De digitale reiziger (97)
Q-link Groningen: De triomf van het rubber over het staal


Zernike


Dit OV-reisverhaal gaat over Q-link van Qbuzz, een snelbussysteem in en om de stad Groningen. Q-link is geïntroduceerd als goedmakertje voor het niet-doorgaan van RegioTram. Ik ga een paar ritten maken, schrijf deze inleidende woorden al op de dag vóór mijn reis, en ben benieuwd wat ik aan het eind van dit artikel zal concluderen.

Deze reisdag moest een bus-dag worden, omdat ik na al het nieuws van de laatste weken (Huges, Fyra-verhoren) even mijn buik vol heb van schrijven over railvervoer. En wat kun je dan beter doen dan een bus nemen die eigenlijk een tram had moeten zijn? De triomf van het rubber over het staal.

Q-link, dus. De formule is bedacht door concessieverlener OV-Bureau Groningen Drenthe en concessiehouder QBuzz, die gedurende de gehele jaren 10 het OV in beide provincies mag uitvoeren. In december 2013 reden de eerste Q-link’s in en om Stáád.

Q-link is het noordelijke equivalent van het Randstedelijke R-net: hoogwaardig busvervoer, HOV. Dat wordt ook hier vertaald in: comfortabel materieel, hoge frequenties, een hoge gemiddelde snelheid en voldoende reisinformatie voor en tijdens de rit. Voor dat alles betaal je met je chipkaart niet meer dan voor een rit met een gewone, laagwaardige Qbuzz-bus (nl. het nog altijd pittige kilometertarief van 15,5 cent).

Met Q-link hoopt men automobilisten uit hun vierwieler te lokken, of ze in ieder geval daarmee niet verder te laten rijden dan het laatste P&R-terrein vóór de binnenstad van Groningen. Q-link is sterk gericht op de forens, de student en het winkelend publiek. Wat niet betekent, dat anderen er geen gebruik van kunnen maken. Behalve lijn 15 rijden de bussen 7 dagen per week en 18 uur per dag.

Hoe ziet het Q-link-net eruit, en hoeveel kan ik daarvan in één middag verkennen? Als je hun website oproept, krijg je merkwaardig genoeg eerst een clip van twee zangers die zich The Given Horse noemen, en hun liedjes kwelen in de bus. Horse, Groningen, je kunt aan niets anders denken dan aan het Peerd van Ome Loeks, in de nabijheid waarvan al die luxueuze, gelede Mercedes–bussen samenkomen en weer vertrekken: het busstation van Groningen, bij het treinenstation.

 

Archieffoto 2014





Ook het lijnennet van Q-link lijkt wel wat op een paard. Ik zie er duidelijk vier poten, sorry, benen, een hoofd en een soort rudimentaire paardrijder in; een steigerend paard met een achteroverhangende ruiter. Elke lijn heeft zijn eigen kleur. Er zijn vijf lijnen: 3, 4, 5, 11, en 15.

Lijn 3 rijdt van Leek / Tolbert, dat een station had moeten krijgen aan de Zuiderzeelijn, via P&R Hoogkerk en P&R Kardinge naar Lewenborg, een wijk in het noordoosten van de stad Groningen. Lijn 4 rijdt van het Drentse Roden naar de wijk Beijum, de buurman van Lewenborg, en volgt tussen de P&R’en Hoogkerk en Kardinge dezelfde route als 3.

Lijn 5 begint ook in Drenthe. Hij verbindt Annen en Zuidlaren met station Groningen Europapark en heeft de P&R’s Haren en Euroborg op de route. Die lijnen 3 t/m 5 stoppen allemaal bij het ziekenhuis UMCG.

Nummer 11 rijdt van Zuidhorn via het universitaire complex Zernike naar station Groningen. Lijn 15 tenslotte, transporteert via de snelste route vooral studenten van Zernike naar wat op het kaartje ‘Hoofdstation Groningen CS’ heet (officieel gewoon: Groningen sec). Alle andere Q-link-lijnen rijden ook nog via de Grote Markt, waar de ‘gewone’ stads- en streekbuslijnen nu zijn verdwenen. Hier stopt nu verder alleen nog een bus naar de Waddeneilanden, althans naar de veerboten daarheen; hij rijdt niet door de Waddenzee, ook niet bij laagwater.

