Nr. 256 - zondag 31 januari 2021 (week 4)
'Zij heeft haar brood niet in ledigheid gegeten', oud bidprentje

LAATSTE ZES AFLEVERINGEN

255. CORONAJAAR IN MOMENTEN (03/01/2021)
254. BEMINDE ZATERDAG VOOR DE BUIS (20/12/2020)
254a. BESLIST EVEN LEZEN!!! 27 DINGEN DIE IEDERE SCHRIJVER MOET WETEN!!! VERPLICHTE KOST VOOR IEDERE SCRIBENT!!! (20/12/2020)
253. NEPNIEUWS, WAPPIES EN WONDERDRANKJES, PEST TOEN EN CORONA NU (29/11/2020)
252. THUIS LATEN BEZORGEN... (08/11/2020)
251. REALISME EN CORONAKUNST IN SCHIEDAM (20/09/2020)
250. WIE GOOGELT OP ZIJN NAAM... VINDT EEN SCHIPBREUKELING (13/09/2020)


De rubriek FHM's A-viertjes verschijnt onregelmatig. Maar als hij verschijnt, doet hij dat op zondag.

 


Ik heb al vaker geschreven over mijn rommelzolder, waar voor een eeuw aan historie ligt opgeslagen, om niet te zeggen: 100 jaar rotzooi. Ik woon sinds 1963 in dit huis, en behalve de rommel van het gezin waarin ik ben opgegroeid, liggen er ook nog de nodige spullen uit de ouderlijke huizen van mijn moeder en vader.

Ik moest toch echt eens zo’n huur-afvalcontainer voor de deur laten neerzetten, om daar de spullen in te gooien waar ik echt niets meer aan heb. Het hopman-uniform van mijn vader zal ik er vast nog wel eens vinden tussen zijn oude kampeerspullen. En fotoalbums met mij volkomen onbekende en al lang verscheiden bloedverwanten, daar heb ik er ook al tientallen van, inmiddels. Een opruimingsactie wil er maar niet van komen, ook onder corona niet.

Een enkele keer vind ik er een pareltje tussen. Geen kostbare zaken, maar wel met een emotionele waarde.

Vorige week nam ik in een verloren ogenblik die ene schoenendoos weer eens ter hand met paperassen uit de nalatenschap van oma. Ik wist dat er een bundel krantenknipsels in zat uit de Hongerwinter. Misschien zou ik er iets tussen vinden waarmee ik mijn nog steeds groeiende webpagina over oma’s Hongerwinterdagboek kon larderen.

Maar wat viel er uit die doos? Een oud gebedenboekje dat oma als kind gekregen had, ik vermoed voor haar Eerste Communie, of zoiets katholieks. Ze waren streng katholiek bij oma thuis, wat ertoe leidde dat zij zou uitgroeien tot een fanatieke papenhaatster.

Uit dat gebedenboekje viel ook weer iets: het hierboven afgebeelde bidprentje. Het is uit 1866, en daarmee het oudste familiedocument in mijn bezit. Een eeuw historie, zei ik? Anderhalve eeuw, zal ik bedoelen!

Op de foto hierboven staan voor- en achterzijde van het bidprentje naast elkaar. Het vergeelde, verweerde en rafelige prentje is in werkelijkheid een maatje kleiner dan het scherm van een smartphone.

Het is gedrukt ter gelegenheid van de begrafenis van Fransisca Hemme-Konneman uit Alkmaar, die op 28 november 1866 veel te jong was overleden, op de leeftijd van 43 jaar. Zij was de oma van mijn oma: mijn moeders moeders moeders moeder om precies te zijn, ofwel een van de 8 bet-overgrootmoeders in mijn kwartierstaat.

Je zou kunnen denken dat ik via-via naar haar vernoemd ben, maar dat is niet het geval. Zoals vrijwel ieder jongetje dat vr de jaren 60 ter wereld is gekomen, ben ik genoemd naar mijn opa van vaderszijde.

Ik kon Fransisca Hemme-Konneman (1822/3–1866) meteen thuisbrengen uit de verhalen die ik in mijn kindertijd van oma (1896-1984) had gehoord, die ze zelf weer had uit de verhalen van haar moeder, Clara Gijzen-Hemme (1860-1942), mijn overgrootmoeder.

