Beminde zaterdag (33)
Maart 2020 - juli 2020



< < < < < Deel 32 al gelezen?


‘Beminde zaterdag’ is een rubriek over treinreizen op die dag met mijn Weekend Vrij. De titel is ontleend aan een dichtregel van Constantijn Huygens die ook heel de week naar het vrije weekend liep te verlangen. Deze reeks is geïntroduceerd in deel 1. Het overzicht van alle tot dusverre verschenen afleveringen vind je in het archief van mijn Thuispagina.

Een wijs man - als hij tenminste niet volkomen koekoek was - heeft eens gezegd dat als morgen de wereld vergaat, je vandaag moet zaaien in je tuintje. Of woorden van gelijke strekking; zoiets was het, al kan ik het nergens google-en. Als die uitspraak hout snijdt, is het misschien ook niet gek, onder de huidige corona-omstandigheden toch te beginnen met de lenteaflevering 2020 van Beminde zaterdag.  

Op zaterdag 7 maart 2020 ben ik nog op pad geweest voor deze rubriek, op de valreep van de quarantainemaatregelen die hun schaduw vooruit wierpen en daadwerkelijk afgekondigd werden op donderdag de 12e. Ik deed het onlangs verbouwde station Driebergen-Zeist en Beeldentuin / Arboretum De Dreijen in Wageningen. Bij thuiskomst vergat ik mijn foto´s te bewerken en gooide ik mijn aantekeningen in een hoek. Uiteindelijk heb ik ze daar toch maar weer uitgehaald.


 

Driebergen-Zeist 2.0: niet voor niks!ValleibusArboretum De Dreijen en Het Depot: torsen en fragmenten - Zaterdags lustrum  - R.I.P: de Leidse stadsbus - Alexander anders - SUNIJ op de schop - Uitspanning in IJsselstein - Mondkapjes: zin of waanzin?


Driebergen-Zeist 2.0: niet voor niks!


Ik ging afgelopen november al eens kijken bij de werkzaamheden rond dit station op de grens van zijn twee naamgevers. Toen was het nog één grote bouwput, en lag er een massieve houten loopbrug over de sporen, met een stuk of 60 traptreden en gelukkig ook een lift.

Het beeld dat ik op deze zaterdag zie is compleet anders en is ontstaan in één week van keihard werken door ProRail. De schoolvakantieweek in februari werd daarvoor gebruikt.

Er liggen nu 4 sporen tegen de oorspronkelijke 3. Het smalle eilandperron tussen de twee sporen aan de Zeisterkant heeft plaatsgemaakt voor een breed eilandperron. Daar komen alleen de treinen die stoppen op dit halfslachtige IC-station.

Dat zijn de Sprinters van / naar Rhenen en de IC’s Schiphol – Nijmegen. De IC’s Alkmaar – Nijmegen en de ICE’s rijden door, en wel via de buitenste sporen, die niet langs een perron liggen.

De verwijdering van de loopbrug was een spektakelstuk. Het had niet uitgevoerd kunnen worden bij een windkracht van 6 of meer. Maar de Beauforts bliezen op de dag dat de operatie gepland stond, niet harder dan 5, zodat het gevaarte net niet het luchtruim koos.

Het vernieuwde en uitgebreide station werd afgelopen maandag 2 maart in gebruik genomen. De officiële opening laat nog op zich wachten, en niet alleen op het eind van de corona-crisis, maar ook nog op het voltooien van de werkzaamheden in de stationsomgeving.

Doordat de helft van de IC’s het station overslaat, is de bediening wat karig. Wil je van hier naar Utrecht, dan heb je een 5-25-minutendienst. Dat beeld is dan weer wat gunstiger in de spits, als er elk halfuur een extra Sprinter rijdt tussen Utrecht Centraal en Veenendaal Centrum.

Over een paar jaar zal op het traject Utrecht – Arnhem ETMET ingevoerd worden, Elke Tien Minuten Een Trein. Toch kan het station zich ook nu al in grote populariteit verheugen. Zo door de jaren ‘10 heen schommelden de passagiersaantallen tussen 9.000 en 10.000 per dag.

Tot verbazing van iemand uit Amsterdam in mijn Twitter-timeline, die zich afvroeg waarom men hier überhaupt ooit een station geopend heeft buiten de bebouwde kom, midden in de rimboe. Nou, dat zou je moeten vragen aan de spoorwegpioniers uit de 19e eeuw. Dit station dateert uit 1844, het jaar dat de Rhijnspoorweg (Amsterdam – Utrecht – Arnhem – Zevenaar) tot dit punt was opgerukt. Het was de 2e spoorlijn in Nederland, na de Oude Lijn.

En het is bepaald geen Klarenbeek, dat echt midden in de velden ligt. Hier kun je in de stationsomgeving pannenkoeken eten, werken bij bedrijven en cursussen volgen. Het eerste doe ik regelmatig, en het laatste deed ik een keer in… 2003 zal het geweest zijn. Joost mag weten waar die cursus over ging. Blijkbaar leverde hij geen inzichten op die mijn leven een andere wending hebben gegeven, anders had ik het wel onthouden.

