Nr. 198 - zondag 5 april 2015
Oom Otto, een paasverhaal




LAATSTE ZES AFLEVERINGEN

197. 'THIS IS NOT A CHICKEN'; UNIVERSELE KIP IN SITTARDS MUSEUM (29/03.2015)
196. JAREN MET JANUVIA, OF: DE FARMACEUTISCHE MAFFIA (22/03/2015)
195. NAER 'T LEVEN; 'DE LATE REMBRANDT' IN HET RIJKSMUSEUM (15/03/2015)
194. WATERSCHAPSVERKIEZING (08/03/2015)
193. MOSKEE EN ROC; MIJN BUURTJE WEDEROM IN HET NIEUWS (01/03/2015)
192. VERGETEN SLAVEN: NEDERLANDSE ZEELIEDEN (22/02/2015)





Wát? Een auto op FHM’s? Foto: Guido Radig; overgenomen van 
Wikimedia Commons

Pasen, tegenwoordig betekent het niet meer voor me dan een lang weekend. Maar in mijn schooltijd kon je dan aanspraak maken op twee weken vakantie. Het fenomeen: paasvakantie bestaat tegenwoordig geloof ik helemaal niet meer.

Bij ons in de familie werd die periode altijd gevuld met logeerpartijen over en weer. Mijn ooms waren - behalve die uit Hoogezand - onderwijzer, en genoten met Pasen dus ook van een welverdiende vakantie.

De logeerbewegingen van 1965, 50 Pasens geleden, herinner ik me nog overduidelijk. Alvorens wij in de tweede vakantieweek gingen logeren in Doetinchem, kwam voor het paasweekend zelf de familie uit Deventer over. Ja, al onze familie woonde in de oostelijke provincies. Bij bezoeken aan Leiden wilden ze altijd, weer of geen weer, naar het strand, dat je in het oosten niet hebt, en waar wij dan blauw van de kou op de foto werden gezet.

Bijzonder in 1965 was het feit dat er, naast oom, tante en twee neven, nog een vijfde gast meekwam. Dat was een nieuwe huisvriend van hen, ene Oom Otto. Volwassenen moest je altijd met oom of tante aanspreken, ook al waren ze geen familie van je.

Oom Otto was een zeeman, met een anker op zijn arm getatoeëerd; een korte, gedrongen man, gebruind door de zon. Hij was gescheiden. Hij was zoals je je een zeebonk voorstelt; een beetje onbehouwen type, maar daardoor nog niet onsympathiek. Wat mijn oom en tante bewogen had, hem mee te nemen naar Leiden, is nooit helemaal duidelijk geworden. Mijn moeder heeft later wel gesuggereerd, dat ze haar aan hem wilden koppelen, maar dat lijkt me dan toch een schoolvoorbeeld van een mis-match. Vermoedelijk waren ze bewogen door medelijden: zo’n man, helemaal alleen met de feestdagen…

Oom Otto en mijn eigen oom hadden schone plannen, bij ons in huis - waar geen man in huis was - wat noodzakelijke klussen op te knappen. Maar daarvan is weinig terecht gekomen. De mannen vonden bij nader inzien dat verlof, respectievelijk vakantie, diende om uit te rusten. Ze waren dan ook moeilijk te bewegen om uit hun fauteuils te komen.

Die invasie van vijf man bracht ons huis aardig in disorde. We woonden dan nu weliswaar in een eengezinswoning, maar daarmee nog niet in een pension. Waar moest iedereen een slaapplek vinden? Mijn moeder sliep op de bank. De kamer van onze student uit Maasdijk, die het paasweekend afwezig was, werd zonder pardon gevorderd. Mijn broertje en kleinste neefje sliepen in één bed. En ik moest mijn eigen kooi afstaan aan onze eregast, oom Otto, en genoegen nemen met een matras op zolder.

Dat soort afwijkingen van het normale levenspatroon bevielen me altijd heel erg slecht. Ik kon heel moeilijk in slaap komen, zo laag bij de grond en onder de hanenbalken, die me om een of andere reden nog verder terneerdrukten. Tot ’s avonds laat kwam ik steeds mijn ‘bed’ uit en ging me beklagen over slapeloosheid, in de huiskamer, waar de vier volwassenen een conversatie gaande zaten te houden. ‘Het is maar voor drie nachtjes’, suste mijn moeder.

