Museumblog winter 2017-2018


Elke week een museum! Hier: Space Expo in Noordwijk, uit een aflevering die nog moet komen



 


 

Museumwinter
Wonderlijk weefsel of raar allegaartje; Stedelijk Museum Breda
Fout, doch vergeven: Pyke Koch; Centraal Museum Utrecht
Levend gekookt; Museum De Waag, Deventer
Een OV-voorvechter en archeoloog als burgemeester; Museum Nairac, Barneveld
Het nieuwe beeld van Graaf Maurits; Mauritshuis-rel
In een oude walburcht ; Stedelijk Museum Zutphen en Museum Henriette Polak
Het verhaal van twee koningsdochters; museum Het Rondeel in Rhenen
Steenrijk in Steenwijk; koffie met kniepertjes in villa Rams Woerthe
Want wij zijn met velen, Micropia Amsterdam
50 jaar metro in Rotterdam
Spelen met het leven; Rijksmuseum Boerhaave in Leiden is nu een doe-museum
Boeterende en poekelende koempels; Nederlands Mijnmuseum Heerlen




Museumwinter

Landgoed en museum-villa Rams Woerthe in Steenwijk 

De wintertijd is een ideale tijd voor een bezoek aan een van de circa 1000 musea die Nederland telt. Vrijwel niets is plezieriger dan een snel donkerende middag met storm, regen of sneeuw door te brengen achter de muren van een museum, en daar voor een uur of wat even in een andere wereld te verkeren.

Vandaar dus dit winter-museumblog. Ik ben nog zoekende naar de vorm. Maar ik neem me voor – zoals bij iedere nieuwe rubriek die ik begin – het deze keer nou echt eens kórt te houden. Het is een blog, tenslotte, en geen verzameling essays. En van de meeste zaken die in musea getoond worden, heb ik ook niet echt verstand. Ik ben een cultuurminnende leek die dingen mooi vind, of lelijk, boeiend of saai, maar die, niet altijd gehinderd door deskundigheid,  wel overal een mening over heeft.

In elk museum zet ik een paar objecten in de schijnwerpen die me bijzonder getroffen hebben. Voor de meeste afbeeldingen daarvan geldt: klik op de duimnageltjes voor de grotere afbeelding op de oorspronkelijke site.

De foto's, dat is wel even een dingetje. Niet in elk museum is fotograferen toegestaan; niet elk museum heeft een site waarop de complete collectie te bewonderen is. Als op deze pagina soms foto's ontbreken van zaken die wel in de tekst genoemd zijn, is dat niet anders dan een uitnodiging om zelf eens te komen kijken.

Dit museumblog komt op mijn Thuispagina tijdelijk min of meer in de plaats van mijn rubriek ‘Beminde zaterdag’ over reizen met trein en bus op die dag. De meeste museumbezoeken vinden nog wel plaats op zaterdag, en dat ik er ben gekomen met het OV, wil de lezer deze keer vast wel van me aannemen zonder dat ik er over uitweid of er foto’s van laat zien. 

Het blog komt ook min of meer in de plaats van een andere rubriek, FHM’s, waarin ik ook wel eens een museum binnenliep. Die rubriek heb ik opgedoekt. Maar ik merkte al snel dat ik daardoor een dimensie ben gaan missen. Als ik een museum bezoek zonder (digitaal) aantekenboekje en zonder de bedoeling om er iets over te schrijven, dan zie ik de helft niet van wat ik zie mét.

Elke zaterdag naar een museum, kan een mens zoveel cultuur aan? Ik ga het zien! In deel 1 en 2 kan ik verder niet heen om de goed-of-fout-discussie die momenteel woedt in museumland. Maar hopelijk wordt dat niet het thema van het hele blog.

De meeste blogs kennen een mogelijkheid voor de lezer om direct te reageren. De mijne niet. Maar opbouwende op- of aanmerkingen zijn net zo welkom in mijn Mailbox als loftuitingen.

Ten slotte: mocht er in de tekst nog een keer 'musuem' staan in plaats van 'museum', dan excuses voor het ongemak. Het is een van mijn meest beruchte 'vertikkemes.'

En nu, van start!
 







Wonderlijk weefsel of raar allegaartje; Stedelijk Museum Breda


Boven: Breda, van Kasteel tot station. Onder: Chassé-kazerne en Oudemannenhuis, thans Stedelijk Museum Breda tegen wil en dank


Dat duurt wel eventjes, voordat een fusieorganisatie een nieuwe eenheid is. Ik leef mee met de medewerkers van het Stedelijk Museum Breda. Die zullen een hevige cultuurschok doorgemaakt hebben, toen op 1 januari 2017 Breda’s Museum (ooit gevestigd in de Chassékazerne) introk in het Oudemannenhuis aan de Boschstraat, bij wat tot dan toe Museum of the Image (MOTI) heette.

Het was puur een moetje. De samensmelting was een gevolg van het leed dat gemeentepolitiek heet, en van bezuiniging. ‘Uit zo’n afgedwongen samenwerking kan ook iets verrassends voorkomen’, verklaarde directeur Dingeman Kuilman braafjes in Trouw.

Veel minder positief was Lauran Toorian van Brabant Cultureel. Volgens zijn verhaal heeft Breda’s Museum noodgedwongen zijn rijke collectie uitgedund en is de toenmalige directeur van dat museum ‘van gemeentewege (…) buiten gebonjourd’.

Het museumbezoek stemt Toorian daardoor niet onverdeeld vrolijk, maar mij toch eigenlijk wel. Ideaal, zo’n museum zonder rode draad, met in elke zaal zaken die vloeken met die in de vorige; het heeft voor mij een hoge amusementswaarde.

In de oudbouw van het Oudemannenhuis, dat eerder al eens klooster, pesthuis, krankzinnigengesticht en proveniershuis was, zetelt het gedeelte van de collectie dat afkomstig is van Breda’s Museum (of wat er nog van overbleef). Daar zie je wat je in een gemeentelijk museum verwacht te zien over de geschiedenis van de stad.

‘Van kasteel tot station’ heet de permanente expositie. Het Kasteel van Breda, een 14e-eeuwse burcht, huisvestte in de 16e de prinsen van Oranje, waaronder de beroemdste, Willem I, alias de Zwijger. En het nieuwe spoorweg- annex busstation is in 2014 feestelijk in gebruik genomen. Ik schreef er toen over - maar zou het geloof ik niet meer over openbaar vervoer hebben.

Er loopt momenteel ook nog een tentoonstelling over de Vrede van Breda van 1667, waarmee een einde kwam aan de Tweede Engelse Oorlog en waarbij ‘wij’ Manhattan met de Engelsen ruilden voor Suriname. Verder bevat de collectie opvallend veel portretten van vooraanstaande Bredanaars uit het verleden: graven, bisschoppen, industriëlen, plus de eega’s van de laatsten, van welke vrouwen er één gekleed is in peperdure gewaden en de toeschouwer hoogst verwaten aankijkt.

Daal je af naar de de kelder in de moderne aanbouw, dan beland je in een compleet andere wereld. Die ook niet echt een eenheid vormt. De expositie daar heet: ‘Wonderlijk weefsel. Mystiek in religieuze en digitale kunst’ en dat belooft iets heel aparts.

In de ene zaal zie je digitale werken door kunstenaars die geloof ik allemaal een grondige hekel hebben aan de digitale wereld, en die door middel van hun kunst flink bashen, dé grote mode op dit moment. Een zaal verder waan je je in het Catharijneconvent in Utrecht en valt een collectie kazuifels te bewonderen.

Dit inderdaad wonderlijke museum tart elke beschrijving. Laat ik er toch twee dingen uitlichten; een uit elk van die twee fusiepartners tegen wil en dank.

In de portrettengalerij valt dat van de industrieel Charles Stulemeijer (1880-1968) me op, die directeur is geweest van diverse bedrijven die bouwmaterialen produceerden. Ik zag het net toen ik me, zelf OR-lid, liep af te vragen wat de ondernemingsraden van de twee Bredase musea gevonden hebben van de fusie.

En nu blijkt deze Stulemeijer, die bekend stond als ‘rode’ ondernemer, het verschijnsel: ondernemingsraad zo ongeveer uitgevonden te hebben. Zijn fabrieken kregen in 1942 al een centrale ondernemingsraad, 3 decennia voordat de Wet op de Ondernemingsraden het levenslicht zag en 7 voordat Frank Giltay de COR´s een slechte naam gaf. Na de oorlog zat Stulemeijer in een commissie die een model-regelement schreef voor een OR.

Dat portret door Jan Sluijters, die Stulemeijer een vette bolknak tussen de vingers gaf, daar zie je het rode van de industrieel niet helemaal aan af. Maar in dit geval kun je beslist niet op het uiterlijk afgaan.

In de keldergewelven van het museum, waar de grafici en digitale kunstenaars weggestopt zijn, bleef ik lang gefascineerd kijken naar ‘Stratum’ van de Vlaming Frederik Heyman. Het is een soort videokunst, maar dan anders. In een complete zaal die ervoor uitgetrokken is, zie je holistische, driedimensionale beelden.

Een van de 5 ‘films’ (zal ik maar zeggen) die in een oneindige lus vertoond worden, is ‘Eastwind.’ Lange rijen van mannen in kantoorpakken lopen door een grote, donkere, deprimerende ruimte die sterk gelijkt op de Leidse Meelfabriek. De heren lopen doelloos achter elkaar aan in een vreugdeloze polonaise. Even later draaien ze dol in draaideuren zonder uitgang. Daarna vormen ze een Escheriaanse processie over oneindige trappen waar onder en boven grondig door elkaar lopen. Een beklemmend geheel.

Aan het eind van de film, show, presentatie of hoe je het noemen wilt, waait de oostenwind waarnaar de titel verwijst, opgewekt door windturbines.

Moeilijk te omschrijven, een stuk video-art; je moet het zien. In dit museum dat een wonderlijk weefsel is of een raar allegaartje, zeg het maar!

