Leeuwarden en Drachten: provinciaal triest (2)

Het eerste deel van dit artikel, over het stadsvervoer van Leeuwarden, verscheen in de aflevering van vorige week. Deze week reizen we verder naar Smallingerland / Drachten (even voor de verwarring: Smallingerland is een gemeente, en Drachten ligt daarin). Daar mijn aantekeningen gedeeltelijk zijn zoekgeraakt, zal dit reisverslag schitteren door beknoptheid.


Station Camminghaburen


Camminghaburen

Ik liep dus in de richting van het tweede Leeuwardense station: Camminghaburen. Ook alweer zo'n triesterig geheel. Een nieuwtje: het stationsplein is op dezelfde hoogte gebracht als het perron, en loopt daar naadloos in over. Voor me zie ik, als een gapende betonnen muil, de tunnel naar de industriewijk Hemrik, ten zuiden van de spoorbaan. Op het perron / stationsplein staat ook alweer zo'n kleurig misbaksel, net als die wipkip in Zwolle-Zuid. Deze contraptie, hier in Camminghaburen, moet misschien wel een soortement van totempaal voorstellen, of een volière zonder vogels, of een tempel van een new-age sekte. Ik trek aan het deurtje, maar dit bouwwerk is niet toegankelijk, wat zijn nutteloosheid onderstreept.

Ik ben de enige, die hier op de trein staat te wachten. In het begin heb ik nog gezelschap van twee jongens van ongeveer dertien jaar, die fraaie krullen draaien met hun skateboard. Maar als het harder gaat regenen, pakken ze hun rijdende plank onder de arm en lopen naar huis.

Na een paar minuten verschijnen er op het enige vertrekperron nog twee levende wezens: een treinconducteur en een gewone man. De conducteur werkt bij NS en moet met de trein van concurrent NoordNed naar zijn werk. Zou hij nu nog wel vrij reizen hebben?

Hij heeft het so wie so niet gemakkelijk; tegen de gewone man, die een kennis van hem is, klaagt hij over stijgende prijzen en verslechterende werkomstandigheden.

- "Afgelopen woensdag weer vakbondsvergadering gehad. Het ging over Bestemming Klant. Nou, dan weet je het wel! Wuhhhhh!"

("Bestemming klant" is de naam van een NS-plan om o.a. de dienstverlening aan de reiziger te verbeteren; iets waar de vakbonden vanzelfsprekend tegen zijn).

- "En die bazen zeggen dan van: je verdient een goed salaris, maar ik heb twee schoolgaande kinderen. Wat denk je dat dat kost aan boeken en schoolgeld? En je betaalt je in dit land helemaal blauw aan milieubelasting. Terwijl de buurlanden maar van alles in de rivier blijven flikkeren. Nou, dat helpt hoor, voor het milieu. Het is maar weer een bewijs: in Nederland proberen ze roomser dan de Paus te zijn. En dat kan ík zeker allemaal betalen!"

Nou, ik hoor het al. Ook in Leeuwarden wordt er stevig op los geleuterd. Ik benadruk dit speciaal voor die lezer van Rijksuniversiteit Leiden, die meende dat ik beweerd had, dat het uiten van prietpraat alleen voorkomt onder inwoners van Ridderkerk.

De trein doemt op uit de regen en de mist. Wij drieën stappen in. Het traject naar het hoofdstation van Leeuwarden is vier kilometer lang en het ritje duurt evenzovele minuten. Halverwege is er een houten perronetje, nabij een fabriek van het één of ander. Het gerucht gaat, dat hier elke dag twee treinen stoppen; één in de ochtend- en één in de middagspits. Twee geheimzinnige virtuele treinen die in geen enkele dienstregeling vermeld staan.

Tijdens het korte ritje wordt mijn plaatsbewijs gecontroleerd door een conducteur (die door NoordNed is afgeschaft). Bij de conducteurloze bedrijven Syntus en NoordNed wordt fanatieker gecontroleerd dan bij NS; het is me al vaker opgevallen.

