De digitale reiziger (152b)
3 gewesten, 3 talen; 3 HOV-projecten: 5 dagen kriskras door België (2)

 

Dominique -nique -nique
S'en allait tout simplement
Routier, pauvre et chantant
En tous chemins, en tous lieux
Il ne parle que du Bon Dieu
Il ne parle que du Bon Dieu

‘Dominique’, Sœur Sourire / The Singing Nun (1963)

(Dominique begaf zich op weg, heel eenvoudig, straatarm, maar zingend op alle wegen, naar alle plaatsen. Hij spreekt over niemand anders dan de Lieve Heer).

‘Dominique’ op YouTube

< < < Deel 1 al gelezen?

Eenzame reiziger, suffend boven zijn telefoon, in een hoekige abri, ergens tussen Waver en Leuven


Dit is deel 2 van een tweeluik over 5 dagen per trein reizen door België. In deel 1 maakte ik fotorondjes door Mechelen en Brussel en deed ik 3 veel- of misschien weinigbelovende HOV-projecten. In dit deel ga ik naar de uithoeken van België: Dinant, diep in het Waalse land, en Eupen, waar ze Duits spreken. Ook dit deel verschijnt weer in 2 plukken, zoals ik dat noem.


Reizen met de NMBS; stations Mechelen en Nekkerspoel, GEN-lijn S1

8 keer NMBS: in Vilvoorde, Leuven, Hasselt, Genk, Ottignies, 2x Wavre  en voor de 2e keer Leuven.  


De NMBS (Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, a.k.a. SNCB: Société Nationale des Chemins de Fer de Belges) heeft corona goed doorstaan. In 2023 werden er 244 miljoen reizigers vervoerd, en dat is toch alweer bijna net zo veel als in het pré-coronajaar 2019 (253 miljoen).

Van personeelstekort, dat bij de Nederlandse spoorwegexploitanten de afgelopen jaren soms de spuigaten uitliep, valt in België niets te merken. Van de 26 treinen die ik in 5 dagen in België heb genomen, viel er slechts één uit – die ik dan dus feitelijk niet genomen heb. Die ene, uitzonderlijke trein komen we nog tegen verderop in dit verslag.

Op Belgische stations komen treinen vaak binnenrijden uit een richting die ik niet verwacht had, en op het spoor waar ik met de rug naartoe sta. Als ik dan in de trein ben gestapt, lijkt die voor mijn gevoel meestal de verkeerde kant op te rijden. Dat komt door mijn uiterst gebrekkige oriëntatievermogen, en door het feit dat de treinen in België links rijden.

Mijn standplaats op dit reisje, Mechelen, zag in op 5 mei 1835 de allereerste trein op het Europese vasteland binnenrollen uit Brussel. De treinen rijden in België links, vermoedelijk omdat ze dat ook doen in Engeland, waar het fenomeen: spoorwegen is uitgevonden. Waarom rijden ze dan in Nederland rechts? Waarschijnlijk om het anders te doen dan in België, waarmee we tot 1839 officieel nog in oorlog waren, nadat België zich in 1830 onafhankelijk verklaard had.

In 1839 pas vrede met België, niet in 1830. Rutte wees er laatst een opponent in de Kamer nog op. Hij had gelijk; onze demissionaire premier liegt echt niet ALTIJD.

Ik heb me in het verleden wel eens verbaasd over hoe beroerd en afgetrapt de stations eruit zagen in België. Maar daar lijkt langzamerhand verandering in te komen. Veel belangrijke IC-stations zijn de afgelopen decennia in ieder geval drastisch opgeknapt, zoals dat van Leuven, waar ik een paar keer moest overstappen, deze week.

Sommige stations zitten nog in een ellenlang renovatietraject, want de (cement)molens draaien hier vaak opvallend langzaam.

Dat is ook het geval met het grootste station in mijn standplaats op dit reisje: Mechelen. Het station heeft een diepe bouwput voor de ingang, nota bene voor een toekomstige ondergrondse autoweg, en een andere betonnen bouwput op maaiveld aan de zuidwestzijde van de stationshal.

Die laatste put voert naar de nieuwe, hooggelegen sporen 9 t/m 12. Daar stoppen de IC’s richting Brussel, en razen de TGV’s nu langs met 160 km/uur, tegen vroeger 100.

Al in 2008 werden de contracten getekend voor het project ‘Mechelen in beweging’, zoals de verbouwingsoperatie heet. De werkzaamheden zijn begonnen in 2013 en zullen zo tegen 2030 voltooid zijn. Het oude stationsgebouw is inmiddels afgebroken, tot verdriet van sommige Mechelenaren. De kaartjesloketten en toiletten bevinden zich nu in een noodgebouw.

Mechelen is de hekkensluiter van de lijst van de 10 best beklante stations in België, met 19.500 instappende reizigers per dag in 2023. Ik heb in deze 5 dagen de hele top 10 bezocht, behalve Gent Sint-Pieters en Brussel-Zuid. Die lijst bestaat verder, naast Mechelen, Gent Sint-Pieters en de Brusselse trits, uit Antwerpen Centraal, Leuven, Ottignies, Namen en Luik-Guillemins.



Mechelen Nekkerspoel (boven) en Mechelen-sec (onder)

Het tweede station in deze stad, Mechelen Nekkerspoel, ligt 1½ km meer naar het noorden aan de spoorlijn Mechelen – Antwerpen, aan de oostzijde van het centrum. Het ligt op loopafstand van mijn hotel, en mijn reizen beginnen er deze week meestal. Voor een wandeling door de binnenstad van het ene station naar het andere mag je wel een halfuur uittrekken.

