De digitale reiziger (95a)
Drie maal de Beneluxtrein. Deel 1: Antwerpen onder en boven de schelde




Museum aan de Stroom, Antwerpen


In deze pas begonnen aprilmaand presenteer ik (geen flauwe aprilgrappen, maar) een reeksje in drie delen over Antwerpen en Brussel. Aanleiding daarvoor is de reÔncarnatie na het Fyra-drama van de internationale treinverbinding Amsterdam – Brussel.

Op 11 maart 2013, in die beruchte Fyra-winter, kwam hij al in terug in het spoorboek als ‘extra’ IC Den Haag HS – Brussel Zuid, in tweeuursdienst. Aan het eind van dat jaar werd hij opgewaardeerd tot een uurdienst met gaten: 12 ritten per richting per dag. Sinds december 2014 is de verbinding Amsterdam Centraal – Brussel Zuid hersteld, in uurdienst, maar – helaas, voor sommigen – met een omweg via Brussel Nationaal Luchthaven.

Deel 1 van deze BelgiŽ-reeks staat nu op je scherm. Hierin begeven wij ons 30 meter beneden en vervolgens 40 meter boven het wateroppervlakte van Antwerpens aorta: de Schelde. In de nog komende twee delen staat het Gewestelijk ExpresNet van Brussel centraal, waarmee het evenmin wil opschieten als bijvoorbeeld Randstadspoor in Nederland.

Ook gaan we eindelijk een ritje maken door de ‘Reuzenpijp’, de tramkoker onder de Turnhoutsebaan in Antwerpen. In 2009 wandelde ik met 15.000 Antwerpenaren door die tunnel, die al sinds 1981 in ruwbouw gereed was. Beloften, om hem alsnog af te bouwen en in gebruik te nemen voor tramverkeer, zijn nagekomen. Zaterdag 18 april 2015 gaat de nieuwe tramlijn 8 (Astrid / Antwerpen Centraal – Rond Punt Wommelgem) door de Reuzenpijp rijden; toch nog, na 34 jaar.



Rotterdam Centraal




Vanavond in Dordrecht

De Beneluxtrein heeft zijn come-back nu dus voltooid, na het Fyra-debacle dat binnenkort een staartje krijgt met het mediagenieke zwartepietspel, genaamd: ‘parlementaire enquÍte’. Dienstregeling-technisch is deze internationale IC een probleemgeval. Zijn ‘pad’ werd na de opheffing eind 2012 gevuld door andere treinen. Daarna is hij met een schoenlepel in het spoorboekje teruggewrongen.

De ‘ligging’ van de trein naar Brussel is met ingang van deze dienstregeling opnieuw veranderd. Hij rijdt nu niet meer de IC Lelystad – Vlissingen in de wielen, zoals vorig jaar, toen ik hem nam op weg naar De Kempen. Nee, vanuit die IC mis je hem nu overal; hij is de Vlissinger te snel af. Vanuit Leiden moet ik de IC naar Dordrecht nemen en dan ergens overstappen op de Brusselaar.

In het weekend vertrekt de trein naar Brussel om 08 uit Rotterdam, en heb je er een keurige aansluiting op vanuit de IC Direct naar Breda die om 06 aan de andere kant van het perron arriveert. Door de weeks gaat de trein naar Brussel er echter al om 05 vandoor, om in Dordrecht een conflict met een stoptrein te vermijden, en mis je hem dus pesterig nťt vanuit de IC Direct.

Over zijn gehele rit Amsterdam Centraal- Brussel Zuid doet de IC niet minder dan 3:23 uur. Dat komt mede door die omweg via de Luchthaven. Die kun je vermijden door in Antwerpen over te stappen op een binnenlandse IC, maar daar win je ook maar 5 minuten mee.

De toeristen zullen door al die bezwaren niet weerhouden worden van een ritje. Wie haast heeft, en voldoende sestertiŽn, kan altijd de snelle Thalys nog nemen.

