Beminde zaterdag (22)
Mei 2018: Mooiweerfietsseizoen geopend




Herxen, tussen Zwolle en Wijhe


< < < < < Deel 21 al gelezen? 


‘Beminde zaterdag’, een ook door de lezer beminde rubriek, is terug!, na een afwezigheid van een half jaar. De afgelopen winter was het op deze site museumwinter en deden we wat nieuwe busverbindingen: de R-netlijnen in Zuid-Holland en dubbeldekkers elders.

‘Beminde zaterdag’ was, is en blijft een rubriek over treinreizen op die dag met mijn Weekend Vrij. De titel is ontleend aan een dichtregel van Constantijn Huygens die ook heel de week naar het vrije weekend liep te verlangeen, Deze reeks is geďntroduceerd in deel 1Het overzicht van alle tot dusverre verschenen afleveringen vind je op de archiefpagina.  

 Deze zomer klim ik weer op de OV-fiets, waar en wanneer het maar kan. Al begin maart reed ik een oefenrondje rond ’t Harde dat me slecht bekwam. De weken daarop heb ik in o.a. de Bollenstreek geoefend en geoefend met het doen rondgaan van de pedalen, iets wat ik als mooiweerfietser het liefst doe bij een hittegolf en windkracht nul.

Zaterdag 28 april voerde de trein me naar Wijhe, waar het geen fietsweer was, en waar gelukkig ook geen OV-fiets beschikbaar was, zodat ik niet in de verleiding kwam om toch nog op te stappen. Een week later, en we schrijven dan de 73ste Bevrijdingsdag, had ik meer geluk met het weer en de fietsen.

Daarnaast in deze eerste hoofdstukken ook aandacht voor de eurobahntrein Hengelo – Bielefeld van Keolis, die op 28 april zowaar ineens reed, zodat ik die in ieder geval kon nemen tot Oldenzaal.

 

1e klas in de Keolis-FLIRT


 

Ondergeschoven spoorlijntje; Wijhe van de bucketlist af -  Wijhe: van een natte kermis thuisHij rijdt!, trein naar BielefeldRond Wijhe; Salland en de Veluwe - Het aquarium van Barendrecht - In de binnenlanden van Zuid-Holland: Rijsoord en Heerjansdam - Toetsnaald; intermezzo op de Gaatkensbult - Dorpen tussen groen en stad






Ondergeschoven spoorlijntje; Wijhe van de bucketlist af

Wijhe

Ik reis deze zaterdag, en de twee volgende, als een heer in de 1e klas; ik heb weer van die ‘upgrades’ weten te bemachtigen. Op naar Zwolle! 

Het continuerende verhaal van Oostvaarders. In dat zogeheten ‘natuurgebied’ zie ik herten of zo nu echt weer op natuurlijke wijze grazen, het eerste gras van dit voorjaar millimeteren. De afgelopen weekenden waren hier nog de nodige bijvoederrellen en -acties, aan het eind van een lange, harde winter. Omgekeerde hongertochten, om voedsel te brengen in plaats van te halen, allebei even treurig.

Nu lopen hier nog steeds veel mensen rond, maar dat zijn recreanten en geen demonstranten; ik zie geen protestborden, noch voederzakken. Hun auto’s staan op een parkeerterrein bij de oosthoek van het park.

Volgende winter gaat het gekrakeel verder. Voor zover ik weet, is er naar goed-Hollandse gewoonte veel gepraat en niets opgelost; de bijgevoederde dieren zullen komende winter opnieuw in hongersnood geraken. 

Tussen Lelystad en Zwolle zie je tegenwoordig meer bollenvelden dan tussen Leiden en Haarlem. 

In Zwolle overstappen op de trein naar Roosendaal, die vandaag maar tot Breda rijdt. Er is dit weekend een keur van stemmingen, een stuk of 15 maar liefst; hooguit de helft van het spoorwegnet is maar berijdbaar en bereikbaar. En dat is dan alleen nog maar een voorproefje voor as. maandag en dinsdag. Dan is er staking in het streekvervoer (inmiddels besproken op deze site) en ligt het hele regionale treinverkeer ook plat. 

