Nr. 119a - zondag 2 december 2012
De donkere kamer van Hermans (1)
Halverwege Osewoudt en Labare



LAATSTE ZES AFLEVERINGEN
118. TAXIPERIKELEN (25/11/2012)
117. SPREZZATURA, RAFAËL EN LOU (18/11/2012)
116. OP BLAUW GRAS; WAAROM HOCKEY BOEIENDER IS DAN VOETBAL (11/11/2012)
115. SUNDAY BLOODY SUNDAY: 4 NOVEMBER 1956 (04/11/2012)
114. STEDELIJK ZONDER STENDHAL (28/10/2012)
113a. EINDE VAN DEZE JAARGANG! HOE KOMEN WE NU DE ZOMER DOOR?
113.  BEELDEN IN LEIDEN; BOODSCHAP HEBBEN AAN EEN PLEK (21/06/2012)






W.F. Hermans (1921-1995), hier in een verlichte kamer.
Overgenomen van: Wikipedia (D), Willem Frederik Hermans


Nou, gelukkig heeft iedereen de afgelopen weken W.F. Hermans’ De donkere kamer van Damokles (DdkvD) ge- of herlezen, in het kader van ‘Nederland Leest’. Deze roman uit 1958 behoeft dus geen introductie meer. Als een scribent zoiets schrijft, gaat hij hem desondanks meestal toch nog kort introduceren. Ik vorm op deze regel geen uitzondering.

DdkvD is het verhaal van Osewoudt, een wat vroegoude jongeman met een gering gevoel van eigenwaarde, die een sigarenzaak drijft in Voorschoten. Zijn frustratie-nummer-één is het ontbreken van baardgroei.  In de begindagen van WO II meldt zich een stoere, wél met baardhaar begiftigde bink in zijn winkel. Het is de militair en verzetsheld-in-spe Dorbeck, die verder qua gezicht en postuur sprekend op Osewoudt lijkt.

Dorbeck betrekt Osewoudt bij het verzet en geeft hem opdrachten tot heldendaden: liquidaties en dat soort werk. Osewoudt voert ze uit, niet uit vaderlandsliefde, maar alleen op bevel van zijn dubbelganger, die uitgroeit tot zijn rolmodel, zo niet: superego (Freud wordt nogal eens bij deze roman gesleept).

Dorbeck treedt in de loop van het verhaal steeds verder terug. Osewoudt ziet hem nog maar een handvol malen, met grote tussenpozen, en wordt natuurlijk een paar keer voor hem aangezien, en / of vice versa.

In het bevrijde zuiden van het land wordt Osewoudt gearresteerd en beticht van collaboratie. Essentieel voor zijn zaak is die schimmige Dorbeck, maar bewijzen voor diens bestaan kan de sigarenhandelaar niet boven tafel krijgen, wanhopige speurtochten ten spijt. In paniek poogt hij te vluchten. Hij wordt op de vlucht neergeschoten en bezwijkt aan zijn verwondingen.

Dat is DdkvD in een notendop. Wilde ik echt recht doen aan de zeer ingewikkelde plot, de tientallen en tientallen personages, de massa’s cruciale gebeurtenissen, dan had ik aan mijn traditionele tweezijdige A-viertje niet genoeg; Frans Janssen had er in zijn Synthese-deeltje over Hermans’ roman meer dan 10 pagina’s druks voor nodig.  

Ik heb DdkvD om die reden altijd een van de mindere Hermans’en gevonden, die niet in de schaduw kan staan van bijvoorbeeld Nooit meer slapen. Als lezer ben je vooral bezig met terugbladeren; wie ook alweer, wat ook alweer, hoe zat het ook alweer? Niet verkeerd om hem met z’n allen weer eens over te lezen! Je hoort me ook weer niet zeggen dat het een rotboek is; een mindere Hermans steekt nog altijd ver uit boven een hoogtepunt(?) uit het oeuvre van De Winter, Grunberg en Giphart.

