Jetzt wird wieder in die Hände gespuckt

Berlijn (3): Potsdam, Spandau, Pergamon, Gedächtniskirche, Victoriapark, KaDeWe, S-Bahn en tram

Wenn früh am Morgen die Werkssirene dröhnt
und die Stechuhr beim Stechen lustvoll stöhnt,
in der Montagehalle die Neonsonne strahlt
und der Gabelstaplerfahrer mit der Stapelgabel prahlt,
ja, dann wird wieder in die Hände gespuckt;
wir steigern das Bruttosozialprodukt!
Ja, jetzt wird wieder in die Hände gespuckt!

[...]

A, an Weihnachten liegen alle rum und sagen, "puh..."
Der Abfalleimer geht schon nicht mehr zu
Die Gabentische werden immer bunter
Und am Mittwoch kommt der Müllabfuhr und holt den ganzen Plunder.
Und sagt: jetzt wird wieder in die Hände gespuckt.
Wir steigern das Bruttosozialprodukt
Ja, ja, ja jetzt wird wieder in die Hände gespuckt.

Song van Geier Sturzflug uit de "Welle"-periode,
over de Duitse werklust en consumptiedrang

Eerder verschenen in deze reeks over Berlijn:

Wims en mijn eerste indrukken
Deel 1: "heenreis en eerste dag"
Deel 2: "Over de muur"; de Berlijnse muur en de oorlog


Het oude Lehrter Bahnhof, met het nieuwe op de achtergrond


De vorige aflevering van onze Berlijn-trilogie was geheel gewijd aan het oorlogs- en muurverleden van deze stad. Dat wil niet zeggen, dat we De Muur in dit derde en laatste deel niet meer zullen tegenkomen. Daarvoor is hij te diep verankerd in Berlijn, in zijn geschiedenis en in de geesten van zijn bewoners.

Ik schreef al eerder: op iedere straathoek in Berlijn proef je het verleden. Tijdens ons bezoek was de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen in volle gang. Aan opvallend veel lantaarnpanen in voormalig oost, maar ook in voormalig west, was een sandwichbord van de PDS bevestigd, de voormalige communistische partij. Niet dat veel Berlijners openlijk zullen terugverlangen naar de tijd van vóór de Wende, maar de onvrede over wat er anno 2001 van de stad geworden is, ligt erg dicht onder de oppervlakte.

Enkele weken na onze thuiskomst vonden de verkiezingen plaats. De PDS veroverde een flink aantal zetels. Wat staat Berlijn nog te wachten? Als we er in 2008 of zo nog eens terugkomen, staat de muur er dan opnieuw??

Ook een andere rode draad uit de vorige afleveringen: de werklust van de Berlijner, die vaak blijft steken in goede voornemens, kom je in dit deel opnieuw tegen; meteen al.

Nieuw station

Dinsdagmiddag, na ons niet-bezoek aan de Brandenburger Tor en het parlement, bezichtigen wij de bouwput van het nieuwe Berlijnse centraal station. Deze ligt achter het Lehrter Bahnhof, waar tegenwoordig alleen de S-Bahn stopt. Het Neue Lehrter Bahnhof komt te liggen op een tactische plaats: midden tussen de huidige hoofdstations in; Zoo en Ost, en op loopafstand van het parlement en de wasmachine, die in ieder geval voldoende toeristen en schoolklassen trekken. Het moet een soort Duivendrecht worden, maar dan met de onderste verdieping in het onderaardse.

Er is een Noord-Zuidtunnel in aanleg, dwars door Berlijn. Deze takt ten noorden van de ring af van de bestaande spoorbaan, kruist op het nieuwe hoofdstation de Stadbahn, ontmoet bij Bahnhof Potsdamerplatz ook nog eens diverse andere lijnen, om tenslotte in het zuiden, bij de Papestrasse de binnenstad te verlaten. Deze spoortunnel wordt straks een belangrijke kortsluitroute voor de treinen uit het noorden en zuiden van de voormalige DDR, die de hoofdstad nu met enorme omwegen moeten binnenrijden.

Wim en ik zijn bij het Lehrter Bahnhof uit de S-Bahn gestapt om de bouwput te bekijken. Een ontmoedigende puinhoop vol blubber en halfvoltooide betonnen viaducten, waar een stuk of 25 hijskranen orde proberen te scheppen. Er wordt hier best wel in de handen gespuugd, maar het komt ons ongeloofwaardig voor dat het werk in 2003 klaar zal zijn, zoals op de planning staat.

Later vind ik een site over het project, waarop meer gesproken wordt over de huurprijzen van de te realiseren kantoorgebouwen, dan over spoorwegzaken. Het jaar van voltooiing is inmiddels al opgelopen tot 2004. Overigens zal Deutsche Bahn AG in deze omgeving een hoofdkantoor krijgen; even dicht bij het spoor als het hoofdgebouw van dé NS in Utrecht.

Ook in Duitsland verloopt niet alles vlotjes bij het uitbreiden van railinfrastructuur. De doortrekking van U-Bahn lijn 5, van Alexanderplatz naar het nieuwe hoofdstation, is uitgesteld wegens geldgebrek.

Er mag ook wel eens wat geld gestoken worden in een upgrade van de S-Bahn, of hoe ze in het Duits een upgrade ook maar zouden noemen. Friedrichstrasse mag je dan tegemoet blinken van nieuwigheid, maar vele S-Bahnstations zien er nog even beroerd uit als in de tijd dat dit net geëxploiteerd werd door de Ossies. Veel vervallen bakstenen muurtjes; lang niet overal roltrappen: er is nog veel te doen.