Wijhe op Bevrijdingsdag

Wijhe is het eerste station op deze lange lijn Zwolle - Roosendaal, ook wel de IJssellijn genaamd, met een rijtijd van 2:47 uur. De staat legde in de jaren 60 van de 19e eeuw de spoorverbinding Arnhem – Leeuwarden aan. Het trajectgedeelte Deventer – Zwolle werd in 1866 in gebruik genomen. De spoorlijn vormde toen een belangrijke noord-zuidverbinding. 

Tegenwoordig vind ik het een wat ondergeschoven lijntje; zelf maak ik er om een of andere reden weinig gebruik van. Deze weken doe ik er dan maar eens meerdere ritten op, en kan ik Wijhe afvoeren van mijn bucketlist van nooit bezochte stations in Nederland.

Rond 1900 zou die een stuk langer geweest zijn. Toen kon je op het 30 km lange traject tussen Zwolle en Deventer uitstappen in Ittersum, Herculo, Windesheim, Herxen, Wijnvoorden, Wijhe, Bovendorp, Boerhaar, Duurschestraat, Beltenweg, Olst, Hoenlo, Puinweg, Diepenveen West, Rande, De Platvoet en Boksbergerweg; tegenwoordig alleen nog maar in Wijhe en Olst. Een stoptrein was een soort tram in die tijd. De Platvoet in Deventer ligt vlak bij Zandweerd en Borgele, twee logeerwijken uit mijn kindertijd. Maar anno 1900 zal er vrijwel niemand gewoond hebben; waarom een halte, daar? En zo’n halte op de Boks- of Boxbergerweg, 700 meter van station Deventer?; de trein was amper op gang gekomen.

Diepenveen West suggereert dat er meerdere stations waren in dat indertijd minuscule dorpje. Dat klopt ook; Diepenveen Oost lag aan een nog meer ondergeschoven spoorlijntje, Deventer – Raalte – Ommen, waarover slechts een kwart eeuw passagiers vervoerd zijn: 1910-1935. De lijn werd aangelegd en geëxploiteerd als OLDO: Overijsselsche Lokaalspoorweg-Maatschappij Deventer - Ommen. Hij sneuvelde door gebrek aan passagiers, en dat kwam weer door gebrek aan grote plaatsen onderweg. Maar hij was niet zo ondergeschoven of hij heeft toch in de huidige tijd nog een webpagina

Tussen Zwolle en Olst heb je dubbelspoor; daarna tot Deventer slechts enkel-. Dat dubbelspoor op het noordelijk trajectgedeelte maakt het mogelijk dat de internationale IC’s Amsterdam – Berlijn deze weken, in verband met langdurige werkzaamheden tussen Amersfoort en Apeldoorn, uitwijken via Zwolle. 

Wijhe kent een zeer overzichtelijke, gemakkelijk te onthouden treindienstregeling. De treinen in beide richtingen vertrekken exact op het hele en halve uur. Ik stap er voor het eerst in mijn bestaan uit, zoals gezegd. Maar liep al eerder rond op Wijhens grondgebied. Dat was die keer in Museum de Fundatie, dat hier echter kilometers vandaan ligt, en waarvoor je de trein het best in Heino kan verlaten.


Wijhe: van een natte kermis thuis

Wijhe heet me welkom met motregen en met een molen zonder wieken in het wijkje bij het station. Het is aardedonker en ik heb nog geen 100 stappen gezet in het dorp of het begint te plenzen. Een vrouw met een rollator probeert haar pas wat te versnellen, op weg naar het grote zorgcomplex (complex voor grote zorgen) dat tegenover die fraaie Franse School ligt. Die fotografeer ik vanonder een paraplu. Dat kan best, zoals de foto uitwijst, waarop nog een stuk van het regenscherm zichtbaar is.

Even verder zet ik Wijhens meest opvallende monument na de kerkspits op de foto: huize Wijhezicht, ooit eigendom van Baron F.G. van Dedem. Die werd in 1743 geboren in Wijhe en stierf er in 1820. In de tussentijd zag hij veel van de rest van de wereld en was hij een hele poos ambassadeur in Constantinopel, in een roerige tijd. Desondanks kijkt hij op het standbeeld op het Van Dedemplein met een serene, oosterse blik.

Hij was een andere Van Dedem dan die op wiens last de Dedemsvaart gegraven is. Dat was W.J. baron van Dedem (1776-1851). Van Dedem deed 't m!

