Beminde zaterdag (34)
Augustus 2020 - 



Schapedrift, Ermelo

< < < < < Deel 33 al gelezen?


‘Beminde zaterdag’ is een rubriek over treinreizen op die dag met mijn Weekend Vrij. De titel is ontleend aan een dichtregel van Constantijn Huygens die ook heel de week naar het vrije weekend liep te verlangen. Deze reeks is geïntroduceerd in deel 1. Het overzicht van alle tot dusverre verschenen afleveringen vind je in het archief van mijn Thuispagina.


 

Recirculeren - Ouderwetse zaterdagErmelose heide: Schapedrift en Romeins marskamp - 1e klas‘Afstappen! Niet fietsen! Ga van die fiets af! Dat lijkt nergens naar!’ (Intermezzo of eindtermezzo)



Recirculeren

De vorige aflevering was dank zij corona een heel rare: hij beslaat 5 maanden, maart t/m juli 2020, maar hij gaat alleen maar over de eerste zaterdag van maart en de laatste van juli.

Of het met deze augustusaflevering anders zal gaan, is maar zeer de vraag. De eerste zaterdag van de maand bracht me in ieder geval naar de heide van Ermelo.

Maar op de tweede zaterdag heb ik inmiddels alweer afgezien van reizen per trein. NS gaf via een loslippige medewerker – inmiddels ontslagen, vermoed ik - op Twitter toe dat de airco van de treinen zeker tijdens hittegolven functioneert door het rondpompen van bedorven lucht en daarmee virussen. Recirculatie in plaats van ventilatie; behalve van de virologische vaktermen, moet je tegenwoordig ook op de hoogte zijn van die in het airco-wezen.

Enfin: op zaterdag 1 augustus nog fietsen op de Veluwe. Daar ben ik al veel te lang naar mijn zin niet meer geweest, en corona kan me deze zaterdag dan in ieder geval niet meer afnemen.

Als ik ook nog even wat ouwe meuk mag recirculeren: in 2014 / 2015 schreef ik een tetralogie over mijn Veluwe-beleving (deel 1: Zomer op de Veluwe, deel 2: Herfst op de Veluwe, deel 3: Winter op de Veluwe en deel 4, je voorspelt het al: Lente, eveneens op de Veluwe).

In de 60’s en begin jaren 70 brachten wij vrijwel al onze zomervakanties door in Putten. De  25 jaar daarna kwam ik vrijwel nooit meer in deze toch prettig dicht bij de Randstad gelegen landstreek. Maar na de eeuwwisseling dreven nostalgische gevoelens me er opnieuw heen. Ik wil er nu minstens in elk seizoen een dag doorbrengen. Maar de laatste keer was zaterdag 30 november 2019, een dagje Nunspeet, 8 maanden geleden alweer.

 


Ouderwetse zaterdag






Amersfoort Schothorst

Werkzaamheden dit weekend rond de stations Amersfoort Centraal en Zwolle. De eerste werkzaamheid (?, is ‘werkzaamheden’ eigenlijk geen plurale tantum?) heeft tot gevolg dat de Sprinters Utrecht Centraal – Zwolle vandaag rijden volgens een gewijzigde dienstregeling. Ze vetrekken 13 minuten eerder dan normaal uit Utrecht en blijven nu op station Amersfoort Schothorst 13 minuten stilstaan.

Door dat eerdere vertrek kan ik hem op Utrecht Centraal onmogelijk meer halen vanuit de IC uit Leiden. Nog wel zou ik cross-platform kunnen overstappen op de IC naar Amersfoort, en hem zo nog achterhalen. Maar door oponthoud op Bodegraven arriveert mijn IC een fractie van een seconde te laat, en zie ik hem wegrijden.

Nou, het is meteen alweer een ouderwetse zaterdag!

Ook het huren van een OV-fiets gaat in Ermelo niet zonder slag of stoot. Er staan daar twee rijen van elk 4 kluizen. De kluis die voor me openspringt, bevat een fiets die er door de vorige berijder met zoveel kracht, haast en/of woede is ingesmeten, dat ik hem er niet meer uitkrijg. De ijzeren klampen in het hok zitten helemaal in de knoop met de fietsspaken; hoe krijgt iemand het voor elkaar! Ik dacht, dat IK een kluns was. In pogingen om de fiets los te rukken, verdwijn ik helemaal in die donkere, bedompte kluis. Ik hoop dat er niet iemand langsloopt die denkt: hee, dat hok staat open!, en hem dichtgooit.