Zoals Wim al schreef, werd de S-Bahn in de tijd van de muur geboycot door de Wessies, die nog liever de veel duurdere U-Bahn namen dan hun Marken te gunnen aan Ulbricht en zijn kameraden. Een voorbeeld van een geslaagde reizigersstaking. Soms in de S-Bahn bekruipt de gedachte me, dat deze nog steeds niet voorbij is. Waar de U-Bahn op bijna elk tijdstip van de dag vol zit, is de S alleen in de spits echt druk. In vijf dagen tijd hebben we nooit hoeven staan in een S-Bahntrein. S-Bahn Berlin schijnt een miljoen passagiers per dag te vervoeren; je zou het beslist niet zeggen als je die zeeën van lege banken ziet.

Hackescher

Later die avond nemen wij rond 22.00 uur op Friedriechstrasse de S-Bahn naar huis, na ons bezoek aan Checkpoint Charley, dat beschreven is in de vorige aflevering. We zijn er beiden rotsvast van overtuigd in de goede richting te reizen, maar het is foute boel: het eerste station heet Hackescher Markt, en dan ga je toch echt oostwaarts. Schielijk stappen we uit. Hoe kan dat nou? Spookt het nou ook al op het railnet? Enigszins verdwaasd lopen we naar de andere kant; beland je zo maar op de Hectische Markt!

Inmiddels is ons opgevallen, dat de stations op de S-Bahn, in tegenstelling tot die van de U-bahn, wel bemand of bevrouwd zijn. Bij de nadering van een trein komt er een stationschef met knalrode pet uit een glazen hok, met in zijn hand iets wat op een afstandsbediening lijkt. Hij steekt een sleutel in een slot in een kastje aan een paal in het midden van het perron, en wacht tot iedereen is ingestapt. Dan mompelt hij iets in een microfoon, dat net zo goed oud-Tochaars zou kunnen zijn als "koffie, broodjes, limonade"; deze tekst komt tegelijkertijd volkomen onverstaanbaar uit alle luidsprekers op het station. Dat gezegd zijnde, gaan de deuren van de trein dicht, met licht- en geluidssignalen, en zet de machinist het voertuig in beweging, op een voor reizigers onzichtbaar geheim teken van de stationschef. De laatste moet per trein nogal wat handelingen verrichten. Hij morrelt voortdurend aan zijn afstandsbediening en aan de knoppen in het kastje, maar wat er precies gebeurt, en hoe het in het werk gaat, kan ik niet zien.

Er is meestal maar één zo'n functionaris per station, ook op de drukke Stadtbahn. Wanneer er twee treinen tegelijk binnenkomen, worden ze één voor één afgehandeld. Dit is de oorzaak van wat we al een paar keer gemerkt hebben: een S-Bahntrein staat soms heel lang stil op een station. Toch is er vrijwel nooit een trein te laat; dit ongemak is in de dienstregeling ingebouwd.

De stationschef is ook belast met het geven van informatie. Heel vaak wordt hij of zij aangeschoten door passagiers die net als wij elk gevoel voor richting kwijt zijn. Een bordje in de buurt van de sleutelpaal, zoals ik het maar even noem, vraagt begrip voor het feit dat afhandeling van het treinverkeer voorrang geniet boven het te woord staan van individuele reizigers. Het lijkt me alleszins redelijk.

Deze spoorwegmensen hebben een beroep met onaangename kanten. Daar de S-Bahn 21 uur per dag beschikbaar is (in het weekend zelfs 24 uur), zullen de werktijden wel hoogst Spartaans zijn. Een zekere eentonigheid zal ook wel in het werk sluipen. Bovendien mogen ze niet eens in een trein zitten, en rijden ze zelfs geen rondje rond de kerk. Heel vervelend, allemaal. Toch denk ik, dat ze er hier niet zo godallejezus irritant over doordrammen als bij ons.



Sanssoussi

De dag daarop beklimmen we al om 8.40 uur de lange trap naar het perron van station Savignyplatz. We nemen de S7 naar Potsdam Stadt.

Potsdamers (-dammers?) verschillen in zoverre van Kennedy, dat zij beslist geen Berliner genoemd willen worden. Hun stad telt 150.000 inwoners, is de hoofstad van de deelstaat Brandenburg, die om Berlijn heen ligt, en is hét uitje voor Berlijnse toeristen die eens willen rondkijken buiten de gemeente van die naam. De S7 verbindt beide hoofdsteden met een frequentie van 6 treinen per uur, althans van halfzes in de nacht tot halfnegen in de avond. Daarvoor en daarna wordt een 20 minutendienst geboden.

Onze S-Bahntrein passeert Charlottenburg, tevens station voor RB/RE-treinen. Dit station heeft een afwijkend uiterlijk: het lijkt op een plantenkas in een slecht onderhouden hortus botanicus. Voorbij het Westkreuz verlaten we de stad en rijden het Grunewald binnen. Ook hier liggen vier sporen; twee voor het Fernverhkehr, met bovenleiding, en tweevoor de S-Bahn, met stroomrail. Onze S-Bahntrein rijdt op het oog geschat niet harder dan een kilometer of 100 per uur.

Niet op alle stations zien we een rode pet (een "mannetje van de S-Bahn", zoals ik deze stemmig uitgedoste beambte doop); op stille en overzichtelijke stations moeten de machinisten vertrekken zonder geheim teken.

Ook deze trein is stil (de grote stroom reizigers zal wel stadinwaarts gaan, in de ochtendspits), maar op Wannsee is het met de rust gedaan als er een schoolklas onze coupe binnenkomt. Erg jonge kindertjes, deze keer: hoogstens een jaar of 8. Het is bepaald geen zwarte school; allemaal vlaskoppies. Twee meisjes komen tegenover ons zitten. De herrie die wij, bedaagde heren, gevreesd hebben, blijft uit. Er wordt beschaafd geconserveerd; op niet veel meer dan fluistertoon. In Holland (veel-geschreeuw-en-weinig-wol-land) zou het een gekrijs van je welste geweest zijn, met uitvoerige vechtpartijen.

Het station Griebnitzsee ligt in de buurt van Steinstücken, de West-Berlijnse exclave in voormalig DDR-gebied. Maar we stappen niet uit; sedert de Wende is er niets bijzonders meer te zien aan dit gehuchtje.

