PARELTJES


Nr. 132 - zondag 10 maart 2013
Trilogieën in 800 woorden; pareltjes van Simon Carmiggelt




Simon en Tiny Carmiggelt, door Wim Kuyl vereeuwigd in het Gelderse De Steeg.
Overgenomen van Wikipedia (NL), Simon Carmiggelt






LAATSTE ZES AFLEVERINGEN

131. KALENDERFETISJIST (03/03/2013)
130. VAN MIDZA-ZEGELS TOT THESALES; WINKELEN IN LEIDEN (24/02/2013)
129. MEPHISTO'S ONLINE; DIGITAAL WINKELEN (17/02/2013)
128. WREEDHEID VAN WELEER: BALTHAZAR GERARDS IN VIER KWARTIEREN (10/02/2013)
127. BOIJMANS VAN BEUNINGEN: SCHILDERREIS DOOR DE EEUWEN (03/02/2013)
126. 'SPOORLEED IN DE WINTER (27/01/2013)
 
 
 
 



Meer over Carmiggelt in deze aflevering van afgelopen herfst

Simon Carmiggelt, de aartsvader der vaderlandse columnisten, werd in 1913 geboren in Den Haag. Vandaar dat in die stad het jaar 2013 is uitgeroepen tot… Louis Couperusjaar.  Ja, ergens wel voorstelbaar: Couperus is weer precies een halve eeuw eerder geboren dan Carmiggelt, en heeft dus de oudste rechten. Bovendien wordt hij gezien als dé Hagenaar uit zijn tijd, terwijl Carmiggelt naar Amsterdam emigreerde voordat hij landelijke faam verwierf met zijn columns, en ruim voordat hij literaire prijzen begon te winnen.

De eerste belangrijke prijs die hij mocht toucheren, in 1961, was dan wél de Constantijn Huygensprijs, genoemd naar een andere humorist die geboren en getogen was in Den Haag. Daarvóór had het schrijverschap van Carmiggelt een flinke ontwikkeling doorgemaakt. Zijn eerste columns, verschenen sinds het eind van de jaren 30 en gebundeld onder titels als Vijftig dwaasheden, waren vaak kolderieke verhalen met een opvallende pointe. In de jaren 50 evolueerden zijn ‘stukkies’ tot diep-tragikomische miniatuurtjes; literaire mini-novelles ter lengte van een halve krantenpagina.

In die tijd liet Carmiggelt zich, in de inleiding op een herdruk van een oude bundel, eens ontvallen: ‘De auteur lijkt mij een vrolijke jongen. Ik zou graag eens aan hem worden voorgesteld.’

Zijn bundels verschenen in een tempo van één per jaar en bevatten een bloemlezing uit de circa 250 columns die hij het afgelopen jaar gepubliceerd had in Het Parool. Er ging een streng selectieproces aan vooraf. Alleen de tijdloze stukken kwamen voor bundeling in aanmerking; niet die die sterk leunden op de krantenactualiteit.

Ook zullen die stukjes wel geschrapt zijn die zijn vrouw improviserenderwijs moest voltooien op een tijdstip dat de kopij dringend naar de krant moest terwijl de schrijver zelf in brakke toestand met een levensgrote kater op bed lag. In ruil voor die arbeid ontving zijn vrouw vele jaren lang ook zijn salaris op haar rekening, opdat er aan het eind van de maand nog iets van over zou zijn.

Hoeveel prijzen Carmiggelt ook won, en hoeveel herdrukken zijn bundels beleefden: onder neerlandici is hij nooit helemaal salonfähig geweest. Je kunt – ik spreek uit persoonlijke ervaring  – master worden in de Nederlandse literatuur, zonder tijdens je studie maar één keer een tekst van of over Carmiggelt onder ogen gekregen te hebben. Ook dat is niet volkomen onbegrijpelijk: neerlandici zijn over het algemeen ernstige lieden, aan Carmiggelts realisme valt weinig uit te leggen en kloeke romancycli lenen zich so wie so al beter voor analyse dan een corpus van duizenden losse verhalen. Na verschijning in 1979 van het niet veel meer dan 100 pagina’s tellende standaardwerk Over het proza van S. Carmiggelt van ene C. de Ruiter, was feitelijk alles gezegd over Carmiggelts stijl, onderwerpskeuze en levensvisie.

Wat zal ik er dan nog aan toevoegen? Dat ik Carmiggelt vooral bewonder om zijn vermogen, binnen het beperkte bestek van een krantenkolom, in twee, drie alinea’s een compleet karakter, een compleet drama, een compleet levenslot te schetsen. Lees bijvoorbeeld – ik kon honderden voorbeelden geven - het verhaal ‘Hans’ uit de bundel Later is te laat uit 1964.