Frans Mensonides
21 januari 2018
Er geweest: zondag 24 december 2017.




Fout, doch vergeven: Pyke Koch

Goed, hij was natuurlijk fout, en dat zelfs al vóór de oorlog, de schilder Pyke Koch (1901-1991). Wel bijzonder dat het Centraal Museum Utrecht een overzichtstentoonstelling aan hem wijdt, uitgerekend tijdens de huidige, soms behoorlijk misselijkmakende braafheids- en correctheidsgolf.

Maar hoe gaat zoiets? Quod licet Iovi, non licet bovi, zoals de oude Romeinen zeiden, ofwel, vrij vertaald: de één mag een koe stelen en de ander mag niet eens over het hek kijken. Het wordt Koch allemaal postuum vergeven.

En dat terwijl de rapper Boef momenteel grondig wordt uitgekotst, als was hij staatsvijand nummer 1, omdat hij in een stronken bui iets naars geroepen heeft over vrouwen. En het borstbeeld van Maurits van Nassau-Siegen mag niet eens meer op een prominente plek in zijn eigen Mauritshuis tentoongesteld staan, omdat deze graaf vroeger erg stout is geweest in de slavenhandel. (Ja, hij heeft ook nog een paar goede dingen gedaan. Maar die is iedereen vergeten. Want de kennis van historische feiten is bij sommigen wat minder groot dan de heilige verontwaardiging erover). Meer over de Maurits-rel een paar verdiepingen lager op dit blog.

Hoe het ook zij, goed of fout, uiteindelijk moet je een kunstwerk beoordelen als kunstwerk: het bewonderen of het lelijk vinden, los van de kunstenaar of de geportretteerde. Een kunstwerk op zich zelf kan nooit fout zijn.

Koch werd bepaald niet met een schilderkwast in de hand geboren. Hij nam die pas op zijn 26ste voor het eerst ter hand. Hij studeerde rechten in Utrecht. In de laatste zomer voor zijn doctoraal examen pakte hij het schilderen op, vooral uit verveling, zoals hij later zou verklaren; al zijn studievrienden waren op vakantie en hij zat in z’n uppie op zijn studentenkamer. Meteen werd hij gegrepen door de schilderkunst. Hij gaf in het zicht van de haven zijn rechtenstudie eraan.

‘Zijn’ Utrecht leverde onderwerpen: kermissen, volkstaferelen en desnoods pisbakken. Deze wat vreeswekkende kechs van Utereg (pardon: ‘Vrouwen in de straat’; 1962) is hij misschien ook ergens tegengekomen op een gracht of in een steeg.

Koch werkte zo perfectionistisch en langzaam dat hij in een werkzame periode van ruim 50 jaar niet zo gek veel schilderijen voltooid heeft. Vandaar dat de expositie is aangevuld met werken van zijn tijdgenoten. De regelmatige bezoeker van schilderijententoonstellingen ziet in het werk van Koch invloeden van Charley Toorop en Carel Willink. Veel van zijn werken worden gerekend tot het magisch realisme. Naar eigen zeggen schilderde hij taferelen die wel mogelijk maar niet waarschijnlijk zijn.

Maar waaruit bestond nou het ‘foute’ dat altijd aan Koch zou blijven kleven? Onze nationale uitlegger Maarten van Rossem legt het uit op de audiotour – die je in dit museum kunt beluisteren via je eigen mobiel; ik heb het nog nooit eerder gezien. Een hoofdtelefoon om in je mobiel te pluggen, kun je gratis lenen.

Maarten stelt dat Koch niet zozeer een aanhanger was van het nazisme van Hitler, als wel van het fascisme van Mussolini. Een sterke man als leider, een oligarchie, geen macht bij de massa, een nieuwe orde, een hiërarchische elite met duidelijke opvattingen over kunst, dat waren zijn idealen. Hij was lid van een vaag gezelschapje aanhangers van het groot-Dietse gedachtegoed, een clubje dat later opging in de NSB. Maar daar zegde hij kort na het begin van de oorlog zijn lidmaatschap van op. Zo erg fout was Koch dus niet, aldus van Rossem; helemaal geen nazi, maar alleen maar een product van het interbellum.

Om met Philip Freriks te spreken: bedánkt, Maarten; punt gemaakt! Maar dat wist allemaal niet uit dat Koch diep in de bezettingstijd nog een reeks postzegels ontworpen heeft met Germaanse symbolen. Na de oorlog is hij veroordeeld wegens collaboratie. Hij mocht een jaar lang geen werk exposeren, een erg milde straf. Maar dat jaar is al lang voorbij; geen reden om anno 2017 geen Koch meer te willen zien.

Dit selfie met zwarte band uit 1937 heet typisch fascistisch te zijn. Maar als je het verleden van Koch niet kent, is het gewoon een stoer portret van een zelfbewuste man.

Laat ik na al dat geredekavel over goed of fout liever het laatste schilderij bewonderen dat Koch gemaakt heeft, de Koorddanser III (ca. 1980; er bestaan meerdere versies van).

Dit kan niemand onberoerd laten die over de helft is van zijn levensweg, die hier gesymboliseerd wordt door twee trappen. De linker voert onherroepelijk naar de kelder. Een artiest doet daarvóór nog voor de laatste keer zijn kunstje. Om de uitdaging extra groot te maken, is hij geblinddoekt en heeft hij een fles op zijn hoofd. Zijn leven is, of was, een dans op het slappe koord. Och, zijn wij allen geen koorddansers?

De wereld van Pyke Koch’ is nog te zien tot/met zondag 18 maart in het Centraal Museum Utrecht

Frans Mensonides
21 januari 2018
Er geweest: zaterdag 6 januari 2018.



Levend gekookt; Museum De Waag, Deventer

Vreemd dat ik nog nooit eerder Museum de Waag ben binnengestapt om iets te weten te komen over de geschiedenis van mijn vaderstad. Want dat is Deventer in feite. Mijn vaders wieg stond weliswaar in het Friese Joure, maar al heel gauw werd hij uit diezelfde wieg geplukt voor de emigratie van het gezin naar de oude Hanzestad aan de IJssel. Daar had hij in 1948 op het ´Driekwartierslaantje´ een ernstig gesprek met mijn moeder over hun gezamenlijke toekomst; ik schreef er een poosje geleden over.

Nog vreemder is het feit, dat ik bij mijn bezoek het topstuk van dit museum gemist heb. Het is de ijzeren kookpot waar in barre tijden van weleer valsemunters levend gekookt werden in olie. Ik had eens gehoord dat die ketel aan de gevel hing. Toen ik uit het museum kwam, liep ik daarom een rondje rond het gebouw, maar zag hem niet.

Later pas las ik dat de pot verplaatst is naar de vestibule, waar ik er twee keer langsgekomen moet zijn, zonder hem op te merken. Hij is binnengehaald omdat zijn conditie achteruit ging. Dat is ook wel te zien op de foto uit de Wikipedia. Die gaten in de bodem zijn echter geen roestgaten, maar zijn er 1813 ingeschoten door balorige Franse soldaten.

Van alle manieren waarop je dit aardrijk kunt verlaten, moet levend gekookt worden toch wel een van de minst aangename zijn. Die gruwelijke straf werd in meer landen van Europa opgelegd aan mensen die misdrijven hadden begaan in de sfeer van #metoo, gifmengers, maar vooral aan valsemunters. Voor de laatste twee categorieën was het dan een ‘spiegelstraf’, vergelijkbaar met het afhakken van de hand waarmee een diefstal gepleegd was. Vergiftiging en valsemunterij ging gepaard met het bekokstoven van allerlei dingen in een kookpot. Volgens de mores van die tijd moest je dan ook in een kookpot sterven.

Soms werden de veroordeelden om humanitaire redenen eerst verdronken in een ton met gewoon koud water, alvorens opgewarmd te worden. Maar meestal werd het slachtoffer met zijn hoofd naar beneden in alreeds kokende olie of kokend water gedompeld, waarna snel de dood intrad. Soms – maar dat was beslist geen algemeen gebruik – werd er daarna ook nog soep getrokken van het lichaam.

Een grimmig overblijfsel aan grimmige tijden in een al even grimmig ogend gebouw. De Deventer Waag bij de Brink werd opgeleverd in 1531 en is daarmee de oudste als zodanig gebouwde waag in Nederland. Na bijna een half millennium staat vrijwel alles aan het gebouw scheef; 80 centimeter uit het lood, naar verhouding ongeveer net zo schuin als de toren van Pisa. In de loop van de eeuwen was het gebouw nog een poosje ziekenhuis en schoolgebouw voordat het in 1915 zijn huidige museumfunctie kreeg.

Nu verhaalt het de historie van de stad, die dit jaar op de kop af 1250 jaar, 1¼ millennium, bestaat. De Engelse prediker Lebuïnus (Liafwin) stichtte hier in 768 een kerk. Blijkbaar sloegen zijn preken beter aan dan die van zijn landgenoot en collega Bonifatius, die 14 jaar eerder bij Dokkum vermoord was. Hoe zou zoiets nou komen, dat de een stad sticht en de ander het leven laat?  Je weet het niet; het zit soms in kleine dingen. Volgens een mop die ik ooit eens gehoord heb, zou Bonifatius het Fries ´Geen taal, geen dialect, maar een spraakgebrek´ genoemd hebben, waarop hij gelyncht is.

Dat was in Friesland. In wat nu Oost-Nederland heet, spraken ze in de 8ste eeuw oud-Saksisch. De naam Deventer is vermoedelijk uit die taal afkomstig en zou dan afgeleid kunnen zijn van Devetreo: bosje bij het water.

De kennismaking met de geschiedenis van Deventer is tevens een kennismaking met lokale wapenfeiten en helden die buiten de stad nauwelijks bekend zijn.

Deventer had in de Tachtigjarige Oorlog, alias de Opstand der Nederlanden, ook zijn ontzet, al staat dat van bijvoorbeeld Alkmaar en Leiden veel prominenter in de canon. Het was op 10 juni 1591; na slechts 10 dagen van schermutselingen bevrijdde Prins Maurits de stad van de Spanjaarden.

