De digitale reiziger (122)
Weer een paar stations van de bucketlist af: ’t Harde, Voerendaal, Eemshaven en Warffum



Voerendaal

 


Warffum, Usquert, Uithuizermeeden, Eemshaven, Loppersum, Kropswolde, Sappemeer Oost, Zuidbroek, Hurdegaryp, (Veenwouden), Dronrijp, Sneek Noord, Koudum-Molkwerum, Vroomshoop, Almelo de Riet, Wijhe, Hengelo Oost, Arnhem Presikhaaf, Duiven, Hemmen-Dodewaard, Zetten-Andelst, Nijmegen Heyendaal, (’t Harde), Veenendaal West, (Den Dolder), Hollandse Rading, Diemen, Heemskerk, (Wormerveer), Krommenie-Assendelft, Den Helder Zuid, Rotterdam Noord, Dordrecht Zuid, (Gilze-Rijen), ’s Hertogenbosch Oost, Helmond Brouwhuis, Geleen Oost, Voerendaal, (Klimmen-Ransdaal), Hoensbroek, Landgraaf en Eygelshoven Markt.


Geloof het of niet, maar er zijn in Nederland nog steeds 36 spoorwegstations waar ik nog nooit ben in- of uitgestapt. Het zijn veelal stations in plaatsen waar je geen voet aan de grond zet als je er niet echt iets te zoeken hebt. Ga je toch een keer naar zo’n station, en na uitstappen ook nog op verkenning uit, dan weet je in ieder geval zeker dat je iets nieuws zal zien.

Een paar stations staan tussen haakjes. Dat zijn twijfelgevallen; ik ben er wel eens geweest, maar alleen in-, uit- of overgestapt, en dat telt voor mijn gevoel eigenlijk niet mee. Je wilt ook wat zien van zo’n plaats zelf.

Deze weken, in het prille voorjaar van ’18, werk ik vier stations van het lijstje af. Dat zijn in eerste instantie: het Limburgse Voerendaal en ’t Harde op de Veluwe, waarmee we hieronder beginnen. Binnenkort komen daar nog bij: Warffum en Eemshaven aan de meest noordelijke spoorlijn van Nederland.

Eemshaven is nieuw op dat lijstje. Dat station moet, als ik deze woorden tik, nog geopend worden. Dit in tegenstelling tot de rest van de stations op de lijst, waarvan de meeste al uit de 19e eeuw dateren, maar nog nooit met een bezoek van De digitale reiziger vereerd zijn.

Genoeg gepraat, op naar Voerendaal!

 

Voerendaal: de lente inluiden en wandelen langs drie kastelen


Voerendaal doe ik op de terugweg uit Heerlen, waar ik het Nederlands Mijnmuseum bezocht heb voor een aflevering van mijn museumblog. Het is bereikbaar met de Arriva-Stoptrein Heerlen – Maastricht Randwijck, lijn S4.

Ik stap uit om halfvier, met het vooruitzicht van nog 7 kwartier wandelen in de winter. Het is vandaag dinsdag 20 maart 2018 en exact om 17:15 zal de officiële, astronomische lente beginnen.

Ik heb vandaag een seniorenvrijreisdag, net als precies 15 maanden geleden, toen ik voor het eerst van dat voorrecht der 60-plussers gebruik maakte. Ook toen was Limburg – lekker ver weg!  - mijn reisdoel. Ik deed de Limburgse stoptreinen die toen, na een hoop vervelend concessiegedonder,  overgegaan waren van NS en Veolia naar Arriva.

Station Voerendaal is wel een van de mooiste en bijzonderste van dit land (overigens een look alike van het volgende station: Klimmen – Ransdaal). Het station dateert, net als deze spoorlijn, van 1914 en herbergt tegenwoordig een bovenwoning en enkele bedrijfjes.