Geen beginnen aan. Gelukkig kan ik nog wel een fiets plukken uit het andere rijtje van 4 kluizen. Maar ik ga dit wel even melden bij het telefoonnummer dat vermeld staat. Als niemand dat doet, en iedereen denkt: een ander doet het wel, dan staat die fiets met sinterklaas nog steeds klem. Ik druk het nummer, maar krijg een melding dat het niet meer in gebruik is. Nou kan ik er verder ook niets meer aan doen.

In juni had ik ook al zo’n akkefietje. Dat was bij station De Vink, de laatste keer dat ik een OV-fiets gehuurd heb voor tochtjes in Leiden en omstreken. Ik wilde de fiets daar terugbezorgen, maar alle 4 de kluizen waren bezet. Ik wist zeker dat ik hem ook bij De Vink gehaald had. Iemand anders heeft daar dus een fiets van elders in een hok gepropt. Dat zou eigenlijk niet moeten kunnen. De software zou dan toch een foutmelding moeten geven?

Ik bellen met het noodnummer, waar die middag wel werd opgenomen. De vrouw die ik aan de lijn kreeg, snapte ook niet hoe het kwam. Ik bood aan, die fiets even naar Leiden Centraal te rijden, maar dat was tegen de statuten en huishoudelijke reglementen, of zoiets. Of ik de fiets aan de ketting wilde leggen en op slot wilde zetten, en de sleutel dan wilde opsturen.

Met de lankmoedigheid die me eigen is, deed ik het maar; gedoe allemaal, terwijl ík het probleem niet veroorzaakt had. Een week later reed ik langs De Vink met mijn nieuwe elektrische fiets, en daar stond die OV-fiets nog steeds vastgeketend zoals ik hem had achtergelaten. Nog een paar dagen later kreeg ik de bevestiging van NS dat de sleutel in goede orde ontvangen was. De post heeft ook wel eens vlotter gewerkt in dit land.

Oh ja, dat mondkapje, of wassen-neusmasker zoals ik het vorige week uitdrukte, kan nu wel af. Voorzichtig, anders gooi ik mijn gehoorapparaat tegelijk ermee weg. Dat is me al een keer bijna overkomen, en dan wordt het vandaag wel een heel kostbaar dagje. De meeste mensen rukken hun masker af zodra hun voeten de trein verlaten hebben. Sommigen flikkeren het dan uit pure drift in de struiken in plaats van in de prullenbak.

 


 

Ermelose heide: Schapedrift en Romeins marskamp

 

Links: de wal van het marskamp

Nou, de middag komt zo aardig om, al met al. Maar toch nog op weg naar de Ermelose heide, 5 kilometer ten zuidoosten van het station, in de buurt van het gehucht Drie. In onze Putten-jaren fietsten we er vaak langs, richting Staverden over de Postweg, die wat eeuwen eerder deel uitmaakte van een oude handels- en koeriersroute Utrecht – Zwolle.

Langs de Postweg is een schaapskooi gevestigd en een informatiecentrum annex café dat ook op een schaapskooi lijkt. Het geheel heet: Schapedrift. Het trekt 90.000 bezoekers per jaar, en is vooral in trek bij gezinnen met kinderen. Je kunt er boekjes kopen met wandelroutes over de Ermelose heide. Ik ga er vanmiddag een doen.


Het was er allemaal nog niet toen wij hier vakantie vierden. Als maatschappij-kritiese puber, aanhanger van de PSP (Pacifistisch Socalistische Partij), had ik er de pest over in, dat die mooie heide militair terrein was en verboden was voor burgers. Officieel is het nog steeds militair terrein, maar je mag er nu wel wandelen en fietsen, en daarbij vliegen de bommen en granaten je echt niet om de oren.

Wat ik niet wist, was dat deze heide 1800 jaar eerder ook al het terrein van militairen was geweest. Rond het jaar 170 heeft een Romeins legioen op mars hier een poosje gebivakkeerd; niet al te lang, een paar dagen hooguit.

Bij zo’n gelegenheid slaagden ze erin, binnen 3 uur tijd een compleet kamp op te richten voor een paarduizend man en honderden paarden. Dat ging allemaal met een bijna Duitse Gründlichkeit en discipline.