Het laatste stuk naar Potsdam rijden we over enkelspoor. Potsdam Stadt is een groot station met veel glas en natuurlijk het onvermijdelijke winkelcentrum in de hal. Op het voorplein vertrekken de bussen en trams van het ViP (Verkehrbetrieb Potsdam). Potsdam heeft een eigen stasdsvervoerbedrijf, dat evenals zijn Berlijnse collegae ressorteert onder het Verkehrsverbund Berlin Brandenburg (VBB).

Sanssoucci

De blonde kindertjes stappen en masse in een bus, die meteen propvol is. Niet de onze; ze gaan vermoedelijk naar de BUGA, een soort Floriade, die hier dit jaar gehouden wordt. Wij nemen de 695, een gelede bus die ons zal brengen naar het doel van onze dagtocht; de paleistuinen rond slot Sanssoussi. Ook in Potsdam hoef je in de bus je kaartje niet te laten zien. Tijdens ons hele verblijf in Berlijn en omgeving wordt onze weekkaart geen enkele maal gecontroleerd. Bus, tram, U- en S-Bahn, overal kun je vrij in en uit lopen. Er zal hier wel zwartgereden worden bij het leven (of doen Duitsers zoiets niet?).

De bus volgt een ingewikkelde route door de mooie historische binnenstad, alvorens koers te zetten naar de paleizen. Het ViP heeft een brandnieuw wagenpark. Ook Potsdam zelf ziet er prima uit; anders dan je zou verwachten van een stad uit de voormalige DDR. Misschien was de binnenstad het visitekaartje, en staan de buitenwijken vol "oostblokken", net als Pankow; we weten het niet. Aan de andere kant zou je toch bij communisten niet erg veel eerbied verwachten voor een stad waar in de geschiedenis een dynastie van verlichte despoten geheerst heeft.

Wim en ik hebben lopen broeden op een theorie, dat Berlijn en Parijs in elk opzicht elkaars alter ego zijn. In dat geval zou Versailles de evenknie zijn van Park Sanssoussi. De overeenkomst is bijna eng: beide parken zijn vele vierkante kilometers groot; beide liggen zo'n 20 kilometer ten zuidwesten van de binnenstad, beide stammen uit dezelfde eeuw (al is Versailles ruim 100 jaar ouder), je reist erheen met de RER, resp. S-Bahn, die natuurlijk ook elkaars pendanten zijn; beide zorgen voor royalty-nostalgie in landen die thans republieken zijn.

Veel verder gaat de overeenkomst niet tussen Parijs en Berlijn. Je kunt natuurlijk de Eiffeltoren wel vergelijken met de TV-Turm, maar dat begint al te wringen. Een ander groot verschil is de populariteit onder Nederlanders. Parijs kent iedereen, maar in mijn vrienden- en kennissenkring heb ik behalve Wim slechts één iemand kunnen vinden, die wilde toegeven, ooit in Berlijn geweest te zijn. Velen zijn het nog van plan, of kennen zelf een vage kennis die er geweest is, en veilig teruggekeerd.

Dat Park Sanssoussi op Versailles lijkt, is bovendien niet erg toevallig. Frederik II De Grote (1712-1786), de vorst die het heeft laten aanleggen, was een francofiel, die feitelijk een pesthekel had aan Moffen als hijzelf. Hij heeft zijn architecten erg goed laten kijken naar de residentie van zijn Franse collega's. Hoewel, of misschien wel juist doordat hij een heel streng regime voerde, was hij geliefd bij de Berlijners, die hem "Der alte Fritz" noemden.

We bezoeken slot Sanssoussi, een lief klein kasteeltje; niet zo'n monster als slot Versailles. Het was niet meer dan een zomerpaleis, waar Frederik vaak gasten ontving, waaronder de Franse schrijver Voltaire, met wie hij jarenlang een correspondentie gevoerd heeft. Zijn veel grotere winterverblijf stond een paar kilometer verderop.

Bij de rondleiding krijgen we grote vilten sloffen aan, om de vloeren niet te beschadigen, waardoor we voortdurend het gevoel hebben op dun ijs te schaatsen. Het kasteeltje is voornamelijk uitgevoerd in rococo-stijl en telt maar liefst vier gastenkamers. Een WC was niet aanwezig; ook in dit opzicht heeft Frederik Versailles gekopieerd (maar dat had wel degelijk een toilet; ik heb het kaartje dat recht gaf op toiletbezoek, al een jaar lang in mij portemonnee, om de legende te kunnen ontzenuwen dat Versailles geen toilet heeft).

Sanssoussi ligt op een heuvel. Via een tuin, bestaande uit meerdere plateau's, loop je het park in. We wandelen hier een poosje rond, van fontein naar fontein, en passeren onder andere een Chinees theehuis. De schoonheid daarvan is teveel voor mijn 4,5 jaar oude digitale camera; hij geeft plotseling de geest, en ik krijg hem de rest van de vakantie niet meer aan de praat (gelukkig beschik ik over een broer die in de foto-branche heeft gewerkt, en het ding enkele weken later toch weer tot leven weet te wekken. Daardoor kan ik ook nog enkele eigen foto's laten zien in dit artikel).

We lopen de binnenstad van Potsdam in. Het eerste wat wij zien is de Brandenburger poort, de okergele, de échte, die veel mooier zal blijven dan zijn Berlijnse naamgenoot, zelfs als straks de restauratie van de laatste voltooid is. De Lonely Planet noemt die van Berlijn de BrandenburgerTor en die van Potsdam de Branderburger Gate; standsverschil moet er zijn.

In een autovrije winkelstraat gebruiken we de lunch op een terrasje; het kan net; met onze jas aan. Daarna begeven we ons naar het Holländisches Viertel, dat aan het begin van de 18e eeuw gebouwd is door en voor een contingent Hollandse gastarbeiders, die op uitnodiging van keurvorst Frederik Willem naar Duitsland gekomen waren (misschien omdat er door zijn eigen werknemers niet voldoende in de handen werd gespuugd). Frederik Willem I, was een Hollandofiel; met Duitsers zelf hadden de keurvorsten niet veel op; vrees ik.