Voerendaal, Voerendaal, was dat laatst niet in het nieuws? Inderdaad. Wil Houben, de burgemeester, keek enkele weken geleden, op weg van zijn woning naar het gemeentehuis, in de loop van een pistool en moest er in allerijl met zijn auto vandoor gaan. Hij deed er later nogal luchtig over, maar moet zich toch een hoedje geschrokken zijn. Niet lang geleden werd de auto van een wethouder in brand gestoken. Station Voerendaal onderging in 2012 hetzelfde lot, maar is kundig gerestaureerd, zodat het toch zijn eeuwfeest kon vieren.

Ik kom wel vaker in plaatsen waar het niet pluis is, zoals afgelopen herfst in het eveneens Limburgse Blerick. Als je er zelf poolshoogte gaat nemen, zie je nooit iets verontrustends. Hier in Voerendaal heerst arcadische lieflijkheid en doet niets denken aan wildwesttoestanden. Nu schieten ze bij mijn weten alleen op politici en niet op wandelaars, zelfs al komen ze uit Holland. Wat leer je nou over de duistere kanten van zo’n gemeente, als je er een middag in het zonnetje kuiert?

Deze blijkbaar problematische gemeente telt 12.000 inwoners, verdeeld over vijf dorpen (naast Voerendaal ook nog Kunrade, Klimmen, Ransdaal en Ubachsberg) en een oneindige sleep van hyperkleine gehuchten. De omgeving van Voerendaal is boeiender voor een fotowandeling dan het dorpje zelf. Niet minder dan drie kastelen staan hier in het mild glooiende Limburgse land. In het Twentse Diepenheim lachen ze daarom; zo is het wél; Diepenheim kan bogen op het dubbele aantal.



Alle drie de Voerendaalse kastelen zijn uitgebreide complexen met de nodige bijgebouwen, afkomstig uit heel uiteenlopende eeuwen. Ze hadden ook allemaal middeleeuwse voorlopers. Geen een ervan kan van binnen bezichtigd worden, maar er lopen wel – momenteel wat modderige, drassige – wandelpaden omheen.

Het eerste kasteel dat ik tegenkom is Puth, even ten noorden van het station. Het werd tot 1945 bewoond door Duitse edellieden, werd na WO II als oorlogsbuit geconfisqueerd, maar later weer teruggegeven. De huidige bewoner heeft het slot laten restaureren. Zijn tuinknechten blokkeren de weg erlangs aardig, als ik passeer; kleine verkeersopstopping.

Deze wandeling balanceert dus op de grens van winter en voorjaar. Het weer doet dat ook. Een gure noordenwind strijd om de voorrang met de al krachtige lentezon. De helft van mij wordt steenkoud en de andere helft zweet uit zijn hemd.

Ineens blijk ik me op een golfcourse te bevinden. Snel wegwezen, voordat ik een bal tegen m’n kanis krijg en vervolgens nog ‘Fore’ hoor roepen (die ballen gaan sneller dan het geluid). Ik vind de weg naar het volgende kasteel, dat omringd wordt door grazige weiden. Het heet Haeren en is gebouwd rond een binnenplaats.



Het is gesplitst in 5 appartementen die particulier bewoond worden. Een mooie deal: voor misschien niet meer dan de prijs van een doorzonwoning als een baron of barones wonen op een echt slot!

Langs rijtjeshuizen van minder fortuinlijken dan die van Haeren loop ik naar het derde kasteel. Ondanks het gevaar, beschoten te worden, wil hier toch iedereen in het gemeentebestuur, te oordelen naar de  vele verkiezingsposters voor de ramen, in de tuinen en op volgeplakte aanplakborden.

Morgen is de dag van de waarheid: wel of niet op het pluche. Voerendaal volgt de landelijke trend: ook hier zijn de lokalo’s groot. VA (Voerendaal Actief),  DV (Democratisch Voerendaal, met ‘Doelgericht Verder’ als slogan), en Het beste BOD veur uch (Betrokken, Onafhankelijk, Deskundig) doen een gooi naar de raadszetels.