Achterland heeft het station ook wel. Zeist en Driebergen hebben samen ruim 80.000 inwoners, die het station allen binnen fietsafstand hebben. Er zijn gloednieuwe fietsenstallingen op het plein onder het perron en er is aan de Driebergse zijde een grote parkeergarage met plek voor honderden auto’s. En de Q-linkbussen op lijn 50 rijden af en aan. Ze gaan in de spits om de 5 minuten en op zaterdag nog om de 10.

De N225, de verkeersader van de Utrechtse Heuvelrug, kruist het station sinds 2017 ongelijkvloers; einde van een beruchte spoorwegovergang en bottleneck.

Driebergen-Zeist 2.0 is verder een mooi, aantrekkelijk vormgegeven station, voor het oog, dat ook wat wil. Een genot om hier in of uit de trein te stappen!

Beneden, onder de sporen staat nog wat winkel- of kantoorruimte te huur. De Stationshuiskamer is tegelijk met het station open gegaan.

Driebergen-Zeist had altijd al iets met koffie. In de jaren 50 was de koffie van dit station vermaard bij treinreizigers. De goudbruine nectar uit Brazilië werd in die tijden vanaf het perron via de coupéraampjes uitgevent. Ik heb dat als klein jongetje op stations als Utrecht CS nog wel zien gebeuren.

In Utrecht stonden de meeste treinen lang stil, maar op Driebergen-Zeist veel korter – al plakten de conducteurs en machinisten er wel eens stiekem een minuutje aan vast, om de koffieverkopers en –kopers ter wille te zijn.

De verkoop werd echt efficiënt aangepakt. Het was in handen van een grote familie. Bij het binnenrollen van een trein stormde een complete dynastie van een stuk of 15 in ober- en serveersterkostuum gestoken schenk(st)ers de restauratie uit, gewapend met dienblad, koffiepot en bekertjes.

Zie dit geinige filmpje uit 1959. Je moest wel gepast geld gereedhouden; voor uitgebreide wisseloperaties was er echt geen tijd. De passagiers flikkerden de bekertjes na lediging goddomme doodgewoon ook weer door het treinraam naar buiten; fraai is dat! De hele spoorberm van Utrecht tot ergens voorbij De Klomp lag altijd bezaaid met bekertjes.

Tegenwoordig haal je de koffie dus in de Stationshuiskamer op de begane grond. Die zit vanmiddag vol met Driebergers en Zeistenaren die helemaal niet met de trein moeten, maar het station komen bekijken en deze koffietent eens willen proberen. Volle treinen en volle cafés, daar begin ik zo langzamerhand schrik voor te krijgen. Ik heb ook vandaag een upgrade voor de 1e klas genomen om niet te dicht bovenop hoestende en rochelende medemensen te zitten.

Maar van de 2 giebelende brugklasmeisjes schuin tegenover me aan de lange huiskamertafel, heb ik weinig te duchten. Die hebben zich vanmorgen zo uitvoerig geplamuurd en besprenkeld met sterk geurende make-up, smeerseltjes en watertjes, dat alle micro-organismen binnen een straal van 10 meter van hen toch wel tot sterven gedoemd zijn.

Hun kapsel en verdere uitmonstering zijn met geen pen te beschrijven. Wat takelen die schepsels zich toch toe, tegenwoordig! Wandelende modepoppen. Het moet ze elke ochtend minstens anderhalf uur kosten voordat ze helemaal opgedirkt en aangekleed zijn. In mijn tijd (maar als je zoiets zegt, word je oud) rukten zowel jongens als meisjes ’s morgens een versleten overhemd en een vale spijkerbroek van een hanger in de klerenkast, en daarmee kwam je de dag wel door.

Enfin, ik neem de trein naar Ede-Wageningen en de bus naar Wageningen. ´s Avonds keer ik terug naar Driebergen-Zeist voor een avondfoto en voor de pannenkoeken. Ik wacht tot na zevenen als in het pannenkoekenhuis de rondrennende kleine kinderen, die je zouden kunnen besmetten, al weg zijn. Langzamerhand gaat corona ons leven beheersen;  het mijne in ieder geval wel.

 

Valleibus


2006 zag de geboorte van de Valleilijn, die bestaat uit twee delen: een treinverbinding Amersfoort – Ede-Wageningen (Connexxion) en een snelbus Ede-Wageningen – Wageningen Busstation (Syntus). Aan het spoorgedeelte heb ik regelmatig aandacht besteed in deze rubriek (voor het laatst HIER) maar vandaag nemen we de bus eens.

Dat zijn er sinds kort eigenlijk twee. Maar op zaterdag dan toch weer één. Lijn 88 rijdt de route naar Wageningen als vanouds. Maar daaraan is toegevoegd: lijn 84, die op werkdagen overdags rijdt via de campus van de WUR (Wageningen University & Research) in het noorden van de stad. Op zondagavond rijdt hij ook. Ik fietste van de zomer over dat toen verlaten universiteitsterrein met zijn architectonische hoogstandjes.