Verkenners reden te paard vooruit om een mooi, vlak plekje te zoeken van pakweg 10 hectaren. Als de hoofdmacht gearriveerd was, volgde er een gestroomlijnde militaire operatie volgens een beproefd draaiboek, waarbij iedereen zijn rol en taak kende. Er werd een gracht gegraven en met het vrijgekomen zand een wal opgericht. Daarop kwam een palissade met duizenden en duizenden houten palen.

Daarna kookten ze een potje met kruiden die daar in de streek groeiden en bloeiden, en dat nu nog steeds doen. Bijvoet, een plantje met een toepasselijke naam, stopten de soldaten in hun laarzen voor hun arme voeten. Ze werden dan iets minder moe tijdens hun dagmarsen van 20 mijl, met een uitrusting van 40 kilo of meer. Hun wonden verzorgden ze met duizendblad.

Na het eten sliepen ze in tenten; een peloton van 8 man per tent. Na een of meer dagen trok het leger weer verder, maar niet voordat ze het kamp helemaal afgebroken hadden; je laat dat natuurlijk niet achter voor de vijand. Brood mee voor onderweg, op de volgende dagmars; op het terrein van het Ermelose kamp zijn resten gevonden van brood’ovens’, kuilen in de grond.

Smullen voor archeologen, zo’n kamp! Maar voor de gewone wandelaar is er niet veel meer te zien dan de wal, ook nog doorsneden door een verkeersweg.

Voor de geschiedkundigen heeft dit kamp van 18½ eeuw geleden niet veel meer nagelaten dan raadselen. Wat deed dat enorme leger daar op de Veluwe, zo’n 30 Romeinse mijl voorbij hun limes (grens), de Rijn?

Het was onder keizer Marcus Aurelius (161-180) weliswaar een woelige tijd, met Germanen die nogal eens opstandig waren. Maar van de inboorlingen op deze plek zullen de Romeinen toch weinig te duchten gehad hebben. Er woonden op wat nu de Veluwe heet, nog minder mensen dan dat er soldaten zaten in dat zeer tijdelijke legerkamp.

Schriftelijke bronnen over de operatie zijn niet overgeleverd. Misschien was het maar een oefening. Ik moet aan opa denken, ook omdat hij er vaak bij was tijdens onze fietstochten op de Veluwe. ‘Oh, het zijn maar oefeningen’, was zijn commentaar op het kanongebulder in de nacht van 10 mei 1940.

Onderweg op de rondwandeling langs dit voor Nederland unieke Romeinse marskamp, zie ik diverse grafheuvels. De Veluwe telt er een paarduizend. Ook deze krijgen regelmatig bezoek van archeologen.

Hier zie je er een, midden op de foto. Je moet wel goed kijken om ze te spotten. Veelal steken ze niet meer dan een meter boven de heide uit. De oudste dateren van ca. 2900 v. Chr. Een fascinerende gedachte: toen de Romeinen erlangs marcheerden, lagen ze er al meer dan 3000 jaar. Aanvankelijk waren het eenpersoonsgraven. In later eeuwen, maar nog ver vóór de Romeinen, werden er urnen van meerdere personen bijgezet.

In de tijd dat we hier vakantie vierden, werd de stilte een paar maal per dag aan stukken gereten door een laag overvliegende militaire straaljager. Die hoor ik nu ook, maar heel zachtjes, en er koerst ook steeds een heel klein straaljagertje over me heen.

Een halve kilometer verderop laat een groepje mannen speelgoedvliegtuigjes vliegen met behulp van radiografische besturing. De godganse middag. Dat zou mij niet langer dan 5 minuten kunnen boeien. Maar ik zeg maar zo, een mens zijn lust is een mens zijn leven, zeg ik altijd maar.

Geen groots fotoweer, vandaag. Het is redelijk warm, maar nogal nevelig weer, met een atmosfeer die alle contrasten opslokt. Goed, thuis maar alles uit de kast trekken met Photoshop om er nog wat van te maken.

De schapen bij de schaapskooi zijn Veluwse heideschapen. Dat ras was in 1960 bijna uitgestorven maar floreert nu weer als vanouds, mede door zorgvuldig uitgekiende schema’s waarmee men rammen ooien laat bespringen. Het zijn schapen met een ongehoornde, onbewolde kop, en met een uiterst aaibaar voorkomen.

Kinderen kunnen er bijna niet afblijven. Als je een schaap hebt aangeraakt, moet je je handen ontsmetten. Was dat vóór corona ook al zo?