Opvallend is het realisme in een roman die geen realistische roman is. Osewoudts verzetsdaden voeren hem door heel de Randstad en omstreken, en alles wordt precies zo beschreven als het er in ‘40-‘45 uitzag. Op foutjes in de omgevingsbeschrijvingen en de historische oorlogsfeiten is Hermans nauwelijks te betrappen. Je ziet het allemaal zó voor je, vooral als je zelf het decor van DdkvD goed kent. En in die omstandigheid verkeer ik.

Ik ben een bevoorrechte lezer, want toevalligerwijze woon ik exact, als je me een paar hectometer cadeau doet, halverwege twee belangrijke plaatsen van handeling uit de roman: de sigarenwinkel van Osewoudt aan de Voorschotense Schoolstraat en het huis van de verzetsgroep-Labare, gevestigd op het adres Zoeterwoudsesingel 74 in Leiden. Ook ik waag me, net als Osewoudt en de zijnen, op avondwandelingetjes wel eens tot de Voorschotense Zilverfabriek.

Maar Hermans’ realisme is bedrieglijk. Zoals Wilbert Smulders (een van mijn leermeesters aan de Universiteit Utrecht, al doet dat er evenmin toe als mijn precieze woonplaats) in zijn dissertatie betoogt, maakt dat realisme deel uit van het rad dat Hermans zijn lezers voor ogen draait.

In kort bestek valt ook dat niet uit te leggen, want dat proefschrift is bijna net zo moeilijk samen te vatten als het onderwerp ervan. Het komt erop neer dat Smulders stap voor stap laat zien, hoe een lezer – of liever: dé lezer, een soort Grootste Gemene Romanlezer – zich een beeld van de romanwerkelijkheid opbouwt aan de hand van de door de schrijver verstrekte gegevens.

Die uitleg van Smulders is ook wel ontluisterend. Als je eenmaal weet hoe het in elkaar zit, zakt DdkvD als een plumpudding in elkaar. Het is net alsof je een adembenemende goocheltruc hebt gezien, vervolgens hoort hoe de suggestie werkt die er aan ten grondslag ligt, en uitroept: ‘Is dat nou alles? Hoe heb ik me zo kunnen laten bedotten!’ Goochelaars leggen hun trucs dan ook nooit uit, en schrijvers zien het literatuurwetenschappers ook liever niet doen, denk ik.

De interpreten stonken er aanvankelijk allemaal in, zo beschrijft Smulders. Kort na de verschijning van DdkvD hielden zij zich vooral bezig met de vraag of Dorbeck werkelijk bestond. Heel opmerkelijk, want Dorbeck is vanzelfsprekend so wie so een verzonnen figuur, net als Osewoudt, maar door het quasi-realisme van de roman ben je geneigd, dat te vergeten.

Op grond van de in DdkvD verstrekte gegevens blijft het bestaan van de verzetsheld ambigu. Uiteindelijk was dat ook de bedoeling van Hermans, zo luiden de huidige opvattingen over de roman.

Je kunt DdkvD natuurlijk lezen als een spannend – zij het wel erg ingewikkeld – en waargebeurd verzetsheldenverhaal, zoals er in de naoorlogse periode tientallen verschenen zijn. Daar is geen bezwaar tegen, en vele (her)lezers zullen dat de afgelopen weken ook gedaan hebben. Maar de Hermans-exegeten werden het er uiteindelijk wel over eens dat de schrijver met DdkvD een ideeënroman had afgeleverd over de onmogelijkheid van de mens, zijn wereld en noodlot te kennen en doorgronden. De vraag: ‘Bestaat Dorbeck?’, is niet beantwoordbaar en in wezen triviaal.

Meer over deze roman in de volgende twee FHM’s A-viertjes, waarvan de eerste bij wijze van uitzondering midweeks zal verschijnen, en die aan deze pagina zullen worden vastgeniet. Ze verschijnen hieronder – hoop ik, want ik heb nog maar een globaal idee van hoe ik ze zal vullen.   