En ik vergaapte me in november aan de artist impression van station Ede-Wageningen 2.0.  Ja, ook Ede-Wageningen wordt net als die andere dubbele naam, Driebergen-Zeist, vernieuwd en uitgebreid. Dit station wordt misschien nog wel mooier. Als ze er eerst maar eens mee wilden beginnen.

Ik pak bus 88. De studenten zijn op weekendverlof – en weten nog niet dat de universiteit binnenkort al zijn poorten zal sluiten. Lijn 88 vervoert midden op de zaterdagmiddag per bus hooguit een plukje bejaarden – en we weten nog niet dat vrijwel lege bussen binnen een week tot het normale straatbeeld zullen behoren.

Ik stap in Wageningen uit op de Nijenoord Allee om een paar van die gelede bakken te fotograferen. Daarna loop ik binnendoor in de richting van mijn doel voor vanmiddag: Arboretum De Dreijen. Ik passeer de woonervenwijk Tarthorst en Mouterijnoort, een nieuwe wijk op het terrein van een oude mouterij. En mout is een grondstof voor allerlei alcoholhoudende dranken.

 



Arboretum De Dreijen en Het Depot: torsen en fragmenten


De Dreijen, in het oosten van Wageningen, was de oude campus van wat toen nog de Landbouwhogeschool heette. De gebouwen zijn hier heel wat traditioneler dan op de nieuwe campus.

Arboretum De Dreijen bestaat al 125 jaar en is aangelegd door de in zijn tijd befaamde tuinarchitect Leonard Springer. De 7 hectare tellende tuin lijkt veel groter, met zijn kronkelpaden en doorkijkjes. De rotstuin is een panorama waard.


Maar opvallender dan de bomen (althans voor mij als niet-dendroloog) zijn de beeldhouwwerken. De meeste daarvan zijn nogal fysiek, lijfelijk; ze bestaan allemaal uit lichamen waaraan iets ontbreekt, niet zelden een hoofd, of alleen uit lichaamsdelen.

Een zonnewijzer is er ook, een heel bijzondere. Meteen maar even uitproberen of hij het doet. Er schijnt een waterig late-winternamiddagzonnetje. Op die twee langwerpige blokken op de voorgrond staan (moeilijk zichtbaar op de foto) de maanden van het jaar vermeld. Daarachter, op die ronding, de uren van de dag. In het midden 12 uur, de streep links daarvan is 11 uur, die rechts van het midden 13 uur, etc. Ik denk nou dat het bedoeling is dat je je schaduw laat vallen over de maand die het is (maart dus in dit geval) en de lijn dan doortrekt naar die uurwijzer daarachter.

Mijn schaduw wijst naar 3 uur, en volgens mijn horloge is het kwart voor 4. Dat klopt dus perfect! De zonnewijzer geeft namelijk de werkelijke zonnetijd van Wageningen weer, en mijn uurwerk, net als dat van iedereen, Midden-Europese wintertijd. En die loopt pakweg 3 kwartier voor op de plaatselijke tijd – ook rekening houdend met de tijdsvereffening waarover ik het Greenwich ook al had.

Dan ontdek ik pas de gebruiksaanwijzing van deze zonnewijzer van Joost Barbiers. Die komt aardig overeen met wat ik zelf bedacht had.

Wat zeg ik, 15:45 al? Dan moet ik snel naar Het Depot, dat gaat dicht om 17:00 uur; MET en geen plaatselijke zonnetijd. In dit hypermoderne glazen gebouw bij de ingang van het arboretum is een zeer uitgebreide beeldententoonstelling met echt honderden beelden. De toegang is even gratis als die tot het arboretum.

In Het Depot ontgaat het me niet, dat ook deze beeldencollectie weer bestaat uit hompen mens: lichaamsdelen en incomplete lijven. Is dat een moderne trend in de beeldhouwerij, of een vreemde tic van de verzamelaar? Ik ben er niet van op de hoogte, van trends in de sculptuur, en ga nu maar eens het boekje bestuderen dat ik bij de receptie heb ontvangen.

De Stichting Het Depot ondersteunt beeldhouwers van torsen en fragmenten. Juist!

Een man staat op een beeld te tikken. Klop, klop, klop! ‘Hè, het is hol! Dit beeld is hol!’, zegt hij tegen zijn eega, die er zelf ook even op wil kloppen. Tok, tok, tok. ‘Ja, verdraaid, het is hol!’
Net zo hol als jullie schedel, denk ik. Wie doet dat nou in een museum, een beetje op een beeld gaan staan kloppen!

Maar stond er niets iets in het boekje over aanraken? Jawel, je mag hier de beelden aanraken. Een bijzonder museum, dat vraagt om een museum top 5.

 


*1* Pépé Grégoire, Happy View (2005). Hier sta ik dan nog buiten, voor Het Depot. Er valt aan dit beeld weinig uit te leggen; gewoon een leuk beeld.

