1. Inleiding

1.1 Waarom dit werkstuk?

Van alle bolgewassen die bloeien op de geestgronden, heeft de tulp gedurende de afgelopen vier eeuwen de meest indrukwekkende bijdrage geleverd aan de naam en faam van Nederland als exportland van bloemenpracht. De tulp groeide uit tot nationaal symbool, hoewel weinig Nederlanders zich ervan bewust zijn dat deze bloem van buitenlandse origine is, en zijn oorsprong vond in grimmige bergstreken.

Even weinig Nederlanders weten dat het land ooit een (overigens snel voorbijgaande) crisis heeft beleefd rond de tulp. In de winter van 1636 / 1637 kwam de speculatie in tulpenbollen, die al gedurende enkele jaren gewoed had in de steden van Holland, tot een hoogtepunt en vond onmiddellijk daarna een roemloos einde in een “krach”. Door een abrupte daling van de tulpenprijzen verloren duizenden speculanten hun illusies op snelle rijkdom, en raakte een gedeelte van hen in ernstige financiële moeilijkheden.

Holland – dat in die dagen ook geteisterd werd door een epidemie van builenpest - beleefde een angstige en rumoerige winter. Notarissen en rechtbanken werden overspoeld door gewezen tulpenhandelaren die de conflicten over hun zonderlinge handelspraktijken wilden beslechten; bloemenspeculanten werden in de straten van Holland uitgejouwd en nagezongen met spotliedjes; de overheid verkeerde in verwarring en slaagde er nauwelijks in, deze ongekende windhandel op een acceptabele wijze af te wikkelen.

Uiteindelijk viel de schade mee; slechts een zeer gering percentage van de handelaars bleek zich door toedoen van de tulp geruïneerd te hebben. Noch de economie van de Republiek der Verenigde Nederlanden.1 noch de bloembollenhandel heeft blijvende schade geleden als gevolg van de tulpenkrach.

Deze bizarre en wat beschamende episode in de vaderlandse geschiedenis lijkt in het buitenland bekender dan bij ons. Gedurende de laatste jaren is er veel over gepubliceerd, vooral door Engelse en Amerikaanse economen, die een vergelijking trokken met de hausse op de Nasdeq-beurs van 1999 en de koersval van de aandelen World on line in 2000. De Hollandse tulpenhype uit de Gouden Eeuw inspireerde verder Deborah Moggach tot een pakkende historische avonturen- en liefdesroman, Tulip fever, die door niemand minder dan Steven Spielberg verfilmd werd.

In Nederland zelf bleef het vrij rustig; de op papier herlevende tulipomania bracht in ons land slechts één belangrijke nieuwe publicatie voort, het uitvoerige artikel Botanisch klatergoud. Opkomst en ondergang van de tulp als beleggingsobject van Henk Looijesteijn. Hèt standaardwerk over de tulpenwindhandel, Bloemenspeculatie in Nederland van E.H. Krelage, is inmiddels al meer dan 60 jaar oud.

In 1636 en 1637 bracht de tulp in Holland meer pennen in beweging. In ongeveer een half jaar tijd verschenen over de tulpenkwestie ruim 40 pamfletten, waarin soms op bezadigde, maar vaker op zeer felle toon een standpunt werd verkondigd pro of contra de ‘floristen’, de tulpenspeculanten. Deze contemporaine documenten vormen een belangrijke bron voor historische onderzoekers; afgezien van deze pamfletten bestaat hun materiaal slechts uit een verzameling notariële akten en overheidsbesluiten, bijeengebracht door de econoom-historicus N.W. Posthumus,2 en een enkele losse opmerking van een kroniekschrijver.

De tulpenpamfletten zijn in de eerste helft van de 20ste eeuw heruitgegeven door Posthumus en de bollenkwekers A. van Damme en E.H. Krelage. Deze (amateur)onderzoekers hadden meer aandacht voor de historische aspecten dan de literaire, en hebben de pamfletten slechts voorzien van een summiere inleiding. Ook de annotatie van de soms gecompliceerde vroegmoderne teksten was minimaal, en ontbrak soms zelfs geheel. Zo meende Krelage voor een tekstcorpus van bijna 250 pagina’s te kunnen volstaan met 2 pagina’s tekstverklaring.3

Door neerlandici (in spe) zijn de pamfletten over de tulipomania, voor zover mij bekend, nog nooit aan een systematisch onderzoek onderworpen, met uitzondering dan van Mandament (Kr. 2), waarvan B. Thijs en I. Weekhout in 1993 een geannoteerde hertaling hebben laten verschijnen.4

In dit werkstuk zal ik de tulpenpamfletten behandelen vanuit literatuurhistorisch perspectief. Daarbij ga ik uit van de visie op het pamflet die centraal staat in het project Literatuur met effect: Nederlandse pamfletten (ca. 1600-1750) dat momenteel wordt uitgevoerd aan de Universiteit Utrecht.5 Een pamflet wordt in deze visie beschouwd als een persuasief document; met andere woorden: het heeft tot doel, de lezer over te halen tot een bepaalde zienswijze. Daarbij kan de schrijver een heel scala aan literaire en retorische middelen inzetten. Letterlijk alles kan dienen als middel om deze zienswijze over het voetlicht te brengen: de vorm, de stijl, de betoogtrant, de personages, de wijze waarop de auteur zich presenteert, de manier waarop hij het publiek aanspreekt, de illustraties, de stijlfiguren, de argumentatietechnieken. De pamflet-onderzoeker staat voor de taak, te achterhalen welke standpunten het pamflet uitdraagt, en met welke middelen de lezer verleid wordt, deze standpunten over te nemen.