De ‘ik’, die in dat verhaal slechts de rol van getuige heeft, zit in een café langs een drukke weg naar de regen te staren. Waarom, vertelt het verhaal niet, omdat het er niet toe doet; alle aandacht moet vallen op de twee protagonisten, die per auto ten tonele verschijnen. Carmiggelt kan in de weinige ruimte die hem gegund is, niet doen wat ik zelf zo graag doe: uitweiden. Alles wat hij mededeelt, is functioneel.

Uit de auto stappen een man van middelbare leeftijd en zijn zoon van ongeveer 16 jaar. Geen vrolijk stel: ‘De man had het uitgeputte gezicht van iemand, die lijdt aan slapeloosheid en in de grote zwarte ogen van de jongen stond een smartelijke ernst te lezen, die pas veel later zou moeten komen.’

Uit hun gesprek in het café – of liever: de monoloog van de vader – maakt de lezer de oorzaak van hun misère op. De moeder van de jongen is ernstig ziek. Exacte medische gegevens worden niet verstrekt, en ook dat is helemaal niet nodig. Operaties hebben in ieder geval niet gebaat. De vrouw kan geen drukte om zich heen velen en de zoon is dan ook uit huis geplaatst en zit in een internaat waar hij het niet naar zijn zin heeft. Zij zijn nu op weg vanuit dat instituut voor een schaars bezoekje aan huis.

De jongen heeft de vader verzocht, vaker naar huis te mogen komen. Maar de man, met de ‘… vlakke, onvitale stem van iemand die de uiterste grens van zijn krachten heeft bereikt’, schetst nog eens de ernst van het ziektebeeld. ‘Ze ligt maar. En ze zegt bijna niets. Het is erg treurig, Hans. Ja. Of je meer naar huis kunt komen, zullen we nog wel zien. (…) Ik moet het eerst eens op mijn gemak beprakkedenken’.

De man spreekt de ouwelijke jongen van 16 toe op een toon alsof hij 8 was, en bezigt uitdrukkingen die ook in 1964 al ouderwets en oubollig waren (‘beprakkedenken’). Op allerlei manieren probeert hij voor zijn zoon de bittere pil te vergulden. Met de moed der wanhoop geeft hij hoog op van hun samenzijn in het café: ‘Zo. Dan kunnen we nog gezellig wat op de weg zien (…) En wacht eens, zie ik daar slagroomgebak? Zou je dat wel zinnen, Hans? Ja he? (…) We zitten hier lekker, he Hans? (…) O kijk Hans, daar komt onze koffie al, met het gebak. (…) Ja, kies maar welke je hebben wilt. Kies maar gerust. Mij kan het niet bommen. En eet maar op je gemakje.’

Ook het internaat wordt door de vader leuker voorgesteld dan het is. Hoe goed het eten is, heeft hij zelf een keer mogen ervaren. En: ‘Zeg eens, wat was dat voor een feest dat jullie daar hadden, laatst? Carnaval, begreep ik dat goed? Dus verkleed? Gunst wat grappig. Carnaval. Dat is altijd erg vrolijk.’

Het verhaal bestaat grotendeels uit het luchtige gebabbel en soms ronduit gebazel van de vader. Dat staat in navrant contrast met de tragiek van hun gezinssituatie en met het sombere zwijgen van de jongen. De laatste krijgt zijn gebakje niet helemaal op. ‘Eet dat stukje nu ook maar op, Hans. Het heeft toch niet gezondigd?’ Deze gifbeker moet blijkbaar tot op de bodem geledigd.

Dan blazen ze de aftocht. Een goed verhaal bijt zichzelf als een slang in de staart. Het eindigt dan ook met de regen die in het begin genoemd werd: ‘Het regende maar door’, luidt de slotzin.

Louter door het wanhopig-vrolijke gepraat van de vader, worden drie tragische levens geschetst. Carmiggelt weet in 800 woorden bijna evenveel emotie te stoppen als menig romancier in een trilogie van evenzovele pagina’s.

Die omvang doet me dan weer denken aan de eveneens jubilerende Couperus. Deze jaargang vieren we Simon-Carmiggeltjaar op FHM’s. Maar de komende winter zal ik bij leven en welzijn ook aandacht schenken aan die andere, ware Hagenaar; bij dezen beloofd!

FHM
10 maart 2013

Bronnen:
‘Hans’, in: S. Carmiggelt, Later is te laat. 7e dr. Amsterdam 1974. p. 84-86.
H. van Gelder, Simon Carmiggelt. Amsterdam 2000.
C. De Ruiter, Over het proza van S. Carmiggelt. Amsterdam 1979. Synthese-reeks

VOLGENDE AFLEVERING:

85!  MOEDERS VERJAARDAG (17/03/2013)

© Frans Mensonides, Leiden, 2013


<< naar thuispagina Frans Mensonides