelaars’, maar kan zelf niet eens op schaatsen blijven staan, laat staan erop schaatsen. Laatst vroeg ik me tijdens het kijken naar die saaie ritten met outsiders af wanneer ik begonnen ben met kijken naar schaatsen, en met zelf proberen te schaatsen. Ik kwam tot de conclusie dat het allebei speelde in de winter van 1965/1966. Dat was zelfs nog voordat ik @voetbal had ontdekt, want dat gebeurde pas bij de WK in de zomer daarop.

1966, ik was 9 jaar oud. Ik heb toen de Noor Per Ivar Moe nog zien rijden, de ex-wereldkampioen die er na een heel korte carrière de brui aan gaf. ‘Logisch’, grapte ik tegen mijn moeder, ‘die man is natuurlijk altijd Moe!’ Mijn woordspelingen zijn de afgelopen 60 jaar niet spectaculair beter geworden. ’Kaja Ziomek-Nogal, die is nogal snel’; nee, die is onder de maat, die ga ik niet gebruiken.

1966 was ook het jaar dat Johnny Hoes regelmatig op de radio was met het lied over Ard en Keessie, in hoofde van deze FHM’s geciteerd. Ik wacht anno 2026 nog op een liedje ‘Femke en Jutta’, of liever nog ‘Joep en Jenning’, wat beter in de melodie past en bovendien goed allitereert.

Ard en Keessie, Ard Schenk en Kees Verkerk, waren mijn eerste sporthelden. Aan het liedje van Hoes was niets gelogen: Schenk werd in 1966 Europees kampioen vóór Verkerk, bij de WK was het andersom, en de rest van het deelnemersveld streed hooguit voor het brons.

Wat me meteen aantrok in het schaatsen op tv, dat waren de cijfertjes. Ik had iets met getallen, en die flitsten continu over het tv-scherm: tijden, klassementen, daar draaide en draait het om.

Een sporthater heeft eens gezegd: ‘Sport is georganiseerd voordringen’. Maar langebaanschaatsen heeft daar weinig van. Alleen bij de massastart zie je een hoop gedrang, en dat vind ik nou juist het minst interessante onderdeel van de schaatssport. Dit weekend staat het niet op het programma.

Een schaatser rijdt vooral tegen de klok. Ja, ze starten 2 aan 2, maar elk in hun eigen baan. Je tegenstander zie je niet eens, als je een voorsprong hebt. Je komt hem soms wel tegen op de kruising, en dat leidt dan vaak meteen tot rampen; vraag het maar aan Joep Wennemars!

Nee, langebaanschaatsen is een sport voor cijferaars, voor rekenaars. Races op de langere afstanden worden door de coaches vooraf al  in cijfers gegoten, in schema’s, in rondetijden die de schaatser dan alleen nog maar moet zien te rijden.

De klassementen bij allround-toernooien begreep ik eerst niet, die getallen met 3 cijfers voor, en 3 achter de komma, die de einduitslag bepaalden: wie er goud, zilver en brons kreeg. Hoe rekenden ze dat uit?

Mijn opa wist het: eerst alle tijden omrekenen in seconden, en die vervolgens herleiden tot tijden op de 500 meter. Zo werd / wordt de tijd op de 1500 meter gedeeld door 3, en die op de 10 km door 20. Vervolgens die punten van alle 4 de afstanden bij elkaar optellen, en degene met het laagste aantal punten wint.

Al 60 jaar kijk ik dus naar schaatsen. Het is als kijkspel een stuk boeiender geworden in die tijd; ik schetste het wat jaren geleden al een keer in het café in @Puttershoek waar Kees Verkerk ooit achter de tap stond.

Het gaat in deze eeuw, dank zij uitvindingen als de klapschaats en de overdekte kunstijsbanen, zo’n 20% sneller dan in het tijdperk van Ard en Keessie. En het aantal getallen in beeld is ook sterk toegenomen. Het ‘meeschrijven’ van de rondetijden hoeft eigenlijk niet meer, met die overvloedige informatie.

In 1966 zag je alleen die vage digitale klok van Omega op je tv-scherm (voor die tijd al hypermodern). Niet veel jaren later kwam voor het oog van de camera het eindklassement uit de regeldrukker van een computer rollen, heel futuristisch.

Nu is het hele beeld met getallen gevuld: de actuele snelheden van de schaatsers in km per uur, en de achterstand of voorsprong op de leider in het klassement, real time bijgehouden. Voor mij nog steeds het aantrekkelijke van die sport als tv-kijkspel.

Ik ben al lang opgehouden om me te verbazen over het feit dat mensen überhaupt kunnen schaatsen. Je kunt het niet leren door ernaar te kijken. Dat ondervond ik in datzelfde jaar 1966.

Mijn broertje (toen 5 jaar oud) en ik hadden met sinterklaas elk een paar Friese doorlopers gekregen, die je met een veter onder je schoenen kon binden (iets modernere dan op het plaatje). Maar ik had helemaal niks geen zin in schaatsen. Het is dat wij niet kerks waren, anders had ik de lieve Heere gesmeekt om het die winter niet te laten vriezen.