Mechelen Nekkerspoel is een bijna-naamgenoot van het busstation bij Eindhoven Centraal, dat Neckerspoel heet. Een nekker was een mythologisch wezen, een duiveltje dat mensen aan hun benen in een poel trok om ze te laten verdrinken. Zouden alle reizigers op Nekkerspoel en Neckerspoel zich wel van dat gevaar bewust zijn?

Mechelen Nekkerspoel is in 1903 geopend voor reizigers, nadat het al een poosje goederenstation was geweest. Het heeft een mooi klassiek stationsgebouw, waarin lange tijd iets anders heeft gezeten dan het plaatskaartenloket. Maar de rest, tsja… De ingang ziet er al niet uit, de perrons ook niet en de roltrap is tijdens mijn hele verblijf (en vermoedelijk dit hele decennium) defect.

Foto: Japplemedia, overgenomen van Wikipedia, Station Mechelen-Nekkerspoel

Van de vele IC’s die rijden op het traject Antwerpen - Brussel, stoppen er maar 2 per uur per richting op station Nekkerspoel. Verder wordt het station elk halfuur aangedaan door de S1 Antwerpen Centraal -Nijvel / Nivelles. Deze ellenlange lijn: 80 km, 27 tussenstations, 2 uur reistijd, behoort tot het GEN / RER-net van Brussel. GEN staat voor Gewestelijk Expresnet, RER voor Réseau Express Régional, in navolging van Parijs.

Dit net van stoptreinen rond de Belgische hoofdstad is dan uiteindelijk toch min of meer afgekomen. Daarbij zijn de lijnvoeringen en ook de lijnnummeringen diverse malen gewijzigd.

De GEN-lijnen, die nu allemaal met een S beginnen, worden gereden met Desiro-treinen (linksboven op de fotocollage hierboven). Ik geloof dat ik in het verleden toch wel zo’n 85% van dit net heb afgelegd (in 20152016 (2x), en 2018). Maar nog nooit in Nijvel geweest.

Wel heb ik vorig jaar de boeiende, verontrustende tv-serie ‘1985’ gezien over de Bende van Nijvel. Die zaaide dood en verderf in België met overvallen waarbij veel slachtoffers vielen, maar heel weinig buit werd gemaakt. Die serie was gebaseerd op ware feiten – die in werkelijkheid echter grotendeels verborgen zijn gebleven. De daders zijn nooit gepakt, en onbekend. Het is 40 jaar geleden, maar is nog altijd een open wond in de Belgische samenleving. Dat zijn allemaal wel ideale omstandigheden voor een scriptschrijver, die zijn fantasie flink de sporen kan geven.

Opvallend in de treinen van NMBS is het feit dat conducteurs in België gewoon hun werk nog doen. Als je de Nederlandse eerste-klas-plucheplakkers gewend bent, valt het je gewoonweg op. Ik ben op ca. 80% van mijn Belgische ritten gecontroleerd. In Nederland halen de conducteurs nog geen 20%.

Een Vlaamse conducteur in ik weet niet meer welke trein riep 2 keer om dat hij boetes ging uitdelen voor voeten op de bank en een ‘supplement’ zou uitschrijven voor wie met een 2e klas-ticket zou reizen in de eerste. Nee, die conducteurs hier, die speel je niet met de voeten! Kom daar eens om bij NS… ‘NS-conducteurs verliezen gezag’, is een krantenkop die langskwam op mijn telefoon. Ja, gek, hè?

Ook opvallend is dat vrijwel alle treinen in België op tijd rijden – ook weer op één na, en zoals blijkt uit mijn misschien te kleine steekproef van 26 stuks. Kortom: complimenten voor NMBS; oh nee, de felicitaties, heet dat hier.



Dinant, Dinanterie en Sax(ofoon)


Deze reis naar Dinant, op vrijdag 5 april 2024, is nog een laat vervolg op dit stuk uit 2016. Toen had ik voor een habbekrats een HEMA-retourtje 
naar Dinant gekocht. Dat was wel een verre reis voor op één dag heen en terug. En ik heb bovendien de rare gewoonte – dat is niets voor trein-hobbyisten - om hier en daar uit te stappen, het station te verlaten en zo maar wat door een stad te gaan dolen. Ik kwam die dag dan ook niet verder dan Namen / Namur.

Dat goedkope HEMA-retourtje naar België was enorm populair in 2016. Waalse conducteurs snapten niets van het in het Nederlands gestelde kaartje, en liepen meestal met een schouderophalen door. Wij ‘Ollanders maakten daarvan op grote schaal misbruik door hele dagen kriskras door Wallonië te reizen, en de op het retourtje vermelde bestemming soms niet eens in de reis op te nemen. Mede daardoor was het HEMA-kaartje geen 2e zomer beschoren.

Nu dus toch nog naar Dinant. Die reis in 2016 naar Namen ging via Brussel-Schuman, Brussel-Luxembourg en Ottignies. Het spoor naar Ottignies is nu gestremd, en we rijden vanaf Brussel-Noord om via Leuven. Dat bemerk ik pas als we station Nossegem passeren, en ik denk even dat ik nu toch echt in de verkeerde trein zit. Maar een mededeling op de site van NMBS heldert de zaak op. 

De trein rijdt door station Leuven heen zonder er te stoppen. We vervolgen onze route langs beregende bossen op heuvels; een heel nieuw traject voor mij. Het gaat in bromfietstempo. We zitten vermoedelijk achter een stoptrein. Dat kan nog wel even aanhouden; de betrekkelijk korte spoorlijn Leuven – Ottignies telt 11 tussenstations. Maar er is met deze stagnatie rekening gehouden in de dienstregeling; we zullen exact op tijd aankomen in Namen.