‘Dat gaat ‘m echt niet worden met dit weer!; veel te donker’, zegt een man vanuit zijn tuintje, die mijn geworstel met camera en paraplu gadeslaat.
‘Oh, dan kent u mij niet. Ik ben een tovenaar met Photoshop!’

Ja, ik kan er ook niet veel aan doen dat het slecht weer is. Toen ik vanmorgen van huis ging, scheen de zon.


Het is kermis in Wijhe maar de draaimolen staat stil in de druipregen en de stoeltjes zijn vastgesnoerd. De uitbaatster van de zuurstokkraam heeft geen klandizie en staat uit te rekenen of ze nog winst zal maken, deze kermis, of in het ergste geval het staangeld er niet eens uit haalt. In de botsautootjes wil niemand botsen en bij FunCity niemand hengelen naar prullaria die je toch zelden of nooit te pakken krijgt.

Wijhe is een middelgroot dorp volgens de door mij ontworpen indeling. Die noem ik: de HEMA Urbanisatie Index. Alleen de HEMA is bepalend. Heeft de plaatselijke HEMA een koffiecorner, dan spreken we van een groot dorp. Is het zo’n ontaarde HEMA zonder koffie, dan hebben we te maken met een middelgroot dorp. En in een klein dorp, ten slotte, heb je helemaal geen HEMA.

Wijhe dus een middelgroot dorp, constateer ik tot mijn teleurstelling. Wel een fraai dorp. Het museum gaat pas laat in de middag open – en ik heb er toch al genoeg gezien, de laatste tijd. Gelukkig neemt de regen langzamerhand af. Ik loop naar de IJssel, waarover het autoveer vaart dat Salland in Overijssel verbindt met de Veluwe in Gelderland; een grensoverschrijdende pont.

Als ik na een omweggetje terugkeer in het middelgrote dorp, schijnt de zon overvloedig. Op de kermis wordt nu gebotst, worden zuurstokken afgelikt, roteert de draaimolen en verdringt zich een menigte voor de grijpautomaten van FunCity. Ik fotografeer het optrekje van de baron opnieuw en maak een triomfantelijk gebaar naar de pessimistische man die nu in zijn tuintje zit; zie je wel dat het allemaal goed komt!






Hij rijdt!, trein naar Bielefeld


Echt mooi fietsweer is het nog steeds niet en er staan ook nog steeds geen OV-fietsen in de kluizen. Wat doen we de rest van de middag? Ik zou naar Almelo De Riet kunnen reizen en ook die afvoeren van mijn emmerlijst. Maar het centrum van Almelo heeft al de naam dat er nooit iets gebeurt, laat staan een buitenwijk.

Zonder veel hoop zoek ik op of de Regional Bahn Hengelo – Bielefeld doet wat hij de hele afgelopen week niet gedaan heeft: rijden. Maar verrek, hij gáát vandaag gewoon! Op naar Hengelo, met de Keolis-Blauwnet-lijn Zwolle – Enschede, die ik eind vorig jaar ingewijd heb.

Deze FLIRT’s hebben een 1e klas aan één eind van de trein, te herkennen aan een kolossale 1 bij de deuren. Het is een hokje waarvoor je een drempel over moet en een schuifdeur door; je zit helemaal afgescheiden van het grauw.

Er staan slechts 16 stoelen in die eerste klas. De 8 stoelen die het dichtst bij de machinistendeur staan, vormen een stiltecoupé; het staat vermeld op de ramen. Maar bij die andere 8 stoelen staat niets. Je mag daar een leven als een oordeel zitten maken, zonder dat de stilteliefhebbers daar iets tegen kunnen doen. Er is wonderlijk genoeg geen afscheiding tussen de stiltestoelen en de lawaaistoelen.

Wat is er nu precies aan de hand met die treinen naar Bielefeld – behalve dat die laatste stad, volgens een hardnekkige Duitse urban legend, niet echt bestaat? Die Regional Bahn reed tot een paar maanden geleden het traject Bielefeld – Bad Bentheim. Toen werd hij doorgetrokken naar Hengelo, waarmee we een nieuwe internationale treinverbinding rijker waren.