*2* Emile van der Kruk, Piéta (2005). Een piëta, zoals het officieel gespeld wordt in het Nederlands (pietà in het Italiaans, alweer een ander accent) is een afbeelding van de dode Jezus Christus in de armen van zijn moeder Maria. Maar hier is Maria een leunstoel die een alweer incomplete Jezus in een houdgreep neemt. Apart!

*3* Novello Finotti, Anatomico che cammina (1969). In de put, en er weer uit. Zo gaat die pandemie verlopen. Uiteindelijk gaat die toch ook weer over.

*4* Karel Goudsbloem, Perfect Group (2002). Mijn handen zijn gebonden; er komt vrijwel niets uit mijn handen. En ik dreig mijn hoofd te verliezen. Mijn omstandigheden tijdens het schrijven van dit stukje. Ik heb er 4 weken over gedaan. Normaliter typ ik deze stukjes vlotjes uit de losse pols op een laptop in de trein tijdens mijn woon-werkritten. Maar ja: quarantaine…

*5* Teja van Holten, Takken van het hart (2003). Hier kun je toch niets anders in zien dan zo’n afbeelding van de kleine bloedsomloop uit het biologieboek: zuurstofarm bloed naar de longen, en zuurstofrijk bloed ervandaan. Longen doen me denken aan….

Corona gaat langzamerhand ons hele gedachteleven beheersen. Maar zoiets zei ik daarnet ook al.

Frans Mensonides
5 april 2020
Er geweest: zaterdag 7 maart 2020.

 




Na die 7e maart volgden 19 zaterdagen zonder treinreizen. Maar al die weken tussen maart en nu heb ik beslist niet stil- of alleen maar thuisgezeten, maar veel gewandeld, gefietst en geschreven:


Mijn Thuis(blijf)pagina in tijden van corona

Liefs in tijden van corona; quarantainewandelingen – De drukte, dat zijn de anderen – Op naar de versoepeling (maart - april - mei 2020)

Singelpark Leiden in 50 foto’s (mei 2020)

Met de Bergland Expres naar Oostenrijk (1970-1974)

Uitjes en zure bommen; fietsen in tijden van versoepeling (mei - juno 2020)

Altijd wind mee! – Toer de Frans. Ervaringen met de elektrische fiets (julij 2020)

Ook heb ik, na 3 jaar, de rubriek FHM’s A-viertjes weer in het leven geroepen; museumbezoek mocht na 1 juni weer.

 

Zaterdags lustrum

Veel aandacht was er in al die stukken voor de actualiteit rond corona. En dat niet in de laatste plaats voor de 2 gotspes die het OV getroffen en in een diep dal gestort hebben, deels door eigen toedoen van de OV-sector.

De eerste was het permanente, penetrante hameren op het ‘verbod’ (dat nooit bestaan heeft) op het gebruik van het OV voor mindere doeleinden dan de redding van het vaderland (de ‘uitjes’-kwestie). Het tweede betrof de verplichting om met het OV te reizen met een mondkapje van de drogist, of erger nog: van de plaatselijke kleermaker of die oudtante die zo handig is met naald en schaar. En niet met een medisch mondkapje waarvan je tenminste vrijwel 100% zeker weet dat het werkt.

Op die mondkapjeskwestie kom ik nog terug.

Het eerste ‘verbod’, dat op reizen voor geen ander doel dan je te amuseren, is opgeheven per 1 juli – al staat het nog steeds vermeld bij bijvoorbeeld de bushaltes van Arriva in de regio Zuid-Holland Noord. Ja, ‘da’s lief’, en blijf nog gerust een poosje langer weg, want Arriva ziet liever geen reizigersbillen op hun stoelen!


Ik had al lang op de planning staan om op zaterdag 25 juli voor het eerst weer ‘op zaterdag’ te gaan, zoals ik dat ben gaan noemen. Die dag vier ik namelijk het eerste lustrum van deze rubriek. Zaterdag 25 juli 2015 begon ik ermee. Tot kort daarvoor kon ik in het weekend zelden weg in verband met mantelzorgtaken.

Maxwell, mijn medestrijder voor beter OV, deed me de suggestie aan de hand om bij NS een Weekend Vrij-abonnement te nemen. Daarmee was deze rubriek geboren. De eerste aflevering was meteen een van de raarste. Op zaterdag 25 juli 2015 stond er een zware zomerstorm, een ware orkaan. Het OV in Nederland lag grotendeels lam. Ik kwam niet ver.

Van de 261 zaterdagen die de kalender sindsdien heeft weten te bieden, zijn er ongeveer 150 beschreven in deze rubriek. Het overzicht ervan vind je op mijn archief-pagina.

 Zaterdag 25 juli 2020 dus weer op pad, en meteen al naar 2 OV-actualiteiten: het in verbouwing verkerende station Rotterdam Alexander en de idem-dito SUNIJ (Sneltram Utrecht – Nieuwegein – IJsselstein).

 

R.I.P.: de Leidse stadsbus

Zaterdagmorgen wordt mijn jubileum opgeluisterd met een regengordijn, zoals zo vaak, deze zomer. K**-weer, net als 5 jaar geleden. Maar tegen de klok van enen lijkt de zon er wel door te willen komen. Ik neem de Arriva-bus naar Leiden Centraal.

