Museumblog winter 2017-2018


Elke zaterdag een museum! Hier: Museum het Rondeel in Rhenen (dat pas in een volgende aflevering ter sprake komt)



 


 

Museumwinter
Wonderlijk weefsel of raar allegaartje; Stedelijk Museum Breda
Fout, doch vergeven: Pyke Koch; Centraal Museum Utrecht
Levend gekookt; Museum De Waag, Deventer
Een OV-voorvechter en archeoloog als burgemeester; Museum Nairac, Barneveld
Het nieuwe beeld van Graaf Maurits; Mauritshuis-rel
In een oude walburcht ; Stedelijk Museum Zutphen en Museum Henriette Polak




Museumwinter

Landgoed en villa Rams Woerthe in Steenwijk (ook pas in een volgende aflevering)

De wintertijd is een ideale tijd voor een bezoek aan een van de circa 1000 musea die Nederland telt. Vrijwel niets is plezieriger dan een snel donkerende middag met storm, regen of sneeuw door te brengen achter de muren van een museum, en daar voor een uur of wat even in een andere wereld te verkeren.

Vandaar dus dit winter-museumblog. Ik ben nog zoekende naar de vorm. Maar ik neem me voor – zoals bij iedere nieuwe rubriek die ik begin – het deze keer nou echt eens kórt te houden. Het is een blog, tenslotte, en geen verzameling essays. En van de meeste zaken die in musea getoond worden, heb ik ook niet echt verstand. Ik ben een cultuurminnende leek die dingen mooi vind, of lelijk, boeiend of saai, maar die, niet altijd gehinderd door deskundigheid,  wel overal een mening over heeft.

In elk museum zet ik een paar objecten in de schijnwerpen die me bijzonder getroffen hebben. Voor de meeste afbeeldingen daarvan geldt: klik op de duimnageltjes voor de grotere afbeelding op de oorspronkelijke site.

De foto's, dat is wel even een dingetje. Niet in elk museum is fotograferen toegestaan; niet elk museum heeft een site waarop de complete collectie te bewonderen is. Als op deze pagina soms foto's ontbreken van zaken die wel in de tekst genoemd zijn, is dat niet anders dan een uitnodiging om zelf eens te komen kijken.

Dit museumblog komt op mijn Thuispagina tijdelijk min of meer in de plaats van mijn rubriek ‘Beminde zaterdag’ over reizen met trein en bus op die dag. De meeste museumbezoeken vinden nog wel plaats op zaterdag, en dat ik er ben gekomen met het OV, wil de lezer deze keer vast wel van me aannemen zonder dat ik er over uitweid of er foto’s van laat zien. 

Het blog komt ook min of meer in de plaats van een andere rubriek, FHM’s, waarin ik ook wel eens een museum binnenliep. Die rubriek heb ik opgedoekt. Maar ik merkte al snel dat ik daardoor een dimensie ben gaan missen. Als ik een museum bezoek zonder (digitaal) aantekenboekje en zonder de bedoeling om er iets over te schrijven, dan zie ik de helft niet van wat ik zie mét.

Elke zaterdag naar een museum, kan een mens zoveel cultuur aan? Ik ga het zien! In deel 1 en 2 kan ik verder niet heen om de goed-of-fout-discussie die momenteel woedt in museumland. Maar hopelijk wordt dat niet het thema van het hele blog.

De meeste blogs kennen een mogelijkheid voor de lezer om direct te reageren. De mijne niet. Maar opbouwende op- of aanmerkingen zijn net zo welkom in mijn Mailbox als loftuitingen.

Ten slotte: mocht er in de tekst nog een keer 'musuem' staan in plaats van 'museum', dan excuses voor het ongemak. Het is een van mijn meest beruchte 'vertikkemes.'

En nu, van start!
 







Wonderlijk weefsel of raar allegaartje; Stedelijk Museum Breda


Boven: Breda, van Kasteel tot station. Onder: Chassé-kazerne en Oudemannenhuis, thans Stedelijk Museum Breda tegen wil en dank


Dat duurt wel eventjes, voordat een fusieorganisatie een nieuwe eenheid is. Ik leef mee met de medewerkers van het Stedelijk Museum Breda. Die zullen een hevige cultuurschok doorgemaakt hebben, toen op 1 januari 2017 Breda’s Museum (ooit gevestigd in de Chassékazerne) introk in het Oudemannenhuis aan de Boschstraat, bij wat tot dan toe Museum of the Image (MOTI) heette.

Het was puur een moetje. De samensmelting was een gevolg van het leed dat gemeentepolitiek heet, en van bezuiniging. ‘Uit zo’n afgedwongen samenwerking kan ook iets verrassends voorkomen’, verklaarde directeur Dingeman Kuilman braafjes in Trouw.

Veel minder positief was Lauran Toorian van Brabant Cultureel. Volgens zijn verhaal heeft Breda’s Museum noodgedwongen zijn rijke collectie uitgedund en is de toenmalige directeur van dat museum ‘van gemeentewege (…) buiten gebonjourd’.

Het museumbezoek stemt Toorian daardoor niet onverdeeld vrolijk, maar mij toch eigenlijk wel. Ideaal, zo’n museum zonder rode draad, met in elke zaal zaken die vloeken met die in de vorige; het heeft voor mij een hoge amusementswaarde.