 

Scheldetunnel


Op weg naar Antwerpen, in dit eerste deel. We schrijven 22 maart 2015, de eerste zondag van de astronomische lente, maar het lenteweer blijft uit: met een temperatuur van hooguit 6 graden en een schrale wind voelt het nog erg winters aan. Museumweer, kortom. Mijn doel voor vanmiddag is het MAS (Museum aan de Stroom) dat ik bij mijn wandeling over De Eilandjes in 2012 al in het vizier had.

Ik beloofde mezelf toen, dat in een wolkenkrabber gevestigde museum eens te bezoeken - en dan zeker niet op het dakterras over de reling te gaan hangen. Het gebouw ziet er eng uit voor iemand met hoogtevrees. Ik zie wel, hoever ik kom, maar vermoedelijk niet hoger dan de 4e. Dan kan ik in ieder geval het Kijkdepot bezoeken op 2, waar 180.000 voorwerpen liggen opgeslagen; daar kun je een zondagnamiddag ook nog wel voor een goed deel mee vullen.

Ik werd weer eens in het holst van de nacht wakker en ben dus nu opvallend matineus voor de zondag op pad. ik mik op de trein van 10:08 uit Rotterdam. Daarvoor moet ik met de eerste bus naar Leiden Centraal en daar om 09:05 de trein nemen; de IC’s van 20 en 50 naar Dordt rijden niet op zondagmorgen.

In Rotterdam kan ik nu dus een klein halfuur tandakken, en ik vul die tijd onder meer met het fotograferen van de trein de andere kant op, Brussel – Amsterdam. Die wordt aangekondigd op de CTA als de IC naar Lelystad, maar mij fop je niet; dit is die ouwe, trouwe Benelux.

De menigte wachtenden op de trein naar Brussel blijkt inmiddels verkast te zijn, met koffers en al, van spoor 4 naar 7; er was een spoorwijziging op het nippertje. Een bescheiden menigte, overigens; het is rustig, op de zondagmorgen.

Niks veranderd verder, in deze trein; dezelfde wagens, getrokken door een Traxx-loc, en met railcatering voor wie zich op het perron nog niet heeft laten vollopen met wakkerword-koffie.

Exact op tijd, dat wil zeggen om 11:15, komen we aan op Antwerpen Centraal. Ik meld het maar even, want volgens de Antwerpenaren zelf valt hun ‘Middenstatie’ meer op door zijn monumentale schoonheid dan door het punctueel rijden van de treinen.




Het MAS is zo vroeg misschien nog niet eens open, dus ik pak even de tram naar de overkant van de Schelde, de Linkeroever. Het enige ondergrondse station daar, Van Eeden, viert dit jaar zijn 25-jarig bestaan. Het ligt op een paar hectometer van de Schelde. Vanaf het diepgelegen perron stijg ik naar het daglicht om een panorama te schieten van de stad. Dat komt niet helemaal uit de verf, door het sombere weer.

En hoe je ook fotografeert, altijd krijg je, naast de ranke toren van de Onze Lieve Vrouwekathedraal, ook die lelijke mastodont van de Boerentoren / KBC-toren erop. In de verte zie ik ook het doel van mijn reis, het MAS, nog boven de daken van andere hoge gebouwen uittorenen. Hij is wel degelijk open; er staan al poppetjes op het dakterras. Goeie zoom heeft die camera trouwens, dat je dat kunt vastleggen op 1600 meter afstand.

Ik verrek hier van de kou. Over de rivier waait het lome, bronzen gebons me tegemoet van de klokken van die ranke toren. Tegen twaalven mengen zich twee lichtere, snellere klokken in het koor. Antwerpen gaat op het noenuur ter kerke.

Vlakbij dit punt is het toegangsgebouwtje voor de voetgangerstunnel onder de Schelde. Die is aangelegd rond 1930. Tot in de jaren 50 moest er tol voor worden betaald; een halve frank, doch slechts een kwart frank voor scholieren en forenzen.







