Nr. 260 - zondag 18 april 2021 (week 15)
Bilabiaal, ofwel: Hoe klonken de gebrs. de Witt?

LAATSTE ZES AFLEVERINGEN

259. UITSLAG; ZURE DRUIVEN EN WAT ECHT PIJN DEED (21/03/2021)
258. HET GAAT ECHT NERGENS OVER! TWEEDE KAMERVERKIEZINGEN (14/03/2021)
257. GEZICHTEN OP JE SCHERM: BEWEGENDE PORTRETTEN EN NIET-BESTAANDE PERSONEN (07/03/2021)
256. 'ZE HEEFT HAAR BROOD NIET IN LEDIGHEID GEGETEN'; OUD BIDPRENTJE (31/01/2021)
255. CORONAJAAR IN MOMENTEN (03/01/2021)
254. BEMINDE ZATERDAG VOOR DE BUIS (20/12/2020)


De rubriek FHM's A-viertjes verschijnt onregelmatig. Maar als hij verschijnt, doet hij dat op zondag.



Standbeeld van Johan en Cornelis de Witt in Dordrecht, Toon Depuis en Dirk Roosenburg (1918)
Foto: G. Lanting, overgenomen van Wikipedia, Standbeeld van de gebroeders De Witt

‘Ge-oeweest’ (geweest), ‘al-oewaar’ (alwaar), ‘toe-wintig’(20)…. Deze Youtube-video, waarin we de gebroeders de Witt 350 jaar na hun dood horen spreken, kwam voor mij wel een beetje als een schok.

Het betreft een reconstructie door Dr. Peter-Alexander Kerkhof van de Universiteit Leiden. Vorig jaar tekende hij al voor het YouTube-filmpje over de uitspraak van het Oudnederlands van rond het jaar 1000. Die video werd maar liefst 300.000 maal bekeken en vooral beluisterd. Ik besprak hem in deel 245 van deze langzaam maar gestaag groeiende reeks FHM’etjes.

Als Kerkhofs reconstructie klopt, spraken Cornelis en Johan de Witt (1623-1672, resp. 1625-1672), met wat taalkundigen een bilabiale w noemen. Dat is een met twee lippen op elkaar uitgesproken w-klank, die daardoor wel lijkt voorafgegaan door een oe-klank.

Een Vlaamse of Surinaamse w, noemen Ineke Huysman (Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis) en Peter-Alexander Kerkhof het in deze podcast. Maar mij, als bewoner van de Kop van Zuid-Holland, doet het vooral Katwijks aan. In het vissersdorp waait het vrijwel altijd, en vinden de autochtonen het dan ook vaak ‘oe-wel oe-wat oe-winderig’. 

De gebroeders de Witt (wiens naam je tussen twee haakjes niet kunt noemen zonder aan hun afschuwelijke dood te denken), kwamen niet uit Vlaanderen, Suriname of Katwijk, maar uit Dordrecht. Kerkhof gaat ervan uit, dat in heel Holland het Hollands werd uitgesproken zoals hij het voorleest in de YouTube-video.

Hij heeft die tekstfragmenten gekozen uit het reisverslag dat de broers maakten van hun 2 jaar durende grand tour in 1645/1647. Dat was een buitenlandse reis, in hun geval door Frankrijk en Engeland, die jonge mannen uit de hogere kringen moesten ondernemen als deel van hun opvoeding. Meer over hun omzwervingen op de site Johandewitt.nl.

De de Witten hebben een overvloed aan teksten nagelaten in de kwart eeuw tussen hun grand tour en die beruchte lynchpartij in 1672. Kerkhof koos fragmenten uit hun reisverslag omdat de taal daarin minder formeel is dan in hun latere ambtelijke correspondentie, en daardoor dichter bij de spreektaal zal hebben gelegen.

Een andere opmerkelijke klank in hun relaas behalve die bilabiale oe: de lange ij. Die werd uitgesproken als ‘Ūej’.  Dat in tegenstelling tot de korte ei, die als ‘ai’ klonk (wat aan het begin van de 21ste eeuw in sommige kringen weer aardig in zwang is geraakt voor Šlle ei/ij-klanken. Taalverandering verloopt soms in een kringetje).  