Q-link volgt grotendeels de routes van al lang bestaande busverbindingen. Een aantal bestemmingen van Q-link heb ik al eens bezocht in het 18-jarig bestaan van De digitale reiziger. Maar ik heb een goede reden om die Groningse stukken te desavoueren.

Als ik per IC Groningen binnenrijd, zie ik op een gebouw met grote letters YSPEERT staan; dit verhaal blijft in hippische sferen.



 


 

RodenP&R HoogkerkBeijumMartsinitsoor'n; HEMAZernike - Berend BotjeConclusie - PS: over de trein raak je nooit uitgepraat

 


Roden


Twee goede redenen om als eerste Q-link lijn 4 naar Roden te pakken: ik ben nog nooit in dat Drentse dorp geweest, en die bus staat klaar op perron E, enkele minuten na het noenuur.

Behalve zijn eigen kleur, heeft ook elke lijn zijn eigen type bussen; wel allemaal Mercedessen, met weinig onderlinge verschillen. De bestemmingen van de bussen staan ook vetgedrukt op de ramen, wat het lastig maakt om ze op een andere lijn in te zetten.

Het is echt een dijk van een bus, deze Q-link. Hun luxueus uiterlijk wekt verwachtingen, en die worden helemaal waargemaakt. Ze rijden soepel en geruisloos en hebben prima zitcomfort, ook in de achterste bak. ‘Achterbaks’ reizen is niet altijd een genoegen in gelede bussen, maar in deze Mercedessen geen klachten.

Ze hebben ook WiFi en airconditioning aan boord. Helaas kan ik beide niet in de praktijk testen: WiFi niet omdat ik mijn smart-phone heb thuisgelaten; airco niet omdat het geen weer is waarbij je airco nodig zou hebben. Dit wordt weer zo’n zomer met van die mini-hittegolfjes die 12 tot hooguit 36 uur duren. En vandaag zitten we niet in zo’n hittegolf.

De Q-links hebben 44 zit- en 100 staanplaatsen, volgens opgave. Ja, 144 man krijg je er vast wel in, maar dan reis je wel op z’n Tokio’s. Ik zal vandaag echter niemand zien staan, al zijn de bussen over het algemeen toch redelijk bezet.

Na Groningen NS gaan we een viaduct over, wat hoeken om en belanden op de Peizerbaan, een lange busbaan van 3 kilometer die doorloopt tot P&R Hoogkerk. Daar ga ik straks nog een blik werpen. Na de P&R-plaats ontvouwt zich een ongerept landschap met bossen en weiden.

Ik schreef dat Q-link het goedmakertje was voor dat gesneuvelde tramproject RegioTram. Maar de Q-link-bussen volgen niet altijd de indertijd geprojecteerde tramlijnen. Op de 15 kilometer tussen Groningen en Roden is nooit een tram gepland; zo´n plan zou ook al te wild en te stout zijn geweest. Aan de andere kant rijden er geen Q-links naar bijvoorbeeld Hoogezand-Sappemeer, waar een tramdienst over de spoorbaan voorzien was – waarvan ik op voorhand het nut meteen al niet inzag; er rijdt toch al een trein?

Het dorp Peize moet het doen met een Q-link-halte langs de provinciale weg. Roden, het grotere zusje ervan, ligt een paar kilometer verder. De bus ontsluit de hele bebouwde kom van het 14.000 inwoners tellende forenzendorp. Nadat ik ben uitgestapt bij het busstation in het dorpshart, rijdt hij nog een paar haltes verder naar een nieuwbouwwijk, met een opvallende straat- en haltenaam: Vijfde Verloting.

Een flat bij het busstation heet: Spoorstede en een straat: Trambaan. Die namen duiden toch op een railverleden. Dat is er ook.