Helaas verviel sindsdien het traject Bad Bentheim – Hengelo in de helft van de gevallen wegens ‘problemen in de materieelinzet’. Sommige van de treinen op die lijn, ook Keolis-FLIRT’s, hadden moeite met de omschakeling van Duitse stroom op Nederlandse en omgekeerd. Legers van technici worstelden, en worstelen nog steeds met deze uitdaging. Er worden bussen ingezet op dagen dat het echt niet wil lukken. Het geklungel waar de spoorwegsector het patent op heeft.

Maar deze zaterdag rijden er zowaar treinen de grens over. In Hengelo vertrekt hij van het excentrisch gelegen spoor 11. Maar je hebt voldoende overstaptijd, 21 minuten vanuit de trein uit Zwolle; 29 zelfs vanuit de IC uit de Randstad.

Voor de rit naar het enige tussenstation binnen Nederlands grondgebied, Oldenzaal, kun je gebruik maken van de OV-chipkaart. Maar moet je dan inchecken bij Blauwnet of NS? Ik gok het laatste. Maar ik zal merken dat het niets uitmaakt. De Duitse conductrice heeft geen lezer om te controleren of je bent ingecheckt en neemt genoegen met het tonen van je chipkaart.

Behalve het stroomgedoe is ook de wasmachine van deze treinen kapot, zo lijkt het. Aan boord is er een kaartjesautomaat voor bestemmingen in Duitsland. Ik kijk even na wat een retourtje Bielefeld kost vanaf de grens en dat is maar liefst 66 euro. Dat moet goedkoper kunnen. Later steek ik mijn licht op; je schijnt via de site van Deutsche Bahn een goedkoop regionaal ticket te kunnen kopen. Ik ga me er eens in verdiepen.

In Oldenzaal is altijd het eerste wat opvalt het grote, ouderwetse RK Ziekenhuis Heil der Kranken. Het lijkt me ideaal om om te bouwen tot luxe appartementen. Maar voorshands is het gewoon nog een dependance van het Medisch Spectrum Twente. Je kunt er terecht voor de polikliniek en voor eenvoudige operaties, dus niet voor het hele spectrum. Ik vind Heil der Kranken toch een passendere naam dan Medisch Spectrum.

In Oldenzaal gaan om exact 17:00 de rolluiken voor de winkels en treedt er een angstwekkende stilte in. Het lijkt wel of het stadje op voorhand al in rouw is over de directe degradatie van F.C. Twente die nog in de nabije toekomst ligt op de dag dat ik hier wandel.

Alhoewel: niet heel Twente is bedroefd over de neergang van de voetbalclub uit Enschede. In Almelo staan ze erom te juichen uit leedvermaak. En dat hun geliefde Twentse burenruzie volgend jaar niet meer op de voetbalkalender staat, schijnt ze ook niet te deren.

Als ik de bleke, grauwe Plechelmuskerk sta te fotograferen, roept een pummel op een fiets me toe dat hij niet op de foto wil. Ja, dan moet je vooral door iemands beeld rijden! Maar hij kan gerust zijn; deze foto doet wat vrijwel alle foto’s doen van die kerk: mislukken. Ik schiet er nog een die ermee door kan. 

Met carnaval moet het heel gezellig zijn in Oldenzaal. Nu loop ik me af te vragen wat ik er in vredesnaam zocht. Oh ja, ik kwam hier voor die internationale trein. Gauw terug naar het station!

Later op de avond snack ik in Deventer en reis met de trein uit Berlijn nonstop naar Amsterdam via Zwolle.





Rond Wijhe; Salland en de Veluwe


Een week later is er nog steeds een stremming tussen Amersfoort en Apeldoorn, en ik spoor opnieuw via Zwolle naar Wijhe. Dit weekend gaat de IC Zwolle – Roosendaal helemaal door naar Vlissingen, een rit van niet minder dan 3:48 uur.

Deze keer stap ik in Wijhe meteen op de OV-fiets, die zich bevindt achter de stalen deur van een fietskluis. Uiteindelijk is die pont naar de Veluwe mijn doel. Maar eerst rijd ik wat rond aan de Sallandse kant van de IJssel. Overal zie je doorkijkjes op die kerkspits van Wijhe. En overal ruik ik vage plattelandsgeuren van mest en gemaaid gras. En vrijwel nergens zal ik vandaag uitbundige Bevrijdingsdagfeesten zien. Die dag wil maar niet echt gaan leven. Het is hooguit een schamele after party van Koningsdag.