In de oudbouw van het Oudemannenhuis, dat eerder al eens klooster, pesthuis, krankzinnigengesticht en proveniershuis was, zetelt het gedeelte van de collectie dat afkomstig is van Breda’s Museum (of wat er nog van overbleef). Daar zie je wat je in een gemeentelijk museum verwacht te zien over de geschiedenis van de stad.

‘Van kasteel tot station’ heet de permanente expositie. Het Kasteel van Breda, een 14e-eeuwse burcht, huisvestte in de 16e de prinsen van Oranje, waaronder de beroemdste, Willem I, alias de Zwijger. En het nieuwe spoorweg- annex busstation is in 2014 feestelijk in gebruik genomen. Ik schreef er toen over - maar zou het geloof ik niet meer over openbaar vervoer hebben.

Er loopt momenteel ook nog een tentoonstelling over de Vrede van Breda van 1667, waarmee een einde kwam aan de Tweede Engelse Oorlog en waarbij ‘wij’ Manhattan met de Engelsen ruilden voor Suriname. Verder bevat de collectie opvallend veel portretten van vooraanstaande Bredanaars uit het verleden: graven, bisschoppen, industriëlen, plus de eega’s van de laatsten, van welke vrouwen er één gekleed is in peperdure gewaden en de toeschouwer hoogst verwaten aankijkt.

Daal je af naar de de kelder in de moderne aanbouw, dan beland je in een compleet andere wereld. Die ook niet echt een eenheid vormt. De expositie daar heet: ‘Wonderlijk weefsel. Mystiek in religieuze en digitale kunst’ en dat belooft iets heel aparts.

In de ene zaal zie je digitale werken door kunstenaars die geloof ik allemaal een grondige hekel hebben aan de digitale wereld, en die door middel van hun kunst flink bashen, dé grote mode op dit moment. Een zaal verder waan je je in het Catharijneconvent in Utrecht en valt een collectie kazuifels te bewonderen.

Dit inderdaad wonderlijke museum tart elke beschrijving. Laat ik er toch twee dingen uitlichten; een uit elk van die twee fusiepartners tegen wil en dank.

In de portrettengalerij valt dat van de industrieel Charles Stulemeijer (1880-1968) me op, die directeur is geweest van diverse bedrijven die bouwmaterialen produceerden. Ik zag het net toen ik me, zelf OR-lid, liep af te vragen wat de ondernemingsraden van de twee Bredase musea gevonden hebben van de fusie.

En nu blijkt deze Stulemeijer, die bekend stond als ‘rode’ ondernemer, het verschijnsel: ondernemingsraad zo ongeveer uitgevonden te hebben. Zijn fabrieken kregen in 1942 al een centrale ondernemingsraad, 3 decennia voordat de Wet op de Ondernemingsraden het levenslicht zag en 7 voordat Frank Giltay de COR´s een slechte naam gaf. Na de oorlog zat Stulemeijer in een commissie die een model-regelement schreef voor een OR.

Dat portret door Jan Sluijters, die Stulemeijer een vette bolknak tussen de vingers gaf, daar zie je het rode van de industrieel niet helemaal aan af. Maar in dit geval kun je beslist niet op het uiterlijk afgaan.

In de keldergewelven van het museum, waar de grafici en digitale kunstenaars weggestopt zijn, bleef ik lang gefascineerd kijken naar ‘Stratum’ van de Vlaming Frederik Heyman. Het is een soort videokunst, maar dan anders. In een complete zaal die ervoor uitgetrokken is, zie je holistische, driedimensionale beelden.

Een van de 5 ‘films’ (zal ik maar zeggen) die in een oneindige lus vertoond worden, is ‘Eastwind.’ Lange rijen van mannen in kantoorpakken lopen door een grote, donkere, deprimerende ruimte die sterk gelijkt op de Leidse Meelfabriek. De heren lopen doelloos achter elkaar aan in een vreugdeloze polonaise. Even later draaien ze dol in draaideuren zonder uitgang. Daarna vormen ze een Escheriaanse processie over oneindige trappen waar onder en boven grondig door elkaar lopen. Een beklemmend geheel.

Aan het eind van de film, show, presentatie of hoe je het noemen wilt, waait de oostenwind waarnaar de titel verwijst, opgewekt door windturbines.

Moeilijk te omschrijven, een stuk video-art; je moet het zien. In dit museum dat een wonderlijk weefsel is of een raar allegaartje, zeg het maar!

Frans Mensonides
21 januari 2018
Er geweest: zondag 24 december 2017.




Fout, doch vergeven: Pyke Koch

Goed, hij was natuurlijk fout, en dat zelfs al vóór de oorlog, de schilder Pyke Koch (1901-1991). Wel bijzonder dat het Centraal Museum Utrecht een overzichtstentoonstelling aan hem wijdt, uitgerekend tijdens de huidige, soms behoorlijk misselijkmakende braafheids- en correctheidsgolf.

Maar hoe gaat zoiets? Quod licet Iovi, non licet bovi, zoals de oude Romeinen zeiden, ofwel, vrij vertaald: de één mag een koe stelen en de ander mag niet eens over het hek kijken. Het wordt Koch allemaal postuum vergeven.