De tunnel is een kleine 600 meter lang en ligt op een diepte van 31 meter onder de Scheldekade. Je bereikt dit lage niveau met een moderne lift of met de originele, houten, hyper-steile roltrappen. Voor de fotogeniekheid kies ik de laatste, maar ik vind ze doodeng, eigenlijk; die blik in de diepte. Toch druk ik maar niet op de NOOD STOP; ik vrees dat ze dan met een snok halthouden en iedereen vervolgens door de onverwachte schok het evenwicht verliest en naar beneden dondert.

De roltrappen bewegen zich voort met omstandig gerammel en ritmisch geschuif en gesis. Langs de wanden kun je afleiding zoeken door het bekijken van de reclameposters. Joke levert elke nacht een kussengevecht; ze kan niet in slaap komen. Ik heb dat ook wel eens; ik voel met Joke mee.

Eindelijk nadert het punt waar ik van de roltrap kan afstappen. Maar hier wacht me een onaangename verrassing; er volgt nog zo’n trap, net zo lang en net zo diep; ik ben pas op de helft. Laat ik er maar aan wennen; het MAS zal me ook wel op dergelijke doorkijkjes trakteren. Raar, trouwens, dat dit hoogtevrees heet; het is veeleer: dieptevrees.

In die lange, smalle tunnel mag je niet gillen en zelfs niet zingen, geen rumoer maken en mag je hooguit stapvoets fietsen; wielrijders worden gedoogd ‘als tegemoetkoming’. Maar er wordt gegild en geroepen bij het leven, en fietsers slalommen met een noodvaart om de wandelaars heen. Gelukkig maar, het valt me mee. Ik dacht dat die Belgen altijd zo akelig gedwee en gezagsgetrouw waren in het verkeer; je ziet er nooit iemand door een rood voetgangerslicht lopen.

De weg omhoog met een roltrap zou minder eng zijn dan die naar beneden, als je de toenemende diepte niet achter je wist.




Boven beland ik, zodra ik het huisje van de tunnel uitloop, in de drukte van een markt. Is dit nu de befaamde Vogeltjesmarkt op zondagmorgen? Nee, ik zie nergens vogelkooien. Wel een hoop rommel die iedere opsomming tart.

Ik zou tien A-viertjes kunnen vullen met alles wat hier te koop ligt, van boeddha-beeldjes tot art deco-lampenkappen. ‘Lolita’ van Nabokov ligt broederlijk naast ‘Vogelpracht in Avifauna’ (toch nog vogels), de oer-Vlaamse Suske en Wiske naast de super-Hollandse Jan, Jans en de kinderen. En in de bak met oude elpees staan The Mamas & the Papas al even broederlijk naast Mantovani. Dat laatste klopt dan ergens wel, als ze op alfabet staan.

Er lopen veel kijkers en weinig kopers. De meeste standhouders zijn hoogbejaard en komen hier vermoedelijk alleen voor de sociale contacten, onderling en met de klanten. Niet om een riant inkomen te beuren, vrees ik. Elke zondagmorgen stallen ze de boel uit, en elke zondagmiddag wordt de hele mikmak weer onverkocht in de auto geladen.

Dat kleine beeldje daar, die buste, dat lijkt Hitler wel. Nee, ja, verdomd, het is hem werkelijk! Wie kůůpt nou zoiets? Er liggen diverse dingen om hem heen met hakenkruizen erop, waaronder instructieboekjes voor leden van de Hitlerjugend. Die worden dan weer geflankeerd door ook enkele geallieerde voorwerpen, zoals een Amerikaanse marinierspet. Dat spul heeft de marktkoopman erbij gelegd om door te gaan voor een nette standhouder die handelt in memorabilia uit WO II, en niet voor wat ik in hem vermoed: een neonazi.

