Nr. 291 - zondag 2 juli 2023 (week 26)
Een lepel van roestvrij staal (en grootouders van goud)

LAATSTE ZES AFLEVERINGEN

290. PERFECTE HARMONIE;  BEELDENSPEELTUIN IN LEIDEN (25/06/2023)
289. KNOTJE VAN ROTJE EN ANDERE ROTTERDAMSE BEELDEN (18/06/2023)
288.TRAAG HERSTEL (11/06/2023)
286. DICHTER BIJ VERMEER (MAAR NIET TE DICHT) (23/04/2023)
285/287.  'JIJ KRIJGT NARCOSE, KNAAP!', OFWEL: HET ROESJE / HET ROESJE, DE ERVARING) (26/03 en 14/05/2023)
284. ITALIANISEREND; DE BENTVUEGHELS VAN ROME (12/03/2023)

FHM’s A-viertjes is een rubriek op de Thuispagina van Frans Mensonides, die Henk als middle name heeft en dus FHM als initialen.
FHM’s verschijnt altijd op zondag, maar niet op elke zondag.


 

Nutricia-bestekjes uit 1956 en 1960, op mijn aanrecht uit 1969

Nee, ik ben, als zoon van een MULO-onderwijzer met een modaal salarisje, beslist niet geboren met een zilveren lepel in de mond, laat staan met een gouden. Ik was ‘Born in the fifties’ (met dank aan Sting van The Police), en dat was voor de meesten geen tijdperk voor lepels van edelmetaal.

Ik at mijn pap met een lepel van roestvrij staal, net als vrijwel iedere Nederlandse baby in dat decennium. Nutricia, een bekend merk voor babyvoeding, leverde dat lepeltje, in gezelschap van een bijbehorend vorkje. Echt helemaal 50’s: sober in uitvoering, maar oerdegelijk en onverslijtbaar. Ik, 66 jaar oud nu, gebruik die lepel nog vrijwel dagelijks om de volgens mijn dieet verplichte Griekse yoghurt naar binnen te werken. Geen spoortje van roest op die lepel; minder versleten dan ik zelf.

Hoe je aan dat babybestekje kwam, dat weet ik niet. Ik denk dat mijn ouders er zegels voor hebben moeten plakken, die je kreeg bij potten Nutricia-babyvoeding. Alles ging met zegeltjes in die tijd; geen huisvrouw of ze had een keukenlade vol spaarkaarten. Je liet een voordeeltje niet lopen, ook al ging het maar om een bedrag van een gulden of zo.

Mijn jongere broer kwam ter wereld toen de welvarende jaren 60 net waren uitgebroken. Zijn Nutricia-bestek zag er een stuk luxueuzer uit dan het mijne, met dat plaatje van die moeder die haar baby voedt. Ook zijn lepel en vork liggen nog in mijn keukenlade. Hij heeft ze achtergelaten toen hij de wijde wereld in trok. Ik woon al 60 jaar in hetzelfde huis, en veel vintage-dingen liggen er gewoon nog.

Je kunt die Nutricia-bestekjes tegenwoordig tweedehands kopen op o.a. Marktplaats.nl. Ze worden bij tientallen aangeboden, waaruit wel blijkt, hoe populair ze indertijd waren. Het grote aanbod drukt de prijs. Als je er meer dan een tientje voor neertelt, laat je je echt tillen. Die van mij zijn niet te koop; ik ben er nogal aan gehecht. Ik heb een keer een complete vuilniszak ondersteboven gekeerd om er een te zoeken die ik per ongeluk had weggegooid.

Maar dit stukje gaat in feite helemaal niet over die bestekjes. Ik vond laatst op mijn rommelzolder - inspiratie voor al heel wat FHM’etjes - een doos met financiŽle stukken van mijn moeder uit de vroege jaren 60.

Ik besloot er eens in te duiken. Als kind heb ik me nooit afgevraagd hoe mijn moeder de eindjes aan elkaar heeft kunnen knopen na de dood van vader in 1961. Ik heb zelfs zo ongeveer tot mijn 8e geloofd dat weduwen  - binnen de grenzen van het redelijke - onbeperkt geld konden opnemen bij het postkantoor. Waarom ook niet: ik geloofde toen ook nog in Sinterklaas.

Doodnormaal vond ik het in mijn kindertijd dat alles er wŠs, dat we alles hŠdden. We verhuisden van een eenvoudig portiekflatje naar een fraaie, nieuwe eengezinswoning met een tuin. We leden geen kou, noch honger; we gingen niet naar school in lompen of zonder ontbijt, we konden elk jaar op vakantie. We hadden tv en telefoon; minder gefortuneerde mensen uit de buurt kwamen bij ons bellen. Geld was zelden een onderwerp van gesprek; nooit hielden we een stuk maand over als het geld op was.

Ik vond het allemaal heel vanzelfsprekend, en had nog de pest in dat er bij ons geen auto voor de deur stond, zoals bij onze ooms en tantes en vrijwel al onze klasgenoten. En ik was diep beschaamd toen een onderwijzer me een keer meende te moeten bijvoederen met een saucijzenbroodje dat was overgeschoten. ‘Dan heb je ook eens iets extra’s; dat heb je echt nodig, Frans’, zei hij met een beroep op mijn frÍle voorkomen. Ik wierp tegen dat ik nou eenmaal fijngebouwd was, en echt niet vel over been van de honger, maar ik moest en zou het opeten.