En de stad had een oorlogsheldin, al is ook zij minder wijdvermaard dan Kenau Simonsdochter Hasselaar uit Haarlem - die volgens moderne historici nooit bij krijgshandelingen betrokken is geweest. De Deventer heldin heette Catharina Simons en nam, verkleed als man, dienst in het leger. Pas na ´zijn´ dood ontdekte men dat ‘hij’ een vrouw was.

Een held die mijn vader misschien nog in actie heeft gezien, was Leo Halle die van 1923-1939 het doel verdedigde van de vermaarde voetbalclub Go Ahead. De Leeuw van Deventer was zijn bijnaam. Als een blok graniet stond hij in het doel, de vijandelijke spitsen bij voorbaat alle moed tot een schot ontnemend. Go Ahead, dat nu troosteloos bivakkeert in het rechterrijtje van de Eerste Divisie, is in die periode 2 keer landskampioen geworden.

Rijk werd je in die tijd niet van topvoetbal; betaald voetbal werd pas in 1954 ingevoerd. Halle maakte lange werkdagen als vrachtwagenchauffeur voor de zuivelhandel Coöperatie Ons Belang. Hij werkte zijn trainingen af in de lunchpauze.

Ik was begin december in dit museum. Momenteel loopt er een tentoonstelling over datgene waarmee Deventer wél tot ver over de grenzen beroemd is; de Deventer Koek.

Foto: Albert Simons, 'Halle, Leonard Gerrit Herman (1906-1992)', in: Biografisch Woordenboek van Nederland

  

Frans Mensonides
4 februari 2018
Er geweest: zaterdag 2 december 2017

 





 

Een OV-voorvechter en archeoloog als burgemeester; Museum Nairac, Barneveld

‘Overal waar ik vandaag kom, heerst de stilte voor de storm die 2018 gaat worden. Overmorgen zijn de meeste vakanties afgelopen. De mensen hebben er al genoeg van en verlaten huis en haard niet’.

Dat schreef ik eerder op deze eerste zaterdag van 2018, toen ik in de Zuid-Hollandse polders rondliep. Maar het geldt al evenzeer in Barneveld, waar ik rond halfvier Museum Nairac binnenloop. Ook hier de tot contemplatie wekkende museale stilte waaraan je soms wel eens behoefte hebt.

Museum Nairac is gevestigd in een oude brouwerij, maar kreeg onlangs een moderne aanbouw. De brouwerij was eigendom van de familie Romeijn die er tot 1900 een pittig Barnevelds biertje brouwde.

De geschiedenis van het dorp wordt er uit de doeken gedaan in tien thema’s. Hierboven: de stijlkamer en het schooltje. De woonkamer is ingericht zoals aan het begin van de 20ste eeuw de gegoede Barneveldse burgers dat deden.

Het museum is genoemd naar Carel August Nairac (1815-1883) die niet minder dan 42 jaar lang, van 1841 tot zijn dood, burgemeester was van het toen miniemen dorpje Barneveld. Hij was afkomstig uit een Franse familie.

Werd het buurdorp Lunteren op de kaart gezet door drie opeenvolgende dorpsnotarissen; in Barneveld nam burgemeester Nairac die taak op zich. Op zijn instigatie kreeg het dorp een spaarbank, verharde wegen, een bibliotheek, een weekmarkt, een nieuw raadhuis en een postkantoor. Hij richtte verder een harmonie op en maande de zuipschuiten uit zijn gemeente regelmatig tot matigheid met het bier van Romeijn. Tenminste: dat zie ik voor me, als ik in het Biographisch Woordenboek lees: 

Karakteristiek ware zijne uitleggingen der Drankwet, ten dienste zijner gemeentenaren, bij hare invoering tot ieders leering en waarschuwing verspreid.

Ik zou het in dit museummozaïek geloof ik niet meer over openbaar vervoer hebben, tenzij het zo uitkomt. En dat is nu het geval, want ook op dat terrein had Nairac zijn verdiensten. In de jaren 60 van de 19e eeuw kwam de Oosterspoorlijn op de tekentafel. De spoorlijn zou Amsterdam via Amersfoort en Apeldoorn verbinden met Zutphen. Een en ander was bedoeld om de Rhijnspoorweg Maatschappij, met hun lijn Amsterdam - Utrecht – Arnhem – Elten, te kunnen beconcurreren.

Dank zij de lobby van Nairac kwam de nieuwe spoorlijn over het grondgebied te lopen van de gemeente Barneveld en werd in 1876 station Barneveld - Voorthuizen geopend, met een stationsgebouw als een paleis. Dat lag bij de buurtschap Harselaar, ongeveer op de plek waar je nu het station Barneveld Noord vindt aan de Valleilijn, v/h het Kippenlijntje. Daarvandaan was het nog wel een ruim half uur gaans naar de kern van Barneveld. Maar twee herbergiers openden een omnibusdienst, een voertuig, getrokken door EEN paardenkracht.

De opening van het Kippenlijntje heeft de burgemeester niet meer mogen meemaken. Dat was pas in 1902, na discussies die zich meer dan 20 jaar hadden voortgesleept; zie het gelinkte stukje.

De burgemeester was verder een hartstochtelijk amateurarcheoloog; een hobby die hij deelde met de gemeentebode Hendrik Bouwheer. Zij legden de basis voor de uitgebreide archeologische collectie op de eerste etage van het museum.

En ja hoor, daar ligt hij, de mammoetkies! Het is het meest afgezaagde cliché in museumland, dat obligate gebitselement. Maar je mist hem toch als hij een keertje ontbreekt, en bent opgelucht als je hem ziet liggen; wat is een stads- of streekmuseum zonder?, vroeg ik me ook in Lunteren al af. Die uit hun krachten gegroeide wolharige herbivoren moeten met die kiezen miljoenen tonnen planten vermalen hebben, voordat zij een jaar of 4000 geleden uitstierven.

Ten slotte: zeg Barneveld, en je zegt: Jan van Schaffelaar, die op 16 juli 1482 tijdens een veldslag in de Hoekse en Kabeljauwse twisten van de kerktoren sprong. Pas 3½ eeuw later werd hij een nationale held. Dat kwam onder andere door de roman ‘De Schaapherder’ (1838) van J.F. Oltmans over de gebeurtenissen uit 1482. Historische romans waren in de jaren 30 van de 19e eeuw niet weg te branden uit de bestsellers-top-10. Men was in dat tijdperk erg tuk op nationale helden; zo lag ook de korte luchtreis van Van Speyk nog vers in het geheugen.

Oltmans schreef over Jan van Schaffelaars sprong: 

Het was alsof een bliksemstraal langs den toren schoot, of een hemelsch ridder van den trans de aarde naderde; want schitterende stralen werden teruggekaatst door het blinkende harnas (…). De aanvoerder draaide niet in den vreeselijken val: het hoofd van Jan van Schaffelaar, de witte pluim bleef altijd hemelwaarts gericht..

Iets realistischer was de dichter Hendrik Tollens (wiens woonhuis in Rijswijk ik eens bezocht) in ‘Jan van Schaffelaar’:

Hij stort, hij valt, hij ledebraakt
En stuiptrekt in den dood,
En ’t bloed, waarnaar de woede blaakt,
Beschaamt en kleurt ze rood.

Een anonieme schilder, wiens werk in Museum Nairac hangt, heeft zich indertijd vermoedelijk door het fragment uit ‘De Schaapsherder’ laten inspireren tot dit schilderij. Van Schaffelaar komt inderdaad majestueus uit de hemel nederdalen, in plaats van een ordinaire doodsmak te maken vanaf dat torentje. Mooi gezegd door Oltmans! Maar wie Van Schaffelaar beschouwt als een stomme schlemiel die het leven liet in een zinloze veldslag in een oorlog die totaal nergens over ging, zit beslist niet ver naast de waarheid.

Frans Mensonides
4 februari 2018
Er geweest: zaterdag 6 januari 2018

Meer op mijn site over Barneveld, zijn kerken, zijn held en zijn stations.





Het nieuwe beeld van Graaf Maurits; Mauritshuis-rel

 

De verwijderde buste van Graaf Maurits

Foto: Beko - Eigen werk, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=55855650. Overgenomen van Wikipedia, Buste van Johan Maurits

Ook dit hoofdstukje gaat over onze omgang met de helden uit de geschiedenis. De kritiekloze verering in de 19e eeuw van losers als Jan van Schaffelaar (zie hierboven) en Jan van Speyk vinden we tegenwoordig absurd. Maar met de huidige politiek-hypercorrecte ‘beeldenstorm’ slaan we finaal door naar de andere kant.

Onlangs ontstond er een rel over de buste van Graaf Maurits, voluit: Johan Maurits van Nassau–Siegen (1604-1679), niet te verwarren met zijn achter-oom Prins Maurits (1567-1625). Het borstbeeld van de graaf, dat vroeger op een prominente plek heeft gestaan in zijn voormalige woning, museum het Mauritshuis in Den Haag, is daar vorig jaar verbannen naar de magazijnen. En dat had alles te maken met zijn slavernijverleden.

Maurits verbleef van 1637 tot 1644 namens de West-Indische Compagnie (WIC) in Brazilië als gouverneur-generaal. De WIC hield zich onder andere bezig met slavenhandel en -transport. Maurits zou zijn huis, het huidige museum, bekostigd hebben met het bloedgeld van de winst uit de slavenhandel. Nu was de bouw al begonnen voordat Maurits naar de West was afgereisd, was hij naar eigen zeggen financieel enorm tekort gedaan door de WIC, en heeft de continu op zwart zaad zittende edelman het huis nooit kunnen afbetalen. Maar ja, als het morele gelijk in het geding is, dan doen feiten er niet meer toe.