En dat terwijl de rapper Boef momenteel grondig wordt uitgekotst, als was hij staatsvijand nummer 1, omdat hij in een stronken bui iets naars geroepen heeft over vrouwen. En het borstbeeld van Maurits van Nassau-Siegen mag niet eens meer op een prominente plek in zijn eigen Mauritshuis tentoongesteld staan, omdat deze graaf vroeger erg stout is geweest in de slavenhandel. (Ja, hij heeft ook nog een paar goede dingen gedaan. Maar die is iedereen vergeten. Want de kennis van historische feiten is bij sommigen wat minder groot dan de heilige verontwaardiging erover). Meer over de Maurits-rel een paar verdiepingen lager op dit blog.

Hoe het ook zij, goed of fout, uiteindelijk moet je een kunstwerk beoordelen als kunstwerk: het bewonderen of het lelijk vinden, los van de kunstenaar of de geportretteerde. Een kunstwerk op zich zelf kan nooit fout zijn.

Koch werd bepaald niet met een schilderkwast in de hand geboren. Hij nam die pas op zijn 26ste voor het eerst ter hand. Hij studeerde rechten in Utrecht. In de laatste zomer voor zijn doctoraal examen pakte hij het schilderen op, vooral uit verveling, zoals hij later zou verklaren; al zijn studievrienden waren op vakantie en hij zat in z’n uppie op zijn studentenkamer. Meteen werd hij gegrepen door de schilderkunst. Hij gaf in het zicht van de haven zijn rechtenstudie eraan.

‘Zijn’ Utrecht leverde onderwerpen: kermissen, volkstaferelen en desnoods pisbakken. Deze wat vreeswekkende kechs van Utereg (pardon: ‘Vrouwen in de straat’; 1962) is hij misschien ook ergens tegengekomen op een gracht of in een steeg.

Koch werkte zo perfectionistisch en langzaam dat hij in een werkzame periode van ruim 50 jaar niet zo gek veel schilderijen voltooid heeft. Vandaar dat de expositie is aangevuld met werken van zijn tijdgenoten. De regelmatige bezoeker van schilderijententoonstellingen ziet in het werk van Koch invloeden van Charley Toorop en Carel Willink. Veel van zijn werken worden gerekend tot het magisch realisme. Naar eigen zeggen schilderde hij taferelen die wel mogelijk maar niet waarschijnlijk zijn.

Maar waaruit bestond nou het ‘foute’ dat altijd aan Koch zou blijven kleven? Onze nationale uitlegger Maarten van Rossem legt het uit op de audiotour – die je in dit museum kunt beluisteren via je eigen mobiel; ik heb het nog nooit eerder gezien. Een hoofdtelefoon om in je mobiel te pluggen, kun je gratis lenen.

Maarten stelt dat Koch niet zozeer een aanhanger was van het nazisme van Hitler, als wel van het fascisme van Mussolini. Een sterke man als leider, een oligarchie, geen macht bij de massa, een nieuwe orde, een hiërarchische elite met duidelijke opvattingen over kunst, dat waren zijn idealen. Hij was lid van een vaag gezelschapje aanhangers van het groot-Dietse gedachtegoed, een clubje dat later opging in de NSB. Maar daar zegde hij kort na het begin van de oorlog zijn lidmaatschap van op. Zo erg fout was Koch dus niet, aldus van Rossem; helemaal geen nazi, maar alleen maar een product van het interbellum.

Om met Philip Freriks te spreken: bedánkt, Maarten; punt gemaakt! Maar dat wist allemaal niet uit dat Koch diep in de bezettingstijd nog een reeks postzegels ontworpen heeft met Germaanse symbolen. Na de oorlog is hij veroordeeld wegens collaboratie. Hij mocht een jaar lang geen werk exposeren, een erg milde straf. Maar dat jaar is al lang voorbij; geen reden om anno 2017 geen Koch meer te willen zien.

Dit selfie met zwarte band uit 1937 heet typisch fascistisch te zijn. Maar als je het verleden van Koch niet kent, is het gewoon een stoer portret van een zelfbewuste man.

Laat ik na al dat geredekavel over goed of fout liever het laatste schilderij bewonderen dat Koch gemaakt heeft, de Koorddanser III (ca. 1980; er bestaan meerdere versies van).

Dit kan niemand onberoerd laten die over de helft is van zijn levensweg, die hier gesymboliseerd wordt door twee trappen. De linker voert onherroepelijk naar de kelder. Een artiest doet daarvóór nog voor de laatste keer zijn kunstje. Om de uitdaging extra groot te maken, is hij geblinddoekt en heeft hij een fles op zijn hoofd. Zijn leven is, of was, een dans op het slappe koord. Och, zijn wij allen geen koorddansers?

De wereld van Pyke Koch’ is nog te zien tot/met zondag 18 maart in het Centraal Museum Utrecht

Frans Mensonides
21 januari 2018
Er geweest: zaterdag 6 januari 2018.



Levend gekookt; Museum De Waag, Deventer

Vreemd dat ik nog nooit eerder Museum de Waag ben binnengestapt om iets te weten te komen over de geschiedenis van mijn vaderstad. Want dat is Deventer in feite. Mijn vaders wieg stond weliswaar in het Friese Joure, maar al heel gauw werd hij uit diezelfde wieg geplukt voor de emigratie van het gezin naar de oude Hanzestad aan de IJssel. Daar had hij in 1948 op het ´Driekwartierslaantje´ een ernstig gesprek met mijn moeder over hun gezamenlijke toekomst; ik schreef er een poosje geleden over.