Vanaf 1913 exploiteerde de NTM (Nederlandsche Tramweg Maatschappij) een tramlijn Groningen – Drachten. Die lijn door drie provincies volgde tot Roden zo ongeveer de route die mijn bus daarnet heeft afgelegd, en boog daarna af naar Leek. Op de terugweg zal ik langs de weg nog duidelijk zien waar de trambaan heeft gelopen. Hij is nog helemaal niet zo lang geleden opgebroken; tot 1985 was hij nog beschikbaar voor goederenvervoer. Je zou hem zo weer opnieuw kunnen aanleggen. Maar de normen voor reizigersaantallen per kilometer trambaan zijn nu wat strenger dan een eeuw geleden; alleen in grote steden zijn ze nog haalbaar. Grotere steden nog dan Groningen, dé metropool van het noorden.

Het overdekte winkelhart van Roden is een raar gevaarte, met volstrekt overbodige koepels en minaretten. Aardiger is het landgoed Mensinge, met een uitgestrekt bos, waarvan ik een klein stukje meepik op mijn rondwandeling hier.


Het ‘borekkekkek, borekkekkek’ van kikkers in de sloten mengt zich met het ‘klepperdeklepperdeklep’ van een ooievaar. Vreedzame existentie op Mensinge tussen twee natuurlijke vijanden? In een oude dierenfabel gingen de kikkers op zoek naar een koning, omdat ze het niet zonder een leidinggevende meenden te kunnen stellen. Ze vonden er uiteindelijk een, een ooievaar, en die vrat ze allemaal op. Hoe leerzaam, zo’n fabel!

Mijn enige medewandelaars op Mensinge zijn een deftig bejaard heertje die een lilliputter-hondje uitlaat en een groepje… mongolen, zou Annemarie Jorritsma zeggen.
‘Ik heb-e jas nog aen’, zegt er een, kouwelijk.
‘Ik voel al een druppeltje’, valt een ander in; zij is vandaag de enige die regen voelt.
‘Nou, dan gaan we wel onder een boom staan’, zegt de begeleidster, met beroepsmatige opgeruimdheid.

Jorritsma is in de media gefileerd voor haar ‘mongolen’. Maar het loopt echt de spuigaten uit met eufemismen. Zelfs ‘geestelijk gehandicapten’ is tegenwoordig al niet salonfähig meer. ‘Mensen met beperkingen’, zijn het nu. Maar dat zegt niks, want dat zijn wij allemaal. Ik heb nog nooit een mens ontmoet zonder beperkingen. Ik heb er zelf meer dan me lief is.

Die Q-links zijn opvallend fotogeniek; ook zoals ze in Roden door het dorp stuiven. Ik had lijn 83 willen nemen, een gewone bus, Assen - Leek, om in het laatste dorp over te stappen op Q-link 3. Maar bus 83 is net weg, en ik neem daarom lijn 4 terug.






P&R Hoogkerk






Achter een natuurgebied verrijzen in de verte de kantoorkolossen van Groningen, waaronder het opvallende Gasunie-gebouw. Ik stap uit bij P&R Hoogkerk, één van de vijf transferia op de route van Q-link. Dit is best een veelgebruikte P&R. Er staat een zee van autoblik, meer dan duizend wielen in totaal wel; allemaal van reizigers die vanmorgen per bus verder zijn gegaan.

Er stoppen hier veel meer lijnen dan Q-links alleen. Ook de Qliner lijn 315 blijkt nog te bestaan. Hij ging ooit helemaal van Lelystad naar Groningen. Bij de introductie van de Hanzelijn werd hij ingekort tot Emmeloord – Groningen. 

Op al die bussen kun je wachten in een aantrekkelijk ogende, kleurrijke wachtruimte, die zelf wel een beetje lijkt op een gelede bus.

Uit een automaat trek je een P&R-kaartje van 6 euro waarmee je met de inhoud van een ruime auto, maximaal 5 personen, naar de stad kunt reizen. Q-link kent ook nog, als laatste der Mohikanen, een sterabonnement als in de tijd van de strippenkaart.