Over dat virus gesproken: binnen in het informatiecentrum zit een vrouw stoffen mondkapjes te naaien met een ouderwetse, degelijke Singernaaimasjien. Voor mensen, zo te zien aan de vorm; niet voor schapen.

Ik heb een tijd gehad dat ik op de Veluwe niet kon uitstaan dat er iets veranderd was sinds de jaren dat wij er onze zomers doorbrachten; bijvoorbeeld dat mensen smartfoons hadden en dat er laptops in de etalages lagen.

Vandaag kan ik in het geheugenreservaat uit mijn jeugd niet verdragen dat je ook hier overal corona-dingen ziet. Had ik dan gedacht, dat de Veluwe was overgeslagen? Nee, me dunkt, berichten uit Heerde en Nunspeet vertelden toch een ander verhaal. Dat was dan weer een andere schok: plaatsen waar ik niet lang geleden nog had rondgelopen, terug te zien in actualiteitenprogramma’s; ook Hasselt (Overijssel), waar ik een paar weken voor de lockdown nog was.



Terug naar Station Ermelo via Speuld, Drie, het Solsche Gat, Putten en Oud Groevenbeek. Voor wie niet wil navigeren op GPS, staan er op de Veluwe ook nog ouderwetse, analoge middelen ter beschikking.

In Nunspeet blijkt mijn pleisterplaats cafetaria Het Eiland, tegenover het station, de crisis overleefd te hebben en zelfs helemaal gerenoveerd en gereorganiseerd te zijn. Je doet je bestelling nu via een groot beeldscherm, waarop verleidelijke lekkernijen verschijnen. Klik ze maar aan! Daarna aangeven of je het bestelde wilt meenemen of ter plaatse consumeren. Betalen, en je krijgt een nummer dat dan weer verschijnt op een ander scherm, zodra je bestelling klaar is. Nee, het is op de Veluwe echt 2020, hoor!
 


Nunspeet


1e klas



Woekerprijzen op station Ermelo

Ik reis vandaag weer 1e klas. In de loop van de dag zit ik in 6 1e-klascoupés met in totaal 121 zitplaatsen. Ik tel de hele dag in totaal 8 medepassagiers die allen een mondkapje dragen. En geen conducteurs, wat me niet in het minst spijt.

De hele rit van Zwolle tot Leiden Centraal zit ik alleen in een 1e klascoupé met 13 stoelen. Wie zal mij besmetten? Misschien een superspreader die 100 meter verderop zijn aerosolen in de rondte zit te niezen.

Er zijn nog geen besmettingen geconstateerd in het OV. Die blijven ook keurig onder de radar. Van 70% van de besmettingen valt de oorzaak niet te achterhalen bij de contactonderzoeken door de GGD. Een patiënt weet misschien nog wel heel vaag met wie hij afgelopen zaterdag in een kroeg heeft staan te proosten en klinken. Maar niet wie er allemaal in de trein van 20:17 zaten, waar hij ook nog heeft ingezeten.

Voorlopig even geen OV meer.

Frans Mensonides
9 augustus 2020
Er geweest: zaterdag 1 augustus 2020


Romeinen langs de Rijn. Linksonder: schoolplaat van Isings; rechtsonder afgietsel van de zuil van Trajanus in Rome

De dag daarop doe ik in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden de tentoonstelling ‘Romeinen langs de Rijn’; ik maak er een Romeins weekend van. In hun legerplaatsen aan de Rijn leidden ze wel een luxe, tikje decadent leventje. Zo’n legerplaats was een soort dorp, waar ze leefden met hun vrouwen en kinderen. Ze hoefden er niet veel te doen en konden des te langer chillen met hun maten. Ze zullen niet erg happig geweest zijn om op mars te gaan. Dat maakt de Ermelose expeditie rond het jaar 170 des te raadselachtiger.

 


‘Afstappen! Niet fietsen! Ga van die fiets af! Dat lijkt nergens naar!’ (Intermezzo of eindtermezzo)

Bij gebrek aan zaterdagse avonturen op 8 augustus dan maar een intermezzo. Het heeft niets te maken met de zaterdag; de persoon waar dit hoofdstuk over gaat, zit er 7 dagen per week. Ik ken haar naam niet, en noem haar altijd voor mezelf: het verknipte vrouwtje van Leiden Centraal.