Verder valt op: de lange ee als in steen, een woord dat klonk als ‘stŤŤn’, terwijl de e in open lettergrepen gewoon klonk zoals wij het gewend zijn (‘eten’). Met de lange oo is iets vergelijkbaars aan de hand.

Maar waarom kwam dat allemaal nu als een soort schok voor me? Niet omdat het Nederlands van de 2 broers zo anders klonk dan het huidige ABN. Taal verandert nou eenmaal. Voor een andere uitspraak hoef je echt niet helemaal terug te gaan tot de 17e eeuw. Luister bijvoorbeeld maar eens naar liedjes en geluidsfragmenten die zijn opgenomen in de jaren 50 van de 20e eeuw. Dat Nederlands zal toch ook al aardig antiek klinken in de oren van de huidige jongeren.

Nee, het was vooral omdat ik als student Nederlands in de loop van jaren honderden, zo niet duizenden pagina’s vroegmoderne Nederlandse literatuur gelezen heb, zonder me ook maar ťťn moment te realiseren dat de taal in de 17e eeuw heel anders geklonken heeft dan mijn interne stem het me voorlas.

Veel aandacht werd tijdens mijn studie niet besteed aan uitspraak. Ja, dat de ij in het Middelnederlands als langgerekte i heeft geklonken, was wel algemeen bekend. Ware connaisseurs van de Middelnederlandse letteren spreken liever over de ‘Beatries’ dan de Beatrijs. Maar er werd altijd aangenomen dat die ie-klank ergens in de 16e eeuw geŽvolueerd is tot ij. Wat dus volgens onderzoekingen van Kerkhof pas veel later gebeurd moet zijn.

Kerkhof wil het met zijn uitspraak-reconstructies allemaal overbrengen aan een breed publiek van leken, zoals hij zegt in de podcast. Maar ook voor veel afgestudeerde neerlandici vertelt hij iets geheel nieuws.

Kerkhof zet ook uiteen, hoe wij Łberhaupt kunnen weten hoe het Nederlands werd uitgesproken in een tijd dat je niet even een bandrecordertje onder de neus kon houden van een spreker. Een belangrijke bron: taalgeleerden uit die tijd die in hun verhandelingen uitspraken deden over de uitspraak. Zo schreef Erasmus in een Latijns traktaat, hoe de klanken in het Nederlands zich verhielden tot die in het Frans, Italiaans, Spaans, Duits…

Ook verloopt klankverandering in een taal volgens bepaalde wetten. Daardoor is het mogelijk, de klanken van heden als het ware terug te ‘rekenen’ naar die in vervlogen eeuwen. 

De taalgeleerden van weleer besteedden ook aandacht aan de stads- en streekdialecten in hun tijd. Maar ook de dichters uit de 17e eeuw voerden, vooral in humoristische poŽzie, vaak dialectsprekers ten tonele, van wie de uitspraak dan fonetisch werd weergegeven. Dank zij schrijvers als Huygens, Vondel, Bredero en bijvoorbeeld de anonieme pamflettisten over de tulpenwindhandel weten we daardoor nu nog hoe Brabants, Vlaams, Zaans, Amsterdams… geklonken heeft in de 17e eeuw.

Dat wil nog wel eens hemelsbreed verschillen van de dialecten van nu. Veel is er veranderd door de industriŽle revolutie in de 19e eeuw, toen hele volksstammen van het platteland naar de stad trokken.

Ik hoop ooit mijn petit tours door de gewesten van Nederland te kunnen hervatten. In mijn reisverslagen probeer(de) ik de spraak van de inboorlingen ook altijd fonetisch weer te geven. Ik neem dan maar voor lief, dat ik een doodenkele keer een boze reactie krijg van iemand uit die regio die denkt dat ik de mensen daar afzeik – wat ook wel zo is. En die niet snapt dat ik handel vanuit een eeuwenoude literaire traditie.

Zoals die Rotterdammer die laatst nogal aangebrand reageerde op een stukje over een stadgenoot van hem. Alsof het mijn schuld is dat in Roffa het woord ‘over’ wordt uitgesproken als ‘euwverr’ en kroten (bieten) als ‘krreuwte’. Toch zijn dat misschien wel observaties waarvoor in het jaar 2525 een taalvorser me nog dankbaar zal zijn.

FHM
18 april 2021





© Frans Mensonides, Leiden, 2021