FHM
2 december 2012

 

VOLGENDE AFLEVERING:
HIERONDER!



 

Nr. 119b - woensdag 5 december 2012
De donkere kamer van Hermans (2)
Blauwe Tram rode draad

VORIGE AFLEVERING: HIERBOVEN!


De Blauwe Tram op de Schoolstraat in Voorschoten. 1959. Fotograaf onbekend.
Overgenomen van Clubs Blauwe Tram

‘Blauwe trams, gele trams, treinen, nergens is zoveel railvervoer geconcentreerd
                 als in de voorsteden van Den Haag – en het kan mij nergens brengen waar geen Duitsers zijn.’

                  De donkere kamer van Damokles, p. 46


Boekdelen aan secundaire literatuur kun je volschrijven over W.F. Hermans’ De donkere kamer van Damokles (DdkvD), en dat is precies wat er al gebeurd is. Ik beperk me tot twee aspecten, die te maken hebben met mijn eigen regio: De Blauwe Tram en Osewoudts vlucht uit het huis van Labare.

Die tram was in de periode dat hij door Voorschoten reed (1924-1961) gewoon een vervoermiddel, waarop ongetwijfeld gekankerd werd als hij te laat was of helemaal niet kwam opdagen. Tegenwoordig heeft hij voor streekbewoners van mijn leeftijd en erger vrijwel mythische proporties aangenomen, en is hij zinnebeeld van jeugdsentiment - naar tijden die echt geen haar beter waren dan de onze. In mijn kolommen duikt de Blauwe Tram vaak als zodanig op, maar nooit zo sterk als in dit drieluik over de Bollenlijn, waarin ik de oorzaak tracht te achterhalen van mijn eigen overtrokken tramnostalgie.

In DdkvD viel me sterk op dat de Blauwe Tram telkens genoemd wordt, te pas en schijnbaar te onpas, ook als geen van de dramatis personae zich per rail wil laten vervoeren. Het tram-motief vormt in de roman een opvallende rode draad, als het geen blauwe is. In Hermans’ romans valt, naar zijn eigen zeggen, nooit een mus van het dak zonder dat dat gevolgen heeft (nu ik erover nadenk: hoe vaak zie je een mus van een dak vallen?). Dus wat betekent die tram?

Osewoudt woont begin jaren 30, dan nog als 12-jarige zoon van de sigarenboer, in een heel bijzonder Voorschotens straatje. Het is de Schoolstraat, al noemt Hermans de naam niet en noemde ik hem zelf, als kleuter en trampassagier altijd: Het Smalle Straatje. Precies zoals Hermans beschrijft, reed de tram er op ‘strengelspoor’. Twee tegenliggende trams konden elkaar dus niet passeren in de Schoolstraat. En voor vierwielers gold er een inhaalverbod.

In het openingsfragment van DdkvD zit Osewoudt op school, waar de onderwijzer een akelig grapje vertelt over een schipbreukeling die dobbert op een vlot, en het zoute water verfoeit, dat hij niet kan drinken. Maar als zijn vlot in brand raakt,  is hij maar wat blij dat hij het met zout water kan blussen!

Osewoudt peinst hier nog over door als de school uit is, raakt daardoor achterop bij zijn vriendjes en wordt door een passerende Blauwe Tram van hen gescheiden. Thuisgekomen hoort hij in bedekte termen de onheilstijding die zijn leven een andere wending zal geven: zijn gekgeworden moeder heeft zijn vader doodgestoken met een mes.

De hele sfeer op die eerste pagina: de moord, de hoe dan ook ten dode opgeschreven schipbreukeling, is doordesemd van een onwrikbaar noodlot, en die in dat smalle straatje ingekaderde tram lijkt dat te accenturen. Vaak is hij in Ddkvd de aankondiger van onheil.