Prima dat gewezen wordt op rare en nare trekjes van figuren uit de geschiedenis; blinde heldenverering is zoals gezegd onzin. Maar vertel dan wel het hele verhaal en vertel er in dit geval eerlijk bij dat slavenhandel in Maurits´ tijd heel normaal was en vrijwel niemand ertegen te hoop liep. ‘The past is a foreign country; they do things differently there.’ (J.P. Hartley).

De discussie over Maurits werd in 2014 aangeslingerd door Zihni Özdil, Tweede Kamerlid voor GroenLinks en historicus. In een ongenuanceerd, heel boos artikel op het internetmagazine Historiek.net hekelde hij het Mauritshuis voor het verdonkeremanen van Maurits’ slavernijverleden. Daarvoor werd hij in een volgende editie van Historiek.net flink aan de oren getrokken door emeritus-geschiedenisprofessor Piet Emmer, op wiens stuk hij ook weer een reactie gaf.

Mogelijk is door deze polemiek bij de directie van het Mauritshuis het zaad van de twijfel gezaaid over de moraal van hun naamgever, en was dat de reden om het borstbeeld te verwijderen. Dat gebeurde echter pas in 2017. Het was, zoals het Mauritshuis verklaarde, ingegeven door een bewustwordingsproces over het slavernijverleden. Wonderlijk genoeg liet men een geschilderd portret van Maurits hangen in het trappenhuis. Je zou denken: als je hem helemaal niet meer wilt kennen, haal dat schilderij dan ook weg en geef het museum een andere naam.

Een rel kwam er pas van in januari van dit jaar. Het Mauritshuis kwam toen ineens met een heel andere verklaring over de verwijdering van de buste. Het was maar een replica (inderdaad, het origineel siert de graftombe van Maurits in het Duitse Siegen en moet daar blijven. Die replica was een geschenk, en een geschenk geef je vanzelfsprekend een ereplaats in de kelder!). Dat beeld stond toch maar op een achterafplekje bij de wc, vond het museum (OK, maar daar hebben ze het zelf neergezet; vóór de verbouwing van 2014 en de correctheidshausse stond het op een veel prominentere plek). Het was verder geen kunstwerk maar een rekwisiet (???). Het beeld was ook niet verwijderd, maar vervangen door een ander beeld in een speciale zaal die gewijd was aan Maurits.

 

Het 'nieuwe' beeld van Maurits door Jan van Logteren (1709-1745)

Het museum deed er alles aan om de indruk weg te nemen dat Maurits’ verbanning louter was ingegeven door gedram uit de orthodoxe vleugel van de linkse kerk. Toch klonken er nu veel protesten, en niet alleen uit nationalistische PVV- en FVD-kringen. Ook minister-president Rutte mengde zich in het debat; het museum kon voor wat hem betrof, inderdaad beter een andere naam kiezen.

De premier – tevens de buurman van het museum – kreeg nu een openlijke schrobbering van museumdirecteur Emilie Gordenker. Ja, dat mag zij doen, vanzelfsprekend, de regeringsleider de mantel uitvegen. Niet alleen kijk je vanaf de bovenste verdieping van het Mauritshuis neer op Ruttes Torentje; de directeur van het zwaar gesubsidieerde schilderijenkabinet beurt voor het bestieren ervan ook een hoger salaris dan de premier voor het besturen van een heel land, bespottelijk! Rutte bood als een stoute schooljongen zijn excuses aan voor zijn aantijgingen aan het adres van het museum; zaak gesloten, rel kundig gedownplayd.

Zelf besloot ik me ook te mengen onder de stroom twitteraars over de kwestie. Over slavernij zei ik niets; die is toch al de schuld van mij, als blanke witte man, en alles wat je erover roept, maakt het alleen nog maar erger. Ik vroeg me wel af waarom de discussie over Maurits zich beperkte tot zijn 7 jaar in Brazilië en niet ging over de 68 jaar die hij verder nog heeft doorgebracht op deze wereld.

Die jaren gingen beslist niet onopgemerkt voorbij. Maurits was een omstreden societyfiguur in Den Haag (om geheel andere redenen dan slavernij). Maar hij heeft ook een paar verdiensten gehad: een belangrijke overwinning op het Spaanse leger (Schenkenschans, 1636), twee maal Nederlands aartsvijand Bommen Berend verslagen, en tussen de bedrijven door nog 32 jaar lang stadhouder van Kleef geweest. In die Duitse stad willen ze tot de dag van heden, net als in Brazilië, geen kwaad woord over hem horen.

Het museum gaf ontwijkende antwoorden op mijn vraag of zij wel voldoende aandacht besteed hadden aan de volledige levensloop van deze historische figuur, naast het gehamer op slavernij.

Ik deed toen wat Rutte verzuimde: zelf komen kijken. Jammer dat de premier die 50 meter tussen het Torentje en het Mauritshuis niet even overbrugd heeft. Hij had dan namelijk kunnen zien wat ik zag: dat hij voor 100% gelijk had met zijn kritiek.

De ´zaal´ die gewijd is aan Maurits, is een minuscuul kamertje, het kleinste vertrek na de meterkast, schat ik. Slechts twee wanden ervan zijn gewijd aan Maurits. Het vervangende beeld van hem is een onooglijk, lullig geval, een lor waarvoor ik bij een uitdragerij nog geen tientje zou betalen om het op mijn schoorsteenmantel te kunnen zetten. De graaf staat er op dat beeld bij als een zak tabak. Er hangen twee schilderijen uit de tijd dat Maurits in Brazilië verbleef. De informatie over de graaf is uiterst summier en blijft ook beperkt tot Brazilië en vooral de slavenhandel. Een aanfluiting, al met al.

Ja, ik snap het wel, ergens. Het Mauritshuis trekt 400.000 bezoekers per jaar, uit alle continenten van de wereld. Die komen kijken naar het ‘Meisje met de Parel’ van Vermeer en andere pareltjes uit de Nederlandse schilderkunst. Het museum is en blijft zonder meer een must see voor iedere buitenlandse toerist die een culturele vakantie in ons land doorbrengt. Maar men komt er voor schilderijen, niet voor geschiedenisles. En het levensverhaal van Maurits heeft ook de directie van het Mauritshuis volgens mij nooit erg kunnen interesseren. Echter: met de huidige correctheidsgekte konden ze er huns inziens niet langer over zwijgen.

Maar nogmaals: vertel dan het hele verhaal! Nu doet het Mauritshuis zijn naamgever schandalig weinig recht. Toch maar een andere naam boven de deur hangen, dan wel een verhuizing overwegen? Of misschien eens gaan kijken bij Huygens’ Hofwijck in Voorburg, hoe je dat doet, een vroegere bewoner van je museum over het voetlicht brengen.

Frans Mensonides
8 februari 2018
Er geweest: voorlopig voor het laatst

PS: Graaf Maurits kruiste in 2006 mijn pad, toen ik als masterstudent Nederlandse Literatuur een dialoogpamflet uit 1652 bestudeerde waarvan hij zowel het onderwerp als de hoofdrolspeler was (en mogelijk de auteur). In 2014 kwam ik in een stukje over Kleef nog op hem terug.

 

Gezicht op het eiland Itamaracá, door Frans Jansz. Post die in Maurits' gevolg was meegereisd naar Brazilië.
Overgenomen van Rijks Museum




 

In een oude walburcht; Stedelijk Museum Zutphen en Museum Henriette Polak


Net als in Breda verhuisden in Zutphen in 2017 twee musea naar een fraai gerestaureerd historisch pand met een moderne uitbreiding. Maar daar houdt elke vergelijking mee op. Want was in de Brabantse stad sprake van een verstandshuwelijk, in Zutphen lijkt er meer harmonie te zijn tussen de twee fusiepartners: Stedelijk Museum Zutphen en Museum Henriette Polak. Je passeert geen breukvlak bij de wandeling van de een naar de ander. En schimpscheuten over eventuele fusieperikelen heb ik ook nergens gelezen.

Het Stedelijk Museum op de benedenverdieping laat de geschiedenis van de Gelderse Hanzestad zien van de prehistorie tot heden. Museum Henriette Polak toont op de eerste etage modern-klassieke kunstwerken. Dat museum is genoemd naar zijn stichteres, de fabrikant, humanist en mecenas Henriette Polak (1893-1974) die geboren werd in Zutphen.

De Musea Zutphen zijn gevestigd in het oude stadskasteel Hof van Heeckeren. Alleen de poort is al een plaatje. Als je daar onderdoor bent gegaan, tref je een hypermodern dubbelmuseum aan. Je kunt een route volgens langs 10 topstukken. Daar pik ik er weer 4 van uit.

 


(3) fragment; overgenomen van Regionaal Archief Zutphen
(4) overgenomen van Collectie Gelderland


Jawel, hij ligt er, hoor, de mammoetkies, hierboven al vaker genoemd als iets wat elk zichzelf respecterend dorps-, stads- of streekmuseum in zijn collectie moet hebben. Maar veel bijzonderder is dat minuscule melkkiesje van een homo sapiens (1) dat één vitrine verder ligt. Het heeft toebehoord aan een meisje dat een kleine 10.000 jaar geleden woonde in wat ooit Zutphen zou worden. Zij behoorde tot een groep jager-verzamelaars. Het oudste stukje van een mensenskelet dat ooit in Nederland gevonden is.

Dit geraamte (2) is een stuk completer. Het is dan ook veel minder oud; het dateert van ca. 850, toen de streek overspoeld werd door invallende horden Noormannen die vele streekbewoners over de kling joegen. Deze Zutphenaar is daarvan het slachtoffer geworden.

Naast het oudste menselijke overblijfsel heeft het museum ook het oudste stripverhaal van Nederland in de collectie, althans de vroegste afbeeldingen waarop tekstballonnen voorkomen. Het is de maan- en klaagbrief van Bernhard, graaf van Meurs (3). Die zat in Frankrijk in gijzeling en had daarbij de plaats ingenomen van zijn oom, Karel van Gelre. De laatste moest een losgeld van 80.000 gulden ophoesten om zijn neef vrij te kopen; beslist geen kattenpis in die tijd.