Het is zo ongeveer mijn 6e of 7e  rit met de stadsbus in Leiden en aanpalende dorpen, lijnen 1 t/m 8, sinds woensdag 11 maart 2020, de dag voordat dat de intelligente lockdown begon. Ik zie die lege Mondkapjes Expressen - zoals ik de bussen omgedoopt heb; ‘Express’ ironisch bedoeld - vaak langsrijden als ik op de e-bike zit. Maar nu zit ik er zelf weer eens in, en dat is een ontluisterende ervaring.

De bus verlaat Leiden ZW met 3 passagiers aan boord. Op een zaterdag aan het begin van de middag; dat tijdstip stond toch altijd wel garant voor 30 opvarenden op weg naar de zaterdagse ‘marrtt’ en andere binnenstadse genoegens. Het OV in NL vervoert op het ogenblik gemiddeld bijna de helft van het aantal passagiers van vorig jaar om deze tijd. Maar de stadsbus in Leiden en randgemeenten blijft daar verre en verre bij achter.

Mogelijk komt het doordat velen met mij ontdekt hebben dat je in een compacte stad als Leiden overal veel sneller komt per fiets dan per bus. Het kan ook zijn dat mensen opzien tegen het dragen van een mondkapje, of het geld er niet voor over hebben.

Of is het juist het besmettingsgevaar? Daar hoef je je geen zorgen over te maken als je moederziel alleen in een bus zit. Op de chauffeur na dan. Maar die wordt voldoende beschermd door het rood-witte kettinkje achter zijn werkplek. Virussen komen daar beslist niet overheen. Geluidsgolven ook niet. Als je nu bij het instappen door de achterdeur de chauffeur een groet toeroept, heb je nog minder kans op een grauw terug dan voorheen.

Hoe moet dat nou verder met de bus in Leiden? Van de kwaliteit heeft die het nooit moeten hebben. Lage frequentie, belabberde punctualiteit, door een malloot ontworpen dienstregelingen (de beruchte 28-2-minutendienst op lijnen 1 en 2), veel rituitval, aansluitingen op treinen die soms per ongeluk wel eens kloppen…

Maar er gloort hoop: de jaarlijkse reizigersenquête in de herfst. De waarderingscijfers van de concessie Arriva ZHN zullen met sprongen omhoog gaan. Die cijfers worden namelijk gunstiger naarmate er minder mensen van de bus gebruik maken.

De meest kritische klanten, die altijd de laagste rapportcijfers gaven, haken als eerste af. En reizigers die geen alternatief hebben voor het OV, zijn over het algemeen milder in hun oordeel; die zijn vooral blij dat er überhaupt nog een bus rijdt. Een 8+ haalt Arriva straks wel binnen als waarderingscijfer! Wat zullen ze er blij mee zijn! En mij zullen ze vast ook dit jaar wel weer niks vragen. Zeker niet als ik op de fiets blijf zitten.

Nee, ik - nog steeds tegen beter weten in min of meer OV-voorvechter - zal niet beweren dat je de complete stadsdienst van Leiden beter kunt opdoeken. Maar ik kan niet verhullen dat ik de toekomst van de stadsbus zeer donker inzie.

 

Alexander anders

Station Rotterdam Alexander aan de spoorlijn naar Gouda ging open op 26 mei 1968. Dat was ruim een jaar na de geboorte van onze huidige koning - die echter NIET de naamgever van het station is, zoals ik jarenlang gedacht heb. Het station is genoemd naar de Prins Alexanderpolder, en die weer naar Prins Alexander van Oranje – Nassau (1851-1884), de oud-oud-half-oom van de koning.

In het begin was Rotterdam Alexander zo’n standaard-voorstadstationnetje, met een ‘sextant’ als stationsgebouw. Zie de oude foto’s op Stationsweb.

Echt een serieus OV-knooppunt werd het station in 1983, toen de Metro-sneltram van de RET in gebruik werd genomen en er een overstapmogelijkheid trein-metro tot stand kwam. Toen kreeg Alexander een heuse stationshal in plaats van alleen trappen naar het perron.

Ergens rond die tijd gingen ook IC’s stoppen op Alexander. Tegenwoordig halteren er 4 Intercity’s en 4 Sprinters per uur per richting. Het NS-spoor wordt ongelijkvloers gekruist door de metrolijnen A (Binnenhof (Ommoord) – Schiedam Centrum / Vlaardingen West) en C (Nesselande – Maassluis West / Hoek van Holland Haven, alias de Hoekse Lijn).

De overstap van metro op trein of omgekeerd ging altijd gepaard met het (bloedlinke) oversteken van de metrosporen. De vernieuwingsoperatie van het station moet daar een einde aan maken; veilige looproutes. Ook de stationshal is drastisch gemoderniseerd.

Het vernieuwde station werd op 6 juli 2020 op afstand virtueel en digitaal geopend door 6 bobo’s en één reiziger. Wat schetst mijn verbazing om een paar weken later een station aan te treffen dat nog helemaal niet af is!  