Lijn 3 en 4 rijden in de spits om de tien minuten, in de dal-uren om het kwartier en ’s avonds en op zater-, zon en feestdagen elk half uur. Op het lange gezamenlijke traject tussen P&R Hoogkerk en P&R Kardinge is de frequentie vanzelfsprekend dubbel zo hoog. Elke vijf minuten in de spits, dus, zodat zelfs de meest verstokte automobilist nog net het geduld kan opbrengen om op zo’n transferium op de bus te wachten.


 


Beijum


Ik neem de volgende bus naar Groningen stad, lijn 3, en stap, na een sanitaire stop en een paar broodjes bij het station, weer over op lijn 4, richting Beijum. Q-link hanteert dezelfde filosofie als waarop het RegioTram-plan was gebaseerd: koppeling van streek- aan stadstrajecten, zodat je vanuit de dorpen en de P&R’s rechtstreeks de binnenstad kunt bereiken.

Van het station totaan Kardinge liep in het RegioTram-plan tramlijn 2. Wij van De digitale reiziger hebben in 2009 en 2011 de beoogde tramroutes door de stad Groningen belopen, wat resulteerde in het routeoverzicht onderaan DIT artikel.

De vaart die er tussen Roden en hier inzat, is er op deze stadsrit meteen uit – ook al voert die straks langs een vaart: het Oosterhamriktracé. Meteen na het station staan we al een kleine vijf minuten voor het verkeerslicht om linksaf te slaan naar het Hereplein. Daarna rijdt dat gelede monster door een paar ultrasmalle straten - waar men ook een trambaan doorheen had willen trekken; de tram was geen minuut sneller geweest op dit tracé.

Na P&R Kardinge, waar ook vandaag weer heel wat karren geparkeerd staan, volgen lijn 3 en 4 elk hun eigen weg. Wij rijden door naar Beijum, een wijk met woonerven en een wat kronkelige busroute met om de 300 meter een halte. De bus heeft ook hier niet echt een sneldienstkarakter, maar is een gewone stadsbus, die voor ieders deur stopt.

Waarom zou ik moeite doen, deze wijk te beschrijven? Hij lijkt sprekend op alle woonervenwijken die rond 1980 in Nederland gebouwd zijn. Dat ging altijd gepaard met heel veel fantasie en originaliteit. Zo zijn die huizen met die lelijke, steile trappen volgens mij evenbeelden van die in de Leidse wijk Koppelstein. Nageaapt of zelfs platweg gecopy-and-pasted; het is alleen niet zeker, welke er eerder stonden, die in Leiden of die in Groningen. En zo heten de twee winkelcentra in Beijum: West en Oost. Ik ledig deze beker tot de bodem en ga helemaal mee tot het eindpunt. En neem de eerstvolgende volgende bus terug.



Martsinitsoor’n; HEMA





Ergens halverwege het Oosterhamriktracé, de vrije busbaan langs het kanaal, stap ik uit. Een straat verder heb je de E. Thomassen à Thuessinklaan. Daar sneuvelde in wezen de tram; dat was het begin van het einde van het tramplan. Ineens was er een variant waarin de tram niet meer zou rijden over dat mooie Oosterhamriktracé, aangelegd in de jaren 90, maar door deze vrij gewone straat in een vrij gewone wijk. Ik zag er de zin niet van in. Het regio-gedeelte van RegioTram was toen al gecanceld; er bleven twee stadslijntjes over. In 2012 zette de gemeente om financiële redenen ook een kras door de stadslijnen, en een jaar later reden de Q-link-bussen.