Onderweg passeren we station Wavre (Waver). Wavre, Wavre, peins ik, wat was daar ook alweer mee? Wacht even, jongens, dat is toch dat liedje? Ja, dat is van dat liedje. Nauwkeuriger gezegd: Wavre was de woonplaats van Jeanine Deckers, een kloosterzuster die onder de naam Sœur Sourire (Zuster Glimlach) in 1963 een wereldhit scoorde met het liedje ‘Dominique’ (-nique, -nique). Het is het meest bizarre en ook treurigste verhaal aller tijden over een one hit wonder.

Oh, Wavre, dat ligt dus hier; dat wist ik niet. Ik ga er op de terugweg even langs.

Wat ook hier ligt: Walibi. Het Nederlandse filiaal van dat pretpark in Biddinghuizen heeft een eigen buslijn vanaf Harderwijk, maar het Waalse een eigen spoorwegstation: Bierges-Wavre. Bij het passeren zie ik het silhouet van de achtbaan tegen de hemel.



Het ruim opgezette busstation boven station Namen

Via Ottignies en Gembloux komen we aan in Namen. Ook dit station is recentelijk gerenoveerd. De duistere spelonk onder het station is verdwenen. En er is een busstation bijgekomen op het dak. Het ziet er allemaal gelikt uit. 

Ik pak de trein naar Dinant, die de slingers van de Maas stroomopwaarts volgt. Water staat hoog in de rivier waarvan we op school moesten leren dat het een regenrivier is. Dinant ligt hemelsbreed 20 km, en gemeten langs de kronkels van de rivier 30 km ten zuiden van Namen, en niet heel ver van de Franse grens.

De reis verloopt in een prettig vakantietempo. We stoppen op station Jambes (nee, geen trocheeën of dactyli), en op station Godinne, dat weinig goddelijks heeft.


Op Yvoir staan we 7 minuten stil; tussen hier en Dinant zijn er werkzaamheden aan de gang en is er slechts één spoor beschikbaar.

En dan Dinant. Eindpunt van deze trein. Maar het spoor loopt nog veel verder door, en buigt af naar het oosten, naar het hoog in de Ardennen gelegen station Libramont, waar ik op weg naar Luxemburg langs kwam.

Op dat HEMA-reisje durfde ik niet op de citadel van Namen. Ik had gelezen dat er in Dinant een nog veel grotere, hogere en mooiere citadel was. Nu ik aan de voet van sta van die citadel, die 100 meter boven het Maaswater uittorent, durf ik daar natuurlijk ook niet op. Niet via de bijna 400 treden tellende, steile, scheve, smalle trap en niet met een kabelliftje.

Dat voertuig is net zo’n eng gevaarte als die van de burcht in Kufstein, Oostenrijk. Daar ging ik ook niet op. Ik bleef liever beneden om naar het dagelijkse orgelconcert te luisteren – dat ik boven nog beter had kunnen horen, want dat befaamde Heldenorgel is ingebouwd in het fort.

Dinant is een heel sympathiek aandoend stadje, met idyllische doorkijkjes op de rivier, als contrast met dat grimmige fort. De stad wordt in deze paasvakantie, wat het nog steeds is, druk bezocht door toeristen, hoewel het weer nog beslist niet meewerkt; er zijn vandaag legio maartse buien in april.



In WO I is hier verschrikkelijk gevochten. Charles de Gaulle, de latere president van Frankrijk, maar toen nog luitenant, raakte hier op 15 augustus 1914 gewond. Zijn standbeeld staat bij de brug over de Maas.

Dinant is bekend van ‘dinanderie’: vervaardiging van koperen en messing kunstvoorwerpen. Maar de stad is vooral bekend als geboorteplaats van Adolphe Sax (1814-1894), de uitvinder van onder meer de saxofoon. Hij heeft het grootste deel van zijn leven gewoond en gewerkt in Parijs, maar wordt gezien als dé zoon van dit stadje aan de Maas.

Ze willen het wel weten ook, dat zijn wieg hier stond. Er staan 28 reuzensaxofoons opgesteld, verspreid over de hele stad. Ze zijn elk geschilderd in de nationale kleuren van een EU-land. Verder zit Sax zelf, vereeuwigd als standbeeld, op een bankje, is er een muziektent ter nagedachtenis aan hem, en is er een piepklein, gratis toegankelijk museumpje dat aan hem gewijd is.

Zijn saxofoon liet hij voor het eerst aan het publiek horen in 1841, staande achter een gordijn. Niemand mocht nog zien hoe het instrument eruit zag. Hij had er nog geen patent op, en was bang voor namaak.

De sax is een blaasinstrument, een rietblaasinstrument, om precies te zijn, maar hij klinkt bijna als een compleet strijkorkest. Aanvankelijk waren niet alle musici ingenomen met het nieuwe instrument. Zoals blijkt uit een paar cartoons in het museum, vonden ze het maar een ordinair brok herrie, wat er uit die brede kelken kwam. Het neemt niet weg dat de saxofoon zijn weg vond in de klassieke muziek, later in de jazz en nog later in de popmuziek.

Sax vond ook andere instrumenten uit dan de sax. Bovendien ontwikkelde hij een nieuw notenschrift, schreef hij muziekstukken, een verhandeling over de invloed van blaasinstrumenten op de longen, een studie over de akoestiek van concertzalen en nog zo het een en ander.

Een veelzijdig man. Een brokkenpiloot en brekebeen ook. Al als kind ontsnapte hij diverse keren aan de dood, door allerlei vreemde ongelukken. Een paar keer heeft hij zich per ongeluk bijna vergiftigd. In zijn werkplaats overleefde hij een buskruitontploffing. In het zakenleven deed hij het ook niet goed. Zijn instrumentenfabriek ging meerdere malen failliet.