Ja, de hal ziet er van buiten en binnen aardig compleet uit. Maar juist die traverses van metro naar trein en vice versa zijn nog afgesloten. Maar het gaat uiteindelijk vast en zeker heel mooi worden.

Van deur tot deur deed ik er een kleine anderhalf uur over om hier te komen. Als elektrische-fietser heb ik er een sport van gemaakt om met de tweewieler sneller op mijn bestemming te arriveren dan het met het OV gelukt zou zijn. Maar op deze afstand zou ik daarin beslist niet slagen. Dat weet ik bijna wel zeker. Totdat ik het naga op de routeplanner. Het staat nog te bezien; het hangt erom. De trein legt tussen Leiden Centraal en Rotterdam Alexander 48 km af. Maar op de fiets is het maar 28 km vanuit mijn wijk, als je de kortste weg neemt door de polders. Nog geen 30 km helemaal naar Rotterdam, dat zou je echt niet zeggen!

Waarom kwam ik hier dan niet op de fiets? Oh ja, omdat dit de jubileumaflevering is van Beminde zaterdag. En ik ook nog naar Utrecht wil. Aan boord van de IC!

 

SUNIJ op de schop

 

Ergens in Utrecht - 24 oktoberplein – Nieuwegein, Batau  – Nieuwegein Stadscentrum – Nieuwegein Doorslag (2x) – IJsselstein Hooghe Waerd – IJsselstein Centrum

Het tramtijdperk begon voor Utrecht opnieuw in december 1983, 34 jaar na opdoeken van de tramlijn Utrecht – Zeist. De SUNIJ, sneltram Utrecht – Nieuwegein Stadscentrum – Nieuwegein Zuid / IJsselstein Zuid, ging toen rijden. De westelijke tak voerde aanvankelijk niet verder dan Nieuwegein Doorslag. Die laatste wijknaam noodt om een of andere reden tot woordspelingen. 2 jaar later werd de tram vanaf Doorslag doorgetrokken naar IJsselstein Achterveld. In 2000 volgde de verlenging naar het huidige eindpunt IJsselstein Zuid in de wijk Zenderpark.

In de loop van de jaren heb ik veel aandacht besteed aan deze anderhalve tramlijn van Utrecht, onder meer in dit stuk uit 2000. Er hebben ook nog een blauwe maandag afdankertjes uit Wenen op gereden.

16 december 2019 was de openingsdatum van de tramlijn naar Utrecht Science Park, de ’Uithoflijn’. Die lijn, gereden met gloednieuwe Spaanse Urbos-trams, begint aan de centrumzijde van Utrecht Centraal. De SUNIJ eindigt daar de nodige hectometers vandaan bij de Jaarbeurs, aan de achterkant van het station. Het stukje verbindingsspoor over de van Sijpesteinkade, over de treinsporen heen, is al aangelegd, maar wordt nu alleen nog gebruikt voor in- en uitrukritten.

Eind dit jaar moeten er doorgaande trams gaan rijden van IJsselstein en Nieuwegein naar USP; zie het kaartje hier ergens onder. Daarvoor is eerst een grote ombouwoperatie nodig.

Want wat wil het geval? De nieuwe Urbossen zijn lagevloertrams, met een vloerhoogte van 35 cm. En de SUNIJ-trams uit de 80’s hadden een hoge vloer, 70 cm. Die al 2 keer grondig gerevideerde oudjes zijn eerder deze zomer op één museumtram na naar de sloop getransporteerd. Jammer, ergens, want het waren de meest comfortabele trams die in Nederland rondreden.

Utrecht heeft bij Urbos een order geplaatst voor nog een vloot lagevloertrams. Die nu op de Uithoflijn rijden, hebben 5 geledingen en zijn 33 meter lang. De nieuwe tellen er maar liefst 7 en hebben een lengte van 41 meter.  Het is nu de bedoeling dat ze gekoppeld gaan rijden in combinaties van 5+7 geledingen, met dus een totale lengte van 74 m.

Deze monstertrams kunnen vanzelfsprekend in Nieuwegein en IJsselstein niet halteren aan de bestaande hogevloerperrons. Daarom worden deze zomer bij alle 23 haltes de halteperrons verlaagd, en bovendien verlengd; 46 perrons, dus. Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om de sporen te vervangen op 15 km van de 21 km lengte van de SUNIJ.

Er rijden nu vervangende bussen onder de lijnnummers 160 en 161. Net als de tram deed, vertrekken ze 8 keer per uur; 4 keer naar Nieuwegein Zuid en 4 keer naar IJsselstein Zuid. Het zijn standaardbussen met 40 zitplaatsen. Die vervangen trams met 2 gekoppelde wagens met in totaal 128 stoelen.

