LAATSTE
ZES AFLEVERINGEN
319. MIJN MUSEUM-6-DAAGSE (5): HET SPOORWEGMUSEUM
(18/01/2026)
318. MIJN
MUSEUM-6_DAAGSE (4): DESIGN MUSEUM DEN
BOSCH (11/01/2026)
317. MIJN
MUSEUM-6-DAAGSE (3): DE
KUNSTENAARSFAMILIE TER BORCH (28/12/2025)
316. MIJN
MUSEUM-6-DAAGSE (2):
KUNSTENAARSDORPEN - HET JAAR 1913 (14/12/2025)
315. MIJN
MUSEUM-6-DAAGSE (1):
THUIS IN DE
17e EEUW (07/12/2025)
314. 'DE
BORSTPARTIJ ROEPT VRAGEN OP'; DE
ONBEKENDE MEESTER I.S. (09/11/2025)
Ons landje is bekend van boter, eieren en kaas
Maar op de gladde ijzers zijn we ook een hele baas.
Van al die grote namen trekken wij ons echt niets an
We hebben hier twee jongens, nou die kunnen er wat van!
Heya, heya zet hem op! Ard en Keessie aan de top!
Ard en Keessie geef hem van katoen
Een van jullie tweetjes wordt straks wereldkampioen.
Ard en Keessie geef hem van katoen
Als Ard het niet kan fiksen dan zal Keessie het wel doen.
‘Ard en Keessie’ van Johnny Hoes en het Heya Heya Koor, een
liedje dat in maart 1966 de 29ste plaats haalde in de Veronica top 40 en dus niet
zo’n hoogvlieger was als de 2 bezongen helden.

‘Ik ben dol op schaatsen; ik kan er wel úren naar kijken’, dat
is een grap die ik geloof ik wel eens eerder gemaakt heb in mijn kolommen. Dit
lange weekend, vanaf donderdagavond, kom ik weer aardig aan mijn trekken. Nog
maar 2 weken na de Olympische Winterspelen in Milaan, vindt in Heerenveen het
wereldkampioenschap schaatsen plaats, dat ik op de voet volg op de tv. 4 WK’s eigenlijk
voor de prijs van één: sprint en allround, voor mannen en vrouwen.
Elk nummer op zo’n toernooi begint met wat minder
interessante ritten tussen de krabbelaars uit Spanje, het VK, Denemarken en dat
soort niet-schaatsnaties. Dat zijn rijders die het aloude olympische ideaal
waarmaken: deelnemen is belangrijker dan winnen.
Ja, ja, ik praat over ‘krabbelaars’, maar kan zelf niet eens
op schaatsen blijven staan, laat staan erop schaatsen. Laatst vroeg ik me
tijdens het kijken naar die saaie ritten met outsiders af wanneer ik begonnen
ben met kijken naar schaatsen, en met zelf proberen te schaatsen. Ik kwam tot
de conclusie dat het allebei speelde in de winter van 1965/1966. Dat was zelfs
nog voordat ik @voetbal had ontdekt, want dat gebeurde pas bij de WK in de
zomer daarop.
1966, ik was 9 jaar oud. Ik heb toen de Noor Per Ivar Moe
nog zien rijden, de ex-wereldkampioen die er na een heel korte carrière de brui
aan gaf. ‘Logisch’, grapte ik tegen mijn moeder, ‘die man is natuurlijk altijd
Moe!’ Mijn woordspelingen zijn de afgelopen 60 jaar niet spectaculair beter
geworden. ’Kaja Ziomek-Nogal, die is nogal snel’; nee, die is onder de maat,
die ga ik niet gebruiken.
1966 was ook het jaar dat Johnny Hoes regelmatig op de radio
was met het lied over Ard en Keessie, in hoofde van deze FHM’s geciteerd. Ik
wacht anno 2026 nog op een liedje ‘Femke en Jutta’, of liever nog ‘Joep en Jenning’,
wat beter in de melodie past en bovendien goed allitereert.