Nog vreemder is het feit, dat ik bij mijn bezoek het topstuk van dit museum gemist heb. Het is de ijzeren kookpot waar in barre tijden van weleer valsemunters levend gekookt werden in olie. Ik had eens gehoord dat die ketel aan de gevel hing. Toen ik uit het museum kwam, liep ik daarom een rondje rond het gebouw, maar zag hem niet.

Later pas las ik dat de pot verplaatst is naar de vestibule, waar ik er twee keer langsgekomen moet zijn, zonder hem op te merken. Hij is binnengehaald omdat zijn conditie achteruit ging. Dat is ook wel te zien op de foto uit de Wikipedia. Die gaten in de bodem zijn echter geen roestgaten, maar zijn er 1813 ingeschoten door balorige Franse soldaten.

Van alle manieren waarop je dit aardrijk kunt verlaten, moet levend gekookt worden toch wel een van de minst aangename zijn. Die gruwelijke straf werd in meer landen van Europa opgelegd aan mensen die misdrijven hadden begaan in de sfeer van #metoo, gifmengers, maar vooral aan valsemunters. Voor de laatste twee categorieën was het dan een ‘spiegelstraf’, vergelijkbaar met het afhakken van de hand waarmee een diefstal gepleegd was. Vergiftiging en valsemunterij ging gepaard met het bekokstoven van allerlei dingen in een kookpot. Volgens de mores van die tijd moest je dan ook in een kookpot sterven.

Soms werden de veroordeelden om humanitaire redenen eerst verdronken in een ton met gewoon koud water, alvorens opgewarmd te worden. Maar meestal werd het slachtoffer met zijn hoofd naar beneden in alreeds kokende olie of kokend water gedompeld, waarna snel de dood intrad. Soms – maar dat was beslist geen algemeen gebruik – werd er daarna ook nog soep getrokken van het lichaam.

Een grimmig overblijfsel aan grimmige tijden in een al even grimmig ogend gebouw. De Deventer Waag bij de Brink werd opgeleverd in 1531 en is daarmee de oudste als zodanig gebouwde waag in Nederland. Na bijna een half millennium staat vrijwel alles aan het gebouw scheef; 80 centimeter uit het lood, naar verhouding ongeveer net zo schuin als de toren van Pisa. In de loop van de eeuwen was het gebouw nog een poosje ziekenhuis en schoolgebouw voordat het in 1915 zijn huidige museumfunctie kreeg.

Nu verhaalt het de historie van de stad, die dit jaar op de kop af 1250 jaar, 1¼ millennium, bestaat. De Engelse prediker Lebuïnus (Liafwin) stichtte hier in 768 een kerk. Blijkbaar sloegen zijn preken beter aan dan die van zijn landgenoot en collega Bonifatius, die 14 jaar eerder bij Dokkum vermoord was. Hoe zou zoiets nou komen, dat de een stad sticht en de ander het leven laat?  Je weet het niet; het zit soms in kleine dingen. Volgens een mop die ik ooit eens gehoord heb, zou Bonifatius het Fries ´Geen taal, geen dialect, maar een spraakgebrek´ genoemd hebben, waarop hij gelyncht is.

Dat was in Friesland. In wat nu Oost-Nederland heet, spraken ze in de 8ste eeuw oud-Saksisch. De naam Deventer is vermoedelijk uit die taal afkomstig en zou dan afgeleid kunnen zijn van Devetreo: bosje bij het water.

De kennismaking met de geschiedenis van Deventer is tevens een kennismaking met lokale wapenfeiten en helden die buiten de stad nauwelijks bekend zijn.

Deventer had in de Tachtigjarige Oorlog, alias de Opstand der Nederlanden, ook zijn ontzet, al staat dat van bijvoorbeeld Alkmaar en Leiden veel prominenter in de canon. Het was op 10 juni 1591; na slechts 10 dagen van schermutselingen bevrijdde Prins Maurits de stad van de Spanjaarden.

En de stad had een oorlogsheldin, al is ook zij minder wijdvermaard dan Kenau Simonsdochter Hasselaar uit Haarlem - die volgens moderne historici nooit bij krijgshandelingen betrokken is geweest. De Deventer heldin heette Catharina Simons en nam, verkleed als man, dienst in het leger. Pas na ´zijn´ dood ontdekte men dat ‘hij’ een vrouw was.

Een held die mijn vader misschien nog in actie heeft gezien, was Leo Halle die van 1923-1939 het doel verdedigde van de vermaarde voetbalclub Go Ahead. De Leeuw van Deventer was zijn bijnaam. Als een blok graniet stond hij in het doel, de vijandelijke spitsen bij voorbaat alle moed tot een schot ontnemend. Go Ahead, dat nu troosteloos bivakkeert in het rechterrijtje van de Eerste Divisie, is in die periode 2 keer landskampioen geworden.

Rijk werd je in die tijd niet van topvoetbal; betaald voetbal werd pas in 1954 ingevoerd. Halle maakte lange werkdagen als vrachtwagenchauffeur voor de zuivelhandel Coöperatie Ons Belang. Hij werkte zijn trainingen af in de lunchpauze.

Ik was begin december in dit museum. Momenteel loopt er een tentoonstelling over datgene waarmee Deventer wél tot ver over de grenzen beroemd is; de Deventer Koek.