Dat Viertel moeten we natuurlijk zien, zoals Japanners na aankomst op Schiphol altijd linea recta naar de dichtstbijzijnde Japanse tuin rennen. Voor Duitse ogen zullen de huisjes, met hun trapgeveltjes, ongetwijfeld zeer Hollands lijken, maar ik heb nergens in Nederland iets gezien wat er echt op lijkt, en vind ze hooguit Hollando-Teutoons. De meeste van de ruim 100 huisjes zien er bouwvallig uit, maar er wordt gewerkt aan herstel.



Tram

Met de tram in Berlijn en omstreken is na de tweedeling iets merkwaardigs gebeurd. In West-Berlijn werd hij op grote schaal opgedoekt; daar meende men het wel te kunnen doen met de U-Bahn, aangevuld door een fijnmazig en hoogfrequent busnet. In het oosten van de stad werd de tram gekoesterd; de U-Bahn stelde hier niet veel voor, met U5 als enige oostelijke lijn van betekenis. Het lijkt wel, of oost en west opzettelijk alles precies tegenovergesteld deden.

Dit heeft tot gevolg dat Potsdam (immers Oost-Duits, hoewel gelegen ten westen van West-Berlijn) nog een zeer uitgebreid tramnet kent. Er zijn 6 lijnen, die elk twee diametraal tegenover elkaar gelegen buitenwijken met elkaar verbinden, via de Altstad en het station. De trams rijden slechts in 20 minutenfrequentie, maar het net is zodanig ingericht, dat de lijnen op de meeste trajecten twee aan twee rijden. "Twee lijnen per tak", heette dat systeem ooit in Den Haag, waar het inmiddels goeddeels verlaten is. Er zijn twee typen trams, oude enkelgelede, die hoog op de wielen staan, en moderne viervoudig gelede lagevloerwagens. De laatsten zijn, zover ik kan zien, van Combino; sommigen dragen het logo van de Zwitserse stad Basel. Misschien zijn ze hier allen maar op proef.

We willen Potsdam niet verlaten zonder een tramritje gemaakt te hebben, en nemen lijn 93 naar de Glieniecker Brücke, een brug op de grens van Oost en West, waar beide werelden regelmatig tezamen kwamen - maar alleen om spionnen uit te wisselen (zie het artikel van Wim).

Heen hebben we een oude tram, en terug een nieuwe, maar beiden hebben uitstekende rijeigenschappen. Het eindpunt is een keerdriehoek, op 100 meter afstand van de brug. De lijn is na de Wende niet doorgetrokken, en dat zou ook weinig zin gehad hebben; ten oosten van de brug ligt een schaars bebouwde streek met plassen en bossen. Wannsee ligt 5 kilometer van hier. Daar we over het hoofd zien, dat er een rechtstreekse bus heen rijdt, pakken wij de tram terug naar station Potsdam Stad. Voor ons bezoek aan Wannsee, zie deel 2 van deze reeks.



Zitadelle

In de nacht van woensdag op donderdag wordt ik opnieuw voortijdig wakker. Deze keer niet van de spookachtige bouwgeluiden, waar ik inmiddels aan gewend ben, maar door het ontbreken ervan. Het is stil, doodstil, zoals het eigenlijk hoort op een nacht in Charlottenburg, een wat statige wijk, waar je weinig PDS-borden ziet.

Ik bedenk dat ik aanstaande maandag naar de tandarts moet; 750 kilometer van hier. Bovendien moet ik nog een werkstuk maken voor mijn studie. Een beknopt werkstuk weliswaar, maar het moet nog wel even gebeuren. En dan die defecte camera. En zo zijn er nog een paar dingen die ik overdag vergeten was, maar 's nachts komen rondwoelen. Het duurt lang voordat ik weer inslaap.

***

De volgende morgen zitten we al voor halfnegen in de U7 naar Spandau. De noordtak van deze U-Bahnlijn lijkt vrij nieuw. Elk station is op zijn eigen manier uitgevoerd, met een geheel eigen kleurstelling en design.

Spandau maakt, in tegenstelling tot Potsdam, deel uit van de gemeente Berlijn. Het is een stad met ruim 200.000 inwoners. Iedereen die er nog nooit geweest is, zal haar associëren met de Spandau-gevangenis (en misschien met Spandau Ballet, een Britse popgroep uit de jaren 80). Deze gevangenis stond echter in Staaken, op zijn beurt weer een voorstad of buitenwijk van Spandau, en is in 1987 afgebroken nadat de laatste bewoner, de top-Nazi Rudolf Hess, was overleden. Het doet wat Kafkaans aan, een gevangenis voor één persoon. In 'Het Proces' kwam, als ik me goed herinner, ook een eenpersoonsgevangenis voor, of was het een rechtbank? Degene voor wie hij bestemd was, mocht er niet in, en sleet zijn hele leven op de drempel. Hess mocht er niet uit, maar in Kafkaanse zin maakt dat weinig verschil.

Wij zijn op weg naar een minder bekend, doch minstens even onneembaar gebouw in Spandau, de Zitadelle, ofwel de burcht. Het gelijknamige metrostation is uitgevoerd in museum-stijl; er hangen enkele replica's van schilderijen, waaronder een portret van Der Alte Fritz.

Buiten hangt een kille nevel; we zitten dicht bij de rivier de Havel, die hier uitloopt in een meer. We lopen maar weer eens verkeerd; het kilometerslange industrieterrein op, waar de metro zojuist is onderdoor gereden. Het maakt niet uit; de Zitadelle, die we uiteindelijk bereiken, is toch pas om 9.00 uur opengegaan.