Zoals je bij dit soort mensen kunt verwachten, stiert hij uiteindelijk op een gezegende leeftijd (79) door een natuurlijke oorzaak. Hij liet veel schulden na, én een door velen geliefd muziekinstrument.

Ik aanvaard de terugtocht, via Namen naar Ottignies. Het wordt nu echt druk, we zitten in de vrijdagmiddagspits.

Weerzien met Ottignies, het station met die magnifieke spotplekken waar ik in 2016 ook al van het uitzicht stond te genieten. De loopbrug kijkt uit op een onontwarbare spaghetti van sporen. Ottignies is hét knooppunt van het spoorwegnet in Wallonië. Er lopen van hier lijnen naar Brussel, Namen, Leuven, Charleroi en de Waalstalige universiteit Louvain-la-Neuve.

In 8 jaar tijd zijn er nog wat rails bijgekomen. Het tracé Brussel – Ottignies wordt verdubbeld van 2 naar 4 sporen. Met de verbouwing van het station zijn ze de afgelopen jaren wel een beetje verder gekomen. Ze mikken nu op 2030, dan moet het nieuwe station helemaal klaar zijn.

Ik pak de stoptrein naar Leuven. Dit is ook weer een trein die behoort tot het GEN-net; hij rijdt onder lijnnummer S 20.

Bij Bierges-Walibi komen er een hoop Walibi-gangers de trein in, en wordt het nog drukker. Het volgende station is Wavre.

Nu dan de geschiedenis van Jeanine Deckers (1933-1985), Sœur Sourire, in de Engelstalige wereld bekend als The Singing Nun. Verhalen over muzikale eendagsvliegen zijn vaak interessanter dan die over artiesten die decennialang een abonnement hebben op de top-10 en miljarden keren gestreamd zijn. Hoe gaan one hit wonders om met hun kortstondige roem gedurende een paar maanden, gevolgd door een lang, lang leven in vergetelheid?

Deckers was onder de naam Luc-Gabriël kloosterzuster in Fichermont in de buurt van Waterloo. Ze was in het klooster gegaan omdat ze eigenlijk niet goed raad wist met zichzelf en met haar leven. Ze kon aardig zingen, en schreef religieuze liedjes, waarbij ze zich begeleidde op de akoestische gitaar.

In 1963 mocht ze een langspeelplaat opnemen. Die werd aanvankelijk in een heel beperkte oplage geperst. De plaat zou cadeau gedaan worden aan bezoekers van het klooster.

Eén liedje sprong eruit, en dat was ‘Dominique’, met een opgewekte, vrolijke melodie, een meezinger, bijna. Het ging over Sint-Dominicus, die in de vroege 13e eeuw als evangelist had rondgetrokken door Frankrijk en Italië, en volgens de tekst over niemand anders wilde spreken dan de Lieve Heer.

Het nummer werd op single uitgebracht. En het werd een krankzinnige hit, eind 1963: nummer één in de hitparade in Argentinië, Australië, Brazilië,  Canada, Mexico, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika, Venezuela en last but not least: in de USA, in de toonaangevende Billboard Hot 100. In Nederland bleef het bij een bescheiden top 10-hit. En België zelf had nog geen hitparades, voor zover ik weet.

4 weken lang stond ‘Dominique’ op één in de USA, rond kerstmis, de meest lucratieve weken van het jaar voor de platenhandel. Het is tot dusverre het enige Franstalige nummer die de eerste positie bereikt heeft op deze lijst die al bijna een eeuw bestaat. 3 maanden later was het de zingende non vast niet meer gelukt; toen hadden de Beatles Amerika veroverd.

Ook haar album ‘Dominique’ dat in de herfst van 1963 in de USA was uitgekomen, haalde de eerste plaats bij Billboard, op de Album top 200, en bleef maar liefst 10 weken aan de top. Niemand minder dan de bekende tv-persoonlijkheid Ed Sullivan reisde met een complete cameraploeg af naar België, om de non te interviewen in het klooster.  Een paar weken later zou hij John, Paul, George & Ringo ontvangen in een legendarisch geworden uitzending van zijn show. Een bijzondere periode in de geschiedenis van de popmuziek: de ‘British Invasion’, voorafgegaan door een Waalse...

HIER zie je Sullivan en de zingende non op YouTube.






Wavre


Tot zover het succesgedeelte van dit verhaal. Nu komt de onvermijdelijke kater. Het lachen verging Zuster Glimlach snel. Van de royalty’s van die million sellers, de single en de LP,  heeft ze nooit een cent gezien. Die waren gestort op de bankrekening van het klooster.  Dat had de voor die tijd kapitale som van 100.000 dollar verdiend aan ‘Dominique’. Maar de belastingaanslagen en de dwangbevelen vielen op de deurmat bij de ex-non, die het klooster in 1966 verlaten had en zich heel kritisch was gaan uitlaten over de katholieke kerk.

Die belastingschuld heeft zij nooit kunnen aflossen. ‘Dominique’ heeft geen waardige opvolger gekregen; al haar latere platen flopten hopeloos. Ook de discoversie van Dominique uit 1982 werd geen hit. Hij staat op YouTube; je weet niet of je erom moet lachen of huilen.

Deckers levensverhaal vormde inspiratie voor boeken, films, een musical en een theaterstuk. Maar zelf had ze daar niets aan.

Ze ging in Wavre samenwonen met een vriendin, maar ontkende dat het om een lesbische relatie ging. In 1985 maakte zij, tegelijk met haar vriendin, een eind aan haar leven. Financiële problemen hadden hen de dood in gedreven.

Zoals er in Dinant een standbeeld van Alphonse Sax staat, staat er in Wavre GEEN standbeeld van Sœer Sourire. Maar welbeschouwd: de invloed van Sax op de muziek is wel wat groter geweest dan die van de Waalse non. Zijn saxofoon bleek allesbehalve een één-hits-wonder.