Dodenherdenking lijkt meer belangstelling te ondervinden; meer naarmate WO II langer geleden is. De nationale viering gisteren op de Dam in Amsterdam viel nog mee, ondanks alle dreigementen vooraf; maar drie arrestaties, waaronder twee damschreeuwers.

Ik kijk altijd op de commerciëlen naar de bijeenkomst op de Waalsdorpervlakte in Scheveningen. Behalve gisteren, toen ik zelf een speech moest houden ter gelegenheid van Dodenherdenking, en dat helemaal in Wieringerwaard, hoog in Noord-Holland.

Ze nodigen daar altijd een spreker uit om na de plechtigheid op het kerkhof te praten over een bepaald thema, en deze keer was dat honger. Dat heb ik nooit in mijn leven geleden, maar het organisatiecomité had het Hongerwinterdagboek van mijn oma gevonden op mijn site en het verhaal van de hongertocht van opa naar de Kop van Noord-Holland. Ik werd als spreker uitgenodigd.

Nou moet je als generalist geen nee zeggen tegen welk karwei ook, en dankbaar zijn dat het op je weg komt. Maar eerst vroeg ik nog of ze niet iemand wisten die er zelf nog bij geweest was, bij de hongertochten. Maar die raken dunner en dunner gezaaid. Dus ik stemde toe om het verhaal te komen vertellen dat mijn opa mij zelf nooit verteld had en ik alleen uit de tweede hand ken.

Neemt niet weg dat het publiek wel geboeid was door mijn presentatie. Het is voor hun de andere kant van het verhaal; ze zagen daar anno 1944 en 1945 die hongertrekkers uit de Randstad aankomen. Onderweg naar Anna Paulowna bedacht ik wat een geluksvogel ik was dat ik de reis naar het noorden kon maken met de trein en dat ik het op de terugweg niet zou hoeven te doen met een kar met 4 mud aardappelen achter me aan.

Mijn opa vond geschiedenis onzin: ‘Vroeger is nu niet’. Dat is waar, en daar zit wat in; we leven in het heden. Maar als iedereen zo dacht als hij, dan werden er geen geschiedverhalen verteld en geen geschiedenisboeken geschreven en dat zou een grote verarming zijn.

Ik dwaal af, ook al fietsende, want trek eerst zuidwaarts naar Boerhaar en daarna met een omtrekkende beweging naar het ten noorden van Wijhe gelegen Herxel.

Onderweg passeer ik Zingevingsboerderij De Bedoeling. Kijk, dat bedoel ik nou! Ik rijd over smalle B-wegen waar zand opstuift, telkens als een wegbreed landbouwvoertuig me passeert en daarvoor de berm in moet. Links van me heb ik de spoorbaan. Tegen 14:00 uur snelt de trein uit Berlijn er overheen, en even na tweeën zijn tegenligger naar de Duitse hoofdstad.




Herxel is niet gebouwd rond een kerk maar rond een groot dorpshuis naast de spoorbaan waar ik nog even een treinspottersfoto maak.

Op het pad door de uiterwaarden van de IJssel moet je uitkijken voor overstekend wild én voor de nodige wielrenners, die weinig consideratie hebben met mensen voor wie het zo snel niet hoeft. Oh, ja: de Giro d’Italia schijnt begonnen te zijn en dan vertoont iedere racefietser weer kopieergedrag.

Zoals de trouwe lezer weet, volg ik de Dzjiro, de Toer en de Voewelta al jarenlang niet meer, afgehaakt van deze on-sport door dopingschandalen. Maar over drie weken sla ik nog wel even na of Vroem gewonnen heeft en zo ja, of dat geschied is met of zonder stimulerende middelen en met of zonder hulpmotor. Dat is de makke met al die dopingrellen en –bekentenissen; als je iemand nu hard ziet fietsen, denk je: die zal wel gepákt hebben. Tijdverspilling om ernaar te kijken; lol eraf.

Drie paarden rennen over de grasvlakten van de uiterwaarden zonder dat een jockey tegen ze zegt dat ze rennen moeten; ze doen het gewoon voor hun plezier en uit levenslust.