Ik maak een foto van zo’n bus voor de al even fotogenieke Martsinitsoor’n op de Grote Markt. Daarna ‘gratis’ koffie en een appelpunt bij de HEMA op de Herenstraat. Mijn treinreis van vandaag gaat op een HEMA-kaartje met ingewikkelde voorwaarden. Geen dagkaart voor onbeperkt sporen door geheel Nederland, zoals gebruikelijk is. Ik moest deze keer mijn vertrek- en aankomststation opgeven voor op mijn e-ticket. Daarbij rolde dan ook een bon uit de printer voor een HEMA-consumptie, geheel naar eigen inzicht te besteden aan een warme drank en een gebakje. En die bon moet je dan verzilveren op dezelfde dag dat je reist, en bij het HEMA-filiaal in de stad van je bestemming, wat overigens niet gecontroleerd wordt aan de kassa.



 



Zernike







Na dit rustpunt snel verder naar het universitaire complex Zernike; de middagspits is al aardig op streek. Lijn 11 rijdt erheen via de Grote Markt en station Groningen Noord, ongeveer via de geprojecteerde route van tramlijn 1. Bus 11 rijdt als enige lijn met dubbelgelede bussen, noodzakelijk voor de reizigersstroom van de binnenstad naar de collegezalen. Op dit uur dient hij richting Zernike vooral als stadsdienst voor bewoners van de wijk Paddepoel die grenst aan de campus. Het Ciboga-terrein (CIrcus, BOdedienst en GAsfabriek) ligt bijna nog net zo braak als toen we er wandelden in 2011. 

Ik stap uit op het hartje van de campus: het Zernikeplein. Sommige bussen op lijn 11 rijden via Aduard door naar station Zuidhorn, waar aansluiting is op de trein naar Leeuwarden.

Dit universiteitsterrein is ruim opgezet; het is een park met hier en daar een plukje gebouwen. Een park om als een peripateticus rond te wandelen om de lesstof te laten bezinken en er over te discussiëren. Het lijkt op een laatste oase van kennis en geleerdheid vóór een woestijn van onbegrip en vertwijfeling.

Vreemde associatie, maar ik kreeg hem nou eenmaal, die associatie, dus ik schrijf hem maar op, ook, en laat hem staan bij het overlezen. Ik ben niet van de doctrine: ’Schrijven is schrappen’. Wat overbodig is in een tekst, moet je niet schrappen, maar überhaupt niet opschrijven; dat is veel efficiënter. En wat alreeds geschreven staat, was blijkbaar niet overbodig, anders had je niet de moeite genomen om het op te schrijven.

Terug uit dit eldorado der wetenschap neem ik Q-link lijn 15, die van de ochtend- tot en met de avondspits een 5-minutendienst onderhoudt tussen Zernike en het station. Vanuit alle hoeken en gaten komen er op de nadering van de bus studenten uit de laboratoria stormen en naar de bus sprinten.

Een biologiestudente ziet een insect op het busraam lopen en schuift het beest voorzichtig in een glazen buisje dat zij vervolgens hermetisch afsluit. Gevangen! Die eindigt zijn bestaan als microscoop-preparaat. En ze hadden hem nog zo gewaarschuwd voor die studentenbus…

Deze bus rijdt niet door de krochten van de binnenstad, maar neemt na winkelcentrum Paddepoel een snelle route over een randweg waar je 70 mag. Maar op het eind van de rit, bij nadering van het station, loopt hij toch weer eens vast in het stadsverkeer. Uiteindelijk klok ik 17 minuten voor de 7 kilometer tussen Zernike en het station. Heen deed ik er met bus 11 maar liefst 22 minuten over.

 


Berend Botje






Nu rest me nog één van de vijf Q-link-lijnen, nummer 5. Ik doe ermee wat Berend Botje per boot deed: naar Zuidlaren gaan. Oh, over het water kom je er ook, hoor; je neemt achtereenvolgens het Winschoterdiep, het Drentsche Diep, het Zuidlaardermeer en het Havenkanaal. Zo moet hij gevaren zijn naar het dorp waar hij nu maar liefst twee standbeelden heeft (waarvan slechts één op mijn foto’s).

De bus van kwart voor zes is flink druk. Ik vind nog net een zitplek op de achterbank; goed voor het overzicht! Deze bus heeft de binnenstad al gehad op zijn route, rijdt via de kortste weg stad-uit en gaat snelweg A28 op naar het 18 km verderop gelegen Zuidlaren. Eindelijk wat tempo erin.