Bergum Burgum

Aangekomen in Leeuwarden, zie ik het boemeltje naar Sneek vertrekken. Het is een ongelede Wadloper; de kortst mogelijke reizigerstrein in Nederland (al zullen er ongetwijfeld wel weer betweters zin, die een trein kennen die nog een centimeter korter is).

Van Leeuwarden rijden er vier buslijnen naar Drachten. Om met de hoogste in rang te beginnen: De Interliner rijdt alleen op maandag t/m vrijdag. Dan is er lijn 14, de sneldienst. Die is net vertrokken, en gaat pas weer om 16.40. Lijn 13 wil ik niet hebben; die maakt verschrikkelijke omwegen en doet er bijna anderhalf uur over. Ik kies voor lijn 14, v. 16.02.

Aanvankelijk zit ik alleen in de bus, maar bij het Zaailand stapt toch nog een plukje mensen in.

Hoewel Drachten, de hoofdstad van de gemeente Smallingerland, ten zuidoosten van Leeuwarden ligt, rijdt de bus voorshands in pal oostelijke richting; een ANWB-wegwijzer richting Drachten wordt genegeerd. In de verte zie ik zowaar Lekkum weer. Wat een gat; hoe heeft die Mensonis het er uitgehouden? Even later passeren we het otterpark Aqualutra. Ik herken deze route; Wim en ik volgden hem toen we terugkwamen uit Dokkum. Dokkum / Drachten; ben ik misschien in de verkeerde bus gestapt? Dingen die met een D beginnen, haal ik altijd doorelkaar.

We stoppen bij station Hurdegaryp, aan de spoorlijn Leeuwarden - Groningen. Daarna zet de bus wel degelijk koers naar het zuiden. Via Bergum / Burgum, en Suameer / Sumar rijdt hij geruime tijd later Smallingerland binnen, met 52.000 inwoners écht de allergrootste railloze gemeente van Nederland (we zijn overigens in onze railloze serie de Noord-Oostpolder nog vergeten, die 42.000 railloze zielen telt, en dus zeker in het rijtje thuishoort. Gelukkig zijn we hier al eens geweest; in februari 1999).

Het noordelijke busstation van Drachten.
Deze bus mag inderdaad wel eens door de wasstraat!

Knobelsdorff

Drachten / Smallingerland is niet altijd railloos geweest. Zoals staat te lezen op de website van Jelle-Jan Postma, was Drachten in de eerste helft van deze eeuw (de 20ste, nog steeds) een voornaam knooppunt in een uitgebreid netwerk van stoomtramlijnen. Het tramnet werd geëxploiteerd door de Nederlandsche Tramweg Maatschappij (NTM). Je kon vanuit Drachten onder andere reizen naar Leek, Groningen, Leeuwarden, Assen, Quatre Bras (wat geen Fries is maar Frans), Heerenveen en Lemmer (waar ik vorig jaar op'e tramdyk liep).

Kort na de oorlog deelde de NTM het lot van alle streektrambedrijven; zij maakte plaats voor de bus. Tegenwoordig kun je nog steeds naar alle opgesomde plaatsen, maar dan met Arriva, op rubberen banden.

Drachten hoopt ooit per trein bereikbaar te zijn; de Zuiderzeelijn moet er een station krijgen, zodra de zeepbel van de magneetzweeftrein uitelkaar is gespat (maar ik zag laatst alweer een artikel van een halve zool, die de Zuiderzeelijn wilde aanleggen over bestaand spoor, via Stavoren en Enkhuizen. Het thans nog ontbrekende traject tussen beide havenstadjes zou worden gerealiseerd in de vorm van een 25 kilometer lange geboorde tunnel onder het IJsselmeer). Die man woonde in Workum / Warkum; een preek voor eigen parochie, dus.