Omdat Karel steeds maar niet over de brug kwam, schreef en tekende Bernhard de maanbrief, en toen die aanmaning ook niet hielp, enige tijd later de klaagbrief, een pamflet dat openbaar werd aangeplakt om de gierigheid van Karel aan de kaak te stellen. Effect had dat alles pas in 1500; toen werd het losgeld eindelijk betaald. Een jaar later eiste Karel van Bernhard nog een deel van het geld terug, de ondankbare hond! Money, money, money! HIER de vertaling van de brieven, met een uitgebreide toelichting.

Modern klassiek is niet helemaal mijn ding, merk ik in het museum Henriette Polak. Het kan ook komen doordat na zo’n anderhalf uur museum mijn kijkglas wel vol is, en nieuwe indrukken niet gemakkelijk meer worden opgenomen.

Dit beeld (4) springt er wel uit. Het werd in 1969 gehouwen door Charlotte van Pallandt. De afgebeelde is haar collega-beeldhouwer Fred Carasso.  Die tekende o.a. voor het monument De Boeg bij de Rotterdamse Leuvehaven, ter herdenking van Nederlandse zeelieden die zijn omgekomen in WO II. Het beeld van Van Pallandt was nog niet af toen Carasso overleed. Zij heeft het toen niet meer voltooid. Het is nu indrukwekkend in al zijn onafheid.

Ik deed anderhalf jaar geleden de Zutphense Open Monumentendag tijdens een hittegolf. Het was toen evenmin geschikt weer voor een OMD als het vandaag is voor een stadswandeling. Toch kun je in schemering en regen ook best aardige foto’s maken, met de camera op de nachtstand en de paraplu tussen schouders en nek geklemd.

Aan het einde van de 9e eeuw is in Zutphen een walburcht opgeworpen om de stad te verdedigen tegen nieuwe aanvallen van de Vikingen. Zo’n walburcht of ringwal was meestal perfect rond, met een doorsnede van ongeveer 250 meter, en bestond uit een aarden wal. Hoe trokken ze zo’n volmaakte cirkel? Ik denk: met een stok aan een touw om een andere stok; iets anders weet ik er niet op.

Ik fotografeerde walburchten bij HeveadorpUddelOost-Souburg en Burgh-Haamstede. Die burchten zijn allemaal tot de dag van heden open plekken in het landschap gebleven. Maar die van Zutphen is ooit bebouwd en vormt nu het alleroudste hart van de stad. Die cirkel is heel duidelijk zichtbaar op de plattegrond.

Ik rond de voormalige aarden wal aan de binnenkant, neem ronde straten en sta na een kwartiertje weer voor het Hof van Heeckeren. Die gure wandeling levert in ieder geval een sfeervol plaatje op.

Frans Mensonides
18 februari 2018
Er geweest: zaterdag 20 januari 2018






Het verhaal van twee koningsdochters; museum Het Rondeel in Rhenen

Twee Engelse koningsdochters hebben sterke invloed uitgeoefend op de geschiedenis van het Utrechtse stadje Rhenen. Eén van die twee, de 4e-eeuwse prinses Cunera, heeft vermoedelijk niet echt bestaan. De andere, prinses Elizabeth Stuart, bestond wél, en hoe! Zij was gehuwd met Frederik V van de Palts, de winterkoning van Bohemen. Over hun bizarre levensloop en avonturen heb ik de gelinkte pagina geschreven. Een tijdlang heeft het koppel onbekommerde zomers doorgebracht in dit stadje aan de Rijn en heeft het het daarmee op de landkaart gezet.

Maar eerst Cunera. Zij was op bedevaart naar Rome toen zij en haar gevolg bij Keulen werden overvallen door de Hunnen. Op Cunera na werd iedereen vermoord. De Friese koning Radboud wist haar te redden en voerde haar mee naar zijn kasteel in Rhenen. Daar maakte zij zich door milde gaven populair bij de armen uit de stad, waarmee zij de afgunst wekte van Radbouds eega, Aldegonde. Die wurgde de indringster met haar eigen halsdoek, begroef het lijk en verzon tegenover Radboud een smoesje over haar verdwijning: haar ouders zouden ten tonele verschenen zijn en haar meegenomen hebben.

Door een onvervalst katholiek wonder kwam Aldegondes wandaad echter aan het licht. En dat was lang niet het laatste wonder dat in Rhenen geschiedde; ze bleven maar aanhouden. Dank zij Cunera die drie eeuwen later heilig verklaard werd door bisschop Willebrord, genazen dieren van de pest en mensen van keelklachten; Strepsils hadden beter Cunera’s kunnen heten!

Door haar wonderbaarlijke genezingen groeide Rhenen uit tot een bedevaartsoord. De 16e-eeuwse kerk met de ruim 80 meter hoge toren werd naar Cunera genoemd. Hij overleefde ternauwernood WO II, waarin twee maal, aan het begin en aan het eind, zwaar gevochten is rond de Grebbeberg.

Op een uitkijkpunt over de Rijn – en tijdens mijn bezoek in januari ook over ondergelopen uiterwaarden - staat een herdenkingsplek ter ere van Cunera. Zij wordt omringd door 12 bomen.

Tot zover de legende, het nepnieuws van weleer. Echt waar is het verhaal van Frederik V van de Palts en zijn Britse prinses. Na verdreven te zijn uit Bohemen, vonden zij asiel in de Nederlanden, waar zij zich letterlijk als vorsten lieten fêteren en toejuichen. Zij bezaten een paleis aan de Kneuterdijk in Den Haag, een landgoed bij die stad op de plek waar je nu de wijk Bohemen vindt, en een oud kloostercomplex in Leiden waar hun enorme stoet van kinderen opgroeide. Verder lieten ze in 1631 een compleet paleis neerzetten in Rhenen, alleen voor de zomervakanties.

Dat paleis zou, naast de Cunerakerk, tegenwoordig de tweede blikvanger van de stad geweest zijn als het niet al in de Napoleontische tijd was afgebroken. Gelukkig hebben we de maquette nog, en daarvoor kun je terecht in het knusse museumpje, niet veel groter dan een ruime huiskamer: Het Rondeel.

Het wordt gedreven door hoogbejaarde vrijwilligers die me op mijn woord geloven als ik zeg dat ik een museumjaarkaart bezit. Bij mijn vertrek zullen ze me nog een gratis DVD meegeven met een interview met een veteraan die erbij was, in 1940 op de Grebbeberg.

Die maquette is nog niet alles. Je kunt ook nog plaatsnemen achter een groot beeldscherm en een virtuele, digitale rondleiding maken in het paleis: een guided tour, of op eigen houtje rondlopen, navigerend met de pijltjestoetsen van een toetsenbord. Alle zalen van het enorme paleis tover je op het scherm. Fraai gedaan; je waant je de koning-zonder-land en de prinses zelve, die trots door hun optrekje paraderen.

Psst, als ik even mag roddelen: hun rijkdom was grotendeels klatergoud. Ze leefden van een toelage uit Engeland, daarnaast op kosten van de Nederlandse schatkist en verder op de pof bij een stoet van hofleveranciers, die hun geld nooit zouden ontvangen. Dat vertellen ze je er in Rhenen niet bij en ze willen het hier niet horen, ook; als ik aan een uiteenzetting begin, praten ze er mooi overheen...

Dit minuscule museum is goed voorzien van archeologische vondsten. Niet alleen ligt hier maar weer eens een mammoetkies, maar zelfs een complete kaak van zo’n uitgestorven plantenetende gigant.

Het topstuk is echter de ca. 50 cm hoge situla, een reusachtige bronzen urn. Die dateert van ca. 800 v. Chr. Hij werd gevonden in 1993 op een heuvel aan de westkant van Rhenen, bij de verbouwing van een watertoren tot appartementencomplex (foto rechtsonder). Maar de situla was niet intact, eerder een jigsaw-puzzel. 500 stukjes; ga er maar aanstaan om daar een compleet museumstuk van te maken!

De urn kwam uit het graf van een vorst die 28 eeuwen geleden in deze streek de scepter gezwaaid had. Zijn as werd begraven in die urn. Hij kreeg als grafgift ook een strijdwagen mee om ermee naar de goden te rijden.

Over deze koning uit de prehistorie weet ik geen legende, noch een roddel, dus hier moet ik het bij laten.

Frans Mensonides
5 februari 2018
Er geweest: zaterdag 27 januari 2018

 





 

Steenrijk in Steenwijk; koffie met kniepertjes in villa Rams Woerthe

Eigenlijk kwam ik naar Steenwijk voor het  Hildo Krop Museum. De beeldhouwer, onverbrekelijk verbonden met Amsterdam en de Amsterdamse School, werd geboren in dit stadje in de Kop van Overijssel. Hij exposeert er permanent in de kelder van villa Rams Woerthe. Maar eerlijk gezegd vind ik Krops monumentale beelden in het openluchtmuseum dat Amsterdam Zuid heet, beter tot hun recht komen dan in de kelder van een Steenwijkse villa.

Interessanter is het gedeelte van Rams Woerthe dat boven het maaiveld uitsteekt. Sinds kort is het in het bezit van de Vereniging Hendrick de Keyser. Die vereniging, genoemd naar een ook al  Amsterdamse architect, bestaat dit jaar op de kop af een eeuw. In die tijd hebben zij honderden panden, architectonisch erfgoed, opgekocht en een nieuwe bestemming gegeven.

In de tweede eeuw van haar bestaan wil de vereniging het over een andere boeg gooien en enkele tientallen oude panden inrichten als museum. Rams Woerthe is het eerste in die rij.

Het museum hanteert een duidelijke filosofie: zorgen dat de bezoekers zich er echt thuis voelen. Bijvoorbeeld: je moet aanschellen om toegang te krijgen tot het huis, en dan word je ontvangen door een gastvrouw van wie je je zou kunnen voorstellen dat het echt de vrouw des huizes is, die visite ontvangt. En die drukt je op het hart, te doen wat in geen enkel ander museum mag: op alle antieke fauteuils neer te ploffen.