De enige stop vóór Zuidlaren is P&R Haren. Hij ligt aan de westrand van het dorp dat in 2012 landelijke bekendheid verwierf door dat feestje, dat er geen was en ook niet werd: de ‘Faceboek-rellen’. Ook deze P&R is populair, ook als er geen vermeend feest is. Een uitbreiding van de parkeerplaats is in aanleg. Transferia, ze zijn uitgevonden in de jaren 90, en mislukten in het begin vrijwel overal in het land. Maar rond Groningen, met de Q-link om de automobilisten aan- en af te voeren, wordt toch succes geboekt.

De weg was recht of de weg was krom; ik heb er niet op gelet. Hoe dan ook: nog geen twintig minuten na ons vertrek uit Groningen rijden we het Drentse Zuidlaren binnen. Bij de ingang van het dorp is een halte met een grote fietsenstalling, een fietstransferium, bijna. Ik stap uit op de Brink. De bus rijdt hierna nog door naar Schuilingsoord en Annen.

Anders dan in Roden heb ik hier wat voetstappen liggen, maar het moet wel een jaar of 40 geleden zijn dat ik er voor het laatst was, op een logeerpartij bij de familie in Groningen. De Brink is niet echt veranderd. Nog steeds die houten balken om paarden aan vast te maken op de derde dinsdag van oktober, als hier bijna de grootste paardenmarkt van het wereldrond wordt gehouden.

Wederom paarden; ze blijven opduiken in dit verhaal. Zuidlaren is verder de plaats van de zeven brinken, waarvan er maar een Dé Brink heet. Een brink was in middeleeuwse tijden een weide waarvandaan het vee ’s ochtends gedreven werd naar de es, de gemeenschappelijke akker. Tegenwoordig is het meestal een aangenaam stuk groen in een dorp, waaromheen vaak horeca gegroepeerd is, en zo ook hier.

De lange weg vanaf de snelweg naar de Brink heet Stationsweg. En het gebouw dat ik vlak bij de Brink zie staan: ik mag me wel heel sterk vergissen als dat niet een oud stationsgebouw is. Als ik het later nasla, blijkt er tot 1921 een tram van Zuidlaren naar Groningen gereden te hebben. Hij ging vier keer per dag en deed bijna anderhalf uur over zijn rit.

Overal kon je het tramverleden tegen. Honderden, nee duizenden kilometers tramlijn zijn er in dit land aangelegd in de 19e eeuw en opgeheven in de 20e. Toen de bus nog uitgevonden moest worden, behielpen we ons met de tram. Die is in het streekvervoer afgedankt omdat hij de concurrentie met de bus niet kon bolwerken, en tegenwoordig zo populair bij de beleidsmakers omdat hij er niet meer is.

Die aparte schapenstenen op de foto staan te koop voor een paar euro. Ik neem er maar geen een mee in de bus van 19:12. Die oponthoud heeft, zoals keurig vermeld staat op de digitale display. Maar het valt mee: na een paar minuten komt hij toch opdagen.




Conclusie

Q-link is een waardig opvolger van de RegioTram, die nooit gereden heeft. De gekleurde bussen hebben zich in anderhalf jaar tijd aardig populair gemaakt onder het reizende publiek op de belangrijkste vervoersassen in en om Groningen. En wat meer is: zelfs de automobilist blijkt bereid, er zijn vierwieler voor aan de kant te zetten, getuige de hectaren autoblik die ik op de P&R’s gezien heb.

Aandachtspuntje: de doorstroming in de binnenstad laat te wensen over. Maar dat minpuntje zal niet verhinderen dat De digitale reiziger zijn goedkeuringszegel aan Q-link hecht.