Ze is klein en schriel, loopt kromgebogen en draagt in elk seizoen en bij elke denkbare weersomstandigheid een mutsje. Ze heeft iets leeftijdsloos, maar als ik zou moeten schatten, zou ik haar een jaar of 70 geven.

Meestal zie ik haar aan het eind van de middag zitten op haar vaste plek, een bankje bij de busperrons en bij de onbewaakte fietsenstalling. Die stalling belichaamt haar levensdoel, of is haar frustratie nummer één, of allebei tegelijk; ik heb het haar nooit durven vragen.

Om de fietsenrekken te bereiken, moet een fietser voor die bankjes langs slalommen tussen de bussen en het wachtende publiek door. Ik heb in de jaargang van 1999 de ontwerpers van deze stationsomgeving wel uitgemaakt voor alles wat lelijk was. Een draak van een stationsplein, volkomen onlogisch en onhandig ingedeeld. Maar ik ben eraan gewend, een kwart mensenleven later.

Fietsen mag niet op dat stuk stationsplein, hetgeen overduidelijk staat aangegeven met een verbodsbord. Maar vrijwel iedere wielrijder negeert dat verbod. Uiteraard vooral degenen die nog een trein moeten halen; geen seconde te verliezen! Altijd haast. En ik, zelf sinds kort bekeerd tot het rijwiel, weet maar al te goed dat je liefst op je fiets blijft zitten als je er eenmaal op zit. Ik heb per slot van rekening geen fiets gekocht om ernaast te lopen.

Zodra zo’n illegaal fietsende fietser in het beeldvlak verschijnt van het verknipte vrouwtje van Leiden Centraal, krijst ze hem haar mantra toe: ‘Afstappen! Niet fietsen! Luisteren! Ga van die fiets af! Dat lijkt nergens naar!’ Dat heeft niet meer effect dan dat er zo nu en dan eens een fietser verbaasd omkijkt naar waar dat geschreeuw vandaan komt.

Zodra die gepasseerd is, priemen haar felle kraaloogjes alweer in de richting van de Stationsweg, of daar nog opnieuw voorwerpen van haar toorn aankomen.

In de middagspits zit ze er steevast, zoals gezegd. Maar ook wel op andere tijden van de dag. Aan het begin van de avond zie ik haar soms op moeilijke voeten waggelen naar een bus die verscheidene instellingen voor geestelijke gezondheidszorg op zijn route heeft.

Maar mijn conclusie, dat ze metterwoon in zo’n tehuis verblijft, bleek voorbarig. Ook hartje-lockdown was ze aanwezig op haar post, scheldend naar de weinige fietsers die hun vehikel toen nog bij het station wilden parkeren. Ze zal dus wel zelfstandig wonen, want in verpleeginrichtingen zaten de patiënten in die tijd opgehokt.

In de (onvoltooid verleden) tijd dat ik per trein naar mijn werk in Castricum moest reizen, zag en vooral hoorde ik haar ook ’s ochtends om kwart over acht al wel in de stationshal. Dan liep ze te schelden tegen de massa forenzen en studerenden: dat ze rechts moesten houden en ruim baan voor haar moesten maken. Maar ook dan oogstte zij niet meer dan wat hilariteit van het publiek.

Ik heb in de loop der jaren regelmatig op het punt gestaan om haar eens te vragen naar het nut van haar handelen. Of er na haar tirade ooit wel eens een fietser is afgestapt, onder het beschaamd mompelen van een excuus voor zijn pekelzonde. En of ze haar missie zelf wel als zinvol ervoer, gezien het geringe resultaat ervan.

Maar ik vind haar helemaal geen type om een praatje mee aan te knopen. En ook niet om naar goede raad te luisteren. En ik ben door corona nog mensenschuwer geworden dan ik van nature al was. Ik zal er dus nooit achter komen, hoe ze heet, of ze nog naasten heeft, wat ze in haar werkzame leven gedaan heeft en hoe het met haar zo ver is gekomen.

De laatste tijd kom ik niet zo gek vaak meer bij het station. Maar ik neem aan dat ze er ook altijd zit als ik er niet ben; een verknipt wezen met in ieder geval wel een doel in haar leven.

Dit was dus een intermezzo. Maar zolang er geen hoofdstuk meer na komt, is het geen intermezzo maar een eindtermezzo.

Frans Mensonides



© Frans Mensonides, Leiden, 2020