Foto: Albert Simons, 'Halle, Leonard Gerrit Herman (1906-1992)', in: Biografisch Woordenboek van Nederland

  

Frans Mensonides
4 februari 2018
Er geweest: zaterdag 2 december 2017

 





 

Een OV-voorvechter en archeoloog als burgemeester; Museum Nairac, Barneveld

‘Overal waar ik vandaag kom, heerst de stilte voor de storm die 2018 gaat worden. Overmorgen zijn de meeste vakanties afgelopen. De mensen hebben er al genoeg van en verlaten huis en haard niet’.

Dat schreef ik eerder op deze eerste zaterdag van 2018, toen ik in de Zuid-Hollandse polders rondliep. Maar het geldt al evenzeer in Barneveld, waar ik rond halfvier Museum Nairac binnenloop. Ook hier de tot contemplatie wekkende museale stilte waaraan je soms wel eens behoefte hebt.

Museum Nairac is gevestigd in een oude brouwerij, maar kreeg onlangs een moderne aanbouw. De brouwerij was eigendom van de familie Romeijn die er tot 1900 een pittig Barnevelds biertje brouwde.

De geschiedenis van het dorp wordt er uit de doeken gedaan in tien thema’s. Hierboven: de stijlkamer en het schooltje. De woonkamer is ingericht zoals aan het begin van de 20ste eeuw de gegoede Barneveldse burgers dat deden.

Het museum is genoemd naar Carel August Nairac (1815-1883) die niet minder dan 42 jaar lang, van 1841 tot zijn dood, burgemeester was van het toen miniemen dorpje Barneveld. Hij was afkomstig uit een Franse familie.

Werd het buurdorp Lunteren op de kaart gezet door drie opeenvolgende dorpsnotarissen; in Barneveld nam burgemeester Nairac die taak op zich. Op zijn instigatie kreeg het dorp een spaarbank, verharde wegen, een bibliotheek, een weekmarkt, een nieuw raadhuis en een postkantoor. Hij richtte verder een harmonie op en maande de zuipschuiten uit zijn gemeente regelmatig tot matigheid met het bier van Romeijn. Tenminste: dat zie ik voor me, als ik in het Biographisch Woordenboek lees: 

Karakteristiek ware zijne uitleggingen der Drankwet, ten dienste zijner gemeentenaren, bij hare invoering tot ieders leering en waarschuwing verspreid.

Ik zou het in dit museummozaïek geloof ik niet meer over openbaar vervoer hebben, tenzij het zo uitkomt. En dat is nu het geval, want ook op dat terrein had Nairac zijn verdiensten. In de jaren 60 van de 19e eeuw kwam de Oosterspoorlijn op de tekentafel. De spoorlijn zou Amsterdam via Amersfoort en Apeldoorn verbinden met Zutphen. Een en ander was bedoeld om de Rhijnspoorweg Maatschappij, met hun lijn Amsterdam - Utrecht – Arnhem – Elten, te kunnen beconcurreren.

Dank zij de lobby van Nairac kwam de nieuwe spoorlijn over het grondgebied te lopen van de gemeente Barneveld en werd in 1876 station Barneveld - Voorthuizen geopend, met een stationsgebouw als een paleis. Dat lag bij de buurtschap Harselaar, ongeveer op de plek waar je nu het station Barneveld Noord vindt aan de Valleilijn, v/h het Kippenlijntje. Daarvandaan was het nog wel een ruim half uur gaans naar de kern van Barneveld. Maar twee herbergiers openden een omnibusdienst, een voertuig, getrokken door EEN paardenkracht.

De opening van het Kippenlijntje heeft de burgemeester niet meer mogen meemaken. Dat was pas in 1902, na discussies die zich meer dan 20 jaar hadden voortgesleept; zie het gelinkte stukje.

De burgemeester was verder een hartstochtelijk amateurarcheoloog; een hobby die hij deelde met de gemeentebode Hendrik Bouwheer. Zij legden de basis voor de uitgebreide archeologische collectie op de eerste etage van het museum.

En ja hoor, daar ligt hij, de mammoetkies! Het is het meest afgezaagde cliché in museumland, dat obligate gebitselement. Maar je mist hem toch als hij een keertje ontbreekt, en bent opgelucht als je hem ziet liggen; wat is een stads- of streekmuseum zonder?, vroeg ik me ook in Lunteren al af. Die uit hun krachten gegroeide wolharige herbivoren moeten met die kiezen miljoenen tonnen planten vermalen hebben, voordat zij een jaar of 4000 geleden uitstierven.

Ten slotte: zeg Barneveld, en je zegt: Jan van Schaffelaar, die op 16 juli 1482 tijdens een veldslag in de Hoekse en Kabeljauwse twisten van de kerktoren sprong. Pas 3½ eeuw later werd hij een nationale held. Dat kwam onder andere door de roman ‘De Schaapherder’ (1838) van J.F. Oltmans over de gebeurtenissen uit 1482. Historische romans waren in de jaren 30 van de 19e eeuw niet weg te branden uit de bestsellers-top-10. Men was in dat tijdperk erg tuk op nationale helden; zo lag ook de korte luchtreis van Van Speyk nog vers in het geheugen.

Oltmans schreef over Jan van Schaffelaars sprong: 

Het was alsof een bliksemstraal langs den toren schoot, of een hemelsch ridder van den trans de aarde naderde; want schitterende stralen werden teruggekaatst door het blinkende harnas (…). De aanvoerder draaide niet in den vreeselijken val: het hoofd van Jan van Schaffelaar, de witte pluim bleef altijd hemelwaarts gericht..