De gemotoriseerde kabelpont over de IJssel deel ik onder andere met weer zo’n breed bakbeest van een landbouwvoertuig. De berijder daarvan betaalt een tientje voor de overtocht, maar dat zal wel goedkoper zijn dan 30 km omrijden; tijd is tenslotte ook geld. Ik met mijn fietsje tel maar 1 euro neer, maar voor een auto betaal je 3 euro zoveel plus nog eens 40 cent voor elke extra passagier naast de bestuurder (of achter de bestuurder).

Aan de overkant beland je in de Veluwse gemeente Heerde. Het dorp van die naam is dan nog een kilometer of 8 weg. Dit landschap doet weinig Veluws aan. Het lijkt eerder op het Groene Hart, met kaarsrechte polderwegen door een vlak land; niet echt spannend.



Een jaar of 6 geleden schreef ik een stukje over de Veluwelijn, een bundel buslijnen op het traject Apeldoorn – Zwolle, o.a door Heerde. Er was pas een wijziging doorgevoerd in de dienstregeling, waar niet iedere streekbewoner blij mee was, en er was in de praktijk ook veel mis mee. In de streek zagen ze mij door mijn artikeltje als OV-deskundige – al heb ik me daar nooit voor uitgegeven. Ze vroegen me of ik niet een zienswijze wilde indienen bij het provinciebestuur, hoe het nou verder moest met die lijn.

Ik deed het; ik liet me vermurwen; je moet als generalist… dat heb ik daarnet al gezegd. Het schijnt nog geholpen te hebben, ook, de zienswijzen van mij en andere OV-reizigers, want een jaar later waren er toch zaken verbeterd.

Uit dank heet Heerde me vandaag welkom met gepavoiseerde huizen. Een aardige geste, maar hoe hebben ze lucht gekregen van mijn komst? Ik zie die blauwe bus door het dorp schieten. Ik moest hem toch weer eens een keertje nemen.

Het fraaiste gebouw in Heerde is het raadhuis, vandaag met een vredesvlam ervoor. Even een broodje bij een snackbar tegenover het raadhuis. Ik ben hier vergeten te letten op de eventuele HEMA – die in de tussentijd ineens in Belgische handen is geraakt.

Op mijn phone lees ik dat vanmiddag achter HS in Den Haag iemand drie mensen heeft neergestoken onder het roepen van ‘Allah is groot’. Het wordt door de overheid en sommige nieuwsmedia meteen gedownplayed tot een actie van een man die een beetje de weg kwijt was. Maar bij ‘verwarde man’ denk je meer aan iemand die in juni denkt dat het kerstmis is, of op een parkeerplaats zijn auto zoekt die al drie jaar geleden verkocht is. Die rol speelde ik vorig jaar in straatheater bij mij in de buurt; je moet als generalist…

De komende dagen wordt volop gediscussieerd over de steekpartij in Den Haag. Er is daarbij opvallend weinig aandacht voor de zwaargewonde slachtoffers, voor wie het niet zo gek veel uitmaakt hoe je het noemt. Ik vrees dat dit zo’n ‘Waar was jij toen je het hoorde’-moment gaat worden. Waar was ik, toen ik het hoorde? Ik zat op een terras in Heerde in een vredesvlam te staren.



De terugweg doe ik via het dorpje Veessen, een stuk levendiger route dan daarnet. Voordat ik het schilderachtige dorp binnenrijd, kom ik langs de Tolbrug. Dat is geen tolbrug (er lag er hier vroeger een) maar een waterstaatwerk. Het is een 800 meter lange inlaat tot een hoogwatergeul die dienst moet doen als opvangbekken bij overstromingen van de IJssel.

De Tolbrug kan het IJsselwater een hele tijd tegenhouden, maar hij kan ook geopend worden, zodat het water het bekken in stroomt dat doorloopt van hier tot bij Wapenveld, zo’n 5 km meer naar het noorden. In die geul staan de elektriciteitsmasten op hoge poten, zodat ook zij geen natte voeten krijgen als de nood aan de man komt.