Kieswijzers vullen ze niet in, in Limburg. Je stemt hier op iemand die algemeen bekend is, bijvoorbeeld de voorzitter van de kegelclub of de schutterij. Iemand uit je eigen dorp in de gemeenteraad, dan weet je dat je belangen behartigd worden.

Het derde kasteel, ten oosten van het dorp, is het lastigst fotografeerbaar (de twee foto’s rechtsonder). Het heet Cortenbach en bestaat uit een veelheid van gebouwen. Er zit het hoofdkantoor in van een schoonmaakbedrijf. Maar 300 jaar geleden woonde hier een zekere Herman Lamberts.

Verroest, zou ik daar misschien een achter-achter-achter-etc.-etc.-kleinzoon van zijn? Tenslotte heette mijn moeder Lia Lamberts, voordat ze trouwde met mijn vader. Vermoedelijk uit bescheidenheid heeft ze me nooit verteld dat ze eigenlijk een Limburgse jonkvrouw was. Ik wist niet beter of die tak van de familie kwam van de Veluwe.



Uiteindelijk vind ik de kern van Voerendaal: het kerkplein en het moderne gemeentehuis, waarvan de gevel groot genoeg is om de namen van alle dorpen en gehuchten te kunnen bevatten. Voerendaal zelf heet Voelender in het Limburgs.

Net als ik het gemeentehuis passeer, komen er drie bijzonder fraai uitgedoste herauten uit tevoorschijn. Zij steken hun zilveren, blinkende trompetten de hemel in om de lente van 2018 met enkele sonore klaroenstoten te verwelkomen. Ik kijk op mijn horloge. Ja, het is kwart over vijf. Dan ineens een dreunend kanonschot. Nee, geen schietpartij meer. Het is de eerste van 101 saluutschoten voor de lente.

Dat doen ze hier altijd. Als het moment suprême in sommige jaren in de nacht valt, wordt het niet door iedereen gewaardeerd. Het is een eeuwenoude Limburgse traditie, hier ter plaatse door mij verzonnen. Ook een realistische schrijver moet je niet altijd geloven.

De kou krijgt de overhand en de zon daalt ter kimme. Ik moet nog helemaal terug naar Leiden; morgen weer aan het werk, vroeg dag, en ik wil onderweg ook nog ergens dineren. Ik pak de stoptrein naar Maastricht. Het spijt me voor die ene lezer uit Ransdaal, maar ook deze keer zal ik aan zijn dorp voorbijrijden.

Dat doe ik ook met Meerssen, waar huwbare jonge mannen binnenkort wel weer de meiboom zullen erigeren als vruchtbaarheidssymbool. Hoe vreemd dat ook moge klinken, dat is écht een Limburgse voorjaarstraditie en ik verzin het niet.

Frans Mensonides
25 maart 2018
Er geweest: dinsdag 20 maart 2018




 

´t Harde: schietterreinen en kwakzalverstuinen



’t Harde, aan de lijn Zwolle – Amersfoort, bereik je tegenwoordig vanuit Leiden het snelst via de Hanzelijn, met overstap in Zwolle. Ik reis erheen op zaterdagmiddag 10 maart, alweer na museumbezoek: aan Rijksmuseum Boerhaave in Leiden.

Tussen Almere Oostvaarders en Lelystad kijk ik in de verte, of er nog demonstranten rondlopen in natuurgebied Oostvaardersplassen. Nee, alles in diepe rust, hier. Ik dacht ook wel van niet; de echte kou is nu uit de lucht.

Maar gedurende de afgelopen arctische weken was er het nodige krakeel rond de Oostvaarders. De hier uitgezette runderen en paarden verhipten, net als wij mensen, van de kou, maar hadden geen warme stallen met centrale verwarming om te schuilen. En vrijwel geen voedsel ook.