De Vogeltjesmarkt schijnt trouwens ook nog te bestaan, maar wordt elders in ‘tstad gehouden. Daar komen voornamelijk Nederlanders. Een van hen mailde me naar aanleiding van de eerste versie van dit stuk, dat de markt hier op de Sint-Jansvliet eigenlijk een afsplitsing is van de Vogeltjesmarkt; de antiek-branche ervan. En dat op de Vogeltjesmarkt ook weinig gevederde vrienden meer verkocht worden.

Dat is maar goed, ook. Ik sprak laatst een andere Hollander die er jaren geleden eens een fraai gekleurd tropisch vogeltje had gekocht. Na twee dagen ging de verf afbladderen, en bleek het een doodordinaire mus te zijn. Een dooie mus ook nog; hij was bezweken, mogelijk aan die giftige verf.




Na enig zwerven door de stad beland ik op het grote busstation op de Rooseveltplaats, waar zo’n vijftig lijnen vertrekken, verdeeld over een stuk of zes locaties. Een onoverzichtelijk geheel. De digitale reizigersinformatie is nauwelijks leesbaar. De bus die ik moet hebben naar het MAS, lijn 17, vertrekt uit een zijstraat, de Osystraat. Hij komt 9 minuten te laat, of 6 te vroeg; bij de Lijn kijken ze zo nauw niet op de klok. Het is maar een ritje van een paar minuten, voordat ik het MAS zie opdoemen; ik had net zo goed kunnen gaan lopen.

Het MAS werd geopend in 2011 en is een fusie van drie Antwerpse Musea: het Nationaal Scheepvaartmuseum, het Volkskundemuseum en het Vleeshuis. De entree voor dit combimuseum bedraagt slechts vijf euro. In ruil daarvoor krijg je een polsbandje, vandaag een blauwe met ZONDAG erop gedrukt. Tooi je je daar mee, dan heb je toegang tot de museumzalen op de 4e t/m 8e verdieping.

Zuinige Hollanders die in mijn voetspoor willen treden, wijs ik erop, dat ze ook zonder een cent neer te tellen, nog heel wat MAS kunnen verkennen. De roltrappen, het uitzicht vanachter de gegolfde panoramaruiten, het al genoemde open magazijn, enkele paviljoentjes op straatniveau, het dakterras; het kost allemaal niets.






Al snel merk ik dat er niks engs is aan dit gebouw. Nergens, behalve op dat dakterras, dreig je in peilloze diepten te vallen. Het uitzicht vanachter die stevige ruiten is schitterend. De plattegrond van elke etage is 90 graden gedraaid ten opzichte van die eronder, zodat je achtereenvolgens een blik kunt werpen naar het noorden, oosten, zuiden en westen. Kijk, daar heb je de kerncentrale van Doel. En het beginpunt van lijn 17.

Langs de roltrappen is een foto-expositie over de Belgische diaspora in de Eerste Wereldoorlog. Anderhalf miljoen Belgen vluchtten in de herfst van 1914 voor de oprukkende Duitse troepen. Sommigen naar Frankrijk en Engeland, maar de meeste naar Nederland. Steden als Roosendaal en Bergen op Zoom zagen hun inwonertal verveelvoudigen.

De Belgen werden ondergebracht in vluchtelingenkampen. Gezinnen, families en vriendenkringen werden uiteengerukt doordat mensen elkaar onderweg kwijtraakten. Met advertenties en met oproepen op muren en ramen probeerde men de verloren schapen op te sporen.

De meeste vluchtelingen keerden eind 1914 terug naar huis. Honderdduizend Belgen bleven in Nederland; nog een respectabel aantal. De meer gegoeden kochten of huurden een huis in hun tijdelijke vaderland, maar de armlastige vluchtelingen kwamen terecht in barakken in kampen. Die mensen werden verdeeld in drie groepen: nette lui, asocialen en twijfelgevallen. De ergste woestelingen onder de Belgen kregen onderdak in het Veluwse Nunspeet. Dat kamp moet een hel geweest zijn, bijna nog erger dan een verblijf in het bezette vaderland. EpidemieŽn grepen er om zich heen.