Zelfs mag je hier in kasten kijken en laden opentrekken. Dat doe je vanzelfsprekend normaliter niet als fatsoenlijke visite, maar hier draagt het bij aan het gevoel: ‘Doe maar alsof je thuis bent’ dat dit museum wil uitstralen. In huize Rams Woerthe beleef je de tijden van weleer, toen mensen met oud of nieuw geld riante landgoederen bewoonden en een stoet personeel te gebieden hadden.

De oorspronkelijke bewoners van deze villa, Jan Hendrik Tromp Meesters en zijn vrouw Anna Catherina Viëtor, behoorden tot de nouveaux riches. De vader van Tromp Meesters had een florerende houthandel en Tromp Meesters liet van de erfenis dit optrekje bouwen. Architect A.L. van Gendt kreeg de opdracht.

Het Jugendstil-pand kwam gereed in 1899 en stond en staat in een weelderig park met een oppervlak van 13 hectare. De villa lag op een woerthe, een weiland, en is verder genoemd naar Ram, een burgemeester van Steenwijk. Het landgoed ligt knus aangeschurkt tegen de opvallend hoge en steile stadswal die Steenwijk beschermt.

In dit museum dat zo weinig mogelijk op een museum wil lijken, staan vrijwel nergens toelichtingsbordjes. Via een audiotour krijg je informatie over het huis, de tuin, de inrichting en de bewoners. De Tromp Meesters-en behoorden tot de eerste Steenwijkers die zich per automobiel lieten verplaatsten. De knecht die het vehikel zou gaan besturen, moest op rijles in Amsterdam; de provincie kende nog geen rijscholen. Hun voertuig moet een bezienswaardigheid geweest zijn waarvoor de hele stad uitliep.

In de woonkamer liggen Couperus’ Boeken der kleine zielen op de leestafel, alsof mevrouw Tromp Meesters elk ogenblik kan binnenkomen om verder te lezen in deze reeks folianten.

De vertrekken van de tuinlieden en het huishoudpersoneel, 24 mensen in totaal, waren strikt gescheiden van het gedeelte dat voor de eigenaars bestemd was. Verbindingsdeuren waren ondoorzichtig. Beiden, meester (Tromp Meesters, in dit geval) en knecht zagen elkaar alleen als de laatste de eerste moest bedienen. Ze wilden verder zo weinig mogelijk meekrijgen van elkaars bestaan. De kinderen hadden dan weer wel contact met de bedienden, die grotendeels verantwoordelijk waren voor hun opvoeding.

Vroege socialisten zullen wel gefronst hebben bij zulke nog wat feodaal aandoende toestanden. Maar het is natuurlijk wel een feit dat dat ene rijke gezin de monden van 24 minder gefortuneerde gezinnen voedde. Verder trok ook de Steenwijkse gemeenschap profijt van het kapitaal der Tromp Meesters. Zij sponsorden het lokale onderwijs en zorgden ervoor dat Steenwijk een bewaarschool, een ambachtsschool en zelfs een HBS rijk werd.

De serre heeft een panoramisch uitzicht op het landschapspark, waarin hertjes vrolijk dartelen. De gastvrouw vertelt dat de heer Tromp Meesters niet lang van dit uitzicht heeft kunnen genieten. Tien jaar na voltooiing van het huis kwam hij te overlijden. ‘Ja meneer, alle rijkdom van de wereld kan je niet beschermen tegen de dood’, filosofeert zij.

Daarna heeft ook zijn weduwe niet lang meer verbleven op het landgoed. Haar kapitaal slonk in 1917 aanzienlijk. Dat zat voor een groot deel in Russische aandelen en obligaties, die in die tijd even populair waren als bitcoins tegenwoordig. Toen kwam de Russische Revolutie. Mevrouw Tromp Meesters verkocht Rams Woerthe aan de gemeente Steenwijk. Tot voor kort deed de villa dienst als gemeentehuis.

De gastvrouw vraagt of ik een kopje koffie wil. Nou, dat sla ik niet af! Zij serveert er een kniepertje bij, een flinterdun, knapperig wafeltje. Waar eertijds de keukenmeiden hun werk deden, kan ik nu zien hoe kniepertjes bereid worden. Vroeger ging dat met een wafeltang die dichtgeknepen werd (vandaar: kniepertje, denk ik) en om en om gewenteld boven een vuurtje.

Tegenwoordig doen ze het met een elektrisch wafelijzer, maar het is nog steeds bewerkelijk, zegt de gastvrouw die er mee bezig is; het gaat maar één voor één, eer dat je er een stapel van hebt, van die dunne koekjes…

Het is in het oosten en noorden van dit land een traditie om rond oud en nieuw kniepertjes te eten. Ze komen voor in twee gedaanten: platte en opgerolde. De platte symboliseren het oude jaar; daarop kun je terugkijken en dat kun je in zijn geheel overzien. De opgerolde is dan het nieuwe jaar dat de toekomst nog niet prijsgeeft.

Het is vandaag voor het eerst dat ik hoor van kniepertjes. Dan is het bijna een natuurwet dat je er binnen de kortste keren nog een tweede keer van hoort. Enkele dagen later lees ik dan ook in de krant dat de Fa. Vegter in Hoogezand, de enige kniepertjesfabriek ter wereld, failliet is. Ja, als je het kniepertjes-monopolie bezit, verdien je je in december een slag de rondte. Maar de overige 11 maanden sta je droog, en dat deed de fabriek de das om.

Desondanks wordt er gewerkt aan een doorstart. Lukt die niet, weet dan dat je tegen oudejaar 2018 nog bij Rams Woerthe terecht kunt voor traditionele, ambachtelijk gebakken kniepertjes!

Frans Mensonides
25 februari 2018
Er geweest: zaterdag 17 februari 2018

 

Het landgoed Rams Woerthe was ook vroeger al gratis toegankelijk voor iedereen. Maar je moest dan wel eerst een toegangsbewijs halen bij mevrouw Tromp Meesters, die graag zicht hield op wie zich allemaal ophield in haar tuin. Tegenwoordig krijg je bij je vertrek ook nog zo’n kaart uitgereikt, zodat de plaatselijke Bromsnor je niet in je nekvel kan grijpen als je het landgoed verkent.




Want wij zijn met velen; Micropia

‘Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen.'
                 Markus 5:9

 

Zo, en nu iets geheel anders. In het vervolg van dit wintermuseumblog geen kneuterige dorpsmuseumpjes meer. Nee, vanaf nu musea op het gebied van techniek, industrie en serieuze exacte wetenschap. 

We beginnen met Micropia, een van de kleinste dierentuinen ter wereld, maar wel met verreweg het grootste aantal ´dieren´, of liever: micro-organismen. Weinig aaibare beestjes vind je hier. Het is in Micropia niet van: ‘Wat leeft en groeit en altijd weer boeit’, maar eerder: wat woelt en krioelt maar waarop al het andere leven stoelt.

Micropia is sinds 2014 het kleine zusje van het eerbiedwaardige Natura Artis Magistra in Amsterdam en zetelt in een bijgebouw van het Artis-complex aan de Plantage Parklaan. Het is gewijd aan organismen die je met het ongewapende oog niet ziet maar die er wel degelijk zijn, en niet weinig.

Het museum kreeg in 2016 de Kenneth Hudson Award voor innovatieve musea in Europa. Het heeft zich tot doel gesteld, de weerzin weg te nemen die de gemiddelde mens voelt bij het denken over het microbenrijk. Maar geeft ook wel voeding aan het plezier dat diezelfde mens kan ondervinden door een paar uurtjes lekker griezelen.

De toon wordt al gezet als je het museum nadert; een afbeelding van een (genderneutraal) menselijk wezen dat geheel bestaat uit microben. Veel meer dan een marcherend legioen van micro-organismen zijn we niet. Elke mens draagt er zo pakweg 180 biljoen van bij zich (180.000.000.000.000, in cijfers). De ingang van het museum is, als je dit smakelijke plaatje passeert, nog 80 miljoen micrometer (80 meter) weg, maar je kunt nog terug.

In de microkosmos loopt het gauw in de astronomische aantallen. 180 biljoen is oneindig veel meer dan je je kunt voorstellen. Alleen op een vierkante centimeter mensenhuid zitten al meer microben dan er mensen op aarde hebben geleefd sinds de oertijden.

De levende have zit hier niet in hokken en kooien. Micropia bekijk je door microscopen, waarvan er tientallen staan opgesteld in een stemmige, donkere ruimte.

Maar eerst loop je langs de stamboom der evolutie. Wij: mensen, primaten, zoogdieren, gewervelden, vormen maar een betrekkelijk kleine zijtak. Het grootste deel van het bouwwerk bestaat uit plankton, algen, schimmels en bacteriën. Voor de exacte definities van die begrippen verwijs ik kortheidshalve naar de Wikipedia. Ik kom alleen maar kijken, en wil niet suggereren dat ik er verstand van heb.

En voor virussen is dan nog niet eens plaats in dit schema. Ze zijn veel kleiner dan bacteriën, rekenen in nano- in plaats van micrometers en er heerst gerede twijfel of je ze wel vormen van leven kunt noemen.

De boodschap van Micropia wordt al snel duidelijk: ons leven kan niet zonder die 180 biljoen mee-eters en medereizigers die we dag in dag uit bij ons dragen. Een jaar of 3,5 miljard geleden gingen cyanobacteriën in de oceanen de zuurstof produceren die onmisbaar was om het leven op aarde op gang te helpen. Zonder plankton zou de hele voedselketen instorten; zonder schimmels hadden we geen brood en bier.

Afbeelding hieronder overgenomen van Wikipedia Bacteriofaag
Door Adenosine - Eigen werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=8643737

In een hoek van het museum kun je een blik werpen in het goed geoutilleerde laboratorium, van waaruit een mysterieus geel licht naar buiten stroomt. Hier zijn 24/7, in ploegendienst, professionele en amateur-microbiologen aan het werk om microben te kweken. Een medewerkster, gehuld in witte laboratoriumjas, komt toelichting geven.