Het defensiewerk is in de 16e eeuw gebouwd rondom de 36 meter hoge Juliusturm, die er al veel langer stond. Deze toren is opgericht in 1200, en is daarmee het oudste nog bestaande bouwwerk in de gemeente Berlijn. Erg veel ouder is Berlijn niet; het ontstond rond het jaar 1000 uit enkele kleine dorpjes.

Leiden heeft ook een burcht, maar die van Spandau is natuurlijk weer minstens 50 keer zo groot. Wij lopen rond over een binnenplaats, omringd door kazernes en fortificaties. Een man met een bezem staat zich wel zeer ongeïnspireerd te kwijten van zijn taken. Vanmorgen hoorden we op de radio in de eetzaal van Castell, dat 40% van de Duitsers een hekel heeft aan zijn werk, zo niet aan werken in het algemeen. Deze man is er een van. Hij zal na elke halve tegel wel een uitgebreide pauze nemen, net als die luie legionair uit Asterix, en levert zodoende een slechts zeer geringe bijdrage aan het steigeren van het Brutosozialprodukt.

Om een hoek komt geschal en ge-echo van stemmen naderbij: alweer een schoolklas. De kinderen klimmen overal op en in. We vluchten het Stadtgeschichliches Museum binnen, dat op het terrein van het burchtcomplex staat. Dit is zo mogelijk een nog bonter samenraapsel dan het Haus am Checkpoint Charley. Het gaat over alles en niets, variërend van de bouw van de Zitadelle, via zeldzame, bedreigde plas- en riviervogels, tot de werking van oliemolens. Ook hier kunnen liefhebbers van Duitse volzinnen hun hart weer ophalen.

Een eikenhouten trap geeft toegang tot de trans van de Juliusturm, maar aangezien deze trap na 800 jaar wel eens wat minder betrouwbaar zou kunnen zijn geworden, of misschien wel wormstekig, blijf ik veiligheidshalve beneden. (Onzin; die trap is stevig genoeg. Hij hangt alleen boven 30 meter diepte, en daar kan ik niet goed tegen; het accentueert al te zeer de broosheid van het bestaan. "Je moet gewoon niet naar beneden kijken", vindt Wim). Wim gaat wel naar boven en meldt na terugkeer een mooi, doch nevelig uitzicht op de Altstad Spandau, die hier nog geen kilometer vandaan ligt. We gaan erheen. Op het voorplein van de Zitadelle komt ons alweer een schoolklas tegemoet.



Geschirr en Goethe

Spandau, zoals gezegd, wekt associaties met grimmige gevangenissen, maar het is gewoon een erg knus oud stadje. De kleine, doch rijkelijk van monumenten voorziene kern wordt gedomineerd door de Nikolaikirche, waar in 1539 de eerste openbare Protestantse dienst in Duitsland gehouden is. In Duitsland heeft zich veel later, tussen 1618 en 1648, een bloedige godsdienstoorlog afgespeeld, waarbij een kwart van de bevolking het leven liet, voor de Ene God, of de Andere.

Aan het andere kant van de Altstad doemt bij een druk verkeersplein station Spandau op, tevens eindpunt van U7, S5 en S75. Al deze lijnen dringen niet door tot het westen van de stad, waar de nieuwbouwwijken liggen. Wij pakken de S-Bahn richting Friedrichstrasse, een rit van bijna een half uur, waarbij we ons eigen station Savignyplatz passeren.

Op een reclamebord in de trein zie ik een advertentie van een taal-instituut, dat stoomcursussen geeft in het Duits: conversatie en rechtschrijven. Het liefst zou ik hier nog een paar maanden doorbrengen, alle cursussen van dit instituut volgen en dan met recht kunnen schrijven dat ik Berliner was. En dan: hier blijven, en nooit meer terug naar Nederland. Berlijn is vast niet ideaal, dat zie je overduidelijk als je hier goed om je heen kijkt, maar alles lijkt me nu ineens beter dan maandag in Madurodamland de draad weer op te pakken. Ik heb er altijd moeite mee, als ik terugkom van een reisje naar het buitenland.

Gekheid. Toch vraag ik me af, hoe lang het zou duren om een volmaakte Mof van mij te maken, althans in woord en geschrifte. Enige ondergrond is aanwezig; tenslotte heb ik die advertentie ook begrepen. Ik heb twee jaar Duits gehad, maar bezocht een nogal onpraktische school, waar men meer waarde hechtte aan het kunnen lezen en analyseren van Goethe (goed, he?) dan het voeren van alledaagse conversatie.

Terug in de Berlijnse binnenstad doen we de rondvaart die ik al beschreven heb bij mijn eerste indrukken. Daarna bezoeken we het museum Pergamon. Wim is hier al eerder geweest. Indertijd heeft hij er een uur voor in de rij moeten staan bij de douane op station Friedrichstrasse, want het lag in Oost. Hij vond het museum indrukwekkend genoeg voor een tweede bezichtiging.

Aangezien we op een laat lunchuur aankomen, bezoeken we eerst het eetcafé, waar we een heel uitvoerig en omvangrijk broodje nuttigen. Een bordje beveelt ons, het Geschirr, het vaatwerk, zelf terug te brengen naar het buffet. Het woord Geschirr, dat me om onduidelijke redenen op de lachspieren werkt, ken ik nog van onze omzwervingen met het Schones Wochenende Ticket. Laat ik het koesteren; het enige Duitse woord dat ik in twee jaar tijd geleerd heb, en dat zonder hulp van een taleninstituut.

Pergamon

Na het Geschirr teruggebracht te hebben, lopen we het museum binnen. Het pronkstuk wordt gevormd door een circa 12 meter hoge tempel, die ze in hun geheel hebben overgebracht uit het land van herkomst. Het ding is rond 150 voor Christus gebouwd in Pergamon, dat in West-Turkije ligt, niet zo ver van waar eens het legendarische Troje was; je weet wel: met dat paard. De fries van de tempel, 120 meter lang en voorzien van prachtige reliëfs, beslaat de vier muren van de zaal. Stel je de ruimte eens voor, die groot genoeg is om zo'n enorm bouwwerk te kunnen bevatten; de Taffeh-zaal in Leiden is er echt niets bij.