Tegenwoordig is er op die plek in Nunspeet een woonwijk waar de straten naar Belgische vorsten en vorstinnen genoemd zijn, en die in de volksmond nog steeds Belgenkamp heet. Ik moet er vorige maand met bus 100 doorgekomen zijn, maar hij is me niet speciaal opgevallen.

Veel meer herinneringen aan deze periode zijn er in Nederland niet; ja, hier en daar een Belgenmonument. In BelgiŽ zullen al deze feiten bekender zijn dan bij ons. Net als in het museum in Lokeren afgelopen zomer, krijg ik hier geschiedenisles.

De museumzalen op de 4e, 7e en 8e etage zijn gevuld met voorwerpen uit de etnologische collectie: symbolen van macht en zaken die te maken hebben met leven en dood. De 5e en 6e etage zijn gewijd aan Antwerpen en zijn haven. Ik zie een paar panorama’s vanaf het punt waar ik vanmorgen stond – maar dan zonder dat lelijke KBC-gebouw. Dit zijn schilderijen uit vervlogen eeuwen, zoals dit hieronder, van Robert Mols uit 1870.


Op dezelfde etage wordt de bezoeker uitgenodigd om ideeŽn naar voren te brengen ter verfraaiing van Antwerpens skyline, waarvan het silhouet is nagetekend op een schoolbord. Een buitenkans: ik schrap dat KBC-gebouw subiet, met schoolkrijt dat erbij ligt. Pas later lees ik dat het al uit de jaren 30 dateert, indertijd de hoogste wolkenkrabber van Europa was, op de monumentenlijst prijkt en de trots van Antwerpen was en is. Ik maak met stukjes als dit weinig vrienden in BelgiŽ, als ze al gelezen worden.

Over de naam Antwerpen zegt een hardnekkige sage dat die ontstaan is uit ‘hand werpen’. In oude tijden, zo wil dat verhaal, zou de stad geterroriseerd geweest zijn door een kwaadaardige reus, Druon Antigoon. Die eiste tol van iedereen die over de Schelde langs Antwerpen voer. Wie niet kon of wilde betalen, hakte hij de hand af. Een Romeinse held, Sylvius Brabo geheten, versloeg de reus, hakte hťm op zijn beurt de hand af en wierp die in de Schelde: hand werpen!

In Antwerpen is deze scene vereeuwigd in diverse standbeelden. In het MAS staat een enorme kop van papier machť van die reus. Ook aan dat beeld kleeft een legende. Het zou vervaardigd zijn door een gevangenisboef, van uitgekauwde papierproppen.

In werkelijkheid stamt Antwerpen uit de middeleeuwen, en niet uit de Romeinse tijd. De naam Antwerpen betekent, denken ze, zo ongeveer: ‘opgeschoven’, omdat de Schelde een keer verzand was, en de nederzetting verplaatst werd naar de nieuwe bedding ervan, zoiets. Dorpen en hele steden schoven soms op; bijvoorbeeld Elburg en Doornspijk. Het verhaal over die reus is me op de lagere school ooit verteld voor waar, net als zoveel andere nonsens.

In de museumzalen heerst een stemmige halve duisternis. Als je eruit komt, ontplooit de stad zich in een zee van licht door die panoramaruiten. Een pracht van een museum, dit MAS. Mijn dank gaat uit naar de architecten – het bureau Neutelings Riedijk uit Rotterdam- die een gebouw geschapen hebben met een fantastisch uitzicht, zonder dat ook maar voor een greintje hoogtevrees gevreesd moet worden. Verstandig dat ze het door Nederlanders hebben laten doen; BelgiŽ en architectuur hebben geen gelukkig huwelijk.

Door mijn vroege vertrek vanmorgen, houd ik nu een stuk middag over voor een OV-ommetje. In een tramstad als Antwerpen ben je niet gauw geneigd, de bus te nemen, maar dat doe ik nu wel. Ik pak gewoon lijn 17 naar zijn andere eindpunt: het Universitair Ziekenhuis Antwerpen in Wilrijk.