De zwakkere exemplaren gaan dan dood. ‘Dat is de natuur’, zegt de ware natuurliefhebber dan. Maar de al even ware dierenliefhebbers vonden het zielig, en eisten dat Staatsbosbeheer de dieren bij zou voederen. Boswachters werden zelfs bedreigd met de dood of erger, of uitgescholden voor nazi’s, omdat ze de dieren lieten verkommeren. Op zondag 4 maart moest het treinverkeer tussen Almere en Lelystad voor enige tijd gestaakt worden omdat dierenliefhebbers de sporen overstaken, met veekoeken en zakken krachtvoer en zo.

In arren moede besloot Staatsbosbeheer de verkleumde dieren dan maar bij te voederen, met grote balen hooi. Volgens deskundigen verplaatsen ze het probleem daardoor alleen maar naar de volgende strenge winter, als er nog meer zwakke exemplaren zijn en er nog meer tonnen voedsel aangesleept zullen moeten worden.

Maar ik geef de demonstranten ergens ook wel gelijk. Die Oostvaardersplassen, dat is natuurlijk helemaal geen natuur. Mensenhanden hebben daar beesten uitgezet, en er vervolgens een hek omheen geplaatst. Dan heb je geen natuurgebied, dan heb je een dierentuin of hooguit een safaripark. En in een dierentuin wil je als bezoeker geen uitgemergelde kadavers zien liggen.

Ik vraag me wel af, of dit gedoe nou ook een traditie gaat worden in de kringloop van seizoensellende die ons jaar in, jaar uit teistert. Na de Zwartepietendemonstraties ieder jaar de bijvoederdiscussie?

Ik bereik Zwolle, ga mezelf bijvoederen op een zeer laat lunchuur en pak de Sprinter naar Utrecht. Het eerste station is Wezep, dat ik twee prille voorjaren geleden al geschrapt heb van mijn emmerlijst; het tweede is ‘t Harde.

Dat heeft een beruchte klank onder IC-reizigers naar het noorden. Want als ’t Harde vermeld staat als eindbestemming van de trein, weet je dat Zwolle eruit ligt en je van hier verder moet met de bus. Laatst was dat een hele week het geval, in verband met voorbereidende werkzaamheden voor plaatsen van een busbrug aan de westkant van Station Zwolle. Gedurende de rest van dit jaar gaat Zwolle door diezelfde brug opnieuw regelmatig een poos plat.

Waarom is ’t Harde dan overstappunt, en niet Wezep, dat een iets kortere busreis zou vergen? Nou, Wezep is maar een ‘halte’ in spoorwegjargon, zonder overloopwissels, en bij ’t Harde ligt een heel rangeeremplacement. De treinen kunnen er dus keren en er is achter het station een enorme parkeerplaats voor de vervangende bussen. ’t Harde heeft een noodperron gekregen, zodat ook heel lange IC’s hier kunnen halteren.

Deze keer dus een verkenning van ’t Harde en omgeving. Maar ik moet zeggen dat die minstens even onaantrekkelijk oogt als het zicht op vervangende bussen, die hier vanmiddag niet zijn. Onderweg heb ik eerst tientallen borden gezien: SCHIETTERREIN LEVENSGEVAARLIJK. Dan een kale entree langs een bedrijventerrein waar hijskranen naar de wolken reiken.

Het station ‘t Harde is geopend in 1863, maar heeft in de eerste eeuw van zijn bestaan achtereenvolgens Elburg-Epe, Elburg-Oldebroek en Legerplaats Oldebroek geheten. In 1963 kreeg het zijn huidige naam. Het oorspronkelijke stationsgebouw ging in 1980 tegen de vlakte. Dat droeg bij aan de desolaatheid van deze plek.

Daar ik er zo snel mogelijk vandaan wil, stap ik op de OV-Fiets. Wel wat overmoedig voor de mooi-zomerweer-fietser die ik ben, maar vooruit: de thermometer wijst 14 graden en de wind laat zich niet voelen – en de zon niet zien, maar je kunt niet alles hebben.