Ik loop met vermoeide voeten toch nog een rondje door het centrum van Wavre. Het is geen erg opzienbarende plaats. Maar hij mag er wél wezen; het is wél een provinciehoofdstad, nl. van Waals Brabant.

Behalve een Singing Nun had je in de 60’s ook nog een Flying Nun, komt nu bovendrijven in mijn geheugen. Dat was een sitcom op de tv. Waar ging die over? Ik herinner het me niet meer. Ja, over een non die kon vliegen; zoveel is zeker.

In Leuven dan de enige uitvaller tijdens mijn 5 dagen in België, meteen gevolgd door de enige trein die flinke vertraging heeft. De IC naar Gent Sint-Pieters van 18:47 laat het afweten. Iedereen zuchtend naar een ander perron voor de stoptrein Leuven – Sint-Niklaas van 19:06. Maar die komt aanvankelijk ook niet opdagen, en rolt, toch nog onverwachts, binnen met meer dan 20 minuten vertraging.

Er klinkt een omroep dat deze trein vandaag niet zal stoppen op stations tussen Leuven en Mechelen, om iets van de vertraging in te lopen. Heel erg vervelend voor de reizigers met bestemming Wijgmaal, Hambos, Wespelaar-Tildonk, Haacht, Boortmeerbeek, Hever, en Muizen, stations die we zien langs flitsen. Maar IK ben nu in ieder geval lekker snel in Mechelen.

Einde van een dag waar muziek in zat!

Morgen naar Eupen.

Tot hier gepubliceerd op 28 april 2024




Station Wavre


Naar Eupen



Eupen

Deze dag begint waar de vorige geëindigd is: in de boemel Mechelen – Leuven v.v. Deze keer is hij op tijd en stoppen we wél in dat rijtje van 7 plaatsen: Muizen, Hever, Boortmeerbroek, Haacht, Wespelaar-Tildonk, Hambos en Wijgmaal.

Het lijkt een mooie, zonnige dag te gaan worden. Bij al die kleine stationnetjes loopt het storm. Veel gezinnen op pad, deze zaterdag, met de kindjes. Er is oponthoud bij elk station als er grote, soms gecompliceerde voertuigen voor transport van kleine kinderen de trein worden binnengedragen. ‘Larvenbakken,’ zo worden kinderwagens wel genoemd in de stad waar ik al 61 jaar import ben.

In Leuven stap ik over op de IC Oostende – Eupen, dé IC van België, die terecht IC1 als serienummer heeft. Hij verbindt in 3 uur tijd alle 3 de Belgische gewesten en alle 3 de taalgebieden met elkaar. Deze treinen stoppen onderweg in Brugge, op Gent-Sint-Pieters, het Brusselse 3-tal, Leuven, Luik-Guillemins, Verviers Central en Welkenraedt. Tussen Gent en Brussel nemen ze de ‘HSL 0’, tussen Leuven en Luik de HSL2. En rit van om en nabij 250 km.

Opvallend aan deze treinen is het feit dat ze rijden met een mix van dubbeldeks- en enkeldeks-wagens. Ze hebben voor zover ik weet altijd 10 wagens, getrokken of geduwd door een loc. Maar de volgorde is heel wisselend en waar de eerste klas zit, altijd weer een verrassing.

De IC1-treinen in de andere richting, naar de verkoeling van de kust, zullen vanmorgen wel meer klandizie trekken.



Eupen

Het stuk van Luik tot Verviers hebben wij van De digitale reiziger al eens gedaan, maar dat is lang geleden, en het is wat weggezakt (het artikel erover ook). We rijden door een heuvellandschap met veel tunnels, langs loodsen en langs een plaatsje dat Limburg heet?; ik zie Limburg staan op een bordje.

Inderdaad, het is Limburg (Limbourg), en dat kleine stadje is de naamgever van zowel Belgisch als Nederlands Limburg. Het was eens een hertogdom. Tegenwoordig ligt het niet eens meer in de provincie Limburg, maar in Liège. Er is een station, dat geen Limbourg heet, maar Dolhain-Gileppe. Onze IC stopt er niet; het wordt alleen aangedaan door de stoptrein Luik-Aken.

Bergen gruis, vermoedelijk van een verlaten kolenmijn, en rijtjes huizen waarvan er geen 2 gelijk zijn. Voorbij Welkenraedt berijden wij de slechts 6 km lange enkelsporige spoorlijn naar Eupen, die dateert uit de jaren 60 van de 19e eeuw. 20 jaar later werd hij nog doorgetrokken naar Raeren, dat 7 km verderop ligt. In 1959 werd de lijn opgeheven voor reizigersverkeer, waarna Eupen 25 jaar lang ‘spoorloos; was. In 1984 werd het traject Welkenraedt – Eupen opnieuw geopend.

Voorbij Welkenraedt trekt er ineens een grauwsluier op, staan de huizen strak in de lak en in het gelid en zijn de straten schoon. Alles wijst erop dat we het Duitstalige gedeelte van België zijn binnengereden. Je ziet het altijd meteen als de trein Wallonië verlaten heeft.

De bewoners van dit gebied noemen het Ostbelgien (Oost-België), hoewel dat geen officiële benaming is in de Belgische grondwet. Ostbelgien bestaat uit Eupen en Malmedy, 2 niet-aaneengesloten gebieden. Malmedy, dat ook wel de Belgische Eifel heet, is het grootste van de 2, maar Eupen is het dichtst bevolkt. In beide gebieden bij elkaar wonen bijna 100.000 mensen, waarvan bijna 80.000 Duitstalig en de rest Frans-. Malmedy is officieel Franstalig, maar Duitssprekenden hebben er ‘faciliteiten’.