Een onverdeeld genoegen is het reizen per bus in Antwerpen niet. Er wordt met pittige snelheid gereden over wegen vol kuilen, met straatklinkers, of, erger nog: met kasseien. Alles in de bus schudt en rammelt.

We koersen langs het busstation Rooseveltplaats naar Antwerpen Centraal. Vandaar is het nog een klein halfuur hobbelen en schommelen naar Wilrijk, de meest zuidelijke deelgemeente van Antwerpen.

In deze hoek van de stad liggen de meeste campussen van de Universiteit van Antwerpen, echt een heel eind uit de slinger; kilometers en kilometers van de binnenstad. De bussen moeten op werkdagen wel uitpuilen van de studenten; een tram rijdt er niet in de buurt van de universitaire terreinen.

Ik stap uit bij een van de laatste haltes, in een wel zeer landelijk stuk Wilrijk waar weinig opmerkelijks te zien is, en stap vrijwel meteen over op bus 22, die me terugbrengt, via een iets andere route, naar het centrum van Antwerpen.

Om 18:45 verlaat ik, alweer precies op tijd, de sinjorenstad met de Beneluxtrein, die nu druk is met terugkerende weekendgangers.

Ik beloof een spoedige terugkeer, voor onder meer die Reuzenpijp.

Frans Mensonides
2 april 2015
Er geweest: zondag 22 maart 2015.



Toegift: Stevaert

Gisteren, op de dag dat deze aflevering ter perse, of liever: ter webbe ging, meldden de media dat de voormalige Vlaamse minister Steve Stevaert zelfmoord had gepleegd. Stevaert stond bekend als voorvechter van gratis OV. Als burgemeester van het Limburgse Hasselt voerde hij in 1997 gratis stadsvervoer in. In dit oude stuk uit de zomer van dat jaar ging ik kijken in Hasselt, waar de tot dan toe zeer noodlijdende stadsdienst een grote toeloop van passagiers had gekregen.

Een zegen, gratis OV, maar ROVER wilde het niet begrijpen. Dat begreep ik dan op mijn beurt weer niet, maar nu wel, achteraf: als iets gratis is, mag je er volgens een bekend Hollands spreekwoord (‘gegeven paard’) niet meer over doen wat ROVER het liefste doet: klagen.

Gratis OV is er in Hasselt niet meer; het werd in 2014 om budgettaire redenen afgeschaft. Neemt niet weg dat het OV in Vlaanderen nog steeds opvallend goedkoop is. Voor 5 euro koop je een ‘Dagpas’ waarmee je met De Lijn desnoods van Hasselt naar De Panne mag hobbelen. De bus trekt in Vlaanderen dan ook meer klandizie dan bij ons, waar je uitgeperst wordt door de ov-chipkaart.

Toch mede de verdienste van politici als Stevaert, denk ik (met een slag om de arm, want de Vlaamse politiek vind ik nog ondoorgrondelijker dan de Hollandse). In dit stuk uit 2002, naar aanleiding van de - gelukkig tijdelijke -  zwanenzang van De digitale reiziger, riep ik Stevaert zelfs uit tot man van het millennium.

Maar dat ging over zijn verdiensten in het tweede millennium, en nu zitten we in het derde. Stevaert raakte wel erg aan lager wal in de loop van de jaren: onder andere door gedonder met vrouwen, zoals vele haantjesmannetjes. Gisteren is het goudhaantje van de Vlaamse politiek dood uit het Albertkanaal gedregd; sic transit gloria mundi.

In dat prehistorische stuk van mij uit 1997 beland ik tussen twee haakjes - ik wist het niet meer – in dezelfde Scheldetunnel die ook in dit allernieuwste verhaal voorkomt. Die lift vond ik ook al eng…

Frans Mensonides
3 april 2015

 








© Frans Mensonides, Leiden, 2015
Panorama van Antwerpen overgenomen van de site van MAS; 
de reus Druon van Wikipedia