Ard en Keessie, Ard Schenk en Kees Verkerk, waren mijn eerste sporthelden. Aan
het liedje van Hoes was niets gelogen: Schenk werd in 1966 Europees kampioen vóór
Verkerk, bij de WK was het andersom, en de rest van het deelnemersveld streed hooguit
voor het brons.
Wat me meteen aantrok in het schaatsen op tv, dat waren de
cijfertjes. Ik had iets met getallen, en die flitsten continu over het tv-scherm:
tijden, klassementen, daar draaide en draait het om.
Een sporthater heeft eens gezegd: ‘Sport is georganiseerd
voordringen’. Maar langebaanschaatsen heeft daar weinig van. Alleen bij de
massastart zie je een hoop gedrang, en dat vind ik nou juist het minst
interessante onderdeel van de schaatssport. Dit weekend staat het niet op het
programma.
Een schaatser rijdt vooral tegen de klok. Ja, ze starten 2
aan 2, maar elk in hun eigen baan. Je tegenstander zie je niet eens, als je een
voorsprong hebt. Je komt hem soms wel tegen op de kruising, en dat leidt dan vaak
meteen tot rampen; vraag het maar aan Joep Wennemars!
Nee, langebaanschaatsen is een sport voor cijferaars, voor
rekenaars. Races op de langere afstanden worden door de coaches vooraf al in cijfers gegoten, in schema’s, in
rondetijden die de schaatser dan alleen nog maar moet zien te rijden.
De klassementen bij allround-toernooien begreep ik eerst
niet, die getallen met 3 cijfers voor, en 3 achter de komma, die de einduitslag
bepaalden: wie er goud, zilver en brons kreeg. Hoe rekenden ze dat uit?
Mijn opa wist het: eerst alle tijden omrekenen in seconden,
en die vervolgens herleiden tot tijden op de 500 meter. Zo werd / wordt de tijd
op de 1500 meter gedeeld door 3, en die op de 10 km door 20. Vervolgens die
punten van alle 4 de afstanden bij elkaar optellen, en degene met het laagste
aantal punten wint.
Al 60 jaar kijk ik dus naar schaatsen. Het is als kijkspel
een stuk boeiender geworden in die tijd; ik schetste het wat jaren geleden al
een keer in het café in @Puttershoek waar Kees Verkerk ooit achter de tap stond.
Het gaat in deze eeuw, dank zij uitvindingen als de
klapschaats en de overdekte kunstijsbanen, zo’n 20% sneller dan in het tijdperk
van Ard en Keessie. En het aantal getallen in beeld is ook sterk toegenomen.
Het ‘meeschrijven’ van de rondetijden hoeft eigenlijk niet meer, met die
overvloedige informatie.
In 1966 zag je alleen die vage digitale klok van Omega op je
tv-scherm (voor die tijd al hypermodern). Niet veel jaren later kwam voor het
oog van de camera het eindklassement uit de regeldrukker van een computer
rollen, heel futuristisch.
Nu is het hele beeld met getallen gevuld: de actuele
snelheden van de schaatsers in km per uur, en de achterstand of voorsprong op
de leider in het klassement, real time bijgehouden. Voor mij nog steeds het
aantrekkelijke van die sport als tv-kijkspel.
Ik ben al lang opgehouden om me te verbazen over het feit
dat mensen überhaupt kunnen schaatsen. Je kunt het niet leren door ernaar te
kijken. Dat ondervond ik in datzelfde jaar 1966.
Mijn broertje (toen 5 jaar oud) en ik hadden met sinterklaas
elk een paar Friese doorlopers gekregen, die je met een veter onder je schoenen
kon binden (iets modernere dan op het plaatje). Maar ik had helemaal niks geen
zin in schaatsen. Het is dat wij niet kerks waren, anders had ik de lieve Heere
gesmeekt om het die winter niet te laten vriezen.
Dat gebeurde wel. De winter van 1966 zonk dan wel in het
niet bij die legendarische van 3 jaar daarvoor, maar was toch wel aan de
pittige kant.