Iets realistischer was de dichter Hendrik Tollens (wiens woonhuis in Rijswijk ik eens bezocht) in ‘Jan van Schaffelaar’:

Hij stort, hij valt, hij ledebraakt
En stuiptrekt in den dood,
En ’t bloed, waarnaar de woede blaakt,
Beschaamt en kleurt ze rood.

Een anonieme schilder, wiens werk in Museum Nairac hangt, heeft zich indertijd vermoedelijk door het fragment uit ‘De Schaapsherder’ laten inspireren tot dit schilderij. Van Schaffelaar komt inderdaad majestueus uit de hemel nederdalen, in plaats van een ordinaire doodsmak te maken vanaf dat torentje. Mooi gezegd door Oltmans! Maar wie Van Schaffelaar beschouwt als een stomme schlemiel die het leven liet in een zinloze veldslag in een oorlog die totaal nergens over ging, zit beslist niet ver naast de waarheid.

Frans Mensonides
4 februari 2018
Er geweest: zaterdag 6 januari 2018

Meer op mijn site over Barneveld, zijn kerken, zijn held en zijn stations.





Het nieuwe beeld van Graaf Maurits; Mauritshuis-rel

 

De verwijderde buste van Graaf Maurits

Foto: Beko - Eigen werk, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=55855650. Overgenomen van Wikipedia, Buste van Johan Maurits

Ook dit hoofdstukje gaat over onze omgang met de helden uit de geschiedenis. De kritiekloze verering in de 19e eeuw van losers als Jan van Schaffelaar (zie hierboven) en Jan van Speyk vinden we tegenwoordig absurd. Maar met de huidige politiek-hypercorrecte ‘beeldenstorm’ slaan we finaal door naar de andere kant.

Onlangs ontstond er een rel over de buste van Graaf Maurits, voluit: Johan Maurits van Nassau–Siegen (1604-1679), niet te verwarren met zijn achter-oom Prins Maurits (1567-1625). Het borstbeeld van de graaf, dat vroeger op een prominente plek heeft gestaan in zijn voormalige woning, museum het Mauritshuis in Den Haag, is daar vorig jaar verbannen naar de magazijnen. En dat had alles te maken met zijn slavernijverleden.

Maurits verbleef van 1637 tot 1644 namens de West-Indische Compagnie (WIC) in Brazilië als gouverneur-generaal. De WIC hield zich onder andere bezig met slavenhandel en -transport. Maurits zou zijn huis, het huidige museum, bekostigd hebben met het bloedgeld van de winst uit de slavenhandel. Nu was de bouw al begonnen voordat Maurits naar de West was afgereisd, was hij naar eigen zeggen financieel enorm tekort gedaan door de WIC, en heeft de continu op zwart zaad zittende edelman het huis nooit kunnen afbetalen. Maar ja, als het morele gelijk in het geding is, dan doen feiten er niet meer toe.

Prima dat gewezen wordt op rare en nare trekjes van figuren uit de geschiedenis; blinde heldenverering is zoals gezegd onzin. Maar vertel dan wel het hele verhaal en vertel er in dit geval eerlijk bij dat slavenhandel in Maurits´ tijd heel normaal was en vrijwel niemand ertegen te hoop liep. ‘The past is a foreign country; they do things differently there.’ (J.P. Hartley).

De discussie over Maurits werd in 2014 aangeslingerd door Zihni Özdil, Tweede Kamerlid voor GroenLinks en historicus. In een ongenuanceerd, heel boos artikel op het internetmagazine Historiek.net hekelde hij het Mauritshuis voor het verdonkeremanen van Maurits’ slavernijverleden. Daarvoor werd hij in een volgende editie van Historiek.net flink aan de oren getrokken door emeritus-geschiedenisprofessor Piet Emmer, op wiens stuk hij ook weer een reactie gaf.

Mogelijk is door deze polemiek bij de directie van het Mauritshuis het zaad van de twijfel gezaaid over de moraal van hun naamgever, en was dat de reden om het borstbeeld te verwijderen. Dat gebeurde echter pas in 2017. Het was, zoals het Mauritshuis verklaarde, ingegeven door een bewustwordingsproces over het slavernijverleden. Wonderlijk genoeg liet men een geschilderd portret van Maurits hangen in het trappenhuis. Je zou denken: als je hem helemaal niet meer wilt kennen, haal dat schilderij dan ook weg en geef het museum een andere naam.

Een rel kwam er pas van in januari van dit jaar. Het Mauritshuis kwam toen ineens met een heel andere verklaring over de verwijdering van de buste. Het was maar een replica (inderdaad, het origineel siert de graftombe van Maurits in het Duitse Siegen en moet daar blijven. Die replica was een geschenk, en een geschenk geef je vanzelfsprekend een ereplaats in de kelder!). Dat beeld stond toch maar op een achterafplekje bij de wc, vond het museum (OK, maar daar hebben ze het zelf neergezet; vóór de verbouwing van 2014 en de correctheidshausse stond het op een veel prominentere plek). Het was verder geen kunstwerk maar een rekwisiet (???). Het beeld was ook niet verwijderd, maar vervangen door een ander beeld in een speciale zaal die gewijd was aan Maurits.