Osewoudt wordt opgenomen in het gezin van zijn oom en tante uit Amsterdam. Hij verlaat Voorschoten met hen per Blauwe Tram, om er een paar jaar later als HBS-er op een vrije dag mee terug te keren: helemaal uit Amsterdam, met overstappen in Haarlem en Leiden. Hij stapt uit bij de halte waarvan Hermans niet vermeldt dat hij Vernèdepark heet, waarna de tram hem als een onheilspellende donkere schaduw passeert. Osewoudt wordt gegrepen door angst, weet niet meer wat hij ook alweer in Voorschoten kwam doen, en springt bij de halte Dorp in de tram terug naar Leiden.

In ’39 neemt de dan volwassen Osewoudt de sigarenzaak, die van zijn vader geweest is, over. Hij is getrouwd met zijn nicht en heeft zijn gestoorde moeder in huis genomen. Gezapig rolt hun leven voort, tot het oorlog wordt en Dorbeck zich aandient. Na een van de weinige bezoekjes van Dorbeck aan de sigarenwinkel kijkt Osewoudt hem na, maar een Blauwe Tram onttrekt hem aan zijn blik. Zit Dorbeck in de tram of loopt hij op het trottoir aan de andere kant ervan? Die diabolische tram blijft Osewoudt het uitzicht ontnemen.

Wat hoofdstukken verder gebeurt ongeveer hetzelfde als Osewoudt in Den Haag een vrouw schaduwt. Deze keer is een gele, Haagse stadstram de boosdoener: die snijdt Osewoudt de pas af. Als het voertuig gepasseerd is, is zijn prooi verdwenen.

Dan een liquidatie in Haarlem, waarbij Osewoudt in opdracht van Dorbeck een foute Nederlander doodschiet. Na zijn daad springt hij op de Tempeliersstraat op de Blauwe Tram naar Zandvoort. Tot zijn schrik bevindt zich daarin ook zijn buurman uit Voorschoten, een drogistenzoon die bij de N.S.B. zit. Heeft hij Osewoudt gevolgd, of iets gezien, en zal hij hem verraden?

Het citaat waarmee deze aflevering begon is afkomstig uit alweer een cruciale railscène. Osewoudt moet in Voorburg contact maken met een spionne uit Engeland. Hij zal haar ontmoeten, niet toevallig, bij de plek waar drie railverbindingen langs elkaar heen scheren zonder elkaar te kruisen: de Blauwe Tram Leiden – Den Haag, de spoorlijn Den Haag – Utrecht, en de gele intercommunale tram Voorburg - Den Haag.

Hermans woonde, toen hij in 1952 begon aan DdkvD, vlakbij dit punt. Hij was met zijn vrouw ingetrokken bij zijn schoonfamilie – op een steenworp van het huis waar mijn vader toen ‘in de kost lag’, al doet dat nog minder ter zake dan alles wat ik tot nu toe aan bijzaken te berde heb gebracht in dit reeksje. Nu ik toch op die toer ben: door Voorburgs dreven gaat al jaren de roddel dat Hermans zijn huisgenoten het gebruik van de badkamer ontzegde. Die had hij zelf hard nodig als donkere kamer.

Ter zake. Osewoudt, verkleed als verpleegster, krijgt na zeer veel verwikkelingen in Amsterdam, een lift in de auto van een dronken Duitse officier. We schrijven nu april 1945. Osewoudt wil vluchten naar het reeds bevrijde zuiden van Nederland.  Onderweg laat hij de officier stoppen in Voorschoten. In de sigarenwinkel steekt hij zijn ex-vrouw overhoop, die nu getrouwd is met de foute drogistenzoon.

In Voorschoten liggen de sporen van de Blauwe Tram troosteloos te verroesten, daar de tramdienst al maanden geleden gestaakt is. Bij het verlaten van het dorp ziet Osewoudt de nu nutteloze bovenleidingmasten langsflitsen, terwijl ze lange schaduwen werpen in het licht van de ondergaande zon. De tram is er niet meer, en je voorvoelt dat ook van Osewoudt de dagen geteld zijn.

Een volgende keer meer.

FHM
5 december 2012

VOLGENDE AFLEVERING:
HIERONDER!