Boven: Friese doorlopers (Schaatsenfabriek Hercules, H.J. Gorter,
ca. 1900). Foto: CroiXXX, Overgenomen van Wikipedia (NL), Ontwikkeling van de schaats
Onder: Max Dohle demonstreert een klapschaats (2008). Foto: Max Dohle. Overgenomen van Wikipedia (NL), Klapschaats
Zwieren, voor mij was dat niet weggelegd, ik merkte het
meteen. Die schaatsen klapten iedere keer onder mijn schoenen weg; klapschaatsen
@avant la lettre. Terwijl mijn broertje meteen wegreed op zijn Friese
doorlopers, waren het voor mij van begin af aan Friese doodlopers.
Verbeten krabbelde ik achter een stoeltje, dat ik naar de
slootrand had gesleept en dat ik met witte knokkels omkneld hield. Zodra ik de
stoel losliet, lag ik plat op het ijs. Vurig hoopte ik dat het spoedig warm
water zou gaan regenen.
Een wijsneuzig meisje dat we nooit eerder hadden gezien, hoorde
ik tegen mijn moeder zeggen: ‘Dat kleine jongetje kan al hartstikke goed
schaatsen, maar die grote jongen bakt er
niks van’. Dat brutale nest, waar bemoeide ze zich mee; ik wenste haar in een
wak.
‘Wat zonde van die mooie schaatsen, die je van de Sint hebt
gekregen’, vond moeder, die mijn gestumper een poosje had aangezien. Alweer te
kort geschoten, moeder alweer teleurgesteld.
Later die winter nieuw onheil. De onderwijzer van mijn klas
had een schaatsdag georganiseerd op de schaatsbaan in het Roomburgerpark (door mij
bewandeld en behandeld in de Coronasage, toen ik de vierkante kilometers rond
mijn huis eindelijk eens goed ging bekijken). In dat park zetten ze in de
winter de tennisbaan onder water, die na een paar nachten vorst in een prima
ijsvloer veranderde.
Tegen dat schaatsfeestje zag ik op als tegen een berg. Ik
was een van de weinigen uit de klas die niet konden schaatsen. Daar liep ik
niet mee te koop, maar op die dag zou
het genadeloos aan het licht komen. En ik werd soms al gepest om wat ik
allemaal nog meer niet kon: voetballen, judoën, tekenen, kastie, zwemmen, apenkooien…
Populairder werd ik pas een jaar later, toen ik een natuurtalent bleek te
bezitten voor het oplossen van denksommen die voor normale kinderen een onoverkomelijk
enigma vormden. Ik zei het al: getalletjes.
De morgen dat het schaatspartijtje zou plaatsvinden, waren
de straten spekglad. Het was een kwakkelwinter. Er was die nacht lichte dooi
ingetreden. Regen op smeltende sneeuw, dat glijdt wel.
Desondanks toog ik op weg naar de schaatsbaan, met vage hoop
op afgelasting. Aan fietsen viel niet te denken, dus ik nam de benenwagen, elke
stap zorgvuldig overwegend. Ik weet niet eens meer of ik die doorlopers nog bij
me had. Het was – en is nog steeds, ik woon nog in hetzelfde huis als toen – 3
kilometer lopen naar het Roomburgerpark, bijna 3 kwartier met kinderbenen, maar op
die ijzelmorgen een stijf uur.
Bij de ingang stond de onderwijzer, die een jobstijding bracht:
het schaatsen ging niet door, want de ijsbaan was gesmolten. Hij voegde eraan
toe dat we om halftwee weer verwacht werden op school. ‘Ahh, menéér!’ Een paar
klasgenoten die tegelijk met mij waren aangekomen, reageerden teleurgesteld,
maar ik onderdrukte een juichkreet.
‘Gut joh’, zei mijn moeder, toen ik laat in de morgen verkleumd
maar heelhuids thuiskwam, ‘heb je nou dat hele stuk voor niks gelopen?’ ‘Jaah’,
zei ik zielig. Even later nipte ik verzaligd van mijn warme chocolademelk. Met
een beetje geluk zat het schaatsseizoen 1965/1966 er definitief op.
Later heb ik ook nooit leren schaatsen, maar als kijkspel is
het onovertroffen.
FHM
8 maart 2026