 

Het 'nieuwe' beeld van Maurits door Jan van Logteren (1709-1745)

Het museum deed er alles aan om de indruk weg te nemen dat Maurits’ verbanning louter was ingegeven door gedram uit de orthodoxe vleugel van de linkse kerk. Toch klonken er nu veel protesten, en niet alleen uit nationalistische PVV- en FVD-kringen. Ook minister-president Rutte mengde zich in het debat; het museum kon voor wat hem betrof, inderdaad beter een andere naam kiezen.

De premier – tevens de buurman van het museum – kreeg nu een openlijke schrobbering van museumdirecteur Emilie Gordenker. Ja, dat mag zij doen, vanzelfsprekend, de regeringsleider de mantel uitvegen. Niet alleen kijk je vanaf de bovenste verdieping van het Mauritshuis neer op Ruttes Torentje; de directeur van het zwaar gesubsidieerde schilderijenkabinet beurt voor het bestieren ervan ook een hoger salaris dan de premier voor het besturen van een heel land, bespottelijk! Rutte bood als een stoute schooljongen zijn excuses aan voor zijn aantijgingen aan het adres van het museum; zaak gesloten, rel kundig gedownplayd.

Zelf besloot ik me ook te mengen onder de stroom twitteraars over de kwestie. Over slavernij zei ik niets; die is toch al de schuld van mij, als blanke witte man, en alles wat je erover roept, maakt het alleen nog maar erger. Ik vroeg me wel af waarom de discussie over Maurits zich beperkte tot zijn 7 jaar in Brazilië en niet ging over de 68 jaar die hij verder nog heeft doorgebracht op deze wereld.

Die jaren gingen beslist niet onopgemerkt voorbij. Maurits was een omstreden societyfiguur in Den Haag (om geheel andere redenen dan slavernij). Maar hij heeft ook een paar verdiensten gehad: een belangrijke overwinning op het Spaanse leger (Schenkenschans, 1636), twee maal Nederlands aartsvijand Bommen Berend verslagen, en tussen de bedrijven door nog 32 jaar lang stadhouder van Kleef geweest. In die Duitse stad willen ze tot de dag van heden, net als in Brazilië, geen kwaad woord over hem horen.

Het museum gaf ontwijkende antwoorden op mijn vraag of zij wel voldoende aandacht besteed hadden aan de volledige levensloop van deze historische figuur, naast het gehamer op slavernij.

Ik deed toen wat Rutte verzuimde: zelf komen kijken. Jammer dat de premier die 50 meter tussen het Torentje en het Mauritshuis niet even overbrugd heeft. Hij had dan namelijk kunnen zien wat ik zag: dat hij voor 100% gelijk had met zijn kritiek.

De ´zaal´ die gewijd is aan Maurits, is een minuscuul kamertje, het kleinste vertrek na de meterkast, schat ik. Slechts twee wanden ervan zijn gewijd aan Maurits. Het vervangende beeld van hem is een onooglijk, lullig geval, een lor waarvoor ik bij een uitdragerij nog geen tientje zou betalen om het op mijn schoorsteenmantel te kunnen zetten. De graaf staat er op dat beeld bij als een zak tabak. Er hangen twee schilderijen uit de tijd dat Maurits in Brazilië verbleef. De informatie over de graaf is uiterst summier en blijft ook beperkt tot Brazilië en vooral de slavenhandel. Een aanfluiting, al met al.

Ja, ik snap het wel, ergens. Het Mauritshuis trekt 400.000 bezoekers per jaar, uit alle continenten van de wereld. Die komen kijken naar het ‘Meisje met de Parel’ van Vermeer en andere pareltjes uit de Nederlandse schilderkunst. Het museum is en blijft zonder meer een must see voor iedere buitenlandse toerist die een culturele vakantie in ons land doorbrengt. Maar men komt er voor schilderijen, niet voor geschiedenisles. En het levensverhaal van Maurits heeft ook de directie van het Mauritshuis volgens mij nooit erg kunnen interesseren. Echter: met de huidige correctheidsgekte konden ze er huns inziens niet langer over zwijgen.

Maar nogmaals: vertel dan het hele verhaal! Nu doet het Mauritshuis zijn naamgever schandalig weinig recht. Toch maar een andere naam boven de deur hangen, dan wel een verhuizing overwegen? Of misschien eens gaan kijken bij Huygens’ Hofwijck in Voorburg, hoe je dat doet, een vroegere bewoner van je museum over het voetlicht brengen.

Frans Mensonides
8 februari 2018
Er geweest: voorlopig voor het laatst

PS: Graaf Maurits kruiste in 2006 mijn pad, toen ik als masterstudent Nederlandse Literatuur een dialoogpamflet uit 1652 bestudeerde waarvan hij zowel het onderwerp als de hoofdrolspeler was (en mogelijk de auteur). In 2014 kwam ik in een stukje over Kleef nog op hem terug.

 

Gezicht op het eiland Itamaracá, door Frans Jansz. Post die in Maurits' gevolg was meegereisd naar Brazilië.
Overgenomen van Rijks Museum




 

In een oude walburcht; Stedelijk Museum Zutphen en Museum Henriette Polak


Net als in Breda verhuisden in Zutphen in 2017 twee musea naar een fraai gerestaureerd historisch pand met een moderne uitbreiding. Maar daar houdt elke vergelijking mee op. Want was in de Brabantse stad sprake van een verstandshuwelijk, in Zutphen lijkt er meer harmonie te zijn tussen de twee fusiepartners: Stedelijk Museum Zutphen en Museum Henriette Polak. Je passeert geen breukvlak bij de wandeling van de een naar de ander. En schimpscheuten over eventuele fusieperikelen heb ik ook nergens gelezen.