De Belgische Eifel is volgens een lezer die mij mailde, het mooiste stuk van het land. Jammer genoeg is het OV er wat ondermaats: geen treinen en alleen een paar dunne busdienstjes.

Eupen heeft een roerig, woelig millennium achter de rug. Het was aanvankelijk een heerlijkheid in Hertogdom Limburg, dat achtereenvolgens Brabants werd en Bourgondisch. De stad werd bij de Gelderse Oorlogen in het begin van de 16e eeuw platgebrand door de troepen van Gelre, en in de Tachtigjarige Oorlog opnieuw, deze keer door onze Hollandse voorzaten. Ik bied er hier spontaan mijn ontzettende, diepgemeende excuses voor aan. Dat deed ik laatst ook al in Lingen, voor de calvinistische voorvaderen in mijn kwartierstaat; je kunt wel aan de gang blijven!

Gedurende 7 - ik vrees: magere - jaren, 1707-1714, lag Eupen in de Republiek der Nederlanden. Daarna in de Habsburgse Oostenrijkse Nederlanden, van 1795 tot 1815 in Frankrijk, en na Poleon, na Napoleon bedoel ik, in Pruissen. In 1919 werd het bij het Verdrag van Versailles toegewezen aan België, en daar bleef het dan eindelijk eens een poosje, tot de dag van heden, een eeuw al, met vanzelfsprekend wel een onderbreking in WO II. En zo is het gekomen.

Eupen is dus het eindpunt van die trein door 3 taalgemeenschappen en 3 gewesten. Maar die vallen niet één op één samen. Zo vormt Brussel wel een gewest, maar geen taalgemeenschap, en is de Duitse taalgemeenschap geen gewest, maar valt het onder gewest Wallonië.

Oost-België heeft dan wel weer een eigen regering met beperkte bevoegdheden, een eigen parlement en eigen politieke partijen, die dan wel weer gelieerd zijn aan Waalse partijen. Het politieke leven in België lijkt me sowieso al knap ingewikkeld, en dat in Ostbelgien nog ingewikkelder dan elders…

Het station van Eupen ziet slechts eens per uur een trein, die er een stijf half uur blijft staan alvorens de terugtocht naar de Vlaamse kust re aanvaarden. De laatste trein uit Oostende rolt hier al om 21:42 binnen, maar vertrekt om 22:21 nog wel voor de retourrit helemaal naar Oostende, waar hij in het holst van de nacht aankomt.

Ik ga de op een heuvel gelegen stad bekijken, een plaats die heel plezierig aandoet en waar vandaag iedereen op terrasjes geniet van de eerste warme dag van het jaar. Eerst loop ik langs het busstation van de Waalse streekvervoerder TEC, en daarna langs het Stadhuis, waar een trouwfeestje aan de gang is.







Even later passeer ik de Sankt-Nikolauskerk uit de 18e eeuw, met een zonnewijzer aan de gevel. In tegenstelling tot die in Genk, doet deze het wel. De schaduw van de bol boven ‘INRI’ valt, wat moeilijk te zien op de foto, op halftwaalf. Dat klopt niet, want het is al halfeen, maar het is ook zomertijd, dus het klopt toch.


Op de bovenste rij 2 doorkijkjes naar het zuiden, en daarmee in de richting van de Belgische Eifel. 2e van links op de benedenste rij de Werthplatz waar ik uiteindelijk zal belanden. ‘D’r Kloon Et te‘ke van d‘r Öüpener Fastoovend’, staat toegelicht bij het beeld van de clown, ofwel: de clown is het symbool van het Eupener carnaval. Een steegje heet Fränzel, een koosnaampje voor iemand die Franz heet.


De regeringsgebouwen van de Duitse taalgemeenschap; links de regeringszetel en rechts het ministerie. Het parlement bevindt zich aan de rand van de stad.

Een vervreemdend stukje wereld is deze stad. Alles ademt hier Duitsland: de huizen, de reclames in winkels, de straatnaamborden, de taal die de autochtonen spreken, het feit dat op zaterdagmiddag vrijwel alle winkels dicht zijn. Toch ligt het in België. Dat zie je dan weer aan de aanwezigheid van een Colruyt en een Delhaize, hoe Belgisch wil je het hebben?

Ik neem veel zitpauzes, vandaag. Het is warm, ik ben 67 en mijn voeten vermoorden me, na elke dag 4 à 5 uur lopen. Zo zijg ik, als de zon net over zijn hoogtepunt heen is aan de hemel, neer op een bankje op een plein, bij een in de schaduw liggend, en daardoor moeilijk fotografeerbaar monument. Het plein heet: Werthplein. Waarom hier niet een halfuur gezeten? De trein van 14:17 haal ik toch niet meer.

Het Eupen Plaza Shopping Center aan het plein is donker en ook potdicht. Op het plein is een groepje mensen - hoe zeg je dat netjes - met een cognitieve beperking neergestreken, die mogelijkerwijze een dagje uit zijn met de stichting. Ze spelen een luidruchtig spel waarbij voortdurend keihard ‘EINS, ZWEI, DREI, PIANO’ gebruld wordt. Het echoot tegen de gebouwen aan het plein.

Ik doe het ook even piano-aan. Mijn gedachten dobberen een eind weg. Piano. De eerste en tot nu toe enige keer dat ik in Rome was, die keer met de school, zag ik op alle gebouwen dingen staan als 5. Piano, 3. Piano. Ik vroeg me af, waarom etablissementen prat gingen op het aantal piano’s dat men bezat. Je kunt er per slot van rekening maar op één tegelijk spelen.