De SUNIJ kampt al jaren met kelderende vervoerscijfers. In de tijd dat ik me er in de spits inwrong op weg naar mijn werk, vervoerde hij 45.000 passagiers per dag. Bijna de helft liep weg toen de trambaan in 2013 werd ingekort van de voor- naar de Jaarbeurszijde van het station, op een behoorlijk grote loopafstand van de stationshal. Talloze buitendienststellingen, stremmingen en storingen deden er de laatste jaren ook beslist geen goed aan. Toen de terreuraanslag van 18 maart 2019 en 1 jaar later die van corona…

Voor de exploitant U-OV / Qbuzz ligt er nu een enorme uitdaging om de klanten weer terug te winnen en die onwijs lange trams van 74 meter vol te krijgen.

Helaas ook bij dit tramproject stagnatie. De klus had geklaard moeten zijn voor het eind van de zomervakantie. Maar corona gooide roet in het eten; minder mensen tegelijk op de werkplekken; trams die niet geleverd konden worden doordat de fabriek in Spanje in lockdown verkeerde. Nieuwegein zal op zijn vroegst eind september weer trams zien rijden, IJsselstein nog een maandje later.

Ik ga fietsen naar IJsselstein en huur een OV-fiets bij de mega-stalling onder de trap van de Jaarbeurs.

 

Uitspanning in IJsselstein



Jutphaas

Als ik wil wegrijden, krijg ik de fiets nauwelijks in beweging. Eerst denk ik gedurende een fractie van een seconde dat hij nog op slot staat. Dan dat er iets klem zit tussen het wiel en het frame. Dan pas realiseer ik me dat ik niet op mijn e-bike zit, maar op zo’n zware OV-fiets zonder enge vorm van bekrachtiging of iets wat op een versnelling lijkt.

Wat ben ik bijzonder snel gewend geraakt aan en verwend geraakt door de luxe van een elektrische fiets! Onderweg naar IJsselstein heb ik voortdurend het gevoel dat ik over vals plat naar boven rijd. Maar als dat zo was, lag IJsselstein net zo hoog als de Utrechtse Heuvelrug, en dat kan toch niet waar zijn.

Ik zou natuurlijk al die 46 halteperrons kunnen afrijden en fotograferen. Maar daar heb ik helemaal geen zin aan met die knieënkraker; 42 km in wat nog maar een halve middag is, nee. In plaats daarvan rijd ik een retourtje naar de historische binnenstad van IJsselstein. Onderweg zal ik die trambaan wel een paar keer kruisen.

Een voordeel van niet de rails volgen, is dat ik nu iets anders zie dan het overbekende uitzicht vanuit de tram. Bijvoorbeeld het oude dorpje Jutphaas, een van de 2 kiemen waaruit Nieuwegein ontstaan is. De andere heet Vreeswijk en ligt niet op mijn route. Jutphaas, Vreeswijk en het oude stadje IJsselstein zijn oases in een woestijn van woonerven en flatblokken. Nieuwegein en IJsselstein zijn groeikernen uit de jaren 70 t/m 90 en hebben gezamenlijk ca. 100.000 inwoners.

Of dan dit water met molen in de wijk Doorslag. Die vaart heet ook Doorslag.

Hopelijk wordt de SUNIJ met die nieuwe trams een doorslaand succes. Laat ik maar niet te ver doorslaan in kritiek op het project. Hier wordt tenminste nog iets gedaan om het OV te verbeteren; er zijn doorslaggevende argumenten voor aangevoerd. En als ik een carbonnetje in mijn schrijfmachine had gedaan, had ik nu een doorslag gehad van dit artikel.

Uitspanning, goed idee! In de tijden dat mensen nog voornamelijk met paard-en-wagen reisden, was een uitspanning een herberg, een pleisterplaats waar je je paarden letterlijk kon uitspannen. Het woord ‘uitspanning’ kreeg een bijbetekenis: de activiteiten die later ‘ontspanning’ zouden gaan heten, nog later ‘relaxen’ en sinds kort ‘chillen’.

Ik doe dat in een plantsoentje bij een kerk, met een medegebrachte broodzak. We vieren toch ouderwets vakantie, dit jaar, dichterbij en soberder; dan ook maar brood mee. Veel horeca op de stations zit dicht, en de cafés onderweg laat ik ook maar onbezocht, met ‘Hillegom’ in gedachten.

Bij de kerk is een openlucht-fototentoonstelling over IJsselstein in WO 2. Dat zou je bijna vergeten; we herdenken dit jaar 75 jaar bevrijding.

Een wrange foto: IJsselstein moest, zoals zoveel steden en dorpen, zijn kerkklokken afstaan aan de bezetter, die ze in de Heimat omsmolt tot wapentuig. En een nog veel wrangere foto: een groep onderduikers en verzetsstrijders uit het buurdorp Benschop, triomfantelijk lachend, want het was Dolle Dinsdag en de oorlog leek afgelopen. Helaas was dat nepnieuws en viel de foto later in handen van de Duitsers. Diverse mensen die erop stonden afgebeeld, werden gefusilleerd.  

De Stadsgracht in het hart van IJsselstein. Een opvallende bloempot, bij het linkerhuis, met die kinderlaarzen die eruit steken. Een origineel type moet daar wonen.