We krijgen een korte inleiding in het probleem van resistente bacteriën. Doordat er in het verleden wat al te kwistig is gestrooid met antibiotica, zijn er steeds meer bacteriën die daar geen enkele last meer van ondervinden en dus ook niet meer bestreden kunnen worden. Maar er lijkt hulp op te dagen in de vorm van bacteriofagen, virussen die bacteriën kunnen infecteren en vernietigen. Het zijn bijna lieflijke wezens, en ze hebben vaag iets weg van de maanlanders uit het Apolloproject.

‘Resistente bacteriën, daar weet ik alles van’, hoor ik een vrouw zeggen als het verhaal van de laborante is afgelopen. ‘Daar ben ik ook mee geïnfecteerd geweest. Het is bijna mijn einde geworden. De artsen konden niets meer voor me doen. Ik was al bijna opgegeven. Maar toen heb ik mijn geesteskracht in de strijd geworpen! Toen werd ik pas beter.’ Oh! Dat is niet helemaal de anekdote die je verwacht te horen in een wetenschappelijk museum. Maar het is in ieder geval met een sisser afgelopen, tenminste: ze is heelhuids hier.

De rest van het museum doet een sterke aanslag op de maag. Wat er tijdens een simpele kus allemaal wordt overgedragen aan krioelende wezens, je wilt het niet weten. Hoe een mandarijn of een hamburger eruit ziet na 8 maanden aan zijn lot te zijn overgelaten, eigenlijk ook niet, maar we zien hier het resultaat. En die microscoopbeelden van wat er aan viezigheid zit op deurknoppen, toiletbrillen en kranen: wie lijdt aan smetvrees, kan echt beter uit Micropia vandaan blijven.

Mij amuseert het wel. Het is in ieder geval iets geheel anders dan mammoetkiezen (zie vrijwel alle vorige hoofdstukken). Maar vreemd, ik ga hier om 14:00 uur naar buiten, heb nog niets gegeten sinds mijn ontbijt, en heb he-le-maal nog geen honger; heel bijzonder voor mijn doen!

Frans Mensonides
11 maart 2018
Er geweest: zaterdag 24 februari 2018




50 jaar metro in Rotterdam


9 februari 1968 reed er voor het eerst een metro in Nederland, en wel in Rotterdam, dat zijn voorsprong op Amsterdam in metro-opzicht de 50 jaar daarna gemakkelijk heeft kunnen behouden en zelfs uitbouwen. Die eerste metro reed van Rotterdam Centraal naar Zuidplein, een ritje van slechts 6 kilometer langs 5 tussenstations, afgelegd in 10 minuten. De passagiers werden vervoerd in deze functionele, zo niet: Spartaanse wagens met een soort kleuterzitjes.

Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Metro stond er rond 9 februari van dit jaar zo’n oer-metrostel opgesteld op metrostation Blaak. In het van de sloop geredde voertuig was een tentoonstelling ingericht over een halve eeuw metro.

We zouden het in dit museum- en tentoonstellingsblog niet hebben over openbaar voervoer. Aan deze bijzondere tentoonstelling heb ik echter wel de nodige aandacht besteed in de rubriek De digitale reiziger.

Frans Mensonides
11 maart 2018
Er geweest: zaterdag 10 februari 2018






Spelen met het leven; Rijksmuseum Boerhaave in Leiden is nu een doe-museum


Het is altijd al een van mijn favoriete musea geweest, het Rijksmuseum Boerhaave in Leiden. Dat werd het meteen al bij mijn eerste bezoek, toen ik een jaar of 11 was en ik door een Van Leeuwenhoek-microscoopje mocht kijken - iets wat ik bij mijn bezoek van vorige week helaas vergeten ben.

In mijn kindertijd zat het museum, dat gewijd is aan de geschiedenis van de natuur- en medische wetenschappen, nog in het oude Academisch Ziekenhuis aan de Steenstraat, in een gebouw dat tegenwoordig deel uitmaakt van het Rijksmuseum van Volkenkunde. In 1991 verhuisde Boerhaave naar zijn huidige plek in het oude Sint Caeciliaklooster aan de Lange St Agnietenstraat (1). Dat klooster werd aan het eind van de 16e eeuw verbouwd tot gasthuis, nadat de daarvoor benodigde gelden  bijeengebracht waren door een grote loterij, georganiseerd door stadssecretaris Jan van Hout (ik schreef er een jaar of wat geleden een pagina over). In dit complex gaf de wereldberoemde arts Herman Boerhaave (1668-1738) college aan het ziekbed.

In 2016 sloot het museum voor de duur van ruim een jaar zijn poorten voor een grootscheepse renovatie. Op vrijdag 15 december 2017 ging het weer open en vorige week ging ik er een kijkje nemen.

De vroegere topstukken zijn er allemaal nog. Maar aan het museum, dat vooral een kijkmuseum was, zijn een hoop doe-dingen toegevoegd. In elke zaal kun je wel op knoppen drukken of presentaties starten en allerlei dingen ondergaan, zoals bellen via een antiek telefoontoestel met iemand die aan de andere kant van de zaal staat. Het museum wekt daardoor associaties met een ander geliefd uitje uit mijn jonge jaren: het Evoluon in Eindhoven.

Een paar oude highlights en een paar nieuwe.

Het mooi nagebouwde anatomische theater (2) is nog steeds de binnenkomer van dit museum. Het was in het Leiden van de Gouden Eeuw gevestigd in het Academiegebouw aan het Rapenburg. In de winter werden hier menselijke lichamen voor publiek ontleed. Dat waren meestal de lijken van ter dood veroordeelde misdadigers die de dag tevoren waren opgehangen. Zij hadden hun lichaam onvrijwillig ter beschikking  gesteld van de wetenschap. Anti-donorwetregistratie was toen nog niet mogelijk.

Die anatomische demonstraties waren in de eerste plaats bedoeld voor medische studenten. Maar ook belangstellende leken mochten het gebeuren voor een paar stuivers entree bijwonen. Ik schreef er eerder over op mijn rubriek REFLEXXIONZZ!!. Tegenwoordig zie je in het theater een korte videopresentatie over wat je in het museum kunt verwachten.

'Gedonder in de glazen', zo luidde ooit de weersverwachting. Die uitdrukking gaat terug op dit sierlijke meetinstrument (3), de verre voorloper van de barometer en eigenlijk ook van de buienradar. Bij dit ‘donderglas’ droop het water uit de tuit bij een plotselinge daling van de luchtdruk, en dat duidde op de nadering van een onweersbui.

Over een viertal wrange schilderijen uit het eerste kwart van de 17e eeuw heb ik ook al eens twee pagina´s geschreven (ja, waarover heb ik nog géén pagina geschreven!): deel 1deel 2. Ze zijn gebaseerd op 4 gravures van Hendrick Goltzius uit 1577. ‘De vier gedaanten van de arts’ laat zien hoe de arts in de ogen van de omstanders verwordt van de reddende engel voor een doodzieke patiënt, tot duivel (afbeelding rechts) als hij later de rekening voor de voorspoedige genezing presenteert.

Naar dit vroeg-20ste-eeuwse medische apparaat (4) keek ik als kind en jongeling altijd met angst en beven. Het is een ijzeren long voor patiënten die niet meer zelfstandig kunnen ademen. In het apparaat heerste beurtelings een over- en onderdruk, waardoor de borstkas van de patiënt op en neer ging zonder dat hij zichzelf daarvoor hoefde in te spannen. Maar die moest daarvoor wel een stuk bewegingsvrijheid opgeven; wat een gruwel…

Via een telefoon horen we het verhaal van een meisje van een jaar of 5 die na besmetting met polio in het ziekenhuis de nachten in dit toestel moest doorbrengen. Met een spiegeltje boven haar hoofd om nog een beetje om zich heen te kunnen kijken. Gelukkig herstelden de meeste poliopatiënten in zoverre dat ze in ieder geval weer zelfstandig konden ademen.

foto 8: Screenshot YouTube; Epic Conway’s Game of Life

De tegenwoordige life support systems (5) zijn een stuk handzamer en transportabeler.

Dat laatste geldt nog veel sterker voor de huidige computers, vergeleken met die van een halve eeuw geleden. Dit bakbeest (6) uit 1965 is nog niet eens compleet geëxposeerd; dan had hij een complete museumzaal in beslag genomen. Hij kreeg de naam X8 mee omdat hij wel acht keer zo snel kon rekenen als zijn voorganger uit 1958, de X1.

Deze brontosaurus was ontwikkeld door Edsger Dijkstra, een Eindhovense professor in de informatica. Het apparaat was niet goedkoop: 2,5 miljoen gulden, maar dan had je ook wel wat! OK: appen, twitteren, foto´s bewerken, series bingewatchen, Youtuben, tekstverwerken, gamen, etc., dat kon je er allemaal niet mee, dat was allemaal nog heel verre toekomst. Maar rekenen? Als de beste!

Slechts 20 exemplaren wisten ze ervan te slijten. De afnemers waren universiteiten, vliegtuigbouwer Fokker, het KNMI en andere organisaties die ingewikkelde berekeningen moesten uitvoeren.

 Meer rekenarij in de doe-tentoonstelling ‘Spelen met wiskunde’ die tot het eind van dit jaar te zien zal blijven in Boerhaave. Valproeven uitvoeren, figuren leggen met arabesken, ik was er uren mee zoet.

Op de foto een Galtonboard (7). In elk boek over waarschijnlijkheidsrekening en statistiek wordt het genoemd, maar een doe-het-zelf-Galtonbord heb ik nog nooit eerder gezien. Je gooit er aan de bovenkant een balletje in. Dat stuit op een spijker en kan dan links- of rechtsaf slaan; het is fiftyfifty. Wat er ook gebeurt, hij raakt dan weer een nieuwe spijker, etc., etc.