Pas later tijdens die studiereis kreeg ik in het snotje dat bordjes ‘piano’ in Italië verwijzen naar een etage in een gebouw, en het muziekinstrument dat wij piano noemen, daar ‘pianoforte’ heet. Zelfs de dubbeldeks stadsbussen hadden een piano. Je mocht je niet staande laten vervoeren op de bovenste ‘piano’. Voor lange Nederlanders was dat ook onmogelijk; die piano was hooguit 1.50 meter hoog.

‘EINS, ZWEI, DREI, PIANO.’ Wij hadden ook zo'n spel, vroeger. Poffen, heette dat. Hoe ging dat ook alweer? EEN, TWEE, DRIE, POFFO! Exact op het commando POFFO legden alle deelnemers, het waren er altijd 3, tegelijkertijd de hand op de knie, ofwel met de handpalm, ofwel de rug van hun hand naar boven. Wie de enige afwijkende was (palm, tegen 2 ruggen, of vice versa), was hem dan met bussietrappen.

Toonden alle 3 deelnemers hun handpalm of juist alle drie de rug van hun hand, dan was het poffen onbeslist; dan moest het opnieuw.

‘EEN, TWEE, DRIE, ROTMOF’, zeiden we ook wel. Een buurjongen met nogal principiële opvattingen vond dat niet kúnnen. Meer dan 20 jaar na de oorlog moest het maar eens afgelopen zijn met de haat tegen het Duitse volk, waarmee onze ouders ons geïndoctrineerd hadden. Ik vond het wat overtrokken, zijn zusje vond het ‘achterlijk’, maar nu vind ik bij nader inzien eigenlijk wel dat hij gelijk had. Inzicht komt bij de een wat vroeger dan bij de ander.

Zouden ze zich in Ostbelgien nou wel Belgen voelen, of eigenlijk stiekem Duitsers? En voor wie zijn ze straks met het EK Voetbal? Voor de Mannschaft of voor de Rode Duivels?

Er is hier, behalve die PIANO-roepers, niemand in de buurt om het aan te vragen. Volgens de website van de Duitstalige gemeenschap zijn de streekbewoners zeer gehecht aan de Duitse taal en cultuur, maar ook aan het Belgische koningshuis en de Vlaamse en Waalse relaxtheid. Met de nabijheid van Luxemburg zijn ze ook erg ingenomen. En zelfs voelen ze zich ergens nog verwant met ons, Nederlanders, hoewel we de stad 2 keer platgebrand hebben.

Er worden hier veel dialecten gesproken, beïnvloed door Duits, Vlaams, Ripuarisch, Waals en Luxemburgs. Daaronder ‘Platdiets’, een Limburgs dialect.

Nu maar eens op pad naar het station. Het is nog wel een klein halfuur lopen. Gelukkig heeft die rustpauze me goed gedaan en ik heb er nu weer de pas in alsof de dag pas begonnen is. En ik heb goed opgelet, vandaag. Ik weet nu de kortste weg: door dat ene straatje de binnenstad uit, langs de Sankt-Nikolauskerk met de zonnewijzer, dan bij het gemeentehuis rechtsaf en verder immer geradeaus.

‘Oh jee!’, hoor ik de trouwe lezer verzuchten, ‘dat wordt weer verdwalen!’ Maar nee hoor, niks ‘Oh, jee!’ Na een minuut of 25 komt werkelijk het station in zicht. Het valt me zelf alleszins mee; zo maar de weg gevonden in een wildvreemde stad, zonder iedere hectometer op mijn telefoon te hoeven kijken. Een gevoel van triomf vervult me. 

Ik ben zelfs nog vroeg genoeg om wat rond te kijken in de stationsomgeving. Daar heb je net zo’n overdekte winkelgalerij als daarnet, ook hermetisch gesloten. Hij heet: Eupen Plaza Shopping Center.

Heette dat winkelcentrum bij dat pleintje ook niet zo? Zijn er dan 2 van? Of is er maar één winkelgalerij, die 1500 meter lang is? Wel erg ambitieus voor zo’n klein stadje. Of…?

Als ik in de trein een blik op de plattegrond werp, wordt het vermoeden bevestigd dat bij me begon te rijzen. De Werthplatz waar ik zat, ligt op hooguit 250 meter van het station, maar mijn ‘kortste weg’ was een enorme U-bocht van bijna 2 km lengte. En ik had ook niet in de gaten dat dat steegje met bijna mijn naam erop een vingerwijzing was; als ik daar doorheen was gelopen, had ik een nog een dikke kilometer afgesneden.

Kreun!!

Van hier naar Luik voor de wandeling langs de tramlijn in aanleg die in deel 1 al beschreven is. Dat is wel het beste voor dwaallichten als ik. Als je een trambaan volgt in een stad met maar één tramlijn, kun je onmogelijk verdwalen. En dat is dan ook niet gebeurd.



Rijmpjes

5 dagen lang dit soort flauwe kleuterrijmpjes gelezen, in alle Belgische treinen die ik genomen heb. Ik vraag me af of dit soort teksten nou werkelijk de gewenste braafheid bij de reiziger bewerkstelligen. Is daar ooit onderzoek naar gedaan? En zo nee, waarom hangt men die dingen dan op? Je hebt ze vanzelfsprekend ook in het Frans. Die klinken een stuk beter. Maar dat zal liggen aan mijn gebrekkige kennis van die taal.


Busleyden tot slot

Op zondag maak ik een morgenwandeling naar de Brusselpoort, die ik nog niet op de foto had. De zon schijnt overvloedig. Het is al de 2e dag in successie dat de zon schijnt in de Lage Landen. Enkele Nederlanders op Twitter (Vlamingen zijn zo niet, volgens mij) zien dat als voorbode van de klimaat-Apocalyps die nu echt niet meer te vermijden is: zomaar 2 zonnige dagen in april!