De rest van het museum mag er ook wezen. We doorkruisen het elk op eigen gelegenheid, en zien onder meer een Byzantijns mozaïek met leeuwenkoppen, dat ooit de wand van een paleis sierde.

Een op en top Amerikaanse vrouw hoor ik zeggen dat zij over drie kwartier op Tegel moet zijn voor haar vlucht terug naar haar vaderland. "Ik bekijk in elke zaal één beeld, dan heb ik toch nog het gevoel dat ik wat gezien heb". Misschien is dat wel de beste tactiek in dit met klassieke rijkdom overladen museum. Als ik op het afgesproken uur in de grote zaal terugkeer, zit Wim daar al uitgeteld op de marmeren trap van de tempel. De treden zijn meer dan 25 centimeter hoog, en de beklimming ervan wordt ontraden aan hen die slecht ter been zijn.

Tram-muur

We vertrekken, en lopen de mist en de motregen in. Buiten staan enkele verlopen mannen, half-zwerver en half-koopman, oude legerpetten en -insignes te verkopen. Wij pakken de tram. Zoals gezegd is in de tijd voor de Wende alleen het Oost-Berlijnse tramnet intact gebleven. Dit was, en is, zeer uitgestrekt; het telt een kleine 30 lijnen; lange lijnen over het algemeen, tot soms wel 15 kilometer, die hier en daar doorlopen tot ver buiten de gemeentegrenzen. Om dat afgelegen deel van het net te bereiken, moet je minstens één keer overstappen; er lopen geen rechtstreekse lijnen heen vanuit het centrum.

Na de Wende is de tram hier en daar de grens naar west weer overgestoken. West-Berlijnse stadsdelen als Wedding en Tiergarten bezitten tegenwoordig stukjes tramrail, maar alleen in het uiterste oosten; vlakbij de voormalige muur.

We hadden ons voorgenomen, ooit eens een hele ochtend of middag met de tram door Oost-Berlijn te crossen, maar het is er niet van gekomen. Onze kennismaking blijft beperkt tot één ritje met lijn 1. Deze begint op een keerlus in een achterafstraatje bij het museumeiland, waar onder andere Pergamon gevestigd is. Onze tram is een betrekkelijk oude, zo een als we ook in Potsdam gezien hebben, zo een die hoog op de wielen staat. Hij bestaan uit twee gekoppelde enkelgelede exemplaren. Ook in Berlijn rijden lagevloertrams; ik zie in de loop van de rit ons enkele dubbelgelede wagens tegemoet komen.

Lijn 1 kronkelt zich, met weinig passagiers, door een stuk binnenstad. Snel gaat het niet. Alweer een verschil tussen oost en west. De gepresseerde Wessies zaten in de kwieke U-Bahn, terwijl hun oostelijke stadsgenoten zich tevreden moesten stellen met de stapvoetse tram. Och, het leven in een communistische staat bestond toch grotendeels uit wachten. Vier, vijf jaar stond je op de wachtlijst voor zo'n rottige, pruttelende Trabant. Als er twee tegen elkaar vlogen, vielen ze in twee helften uiteen, is me eens verteld, en konden de eigenaars weer van voren af aan beginnen (en weer vier jaar lang de tram nemen).

Bij S-Bahnstation Hectischer Markt (daar heb je hem weer) is een groot tramstation, waar wel zeven lijnen hun beginpunt hebben, zeven lijnen die uitwaaieren over Noordoost Berlijn. De Stadtbahn is hier aangelegd op stenen bogen; het doet me denken aan Rotterdam Hofplein.

Onze tram komt terecht op de Prenslauer Allee, een Berlijnse Laan van Meerdervoort, immer geradeaus, kilometer na kilometer. Hier neemt het tempo van de tram wat toe. De eindbestemming van lijn 1 ligt in Pankow, waar we al geweest zijn.

Wij stappen bij Prenslauer Allee / Ostseestrasse over op de ringlijn van de S-Bahn, en komen terecht in het allernieuwste model S-Bahntrein. Hij is rood van kleur, en draagt het DB-logo. Na een paar haltes verlaten wij ook deze trein weer en stappen over op de U-Bahn richting Alexanderplatz, voor ons bezoek aan de Karl Marx Allee, waarover meer vermeld staat in deel 2.

Glazenwasser

Na de Karl Marx Allee begeven we ons naar de catacomben onder Zoo, waar we een loket weten van de BVG. Terwijl Wim daar een nieuw Stadtplan koopt, ter vervanging van zijn bemuurde exemplaar uit de jaren 80, amuseer ik me met een informatiezuil voor het stadsvervoer. Via het touch screen kun je herkomst en bestemming invoeren, en het beeldscherm toont vervolgens de reisroute. Na een druk op de knop komt er nog een print uit, ook; in de vorm van een soort kassabon. In Nederland raakt zo'n apparaat eerst defect, en wordt vervolgens vernield (of vice versa), maar in Berlijn werkt zoiets gewoon. Alles in het Berlijnse OV werkt gewoonweg: roltrappen, automatische halteafroep in alle bussen, DRIS-systemen, microfoons die omroepen dat je moet Zurückbleiben, alles. Het is triest, dat het ons opvalt, want dat zegt genoeg over de situatie in het land van onze herkomst.

Na gedane zaken begeven we ons per S-Bahn naar restaurant Badaro bij Checkpoint Charley, dat ons eergisteren goed bevallen is. Wim gaat onderweg ergens op een station nog wat foto's maken van de verschillende types S-Bahntreinen (welk station, kan ik niet meer te voorschijn brengen uit mijn aantekeningen. We hebben die dag ook nog gezeten in de U-15, een ultrakorte lijn van station Uhlandstrasse op de Ku'Damm naar het twee haltes verderop gelegen knooppunt Wittenbergplatz, maar wanneer of waartoe, weet ik niet meer. Een raar lijntje; het loopt halverwege onder de Ku'Damm dood bij de Ulandstrasse; voor doortrekking naar Adenauerplatz was zeker geen geld meer).