Oom Otto had een Opel, een lange, groene wagen, en wilde graag de bollen zien. Op eerste paasdag reden wij erheen; met zijn achten in de auto gepropt. Een Opel had een snelheidsmeter die leek op een horizontale koortsthermometer; ik kon mijn ogen er niet vanaf houden. Ik kende alle automerken, een prestatie die ik anno 2015 onmogelijk kan evenaren. En van alle automerken kende ik de snelheidsmeter, en tot hoe ver die ging; ik dacht dat auto’s echt zo hard konden rijden als het hoogste cijfer op de meter aangaf.

Die snelheid haalden we op die bollenpaaszondag op geen stukken na. Er waren meer mensen op het idee gekomen, naar de bollen te gaan. Bij Sassenheim stonden we al hopeloos vast. We waren terechtgekomen in het toen nog zeer zeldzame fenomeen van de file.

De bollen konden oom Otto bij nader inzien ook maar matig bekoren. Mensen van de geestgronden weten dat je ook hartje bollenseizoen slechts hier en daar een bloeiend bollenveld hebt. Verder moet je het doen met velden die nog niet tot bloei gekomen zijn of alreeds zijn uitgebloeid. Het viel oom Otto zwaar tegen. En steeds dat oponthoud begon de man, die de wijde baren gewend was, ook flink te ergeren. Hij had het land, en als een zeeman het land heeft, berg je dan maar!

'Godverdomme', schold hij, 'ga je naar die beroemde bollen, en zie je alleen stinkauto's en achterbumpers en rooie achterlichten!' Hij bleef maar tieren en vloeken, en mijn oom en tante lachten hem steeds harder uit: 'Maak je toch niet zo dik, Otto, je kunt er immers tóch niets aan veranderen!´

De stoom kwam Oom Otto bijna uit de oren. Maar ondanks al zijn gram moest hij in Vogelenzang persé stoppen bij een bloemenstalletje, om zo'n bloemenslinger te kopen voor op zijn Opel. Ook daarvoor moesten we nog een lange tijd in de rij staan.

’s Anderendaags pakten we toch weer die groene auto, deze keer voor een middagje strand in Noordwijk. Oom Otto begon alweer heel erg naar zee te verlangen, denk ik. Het was guur, winterachtig weer, zowel in mijn herinnering als op de site van het KNMI. Die middag had ik het voor elkaar dat ik voorin mocht zitten, en zag ik voortdurend die verwaaide, verplukte bollenslinger op de motorkap.

De volgende dag hingen de treurige, verwelkte resten ervan nog steeds aan de auto, toen we afscheid namen van de familie en de niet aan ons vermaagschapte oom Otto. Het was een wat merkwaardige en bekommerde logeerpartij geweest, maar ik sliep die nacht weer in mijn eigen bed, was toch maar mooi met de auto geweest, en had de logeerpartij in Doetinchem en de treinreis daarheen nog te goed; alleen maar reden tot tevredenheid.

Oom Otto hebben we nooit meer teruggezien. Ook mijn oom en tante zagen niet veel meer van hem. Hij kreeg kennis aan een nieuwe vrouw, en dan verwateren vriendschappen snel. 

Ik pakte het fotoalbum van 1965. Dat bevat een fotoserie van die logeerpartij. Maar merkwaardig genoeg staan alleen wij op de foto’s, de vier broertjes / neefjes. Wij kinderen zijn eieren aan het verven, zitten in een Noordwijkse strandtent en liggen op die ongewone slaapplaatsen. De hele oom Otto staat niet eens op de foto. En dus ook niet op de ereplaats boven dit artikel, die een gast toekomt. Je moet genoegen nemen met een Opel, en niet eens een groene.

FHM
5 april 2015


VOLGENDE AFLEVERING: COEVORDEN: MULTIS PERICULIS SUPERSUM (12/04/2015)

© Frans Mensonides, Leiden, 2015. Snelheidsmeter overgenomen van marktplaats.nl (maar al verkocht)