Even verontrust waren ze het afgelopen halfjaar, omdat het maar bleef regenen, en een jaar geleden, omdat we toen een Grote Droogte hadden. Ik zou zeggen: geniet van die paar mooie dagen, want het wordt heus wel weer een keer kutweer. ‘Mach es wie die Sonnenuhr: zähl die heitren Stunden nur!’, zoals de Duitstaligen zeggen; doe als de zonnewijzer en tel alleen de heldere uren.

Na deze zonovergoten wandeling bezoek ik Museum Hof van Busleyden, de voormalige woning van Jeroen van Busleyden.

Het is een stadspaleis uit het begin van de 16e eeuw, de tijd dat Mechelen de hoofdstad was van de toen onder Bourgondisch bewind staande Nederlanden. Margaretha van Oostenrijk had er haar paleis, het Hof van Savoye (waar ik diverse malen ben langsgekomen op weg naar station Nekkerspoel, maar dat toch niet op mijn foto’s staat). Zij was regentes voor de toekomstige keizer Karel V die nog minderjarig was.

Hiëronymus van Busleyden (ca. 1470- 1517) – voor vrienden en voor de Wikipedia Jeroen - was lid van de Hoge Raad, de hoogste rechtbank van het Bourgondische Rijk. Hij was afkomstig uit Luxemburg. In zijn Hof hield hij banketten met geleerden als Erasmus en Thomas Morus. Verder sponsorde hij kunstenaars en was bevorderaar van de wetenschappen.

De Hof van Busleyden is in WO I afgebrand en daarna weer opgebouwd. In de jaren 10 van deze eeuw vond een grootscheepse renovatie plaats.


Hof van Savoye
Foto: Paul Hermans – overgenomen van Wikipedia Hof van Savoye




Jeroen van Busleyden, portret van onbekende meester
Foto: Roel Danen, overgenomen van Wikipedia, Jeroen van Busleyden

Ik weet niet precies waarom het museum me niet erg kan bekoren. Misschien te veel heiligenbeelden, te veel crucifixen te veel martelaren. En de schokkende videopresentatie waarvoor gewaarschuwd wordt, valt me ook tegen. Meestal zijn dat de interessantste zalen in een museum, die waarop tedere zielen zachtjes voorbereid worden in de zaal ervóór. Maar ik weet nu ik dit schrijf, niet eens meer waarover die video ging, dus zo verschrikkelijk schokkend zal hij wel niet geweest zijn.

Een paar zaken die me wél troffen.

Inname van Mechelen door de geuzen. Deze ‘Engelse Furie’ vond plaats in1580 en er waren naast Engelse, ook Schotse en Hollandse troepen bij betrokken. Ook voor het laatste mijn nederige, ontzaglijke excuses! Ja, je kunt inderdaad wel aan de gang blijven met ‘Sorry, hoor!’ Dat zei ik gisteren in Eupen al.

Het schilderij is een eeuw na dato vervaardigd door een onbekende kunstenaar – al zal hij in zijn eigen tijd wel bekend geweest zijn, anders had Mechelen hem die opdracht niet gegund.

Linksboven op de foto: 2 fraaie, elkaar vasthoudende handen van Mechels albast. Dat materiaal is zachter dan marmer, en dus gemakkelijker te bewerken. Dat gebeurde door ambachtslieden die ‘cleynstekers’ genoemd werden, mensen voor het meer verfijnde werk.

En de overige 3 foto’s zijn van een presentatie, getiteld: ‘Mechelaars in de marge’. Het gaat om de verdrukten van de maatschappij, arme drommels, scharrelaars, zieken. Die arme luyden konden zich nooit laten portretteren, en zijn dus ook maar zelden te zien op schilderijen in musea. Ze waren afhankelijk van aalmoezen van burgers en van de kerk. Hier zijn ze uitgebeeld in silhouetten van staal.

Ik laat er 4 de revue passeren, niet in de laatste plaats om te linken naar stukken over de literatuur uit de Gouden Eeuw die ik ooit geschreven heb.

4: Pestlijders, verzorgd in een klooster van de ‘Zwartzusters’, Zwarte zusters dus voor de Zwarte Dood. We zien 2 grafzerken en een pestdokter, compleet met een snavel en een stok. Uit de orde der Zwartzusters kwamen uiteindelijk ziekenhuizen voort.

6: Bedelaars (over wie Constantijn Huygens wijze en ook sympathieke dingen heeft gezegd in ‘Zedeprinten’), mochten hun beroep in Mechelen niet uitoefenen in het kerkportaal. Deze bedelaar houdt zijn kromme hand dan ook netjes op op enige afstand daarvan. De afgebeelde kerkgangster is niemand minder dan Margaretha van Oostenrijk.

8:  Beulen (voor wie Huygens het ook opnam), verkeerden niet zozeer in de marge waaraan deze silhouetten gewijd zijn. Wel zorgden ze er zo nu en dan juist voor dat een marginaal mens de Aarde verliet. Maar falen werd hen niet vergeven. Deze beul was tijdens een executie zo dronken, dat hij er niet in slaagde, de veroordeelde met één slag van zijn zwaard naar de andere wereld te helpen. Hij werd door een woedende menigte gelyncht.

9: Syfilislijders. Niet op de foto, maar wel in een hoofdstuk op mijn Huygens-site. Hier past een waarschuwing. Die pagina bevat een afbeelding die als schokkend ervaren zou kunnen worden. Snel klikken, dus!

Over Bus-leyden gesproken: ik reis straks spoorslags naar Leiden, en pak daar de bus naar huis. Einde van dit tweeluik uit België!

Frans ‘Fränzel’ Mensonides
5 mei 2024
Er geweest: 3 t/m 7 april



© Frans Mensonides, Leiden, 2024