Nr. 119c - zondag 9 december 2012
De donkere kamer van Hermans (3)
Door een smal, krom straatje


Een nogal donkere omslag voor een donkere kamer. De 29
ste druk uit 1989.


Deel drie van een drieluikje over De donkere kamer van Damokles (DdkvD) van W.F. Hermans. De vorige twee afleveringen staan hier pal boven.

In de middelste van die trits nam ik de Blauwe Tram als leidraad voor een interpretatie die wat afwijkt van de traditionele. Voor mij is DdkvD vooral een roman over het Noodlot. Vanaf pagina één voorvoel je dat de hoofdpersoon Osewoudt, wat hij ook zal ondernemen,  afkoerst op een verschrikkelijke dood. Tijdens het lezen van DdkvD wordt de lezer verscheurd tussen ijdele hoop dat de zaken nog een goede wending zullen nemen voor de hoofdpersoon, en nieuwsgierigheid naar de vraag, hoe hij aan zijn einde zal komen.

Die lui van ‘Nederland leest’ suggereren, tussen haakjes, wéér een andere uitleg. In hun opinie draait alles om de vraag of Osewoudt GOED of FOUT was in de oorlog, en de lezer dat is anno MMXII. Maar dat is vooral een fascinatie van ons eigen tijdsgewricht, met zijn oneindige discussies over normen en waarden als tegenwicht voor de stijgende verloedering om ons heen. Het heeft met DdkvD weinig te maken.

Dat die Blauwe Tram me zo sterk trof in de roman, komt natuurlijk doordat ik als kind nog in dat ding gezeten heb, me toen verbaasde over dat brede gevaarte in dat smalle Voorschotense straatje, later een halve plank vol boeken over De Blauwe gelezen heb, er een slordig dozijn artikelen over heb geschreven op deze site, en me ook nog eens een jaar of 20 bij tijd en wijle heb beziggehouden met de beoogde opvolger ervan, de RGL, die niet doorging.

Wilbert Smulders, die ik hierboven noemde, bekent in zijn dissertatie dat hij pas door lezing van DdkvD voor het eerst van de Blauwe Tram hoorde. Hij nam – terecht – aan, dat dat een ouderwetse vorm van openbaar vervoer betrof, uit het interbellum, die thans niet meer bestaat.

Een niet-streekbewoner leest toch net een iets andere roman dan ik. Bestaat de door Smulders ten tonele gevoerde Lezer wel? Die zou ook nooit vallen over het verhaal van het smalle, kromme straatje in Leiden. Osewoudt raakt daar verzeild op zijn vlucht uit het huis van Labare. Die woning, een broeinest van verzet, heeft als adres Zoeterwoudsesingel 74 in Leiden, en ziet er in 2012 ook nog precies uit zoals Hermans hem beschreef. Er zijn dus mensen die zo maar wonen in dit roman-decor, dat op de route ligt van literaire wandelingen en fietstochten.

Osewoudt verricht in dit huis tijdenlang nuttig, doch weinig spectaculair verzetswerk in een donkere kamer – één van Damokles, want verraad en arrestatie hangt verzetslieden immer als dat zwaard boven het hoofd. Maar de bewoners zijn gewapend; de woning heeft vluchtgangen en booby traps tegen ongewenste bezoekers. Op de dag dat Osewoudt dienst neemt bij Labare, steekt deze een zelfverzekerde preek af over onvoorzichtige verzetsmensen die door hun eigen stommiteiten voor het vuurpeloton belanden. Dat zal hém niet overkomen! Maar daar je een noodlotsroman leest, weet je dan al, dat Labare toch zelf dit lot zal delen. Liefst door een lullig toeval of ongeluk, buiten zijn invloed.

Een aantal ingewikkelde verwikkelingen later zit Osewoudt in een Haagse cel, en wordt daaruit bevrijd door het duo Cees en Cor – verzetsmensen, zo lijkt het, maar in werkelijkheid handlangers van de Duitsers. Zij rijden hem naar Leiden en zetten hem op zijn nietsvermoedende verzoek af nabij het huis van Labare. Daar zien zij hem binnengaan, en de volgende nacht staat er een Duits arrestatieteam voor de deur.