De laatstgenoemde verloor in 1866 dus als 6-jarig kleutertje haar moeder Fransisca. Daarna werd zij opgevoed door haar oudere zuster (mijn oud-oudtante). Die was verzot op lezen en liet het huishouden versloffen. Vandaar dat mijn oma in haar jeugd geen boeken mocht lezen. ‘Lezen, dat is voor luie mensen’, kreeg ze te horen van haar moeder, ‘en bovendien verpest je je ogen ermee’. Ook mocht oma niet klagen en huilen om iets onbenulligs. ‘Weet je wat erg is?’, bitste haar moeder dan, ‘je moeder verliezen op je 6e!’

Mijn overgrootmoeder moet een ellendige jeugd gehad hebben, als halve wees in een tijd van armoede. Ook moest zij door het leven met weinig scholing. Op haar elfde werd ze van school gestuurd na 5 klassen doorlopen te hebben. ‘Ik kan jou niets meer leren, Hemme’, zei de onderwijzer (de kinderen hadden in die tijd blijkbaar alleen achternamen en geen voornamen), ‘blijf jij voortaan maar thuis’. Mijn oma heeft dat verhaal tientallen keren aan mij doorverteld.

‘Ik kan jou niets meer leren, Hemme’, was bij ons thuis een gevleugeld woord. Maar ik heb het verhaal altijd wat raadselachtig gevonden. Ik heb nooit begrepen of mijn overgrootmoeder nou zo vreselijk hardleers was, of juist zo schrander dat ze het kennisniveau van haar onderwijzer dreigde te evenaren. Ik hel wel sterk over naar het laatste. Ik moet dat zelf toch ook ergens vandaan hebben.

Bidprentjes hadden in vervlogen tijden in katholieke kringen een driedubbele functie. Ze waren de voorlopers van de hedendaagse rouwkaart, dienden ter nagedachtenis aan de ontslapene, en riepen op tot een gebed voor haar zielenheil, om haar tijd in het vagevuur zo kort mogelijk te houden.

Tegenwoordig zijn die prentjes populair bij genealogische onderzoekers. Het Centrum voor familiegeschiedenis in Den Haag bezit er een slordige miljoen, op alfabet in duizenden dozen. Tegenwoordig is ook een deel van die collectie digitaal doorzoekbaar.

Op de voorkant van het bidprentje staat, zoals traditie was, een heilige; jammer genoeg geen portret van Fransisca.

De tekst op de achterzijde begint met een oproep tot gebed. Dan volgen een paar regeltjes over het leven dat zij geleid heeft. Ik had daar graag iets meer over gelezen dan dat zij haar brood niet in ledigheid had gegeten. Door zulke summiere mededelingen komt mijn verre voormoeder niet echt tevoorschijn uit de mist der jaren. Wonderlijke formulering ook, alsof zij haar boterhammen altijd gauw-gauw naar binnen moest schrokken tijdens het huishoudelijke werk.

In de laatste alinea’s van het prentje wordt Fransisca sprekend ingevoerd. Maar ook dan vertelt ze helaas weinig over haarzelf. Wel dat de dood het einde is van alle kwalen en smarten. Fransisca leefde in een niet erg vrolijk tijdperk. Maar de mensen hadden dank zij de kerk wel hun pie in the sky.

Ik weet ook niet waarmee mijn bet-overgrootvader, Gerardus Hemme, de kost voor zijn gezin heeft verdiend. Wat weet eens mens eigenlijk over zijn bet-overgrootouders? Je hebt er doorgaans 16 in je stamboom – behalve wanneer je op Urk geboren bent, dan zou dat aantal wel iets lager kunnen liggen.

Eigenlijk is het al een wondertje ik door mondelinge overlevering en het bidprentje tenminste nog iets weet over n van dat 16-tal, Fransisca. Ik koester dat plaatje, al zal ik het nooit gebruiken voor het doel dat is opgesloten in het woord ‘bid’prentje.

Frans Mensonides, a.k.a. FHM
31 januari 2021




Frans Mensonides, Leiden, 2021