Dit werkstuk zal voorzien in een heruitgave van acht complete tulpenpamfletten (waarvan de lezer de twee kortste, Tulpa-lof en Prophetye, al geconsumeerd heeft) en drie gedichten uit het zeer uitvoerige pamflet Tooneel van Flora (Kr. 36). Al deze heruitgaven worden voorzien van een inleiding en een uitgebreide annotatie die de pamfletten begrijpelijk moeten maken voor iemand die geen of weinig ervaring heeft in het lezen van teksten in vroegmodern Nederlands.

De indeling van het werkstuk is als volgt. Hoofdstuk 2 bevat een overzicht van de belangrijkste historische feiten over de tulpenspeculatie. In hoofdstuk 3 zal ik de tulpenpamfletten bij de lezer introduceren. Deze zijn door Krelage ingedeeld in drie groepen (en door mij in vier); van alle groepen zal ik een korte karakteristiek geven. Ook bevat dit hoofdstuk een bespreking van de herdrukken die in de loop der eeuwen verschenen zijn.

Hoofdstuk 4 gaat in op de eerste groep pamfletten, nl. de pamfletten die verschenen zijn vóór de ineenstorting van de tulpenhandel in de eerste week van februari 1637. Ik zal de standpunten analyseren die in deze pamfletten worden ingenomen, en tevens vier veelvoorkomende motieven bespreken, nl. de tulp, de bloemen- en hoerengodin Flora, de bloem van Saron (Hooglied 2:1) en de zotskap. Dit hoofdstuk bevat tevens de heruitgaven van de pamfletten Clare ontdecking der dwaesheydt (Kr. 1), Klaegh-Lied (Kr. 10) en Geschockeerde Blom-Cap (Kr. 14).

Hoofdstuk 5 behandelt de tweede groep pamfletten, die geschreven zijn na de instorting van de tulpenhandel, maar vóór het akkoord van 24 februari 1637, dat een poging van de floristen inhield, hun omstreden en ineengestorte bedrijfstak te saneren. Als voorbeeld van een pamflet uit deze groep wordt het Buyre Praetje (Kr. 20) heruitgegeven.

Hoofdstuk 6 is gewijd aan de drie dialogen van Waermondt en Gaergoedt (Kr. 16, 26 en 44). In dit hoofdstuk is ook aandacht voor de positie van de vrouw in de tulpenpamfletten.

In hoofdstuk 7 ten slotte, komt de derde groep aan de orde, de pamfletten die geschreven zijn na het akkoord van 24 februari 1637. Gedurende de maanden daarna heerste een felle polemiek over de sanering van de tulpenhandel en de rechtsgeldigheid van de afgesloten koopcontracten. Dit hoofdstuk bevat een complete heruitgave van Dood-Rolle ende Groef-maal (Kr. 27) en De verstoorde, en noyt gestorven Flora (Kr. 39), en een beperkte bloemlezing van drie gedichten uit Tooneel van Flora (Kr. 36).

Bij de samenstelling van wat met recht een ‘bloem’lezing mag heten, heb ik me laten leiden door de wens, een zo goed mogelijke indruk te geven van de verscheidenheid die het corpus tulpenpamfletten kent qua vorm, toonzetting en standpunten pro of contra de tulpenwindhandel. Om die reden heb ik enkele scheldverzen, die een weinig diepgaande analyse vergen, wèl opgenomen, en noodgedwongen een aantal boeiende, genuanceerde, gecompliceerde en fraaie dichtwerken laten liggen voor een ander die zich er in wil verdiepen.

Voor de heruitgaven van de pamfletten heb ik gebruik gemaakt van de eerste druk of, indien die niet is overgeleverd, van de oudste beschikbare herdruk. Daarbij heb ik afgezien van het omstreden herspellen, waarvoor geen sluitende regels te bedenken zijn waarover iedere deskundige het eens is. Ik heb deze teksten daarom nauwkeurig naar de bron getranscribeerd, volgens regels die opgesomd staan in de volgende paragraaf.

Citaten uit de overige pamfletten heb ik ontleend aan de heruitgaven van Posthumus6 en Krelage.7

Bij het aanhalen van pamfletten gebruik ik een verkorte titel, waarachter tussen haakjes de aanduiding ‘Kr.’ vermeld staat, gevolgd door het nummer van het pamflet in de catalogus van Krelage.8 In de literatuuropgave achter in dit werkstuk staan de pamfletten met hun volledige titels opgesomd in volgorde van catalogusnummer.