Dat gebeurde wel. De winter van 1966 zonk dan wel in het niet bij die legendarische van 3 jaar daarvoor, maar was toch wel aan de pittige kant.


Boven: Friese doorlopers (Schaatsenfabriek Hercules, H.J. Gorter, ca. 1900). Foto: CroiXXX, Overgenomen van Wikipedia (NL), Ontwikkeling van de schaats
Onder: Max Dohle demonstreert een klapschaats (2008).  Foto: Max Dohle. Overgenomen van Wikipedia (NL), Klapschaats


Wij trokken naar het slootje bij ons huis, samen met moeder, die schaatsherinneringen ophaalde uit haar jeugd. ‘Wat hield ik daar toch van’, zei ze, ‘met m’n mooie kunstrij-schaatsen zwieren op de ijsbaan op de singels. Je vader kon ook zo goed schaatsen’.

Zwieren, voor mij was dat niet weggelegd, ik merkte het meteen. Die schaatsen klapten iedere keer onder mijn schoenen weg; klapschaatsen @avant la lettre. Terwijl mijn broertje meteen wegreed op zijn Friese doorlopers, waren het voor mij van begin af aan Friese doodlopers.

Verbeten krabbelde ik achter een stoeltje, dat ik naar de slootrand had gesleept en dat ik met witte knokkels omkneld hield. Zodra ik de stoel losliet, lag ik plat op het ijs. Vurig hoopte ik dat het spoedig warm water zou gaan regenen.

Een wijsneuzig meisje dat we nooit eerder hadden gezien, hoorde ik tegen mijn moeder zeggen: ‘Dat kleine jongetje kan al hartstikke goed schaatsen, maar die grote jongen  bakt er niks van’. Dat brutale nest, waar bemoeide ze zich mee; ik wenste haar in een wak.

‘Wat zonde van die mooie schaatsen, die je van de Sint hebt gekregen’, vond moeder, die mijn gestumper een poosje had aangezien. Alweer te kort geschoten, moeder alweer teleurgesteld.

Later die winter nieuw onheil. De onderwijzer van mijn klas had een schaatsdag georganiseerd op de schaatsbaan in het Roomburgerpark (door mij bewandeld en behandeld in de Coronasage, toen ik de vierkante kilometers rond mijn huis eindelijk eens goed ging bekijken). In dat park zetten ze in de winter de tennisbaan onder water, die na een paar nachten vorst in een prima ijsvloer veranderde.

Tegen dat schaatsfeestje zag ik op als tegen een berg. Ik was een van de weinigen uit de klas die niet konden schaatsen. Daar liep ik niet mee te koop, maar  op die dag zou het genadeloos aan het licht komen. En ik werd soms al gepest om wat ik allemaal nog meer niet kon: voetballen, judoën, tekenen, kastie, zwemmen, apenkooien… Populairder werd ik pas een jaar later, toen ik een natuurtalent bleek te bezitten voor het oplossen van denksommen die voor normale kinderen een onoverkomelijk enigma vormden. Ik zei het al: getalletjes.

De morgen dat het schaatspartijtje zou plaatsvinden, waren de straten spekglad. Het was een kwakkelwinter. Er was die nacht lichte dooi ingetreden. Regen op smeltende sneeuw, dat glijdt wel.

Desondanks toog ik op weg naar de schaatsbaan, met vage hoop op afgelasting. Aan fietsen viel niet te denken, dus ik nam de benenwagen, elke stap zorgvuldig overwegend. Ik weet niet eens meer of ik die doorlopers nog bij me had. Het was – en is nog steeds, ik woon nog in hetzelfde huis als toen – 3 kilometer lopen naar het Roomburgerpark, bijna 3 kwartier met kinderbenen, maar op die ijzelmorgen een stijf uur.

Bij de ingang stond de onderwijzer, die een jobstijding bracht: het schaatsen ging niet door, want de ijsbaan was gesmolten. Hij voegde eraan toe dat we om halftwee weer verwacht werden op school. ‘Ahh, menéér!’ Een paar klasgenoten die tegelijk met mij waren aangekomen, reageerden teleurgesteld, maar ik onderdrukte een juichkreet.

‘Gut joh’, zei mijn moeder, toen ik laat in de morgen verkleumd maar heelhuids thuiskwam, ‘heb je nou dat hele stuk voor niks gelopen?’ ‘Jaah’, zei ik zielig. Even later nipte ik verzaligd van mijn warme chocolademelk. Met een beetje geluk zat het schaatsseizoen 1965/1966 er definitief op.

Later heb ik ook nooit leren schaatsen, maar als kijkspel is het onovertroffen.

FHM
8 maart 2026

 VOLGENDE AFLEVERING: 'ONDERWEG'; MIJN BROERTJE EXPOSEERT OPNIEUW 22/03/2026




© Frans Mensonides, Leiden, 2026