De booby trap werkt niet. Osewoudt slaagt er als enige bewoner in, aan de Duitsers te ontvluchten, en wel door er een in de heupzwaai te nemen; hij heeft vroeger op judo gezeten om zijn zelfvertrouwen op te poetsen. Beschenen door schijnwerpers, en onder een spervuur van kogels waadt hij door het water van de singel naar de overkant. Daar doorkruist hij een plantsoen, dat er inderdaad is op die plek. Vervolgens slaat hij een kromme, smalle straat in met portiekwoningen, belt aan bij een benedenhuis, waarvan de bewoners een wel enigszins begrijpelijke tegenzin hebben om hem onderdak en onderduik te verlenen, en wordt uiteindelijk alsnog in de kraag gevat.

Op dat punt begon voor mij het geloof in het realisme van DdkvD te wankelen. Een krom straatje is daar namelijk niet in die buurt, en portiekwoningen al evenmin. Sterker: Osewoudt moet het plantsoen (dat Plantsoen heet) heel raar schuin overgestoken zijn, want tegenover het huis van Labare is helemaal geen zijstraat. Achter het Plantsoen ligt een mooi staaltje ruimtelijke ordening uit de Gouden Eeuw: een stadsuitleg met allemaal kaarsrechte straten. Die kruisen elkaar in het oosten van de wijk wel schuin, wat Leiden het wybertjes-vormige Tevelingshofje heeft opgeleverd, maar er is er geen één krom. Het buurtje heet: Haver- en Gortebuurt. Ik ken het van haver tot gort; ik heb trouwens zes jaar op school gezeten bij Labare om de hoek.

Veel later krijgt Osewoudt te doen met de legerofficier Selderhorst, die zijn gangen in de oorlog na moet gaan. Osewoudt wordt beticht van collaboratie en is zo ongeveer uitgegroeid tot staatsvijand nummer één. Selderhorst beschikt over een dikke stapel dossiers die zijn schuld zouden bewijzen. Met die stapel probeert niet zozeer Selderhorst Osewoud te imponeren, als wel Hermans de lezer, zoals Smulders aantoont in zijn proefschrift.

Met Selderhorst gaat Osewoudt op verkenning in dat buurtje in Leiden. Wat de gemiddelde lezer misschien zou verbazen, maar mij niet in het minst (wat ik wíst het): dat kromme, smalle straatje met die portiekwoningen bestaat niet. De heren vinden alleen een lange lijst in extenso opgesomde, werkelijk bestaande kaarsrechte straten. Osewoudt is voor leugenaar gezet.

Maar voor mij wankelde het kaartenhuis van Osewoudt en deze roman al toen hij dat straatje betrad, op zijn vlucht uit dat singelpand. Waarom voert Hermans, die overal zo pijnlijk nauwgezet de omgeving beschrijft, nu ineens een krom straatje op dat niet bestaat?

Toch zit er iets mysterieus in de werkelijkheidsillusie die Hermans schept. Ik accepteerde zonder slag of stoot dat Osewoudt een perfecte dubbelganger had die alleen van hem verschilde in dit opzicht, dat hij wél baat had bij een droogscheerapparaat of scheermes. Hoogst onwaarschijnlijk. Maar waar ik dan ineens wél over viel: een smal, krom straatje…

FHM
9 december 2012

Bronnen:
F.A. Janssen, Over De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Amsterdam 1983. Synthese-reeks
W.F. Hermans,
De donkere kamer van Damokles. 29e druk. Amsterdam 1989.
W.H.M. Smulders, De literaire misleiding in De donkere kamer van Damokles. Utrecht 1983.

VOLGENDE AFLEVERING:
IN DE WACHTKAMER VOOR DE BESTRALING  (16/12/2012)

© Frans Mensonides, Leiden, 2012


<< naar thuispagina Frans Mensonides