Ik ga in zuidelijke richting heuvelop de Woldberg op, dan kom ik er meteen weer in, in het laten rondgaan der pedalen. Vaag heb ik de hoop, ergens links- of rechtsaf te kunnen slaan, een aantrekkelijk bosgebied in. Maar ook hier blijven de borden SCHIETTERREIN LEVENSGEVAARLIJK zichtbaar. Ik moet wel aannemen dat het mooiste stuk Veluwe rond ’t Harde in beslag wordt genomen door militairen. Hun bivak passeer ik ook, de Luitenant-kolonel Tonnetkazerne. Je kunt hier, als je echt kickt op pief-paf-poef, het Artilleriemuseum bezoeken.

Als er na kilometers vals plat nog geen eind is gekomen aan het schietterrein waar men oefent voor straks tegen Poetin, maak ik rechtsomkeert. Met aanzienlijke snelheid heuvelaf kruis ik het spoor weer en doorkruis de kern van ’t Harde, waar ik op de terugweg wel even ga kijken.

Als ik nog 6 kilometer rechtdoor zou rijden, zou ik terecht komen in Elburg. Maar daar ben ik nog niet zo lang geleden geweest. Ik kies daarom voor Oldebroek. Zowel op de heen- als terugweg volg ik een onnavolgbare route over B-wegen en over zanderige bospaden die uitermate geschikt zouden zijn voor een fietscross. 't Harde heet zo omdat de ondergrond hier steviger zou zijn dan op de rest van de Veluwe, maar ik merk er weinig van.


Uiteindelijk kom ik wel terecht in Oldebroek. Dat ligt aan de Zuiderzeestraatweg die al 200 jaar Zwolle verbindt met Amersfoort en waarlangs tientallen landhuizen en landgoederen liggen; ik schreef er een paar jaar geleden over.

Dit is ineens een fietsstuk op deze site, maar het OV blijft toch in mijn blikveld komen. Eerst in de vorm van bus 101 (Zwolle – Nunspeet), en vervolgens het oude stationsgebouw, omgebouwd tot woonhuis (rechtsboven op de foto). Station? Dat moet dan wel een tramstation zijn, want de spoorbaan is kilometers verderop.

Dat klopt ook. Van 1908-1931 reed er een stoomtram van Zwolle via Hattemerbroek, Oldebroek, Elburg en Doornspijk naar Nunspeet. Het was de hoofdlijn van de Zuiderzeetramweg, een stoomtrambedrijf op normaalspoor. Tussen Zwolle en Hattemerbroek maakten de trams gebruik van de spoorlijn Zwolle-Amersfoort.

De tramlijn werd pas aangelegd toen de THT-datum voor het stoomtramvervoer al bijna verstreken was. Stoomtramlijnen werden in de jaren 10 en 20 overal vervangen door de snellere en goedkopere streekbus.






Oldebroek

Op de terugweg naar station ’t Harde rijd ik langs Zwaluwenburg, een van de vele landhuizen in deze streek. Op landgoed Zwaluwenburg zijn de befaamde kruidentuinen van Doctor A. Vogel gelegen. Ze gaan pas op 1 mei weer open. Maar ik beloof niet dat ik er dan naar zal terugkeren.

Alfred Vogel (1902-1996) was een Zwitserse kruidendokter die een miljoenenconcern opbouwde met onder meer zijn Echinaforce-druppels. Zijn ideeën doen heel sterk denken aan die van Klazien-uut-Zalk, zo niet: Berendien-uut-Wisp. Hij beval onder meer het slikken van gemalen stierenkloten aan tegen kwalen als multiple sclerose en polio. Als overtuigde Jehova’s Getuige was hij bovendien gekant tegen bloedtransfusies. Door toedienen van vreemd bloed zou je persoonlijkheid veranderen, want die zit in je bloed, zoals wij allen weten.

Het riekt allemaal erg naar kwakzalverij, en door organisaties als Skepsis en de Vereniging tegen Kwakzalverij worden de producten van A. Vogel ook als zodanig betiteld.