Op de terugweg wijk ik weer af van de tramroute. Ik kies mijn weg langs de Nedereindseplas, een enorme zandwinningsput. Hij ligt tussen IJsselstein en Nieuwegein, maar behoort tot de gemeente Utrecht, die hier een lange uitloper heeft.

Er ligt een skibaan, in de openlucht, en minder hoog dan die in Zoetermeer, die ik op de foto had in het fietsartikel. Vooral in de polders heerst diep verlangen naar het hooggebergte.

Het begint te regenen, maar het houd er ook snel weer mee op. Ik rijd verder via de wijk Galecop en bedrijventerrein Papendorp. Deze hindernis, de Prins Clausbrug, wacht me ook nog.


Dat is een archieffoto van een jaar geleden, toen ik op een veel hetere dag dan vandaag fietste langs de HOV-busbanen van Utrecht, de zogeheten HOV-bril. Een half jaar geleden nam ik de 7 nieuwe hoogwaardig bedoelde Q-link-buslijnen in Utrecht en omstreken.

Beide gebeurtenissen leken me een eeuw geleden toen ik die webpagina’s laatst overlas. Maar nu ik hier weer ter plaatse ben in de Domstad, schijnt het me toe alsof ik er eergisteren voor het laatst was en die hele lockdown-tijd hooguit een surrealistische droom was. Meer mensen hebben zo’n vreemde tijdsbeleving rond corona. Het virus tart ook de wetten van de tijd; ik hoor het vaker.

Ik lever de fiets in en weet op Utrecht Centraal nog een kop koffie te bemachtigen. Die even later in de hal door een onhandige manoeuvre deels op mijn – gelukkig koffiekleurige – broek terecht komt. Dit is het sein om dan maar terug te keren naar Leiden. Onderweg kletst de regen alweer tegen het couperaam.

 

 

Kaartje van Metrofil, overgenomen van Wikipedia, Utrechtse sneltram.
In geelbruin en blauw het historische tramnet van Utrecht. In oranje het Utrechtse tram´net´ straks na doorkoppeling van de SUNIJ met de Uithoflijn. IJsselsteiners en Nieuwegeiners worden nu door middel van posters al lekker gemaakt met een rechtstreekse verbinding vanuit hun woonplaats naar USP. Maar ook in dit geval hangt het erom, of ze met een e-bike niet sneller zijn. We gaan het zien.



Mondkapjes, zin of waanzin?

Die niet-medische mondkapjes, houden die de virussen nu wel of niet tegen? Voor zover ik het begrijp, is het niet met 100% wetenschappelijke zekerheid bewezen dat ze werken, en ook niet dat ze dat niet doen.

De beslissing om ze verplicht te stellen in het OV is genomen onder 2 motto’s: ‘God zegene de greep’ en ‘Baat het niet, schaadt het niet’. Dat laatste kun je ook zeggen van pillen van A. Vogel, homeopathische watertjes en gelukbrengende talismans en amuletten. Die helpen, als je erin gelooft, allemaal perfect tegen ingebeelde ziektes. Maar het nare van corona is dat dit virus zich absoluut niets aantrekt van wat mensen er wel en niet over geloven.

Gehandhaafd schijnt er ook niet of nauwelijks te worden op de mondkapjesplicht, tot woede van Rikus en vele anderen. Maar als ze toch niet helpen, helpt handhaving ook niet.

Wat moet je daar nou mee als reiziger? Ik ben, net zoals 99,9% van de mensen, geen viroloog. Ik benader dingen het liefst met gezond verstand. Uiteindelijk kom je daar in het leven toch verder mee dan met specialistische, universitaire wijsheid, zegt deze generalist / pragmaticus.

Ik zou thuis en in bed kunnen blijven op zaterdag, totdat er een vaccin op de markt is, als dat ooit al gebeurt. Maar daar ben je ook niet veilig; ten slotte sterven de meeste mensen in bed. 100% veiligheid bestaat niet. Er is welbeschouwd maar één ding waarvan je 100% zeker kunt zijn, en dat is dat je een keer doodgaat.

Ik reis voortaan op zaterdag op een upgrade voor de 1e klas, en neem me voor, niet in te stappen, of meteen uit te stappen als ik een volle trein tref. En niet naar Zandvoort te gaan tijdens een hittegolf.

De hele week bereikten me tweets over overvolle treinen waar niemand een mondkapje droeg. Vandaag heb ik 4 treinen genomen. In totaal had ik 12 medepassagiers in 1e–klascoupés voor tientallen personen. Die droegen allemaal het voorgeschreven mondmasker op de voorgeschreven wijze.

Ik snap ook niet dat die klagers in zo’n volle trein blijven zitten. Louter om erover te kunnen twitteren? De volgende trein is vast en zeker half leeg.

Dat is ook nog een goede raad van een pragmaticus: handel liever zelf verstandig, dan je te beklagen over wat anderen doen of laten, want daar kun je weinig aan veranderen. De goede raad in de vorige zin heeft dus ook geen enkele zin.

Frans Mensonides
2 augustus 2020
Er geweest: zaterdag 25 juli 2020


© Frans Mensonides, Leiden, 2020