Het is volkomen onvoorspelbaar waar het balletje uiteindelijk eindigt. Maar het is wel voorspelbaar wat er gebeurt als je er een stuk of 100 achterelkaar ingooit. De meeste belanden ergens in het midden, en slechts weinigen helemaal links of rechts.  Dat zo´n balletje zeg 10 keer achter elkaar linksaf slaat, of juist 10 keer rechtsaf, is veel onwaarschijnlijker dan dat de verhoudingen 5:5 of 6:4 zijn. De wetten van de kansrekening aanschouwelijk gemaakt!

Hier een animatie van zo’n Galtonboard op je scherm.

En ook dit is apart. Het is The Game Of Life, uitgedacht door de wiskundige John Conway. De regels zijn simpel. Je hebt een groot, in principe oneindig veld van vakjes die cellen voorstellen. Een cel kan leven (wit vakje) of niet leven (zwart vakje). Een levende cel die grenst (horizontaal, verticaal of diagonaal) aan 2 of 3 andere levende cellen, blijft in de volgende generatie leven. Een cel die aan minder dan 2 of meer dan 3 cellen grenst, sterft. Aan de andere kant komt een dode cel tot leven als hij grenst aan 3, niet meer en niet minder, levende cellen.

Als je de opeenvolgende generaties in beeld brengt, zie je een fascinerend schouwspel van wezentjes waarmee van alles gebeurt. Ze komen tot leven, gaan ten gronde, eten elkaar op, of wandelen doodbedaard over het speelveld heen. Sommige zijn stabiel; die blijven stokstijf stilstaan, zo lang er geen andere wezens in de buurt komen. Anderen knipperen aan en uit en lijken wel te ademen, zonder hulp van een ijzeren long.

Je waant je in Micropia, zie hierboven, maar hier zijn de microben slechts virtueel aanwezig, en onderhevig aan een paar simpele regels.

Je hoeft er niet voor naar Boerhaave en kunt ervoor thuisblijven (al mis je dan een hoop ander moois). Met deze app kun je deze vijver vol leven op je beeldscherm toveren en op dit Youtubefilmpje zie je een paar heel bijzondere vormen. 

Frans Mensonides
21 maart 2018
Er geweest: zaterdag 10 maart 2018.





Boeterende en poekelende koempels; Nederlands Mijnmuseum Heerlen

 

In die koude weken had ik het laatst over de knusse kolenkachels die ik in mijn kleutertijd nog heb meegemaakt. Zat je er vlak voor, dan verschroeide je; verliet je de woonkamer, dan stortte je in een ijsbad.

Als kind vroeg ik me nooit af waar de kolen vandaan kwamen voor al die warmte en gezelligheid. Ja, uit de kolenkit, en die vulde mijn moeder met de kolen uit het kolenhok op het balkon en dat werd elke september volgestort door de beroete sjouwers van de kolenboer. Met 15 mud kolen kwamen we de strengste winter wel door, in ons kleine flatje. Maar waar ze in eerste instantie vandaan kwamen?

In het Nederlands Mijnmuseum achter station Heerlen kun je die plek zien. Het museum is gevestigd in en om het oude schachtgebouw en de liftmachinekamer van de mijn Oranje Nassau I. Het was een particuliere mijn, in tegenstelling tot De Staatsmijnen (DSM), en hij had nog drie andere vestigingen in de omgeving van Heerlen.

Oranje Nassau I is 75 jaar in bedrijf geweest. Hij ging open in 1899, en op oudejaarsdag 1974 deed de laatste Limburgse mijnwerker hier het licht uit. Het was gedaan met de mijnbouw. In miljoenen Nederlandse gezinnen waren ze overgegaan van kolenstook op het aardgas waar we anno ’18 eigenlijk weer vanaf moeten. Uit de vier mijnen van ON is in totaal 118 miljoen ton kolen naar boven gebracht, bijna een kwart van de totale productie van alle Limburgse mijnen tezamen.

Het Mijnmuseum houdt de herinnering aan die tijd levend. Je kunt hier twee films zien over het dagelijkse leven in de mijn en er zijn meerdere malen per dag rondleidingen door mannen die er nog bij zijn geweest, tot en met 1974. Zo krijgt de bezoeker een goede indruk van wat er technisch allemaal kwam kijken bij een kolenmijn, maar ook en vooral van het harde en ongezonde leven van de mijnwerkers.

De mijnen hadden longartsen in dienst en verplichtten hun medewerkers tot het drinken van veel melk na elke schicht (´sjiecht´, dienst). Maar dat kon niet voorkomen dat velen vóór hun 40ste al verrotte longen hadden. Stoflong, astma, weinig mijnwerkers zullen de pensioengerechtigde leeftijd gehaald hebben.

Wie door longproblemen onder de grond niet meer meekon, kreeg meestal een simpel baantje op het aardoppervlak. Hij moest bijvoorbeeld penningen controleren bij de mijnlift (daarover straks meer). Zo iemand was dan dubbel gestraft. Hij ging achteruit in loon, want de arbeiders onder de grond werden nog iets minder slecht betaald dan die op het maaiveld. En hij werd verteerd door heimwee naar de plek in de mijngang waar hij zijn gezondheid had achtergelaten.

Want de mijnwerkers genoten van hun onderlinge kameraadschap. Onder de grond was je op elkaar aangewezen. ‘Koempels’ noemden ze zich; supporters van Roda JC noemen zich nog steeds zo.  

Halverwege de schicht was het gezamenlijk ‘boeteren’, ofwel: de medegebrachte boterhammen nuttigen. Ze aten het brood uit papieren zakjes, zodat het niet vies werd en je niet ook nog een stofmaag opliep, naast een stoflong.

En aan het eind van de werkdag allemaal onder de douche, en ‘poekelen’, elkaar de rug wassen. De rondleiders spreken er met warmte en liefde over. Een opa heeft deze dinsdagmiddag zijn kleindochter van een jaar of 10 meegenomen (wier onderwijzer door de griep is geveld, denk ik). Die lacht bij het zien van die spiernaakte poekelende mijnwerkers op de film. ‘Hadden jullie dan helemaal geen kleren aan?’ Jawel, een speciaal werkpak, maar onder de douche ging dat natuurlijk uit.


De mijnbouwtechniek was best ingewikkeld, een vak apart op de universiteit. Maar kort samengevat was zo’n kolenmijn een raster met verticale en horizontale lijnen. De schachten gingen loodrecht de aarde in, bij de ON I tot bijna een halve kilometer diepte. In die schacht bewoog de mijnlift op en neer. Ongeveer om de honderd meter gaf die toegang tot een uitgestrekt netwerk van horizontale gangen, waar de mijnwerkers de kolen losbikten of loszaagden. Zij deponeerden het zwarte goud in goederenwagonnetjes die de lift in werden gereden. Boven werden die wagentjes leeggekieperd en werden de kolen gereinigd en verwerkt tot de vorm waarin ze bij ons de kachel ingingen.

Behalve met mankracht en stoom werkte men onder de grond ook met paardenkrachten. Ook die dieren hadden een weinig begerenswaardig bestaan. Ze werden vaak afgeranseld door de paardenknechten, al mocht dat niet. Hun stal was onder de grond. Ze zagen nooit meer het daglicht, en als ze, afgeleefd na jaren hard werken, toch weer boven de grond kwamen, bleken ze stekeblind.

Nee, wij bezoekers mogen niet meer de schacht in; dat spijt me niks. De machinekamer van de mijnlift, met die grote draaiende wielen boven het dak, die mogen we wel zien. De lift werkt nog, of liever gezegd: werkt weer, een paar jaar geleden hebben ze hem weer aan de praat gekregen.




Hij heet trouwens geen mijnlift, maar ophaalmachine. Zijn belangrijkste taak was het boven de grond halen van de kolen. Alleen aan het begin en einde van elke schicht vervoerde hij mijnwerkers. 

Je zou denken dat zo’n lift bediend werd door een liftboy. Zo iemand was er wel, al heette hij geen liftboy en gaf hij alleen maar belsignalen aan de twee machinisten. Die zaten boven in de machinekamer en konden de lift zelf niet zien. Ze moesten luisteren naar die enorme bellen, werk dat opperste concentratie en nauwgezetheid vereiste.

Er zaten merktekens op de liftkabels, zodat de machinisten de lift precies op de goede plekken konden laten stoppen. Er mochten vanzelfsprekend geen op- en afstapjes zijn voor de treinwagentjes. Die werden opgehesen met een bloedvaart van 16 meter per seconde (bijna 60 km/uur); snel, snel, snel, productie! Het personenvervoer geschiedde met de altijd nog respectabele snelheid van 8 m/sec, bijna 30 km/uur, waarmee je binnen een minuut de bodem van de schacht bereikte.

Zonder penning mocht je niet naar beneden. Aan het begin van de schift haalde elke mijnwerker de penning op waarop zijn nummer vermeld stond. Aan het einde leverde hij die weer in. Zo kon gemakkelijk worden nagegaan of iedereen wel weer boven de grond was gekomen. Ontbrak er een penning, en daarmee een persoon, dan ging er een reddingsploeg naar beneden.

Vaak was er dan geen spoor van de vermiste, en zat die al lang en breed thuis, en de penning nog in zijn werkpak. Dat werd hem dan niet in dank afgenomen. Hij kreeg een boete van een gulden die op zijn al karige salaris werd ingehouden.

De bazen spraken de koempels niet aan bij hun naam, maar bij hun penningnummer. Dat is een van de details en de weetjes hier die me bijna verzoenen met een baan op een modern flexkantoor.

‘Hoe zit het nou met de opvolging?’, vraagt een bezoeker aan de rondleider, doelend op de al behoorlijk gevorderde leeftijd van de museumvrijwilligers. Ja, dat dreigt een probleem te gaan worden. Ze proberen jongeren te interesseren voor het mijnbouwverleden van Limburg. ‘Maar ja, weet u, de jeugd van tegenwoordig…. Ze weten niet eens meer hoe kolen eruit zien!’

Frans Mensonides
1 april 2018
Er geweest: dinsdag 20 maart 2018




© Frans Mensonides, Leiden, 2018