Smallingerland heeft van de nood een deugd gemaakt; geen enkele andere railloze gemeente kent zoveel busvoorzieningen. Er zijn zelfs twee busstations, en wat nog mooier is: beide zijn voorzien van een busrestauratie, waarnaar ik in o.a. Oosterhout en Huizen vergeefs heb gezocht.

Het eerste busstation ligt in het noorden van Drachten, Frieslands tweede stad (die geen stad is, maar een dorp) en is gevestigd op de plaats waar ooit het tramstation was. Het tweede busstation ligt aan de zuidkant van het centrum, en wel op het Burgemeester van Knobelsdorffplein. Ik stap uit bij het voormalige tramstation. Een vergissing, blijkt even later, want bijna alle buslijnen stoppen op beide busstations, behalve de Interliners en snelbus 100, en juist die laatste bus moet ik hebben.

Het is hooguit een halfuurtje lopen naar het van Knobelsdorfplein, zie ik op de stadsplattegrond, maar de regen stort bij bakken uit de lucht, en ik besluit de bus te nemen. Het wordt lijn 14, die om 16.40 uit Leeuwarden is vertrokken; de snelbus waarop ik in Leeuwarden niet wilde blijven staan wachten.

Burgemeester van Knobelsdoffplein; de busrestauratie

Twee halten voorbij het busstation stap ik uit. Ik ben nu aan de noordkant van het winkelcentrum, dat bestaat uit een brede allée, vermoedelijk ontstaan na het dempen van een vaart. Het is na vijven; de blinden en luiken gaan neer en de laatste klanten spoeden zich naar hun auto. De duisternis is ons allen vanavond genadig; die valt vroeg in, zodat we de grauwe regenluchten boven Drachten niet meer hoeven te zien.

Op het van Knobelsdorfplein stoppen heel was buslijnen. Ik noteer ze, op een blaadje papier dat ik later ben kwijtgeraakt. Het aanbod aan Interliners kan ik nog reconstrueren, dank zij de site van Ron Huiberts. Er stoppen er maar liefst drie: de 310 naar Groningen, de 350 via de afsluitdijk naar Alkmaar en de 310 die via Bolsward naar de kop van de Afsluitdijk rijdt en daar aansluiting geeft op lijn 350. Er rijdt nog een vierde Interliner door Smallingerland, lijn 315 van Groningen naar Lelystad, maar die stopt er niet.

De lichten van de restauratie, in een hoek van het donkere plein, trekken me als het ware naar zich toe. Ik ga er binnen, en bestel een kop koffie en een gevulde koek.

Zinnen

Gezeten aan een tafeltje sla ik het taalkundeboek weer open. Hoofdstuk 2 heb ik nu wel gezien. Ik begin aan hoofdstuk drie, dat de verrassend korte en heldere titel "Zinnen" draagt; een vlag die de lading uitstekend dekt.

Het hele hoofdstuk staat vol zinnen. Dat geldt voor ieder hoofdstuk in ieder boek, maar in het hoofdstuk "Zinnen" staan twee soorten zinnen: zinnen die als voorbeeld en studiemateriaal dienen, en zinnen die gewoon tot de tekst van het boek behoren. De laatste zinnen zijn feitelijk zinnen over zinnen, een gedachte die niet nalaat, me te fascineren. De zinnen in deze alinea zijn zinnen over zinnen over zinnen. De vorige zin is een zin over...

Om of omstreeks 18.00 uur neem ik snelbus 100, afkomstig uit Groningen, die Heerenveen als eindbestemming heeft. Nog geen half uur later bereiken wij het station van Heerenveen, een plaats die ik associeer met voetbal en schaatssport, en waar ik verder niet al te veel over weet te vertellen.

Hier eindigt de serie railloze artikelen, maar in de trein naar Zwolle hoor ik iemand op hoge toon protesteren tegen te lauwe chocolademelk, en dat geeft meteen weer stof voor een nieuw verhaal.

Frans Mensonides
8 april 2000