Goed; terwijl Wim die foto's maakt, wil ik eindelijk het raadsel van de stationschefs eens doorgronden. Ik besluit er één te gaan observeren, net zolang totdat hij me aanklaagt wegens Stalkung. Maar kom van een kouwe kermis thuis, want de twee vrouwelijke chefs op dit station zijn gezeten in een seinhuis dat weliswaar doorschijnend is, maar toch geen goed zicht biedt op wat ze precies uitspoken.

Eén van de dames regelt het treinverkeer, boert telkens de laatste 10 regels van de Odyssee in de microfoon, geeft tegelijkertijd de planten in het seinhuis water, en instrueert op vinnige wijze een glazenwasser. "Ook in de hoekjes, jongeman!", zoiets zal ze wel zeggen. Wat die stationschefs nou precies allemaal omroepen en doen, zal altijd een raadsel blijven. Ook de erg beknopte site van S Bahn Berlijn meldt het me niet; hier moet ik een los eindje laten liggen.

Gedächtnis

De nacht daarop, de laatste nacht in Berlijn, wordt ik weer eens een keertje wakker van spookgeluiden. Geen huizenbouw of stratenmakerij, deze keer; de stenenlift zwijgt. Wel is er een mysterieus gebruis en gekolk. Je zou zweren dat het gewoon regenval was, als je niet wist dat het hier spookte. Maar inderdaad: ik treed aan het venster en zie de hemelsluizen geopend boven de toch al zo modderrijke binnenplaats, waar nooit een sterveling zit of wandelt. Zware regenval, hoewel het weerbericht voor onze laatste dag zon heeft voorspeld.

De volgende morgen is het weer droog. We nemen roerend afscheid van het ook vandaag weer zonder personeelsleden draaiende Castell, en begeven ons naar Zoo, om de koffers te parkeren in een kluisje. Onze IR Wesertal vertrekt pas om halfvier; ons wacht nog bijna een hele dag Berlijn. Een dag die niet anders zal verlopen dan we gewend zijn: muur en oorlog.

Tegenover station Zoo staat de Gedächtniskirche. Deze verloor bij een bombardement in 1943 het grootste gedeelte van zijn toren. De schade is nooit hersteld en de kerk ziet er nog net zo uit als vlak na die voltreffer. Er is een nieuwe, moderne kerk tegenover gebouwd. Het interieur daarvan is nogal duister. Door blauw gebrandschilderde ramen sijpelt op deze wat donker begonnen dag schaars daglicht naar binnen. Een moderne God als altaarbeeld sterkt zijn armen naar de bezoekers uit.

De oude, gehavende kerk is ook toegankelijk. We zouden ook hier gaarne vurig biddend op de knieën neerzijgen, maar zijn te vroeg; hij gaat pas om 10.00 uur open. Het tweetal kerken houdt de herinnering aan het verleden intact, alsof je dat in Berlijn ook maar één seconde zou kunnen vergeten. De oorlog gedenken; het is toepasselijker dan ooit, met een nieuwe voor de boeg.

Buiten passeert ons weer een schoolklas; een groep-zeven, zo op het oog. De kinderen zijn nog redelijk monter; net als wij van plan om tot de laatste seconde van de vakantie te genieten. Maar de twee onderwijzeressen hangt de tong op de schoenen. Ze hebben het helemaal gehad, en verlangen zichtbaar naar huis en haard.

We nemen de U-Bahn naar de Platz der Luftbrücke, De U6. Een man tegenover ons leest in de Bild-Zeitung. "Wat onthult uw handschrift?", kopt het blad. Het mijne verdomd weinig; zelfs wat ik schrijf, geeft het soms niet eens prijs.

We verlaten het U-station en komen boven in het zuiden van het centrum, niet ver van het vliegveld Tempelhof, gelegen op een groot weiland midden in de stad. Ook bij dit stuk Berlijn past een geschiedenisles. In de lente van 1948 sneden de Russen West-Berlijn af van de buitenwereld, met het doel, de stad te veroveren op het vrije Westen. De andere voormalige geallieerden, de Fransen, de Britten en vooral de Amerikanen, besloten tot het instellen van een luchtbrug om de getroffen stad te voorzien van voorraden. Gedurende de 12 maanden daarop vonden 200.000 vliegtuigbewegingen plaats op het kleine vliegveldje; de kisten landden met een hogere frequentie dan die van de S- en de U-Bahn tezamen. Zo hielden de geallieerden hun voormalige vijanden in leven; natuurlijk niet omdat zij ze zo aardig vonden, maar om de Russen te dwarsbomen, want de vrede was toen alweer verworden tot koude oorlog.

Er ging nog wel eens iets mis bij die luchtbrug. In het Haus am Checkpoint Charley hadden we al een foto gezien van een Amerikaanse kist die in de bomen hing, in plaats van op de landingsbaan te staan. Enkele tientallen piloten lieten het leven. Ter nagedachtenis is het monument opgericht dat hier in een modderig parkje staat: een betonnen monstruositeit van minstens 30 meter hoog, waarin je met enige moeite een (vliegtuig)vleugel kunt zien, die zich beschermend kromt boven het hoofd van de toeschouwer.

Even verderop in deze wijk, Kreuzberg, ligt het Victoriapark, een volkspark dat in het begin van de 19e eeuw is aangelegd om de stadsbevolking enige kleur op de wangen te geven. Het ligt in nogal geaccidenteerd terrein. We beklimmen een steile heuvel langs een waterval, die een uitzondering vormt op de regel dat alles in Berlijn het doet; deze waterval is defect, en al sedert enige tijd drooggevallen. Op de top van de heuvel zien we een monument ter herinnering aan 1814, zo ongeveer het laatste jaar dat Duitsland een oorlog won.