Het Stedelijk Museum op de benedenverdieping laat de geschiedenis van de Gelderse Hanzestad zien van de prehistorie tot heden. Museum Henriette Polak toont op de eerste etage modern-klassieke kunstwerken. Dat museum is genoemd naar zijn stichteres, de fabrikant, humanist en mecenas Henriette Polak (1893-1974) die geboren werd in Zutphen.

De Musea Zutphen zijn gevestigd in het oude stadskasteel Hof van Heeckeren. Alleen de poort is al een plaatje. Als je daar onderdoor bent gegaan, tref je een hypermodern dubbelmuseum aan. Je kunt een route volgens langs 10 topstukken. Daar pik ik er weer 4 van uit.

 


(3) fragment; overgenomen van Regionaal Archief Zutphen
(4) overgenomen van Collectie Gelderland


Jawel, hij ligt er, hoor, de mammoetkies, hierboven al vaker genoemd als iets wat elk zichzelf respecterend dorps-, stads- of streekmuseum in zijn collectie moet hebben. Maar veel bijzonderder is dat minuscule melkkiesje van een homo sapiens (1) dat één vitrine verder ligt. Het heeft toebehoord aan een meisje dat een kleine 10.000 jaar geleden woonde in wat ooit Zutphen zou worden. Zij behoorde tot een groep jager-verzamelaars. Het oudste stukje van een mensenskelet dat ooit in Nederland gevonden is.

Dit geraamte (2) is een stuk completer. Het is dan ook veel minder oud; het dateert van ca. 850, toen de streek overspoeld werd door invallende horden Noormannen die vele streekbewoners over de kling joegen. Deze Zutphenaar is daarvan het slachtoffer geworden.

Naast het oudste menselijke overblijfsel heeft het museum ook het oudste stripverhaal van Nederland in de collectie, althans de vroegste afbeeldingen waarop tekstballonnen voorkomen. Het is de maan- en klaagbrief van Bernhard, graaf van Meurs (3). Die zat in Frankrijk in gijzeling en had daarbij de plaats ingenomen van zijn oom, Karel van Gelre. De laatste moest een losgeld van 80.000 gulden ophoesten om zijn neef vrij te kopen; beslist geen kattenpis in die tijd.

Omdat Karel steeds maar niet over de brug kwam, schreef en tekende Bernhard de maanbrief, en toen die aanmaning ook niet hielp, enige tijd later de klaagbrief, een pamflet dat openbaar werd aangeplakt om de gierigheid van Karel aan de kaak te stellen. Effect had dat alles pas in 1500; toen werd het losgeld eindelijk betaald. Een jaar later eiste Karel van Bernhard nog een deel van het geld terug, de ondankbare hond! Money, money, money! HIER de vertaling van de brieven, met een uitgebreide toelichting.

Modern klassiek is niet helemaal mijn ding, merk ik in het museum Henriette Polak. Het kan ook komen doordat na zo’n anderhalf uur museum mijn kijkglas wel vol is, en nieuwe indrukken niet gemakkelijk meer worden opgenomen.

Dit beeld (4) springt er wel uit. Het werd in 1969 gehouwen door Charlotte van Pallandt. De afgebeelde is haar collega-beeldhouwer Fred Carasso.  Die tekende o.a. voor het monument De Boeg bij de Rotterdamse Leuvehaven, ter herdenking van Nederlandse zeelieden die zijn omgekomen in WO II. Het beeld van Van Pallandt was nog niet af toen Carasso overleed. Zij heeft het toen niet meer voltooid. Het is nu indrukwekkend in al zijn onafheid.

Ik deed anderhalf jaar geleden de Zutphense Open Monumentendag tijdens een hittegolf. Het was toen evenmin geschikt weer voor een OMD als het vandaag is voor een stadswandeling. Toch kun je in schemering en regen ook best aardige foto’s maken, met de camera op de nachtstand en de paraplu tussen schouders en nek geklemd.

Aan het einde van de 9e eeuw is in Zutphen een walburcht opgeworpen om de stad te verdedigen tegen nieuwe aanvallen van de Vikingen. Zo’n walburcht of ringwal was meestal perfect rond, met een doorsnede van ongeveer 250 meter, en bestond uit een aarden wal. Hoe trokken ze zo’n volmaakte cirkel? Ik denk: met een stok aan een touw om een andere stok; iets anders weet ik er niet op.

Ik fotografeerde walburchten bij HeveadorpUddelOost-Souburg en Burgh-Haamstede. Die burchten zijn allemaal tot de dag van heden open plekken in het landschap gebleven. Maar die van Zutphen is ooit bebouwd en vormt nu het alleroudste hart van de stad. Die cirkel is heel duidelijk zichtbaar op de plattegrond.

Ik rond de voormalige aarden wal aan de binnenkant, neem ronde straten en sta na een kwartiertje weer voor het Hof van Heeckeren. Die gure wandeling levert in ieder geval een sfeervol plaatje op.

Frans Mensonides
18 februari 2018
Er geweest: zaterdag 20 januari 2018




© Frans Mensonides, Leiden, 2018