Maar waar kwam ons geld vandaan? Mijn moeder gaf ooit lessen Engels aan emigranten naar Canada of AustraliŽ, en bijlessen in die taal aan slechte leerlingen van mijn vader. Maar die laatste bron droogde op na mijn vaders dood, en emigranten werden ook steeds zeldzamer in een land waar de bomen tot in de hemel waren gaan groeien. Mijn moeder heeft ook nooit een andere baan gezocht.

Tot en met 1959, alweer in die schrale jaren 50, was je goed gesjochten als de kostwinner in je gezin kwam te overlijden. Dan dreigde armoede, ook al was je geboren met die felbegeerde gouden of zilveren lepel in de mond. Maar toen mijn vader stierf, was kort tevoren de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) van kracht geworden.

Weduwen kregen een voor die tijd vrij riant pensioen, zodat ze niet uit werken hoefden, en zich geheel konden wijden aan de opvoeding. Weduwnaars kregen niets; het was nog de tijd dat de man de kost verdiende en de vrouw voor het huishouden en de kinderen zorgde.

Mijn vader verdiende in 1961 ongeveer 700 gulden schoon per maand, voor zover ik kon opmaken uit de paparassen die ik vond op zolder. In dat tijdperk spraken ze wel van ‘Harde guldens’. Een gulden anno 1961 vertegenwoordigde dezelfde koopkracht als 3,65 euro nu, volgens deze rekentool van het CBS. Dat is inclusief de recordinflatie tijdens de gascrisis van afgelopen winter.

Na zijn dood ontving mijn moeder nog enkele maanden salaris als ‘smartegeld’, zoals ik las op een berekening op een kladblaadje. Een levensverzekeringsmaatschappij keerde 4000 gulden uit. En er was een spaarbankboekje met een aardige som, die mijn ouders door zuinig te leven bij elkaar geschraapt hadden voor de felbegeerde auto. Ze hadden vast een ‘Eend’ of een ‘Hondenhok’ op het oog.

Die auto ging niet door, tot mijn kinderverdriet. Als ik in voorzienigheid zou geloven, zou ik geloven dat ik toen al voorbeschikt was om een website over openbaar vervoer te beginnen. De Voorzienigheid wist toen natuurlijk al dat er websites zouden komen…

Die bedragen die mijn moeder inde na de dood van haar man, die waren allemaal eenmalig. Daar kon mijn moeder geen 2 kleine kinderen van grootbrengen. We werden gered door de AWW. Nadat mijn moeder de nodige formulieren had ingevuld, werd haar een AWW-uitkering toegekend van (afgerond op honderdtallen) maar liefst 5200 gulden schoon per jaar.

In 1964 was dat bedrag al opgelopen tot 7500 gulden; in die jaren raakte de verzorgingsstaat in volle bloei. Waar het geld regende op de rijken, drupte het ook nog flink op de minder bemiddelden. Daar kwam ook nog 500 gulden kinderbijslag bovenop. Mijn moeder had verder extra inkomsten door de verhuur van een kamer aan een student; 75 gulden per maand, maakt 900 per jaar.

Al met al voldoende om in redelijke welstand van te leven, ook in 1964. Maar waar had mijn moeder dan ons huis van gekocht, dat de kapitale somma van 31.500 gulden gekost had? Daarvoor was haar vader, mijn opa, te hulp geschoten. Of eigenlijk: mijn grootouders, maar opa regelde dat soort dingen. Gehuwde vrouwen werden in die tijd niet geacht, zich om geldzaken te bekreunen, en kregen alleen per maand een vast bedrag aan huishoudgeld afgeschoven van hun echtgenoot.

Opa leende mijn moeder in 1962 20.000 gulden. Een kapitale som! Moeder moest dat bedrag officieel terugbetalen in 10 jaarlijkse termijnen van 2000 gulden. Maar opa beloofde haar, dat bedrag elk jaar kwijt te schelden.

En zo gebeurde het ook. Het werd ieder jaar letterlijk bezegeld, met officiŽle papieren. 2000 gulden was voor zover ik weet, het maximale bedrag per jaar dat je belastingvrij mocht schenken; zoiets heb ik wel eens opgevangen als kind.

Opa had als architect tijdens de wederopbouw behoorlijk goed geboerd, maar mijn grootouders draaiden iedere cent om en smeten het geld niet over de balk. Dat was ze in hun jeugd ingescherpt; ze waren beide opgegroeid in een eenvoudig arbeidersmilieu. Maar aangezien ze ‘het geld niet konden meenemen’, lieten ze het ten goede komen aan hun enige kind.

Ik wist wel dat mijn grootouders hadden bijgedragen aan het huis waar ik tot de dag van heden woon. Maar pas nu ik die doos met papieren gevonden heb, weet ik hoe de vork precies in de steel zat.

Helaas kan ik er geen dankjewel meer voor zeggen…

FHM
2 juli 2023

Oma, opa en kat in 1947 




© Frans Mensonides, Leiden, 2023