Uit de verzameling pamfletten heb ik er enkele buiten beschouwing gelaten. In de eerste plaats drie bekendmakingen zonder literaire intentie of waarde: Lijste van eenighe Tulpaen, verkocht aen de meest-biedende, op den 5. february 1637… tot Alckmaer (Kr. 15), Copye van een notoriael accoordt, ghemaeckt tusschen de Gecommitteerde der Floristen van verscheyde steden (Kr. 25) en Copye. De Staten van Hollandt ende West-Vrieslandt, 27 april 1637 (Kr. 43). In de tweede plaats het later in 1637 verschenen Ghesanck-boecxken van de Blommisten ende van de liefhebbers van Flora, bij Pieter de Clopper, waaruit slechts vier liederen / gedichten betrekking hebben op de tulpenwindhandel (Kr. 35a, b, c en d). Krelage publiceerde die vier teksten wel, maar merkte m.i. terecht op9 dat deze gedichten / liederen niets toevoegen aan de discussie over de tulpenkwestie, en bovendien zeer slecht geschreven zijn (en nogal warrig, naar mijn oordeel).

 

1.2 Conventies transcriberen en annoteren

Bij het transcriberen van de originele teksten heb ik de volgende conventies in acht genomen:

Lettertype:

Gotisch schrift wordt weergegeven als romein
Romeins schrift binnen Gotisch wordt weergegeven als cursief
Cursief schrift binnen romein wordt weergegeven als romein.
Waar dat leidt tot tegenstrijdigheden heb ik tussen vierkante haken opheldering gegeven.

  

Lettertekens:

Stok-s (die lijkt op f) wordt weergegeven als gewone s
w blijft w; ook als de w staat voor een uu of uy (‘wt’)
VV (die staat voor een W) blijft VV
v blijft v; ook als de v staat voor een u
I blijft I, ook als de I staat voor een J (‘FLOORTIE’)
KAPITAAL blijft KAPITAAL (dit geldt zowel voor geheel in kapitaal weergegeven teksten, als voor woorden die beginnen met een hoofdletter)
Initiaal of sierletter wordt vet weergegeven
Abbreviaturen worden voluit geschreven met vierkante haken: eñ --> en[de]

 

Leestekens :

Duitse komma (/)wordt weergegeven als gewone komma (,)
Dubbele Duitse komma ter aanduiding van dubbel- of cesuurrijm (//)wordt weergegeven als dubbele komma (,,)
Spatie vóór (Duitse) komma, puntkomma, dubbele punt of punt: wordt niet weergegeven
Bij ontbrekende spatie ná komma, puntkomma, dubbele punt of punt wordt de spatie na het leesteken wel weergegeven
Aaneengeschreven woorden, (al dan niet met apostrof) blijven aaneengeschreven (‘datmen’, ‘’twelck’, ‘soo’t’)
Te lange versregel, afgebroken met vierkant haakje, wordt voluit geschreven op dezelfde regel


Interliniëring en paginering :

Witregel blijft gehandhaafd
Begin van nieuwe pagina wordt vermeld tussen vierkante haken
Drukkersaanwijzingen onder aan de pagina worden weggelaten
Beginwoord van volgende pagina onder aan pagina wordt weggelaten Inspringen wordt niet weergegeven bij inspringende rijmparen. In overige gevallen wordt het inspringen wel weergegeven.
Titels van pamfletten worden weergegeven zonder “harde returns” en zonder inspringen, ongeacht hoe zij op het origineel over de pagina verdeeld zijn
Op iedere pagina herhaalde kopregel wordt weggelaten
Nummers / letters van randnoten, en verwijzingen daarnaar in de tekst worden vet weergegeven
Randnoten komen helemaal onderaan de tekst, en zijn door een witregel van elkaar gescheiden, hoe ze ook op het origineel geplaatst zijn.

 

Bij het annoteren gelden de volgende conventies:

Woorden en zinswendingen die in de annotaties verklaard worden, zijn in de originele tekst onderstreept.
Bij annotaties die betrekking hebben op een tekstfragment, langer dan 2 regels, staat in de marge een * vermeld.
Citaten (te verklaren woorden / zinsdelen) uit de oorspronkelijke tekst zijn altijd weergegeven in cursief, hoe ze in de linkerkolom ook staan weergegeven. Citaten zijn letterlijk weergegeven, eventueel afgekort met ‘…’
Hertalingen en nader commentaar: weergegeven in romein.
Als er twee passende hertalingen gegeven zijn, zijn die gescheiden door een puntkomma (neringh: bestaansmiddelen; ambacht). Soms is de eerste hertaling dan een letterlijke, en de tweede een vrijere.
Nader commentaar staat tussen haakjes.

Naar regelnummers (door mij in de teksten aangebracht) wordt verwezen met ‘r.’; naar nummers van coupletten met ‘c.’.


© 2004 Frans Mensonides, Leiden

 

 

 

 

 

 

 

 

1 Verder te noemen: de Republiek

2 Posthumus (1927) en (1934)

3 Krelage (1942b:303-304)

4 Thijs en Weekhout (1993)

5 Meijer Drees (2001) en (2004)

6 Posthumus (1926)

7 Krelage (1942b)

8 Krelage (1942b:306-320)

9 Krelage (1942b:51-53)