Frans Mensonides
17 juni 2015
Er geweest: woensdag 10 juni 2015


 



PS: Over de trein raak je nooit uitgepraat

Ik heb het gemerkt in dit stukje: ook al ging het over de bus, de bovenleiding bleef erboven hangen. Dat begon natuurlijk al op de heenreis. Ook naar een bus-dag moet je meestal reizen per rail, waarover ik eigenlijk niet meer wou schrijven.

Er is iets merkwaardigs aan de hand met het vervoer met het ijzeren paard. Het spreekt veel meer tot de verbeelding dan dat op rubber op asfalt. Maar het brengt lang niet altijd het beste boven in de mens; zie het geval van de gevallen NS-baas Huges, die de kluit belazerd heeft bij de Limburgse aanbesteding.

Het NS-personeel lijdt echt onder het drama-Huges, stond in de Metro. Ze krijgen er rotopmerkingen over van passagiers. Maar je moest toch al masochist zijn om bij dit bedrijf te gaan werken, of een olifantshuid hebben.

Het laat NS-ers dus toch niet onberoerd, maar de reacties erop lopen sterk uiteen. Sommige conducteurs – en dat zijn nog de meest verdraaglijke – laten zich, uit schaamte over Huges c.s., niet meer zien of horen in de trein. Anderen spreiden een zeer hinderlijk, overdreven soort klantvriendelijkheid ten toon, als overcompensatie, of zoiets.

Ze wensen bijvoorbeeld iedereen, vijftig man in een hele coupé, persoonlijk goede morgen en een goede reis, zonder kaartjes te controleren. Of ze vragen werkelijk aan iedere reiziger of er nog vragen, wensen, op-of aanmerkingen of klachten zijn. En ze houden oeverloze lulverhalen door de luidspreker, waarbij ze in hun zenuwen stations omroepen waar de trein niet stopt, of aansluitingen die niet bestaan.

Om de vijf minuten hoor je, hoe laat het is (of we zelf geen horloge hebben), dat de trein op tijd is (alsof ze apentrots zijn dat het ze een keer gelukt is), dat we welkom zijn, dat we onze bagage niet moeten vergeten, noch om uit te checken, dat er in de voorste coupé nog enkele zitplaatsen vrij zijn (in een verder ook vrijwel lege trein) en of we alstublieft ons afval mee willen nemen als de prullenmanden vol zijn. Kom op zeg, mest eerst je eigen augiasstal maar uit, en begin dan pas over mijn appelklokhuis!

Ik heb het vaak gehoord, de afgelopen weken. Ook vandaag, tijdens mijn 500 treinkilometers op en neer naar het noorden, komt er geen eind aan het vermoeiende conducteursgekwebbel. ‘Het perron bevindt zich aan uw linkerhand, als u tenminste staat opgesteld in de rijrichting’. Dat ZIE je godverdorie toch? Vandaag zal ik op de terugweg zelfs toeristische informatie horen: ‘Rechts (in de rijrichting) ziet u de ondergaande zon en allemaal prachtige beesten in natuurgebied Oostvaarders. Wij wijzen er maar even op, voor de incidentele reizigers, die misschien niet elke dag reizen op dit traject.’

In de stiltecoupé zou er een uitknop aan die luidsprekers moeten zitten. En de complete NS moet collectief naar de psychiater voor rouwverwerking of een post-traumatisch stresssyndroom; het wordt al gekker en gekker.

FM

PPS: kort na die informatie over Oostvaarders moet de conductrice hakkelend en stotterend opbiechten dat er weer eens een stremming is bij Schiphol. De trein zal nu naar Amsterdam Centraal rijden in plaats van Den Haag. Nooit kwam De digitale reiziger weerom?

FM


PPPS: op de dag van publicatie van dit reisverslag werd in de media gemeld dat de Groningse gemeenteraad ook de Q-links wil verbannen van de Grote Markt. Dat maakt Groningen tot het Leiden van het noorden, waar de reiziger uit de bus gegriept wordt in plaats van dat de bus wordt gepromoot. En dat maakt die foto van die bus aan de voet van de Martinitoren nu al historisch.

FM




© Frans Mensonides, Leiden, 2015