Bij het monument staat op een hele resem informatiepanelen de geschiedenis van dit park uitgeprint; een tekst die bijna zo lang is als deze aflevering van DDR. In de jaren 80 is het park opgeknapt in Auftrag des Senators fur Stadentwicklung und Umweltschutz, Abteil III Landschaftsentwicklung und Freiraumplanung - Garten Denkmalpflege. Ik ben blij, dat ik Berlijn straks niet hoef te verlaten zonder dit te weten. Hopelijk heb ik het correct overgeschreven.

Beneden ontmoeten we weer een schoolklas, deze keer autochtone Berlijnertjes die in de volkstuinen gaan werken. In een volière krijst een gekgeworden papagaai met schorre noodkreten de hele boel bijelkaar. Hij heeft de Sint-Vitusdans en maakt rare buitelingen door zijn kooi.

We nemen de S-Bahn naar de Potsdamerplatz en begeven ons vandaar naar de voorlaatste attractie van ons lijstje: het Musikinstrumenten Museum. Een museum dat ons heel goed bevalt. Deze keer eens geen uitdragerswinkel met rariteiten en lappen tekst. Dit museum toont muziekinstrumenten uit vijf eeuwen, smaakvol opgesteld in een grote zaal; een lichte ruimte met veel stemmig hout erin verwerkt.

In het hart van de collectie staat een Wurlitzer bioscooporgel uit de tijd van de stomme film. De tientallen klavieren en registers stellen een complete fabriekshal in werking, met niet alleen duizenden orgelpijpen, in allerlei vormen en formaten, maar ook talloze trommels, timpanen en cimbalen, en zelfs een xylofoon.

De Wurlitzer, die bespeeld wordt als wij het museum binnenkomen, is geschikt om een zinderend feest luister bij te zetten. Maar op dit moment stemt het instrument tot nadenken, en wat melancholiek. De tonen van "What a wonderful world" kabbelen door de grote zaal. In de USA mag dit nummer niet ten gehore gebracht worden op radio en TV, omdat de wereld op dit moment niet zo wonderful is voor de Amerikanen. Ook "Go to pieces", een vlotte meezinger van Peter & Gordon uit 1964, is in de ban gedaan.

Het orgel zwijgt; de laatste tonen van "Wonderful World" stijgen naar het plafond. Via koptelefoontjes is meer muziek te beluisteren; gespeeld op instrumenten uit voorbije eeuwen. Die ene elektrische gitaar is hier een anachronisme.

Als we na een uurtje weer buiten staan, blijkt het mooi, zonnig weer; voor het eerst tijdens ons verblijf.

De wintertuin

Dan echt het allerlaatste wat wij in Berlijn bezichtigen: het KaDeWe. Die letters staan voor "Kaufhaus des Westen"; een zeven etages hoge tempel, gewijd aan de Godinnen Consumentisme en Kapitalisme. Dat is geen cynische opmerking van een satiricus; het enorme warenhuis, met een grondvlak van bijna een hectare, is werkelijk zo bedoeld, en niet anders; de naam zegt het al. Ossies die een pasje hadden voor een dagje West-Berlijn, moest hier de ogen uitgestoken worden met dingen waarvan ze thuis niet konden dromen. Op de afdeling tapijten zijn Perzen te koop voor DM 18.000; ze zijn afgeprijsd. Er ligt een stapel van minstens 25 exemplaren. Op de vierde kijk ik alvast naar een nieuwe digitale camera; enigszins voorbarig dus.

De zesde en zevende etage, niet toevallig de twee hoogste, staan in het teken van wat de Duitser het liefste, het allerliefste doet, zelfs nog liever dan dát: zwelgen en slempen, liefst heel erg veel; activiteiten met nadruipend Geschirr als voorspelbaar residu. De zesde etage bestaat uit allerlei barretjes waar drankjes en happen verkrijgbaar zijn. Worst domineert: een penetrante bradende worststank overstemt hier alle andere zintuiglijke ervaringen. Je moet er niet komen als je al gegeten hebt; je wordt spuugmisselijk.

De zevende etage is iets draaglijker en beschaafder. Daar is de Wintertuin gevestigd, een zelfbedieningsrestaurant met uitzicht over heel de stad. Wij eten hier warm; vanavond rond het diner zitten we in de trein. Vanzelfsprekend voldoen we aan het ook hier opgehangen verzoek, het Geschirr zelf op de afruimband te plaatsen. Ik heb iets met dat woord.

Onze laatste U-Bahnrit in Berlijn voert van de Wittenbergplatz naar station Zoo; één halte. We halen onze koffers en nemen plaats op het perron, het Fernverkehr-perron, nu, vanzelfsprekend. Het is hier onaangenaam druk; dat nieuwe hoofdstation is geen overbodige luxe. Alle schoolklassen zijn op de thuisreis. Een bejaarde Fransman spreekt ons aan in slecht verstaanbaar Engels. Hij heeft het over Berlijn, en praat maar door, en door, en door. Twee Nederlanders die in Duitsland luisteren naar het Engels van een Fransman. We hebben hier helemaal geen zin in, en scheuren ons van hem los. Vervelende, ouwe pik.

Vanaf het andere perron horen we het al evenmin verstaanbare gemompel van "het mannetje van de S-Bahn". Vermoedelijk is het de laatste alinea van vijf jaar De digitale reiziger, bij elke trein herhaald; ook als wij straks weg zijn. Wat nog meer te zeggen? De blauwe trein loopt binnen; dit verhaal is uit.

Frans Mensonides
1 november 2001



De foto's van De digitale reiziger op sloffen, de tram bij de Glieniecker brug, het Holländisches Viertel, de Pergamon-tempel, de Gedächtniskirche, de Wintertuin in KaDeWe en het Wurlitzer orgel, zijn gemaakt door Wim Scherpenisse.