Zijn dokterstitel was nep. Hij had nooit een universiteit van binnen gezien, maar verwierf een schimmig eredoctoraat van een niet bestaande afdeling van een opgeheven universiteit in California, of zoiets. Een doctoraat in de botanie, bovendien. Daarmee had hij evenmin recht om zich voor arts uit te geven als ik met mijn masterbul in de schone letteren. Op aanraden van zijn advocaten schrapte hij uiteindelijk zijn doctorstitel.

Door, of ondanks zijn eigen kruiden, bereikte hij de gezegende leeftijd van 93 jaar. Maar in 1996 mochten zijn middelen niet meer baten en bleek hij toch sterfelijk. Zijn druppels en zalfjes worden tegenwoordig nog steeds onder zijn naam aan de man gebracht, onder meer hier bij ’t Harde.

A. Vogel werkt nauw samen met de Stichting Geldersch Landschap en Kasteelen, eigenaar van landgoed Zwaluwenburg. Van die stichting ben ik donateur, zodat ik die kwakzalverij nog mede subsidieer, ook. Maar aan de andere kant: vermoedelijk zul je van de producten uit die tuin meestal ook weer niet zieker worden dan je al was. Bij uitblijven van genezing of terugkeer van je klachten lijkt het me wel raadzaam om een échte arts te raadplegen.


Huize Zwaluwenburg


Ik heb mijn aandacht zo bij het fietsen, dat ik bijna vergeet, foto´s te maken, en helemaal vergeet te gaan kijken in ’t Harde zelf. Daarvoor keer ik twee weken later terug. 

Opnieuw kies ik voor de Hanzeroute. Bij de Oostvaardersplassen staan nu zo’n kleine honderd dieren op een kluitje rond de plek waar het voer gedeponeerd is. Het is bijna op, en ze kijken reikhalzend uit naar de komst van de boswachter met meer lekkernijen. Dit is zo langzamerhand een parodie op een natuurgebied geworden.



In Zwolle ga ik nu die busbrug in aanleg eens bekijken. Het busstation wordt begin 2019 verplaatst naar de achterzijde van het station, waar nu al enkele stadslijnen rijden, als kwartiermakers. Die busbrug gaat daarvandaan met een slinger over het spoor naar Amersfoort / Lelystad heen en vervolgens over dat naar Kampen. Hij komt uit op de Willemskade, waarvandaan de bussen kunnen uitwaaieren over heel de stad.

Na dat rondje gelopen te hebben – kilometers óm, om van de voor- bij de achterkant van het station te komen - pak ik de trein naar ’t Harde. Nooit geweest in 61 jaar, en nu twee keer in één maand. Het behoort tot de zeldzame plaatsen die jonger zijn dan hun station. Dat laatste was er eerder dan de legerplaats en die weer eerder dan het dorp. Tot WOII stonden hier in de buurt slechts een handjevol primitieve daglonerswoningen, waar de mensen onder één dak woonden met hun geiten. Daarna kwam de groei en bloei tot woonoord voor redelijk bemiddelde forenzen.

Ik hoef in ‘t Harde dus niet al te hard te zoeken naar een oud en beschermd dorpsgezicht. De moderne winkelgalerij vormt het middelpunt van ’t dorp, als Elim dat niet doet.

Ik loop verder langs Zwaluwenburg en die Vogeltuinen naar de eerste halte van bus 100 die ik tegenkom, aan de rand van Elburg. Uitgelezen wandelweer op deze late middag. De zon duikt langzaam weg achter nevelige wolken en een milde grondmist stijgt op uit de bossen en weiden. Wandelen is hier een stuk aangenamer dan fietsen, dat wel weer even wennen zal worden, deze zomer...

Frans Mensonides
25 maart 2018
Er geweest: zaterdag  10 en 24 maart 2018


't Harde


© Frans Mensonides, Leiden, 2018