Ze verwachten dat die grote schuiven maar eens in de 75 jaar geopend hoeven te worden, dus ik blijf er niet op wachten. In Veessen waren ze tegen dat lelijke ding (ik vind het echter wel een eigen schoonheid hebben). Maar als de boel dreigt te overstromen, zullen ze er alsnog blij mee zijn. Het hoeft geen 75 jaar te duren, het kan ook as. winter al gebeuren.

Ik rijd met moeie knieën langs de kronkels van de IJssel en vraag me eens te meer af hoe mijn opa er in de oorlog in slaagde om soms meer dan 100 km per dag te fietsen, onder aanzienlijk beroerdere omstandigheden dan ik. Het was het heilige moeten, niets anders. In de verte zie ik gelukkig de pont al. Einde van een zonovergoten fietsmiddag.

Vrede zij met de lezer.

Frans Mensonides
13 mei 2018
Er geweest: zaterdagen 28 april en 5 mei 2018



Veessen


 

Het aquarium van Barendrecht

'''


Voor de zonnige zaterdag daarop, 12 mei, heb ik een fietstocht gepland door de binnenlanden van Zuid-Holland, met station Barendrecht als start en finish. Voorlopig voor de laatste keer ben ik in het bezit van een gratis ‘upgrade’ voor de 1e klas.

Dat in tegenstelling tot de twee weelderig betatoeëerde vrouwen van een jaar of ruim 39 die met veel kabaal de stiltecoupé van de IC naar Vlissingen binnenvallen.
‘Hč, hč, ik zit!! Pfoei, ik ben bekaf!’
’Nee joh, hier ken je niet gaan zitten! Dit is de 1e klas!’
‘Ja, en??’
‘Daar ken je toch niet gaan zitten? Hebben wij 1e klas-kaartjes, dan?’
‘Nou, Jezis, wat maakt dát nou uit? Hier zit je lekker ruim. Ik zit graag een beetje ruim’.
‘Nee, dat doe ik echt niet, hoor’.
‘Ach mens, er komt toch nooit geen conducteur. En anders dan kopen we wel zo’n upgreet, hoe heet dat?’
‘Nou, ik loop door, hoor!’
‘Dat doe je dan maar!’

Ze loopt inderdaad verder naar een 2e-klas-coupé. De achtergeblevene blijft stuurs zitten in haar ruime zetel, maar houdt dit niet langer dan een halve minuut vol. ‘Goed, dan’, zegt zij tot niemand in het bijzonder, ‘ik bén al weg, hoor. Dat zeikwijf ook altijd!’

Zij beent weg, slaande deuren achter zich latend, waarna een weldadige stilte terugkeert.

Op Rotterdam Centraal stap ik over op de Sprinter Den Haag–Dordrecht – wat ik ook had kunnen doen op Den Haag HS, Delft, Schiedam of Blaak. Deze Sprinter rijdt doordeweeks om het kwartier, maar in het weekend worden stations als Barendrecht maar twee keer per uur aangedaan.

Dit dus minimaal bediende station is wel een van de meest bijzondere van Nederland. Het ligt in een bovengrondse tunnel, als het ware, die ruim voorzien is van panoramaruiten; ‘het aquarium’, noem ik het ook wel oneerbiedig. Om er binnen te komen moet je eerst met de roltrap of de lift een soort bastion over, om daarna weer af te dalen naar het perron.

Waar je soms het gedruis hoort van een naderende trein, maar het moet dan wel een spooktrein zijn, want je ziet hem nergens. Die rijdt dan aan de andere kant van een wand. Weggewerkt in wat ik een bastion noemde, heb je 5 sporen voor treinen die niet stoppen in Barendrecht.

De 2 meest westelijke sporen maken deel uit van het HSL-netwerk. Je rijdt erover met de Thalys, de IC Direct, de IC Den Haag - Eindhoven en sinds kort ook de IC Brussel; die komen ook allemaal door Barendrecht, zonder dat je het echt goed ziet. De volgende 3 sporen worden gebruikt door goederentreinen naar de Betuweroute en naar het grote rangeerterrein de Kijfhoek.

Het station zelf heeft 4 perronsporen. De Sprinters stoppen langs het middelste perron. De 2 buitenste sporen worden gebruikt door de IC’s en langs die buitenste perrons stoppen zelden of nooit treinen.

Op weg naar de fietsenstalling verlaat ik het lange, lange, lege perron aan de zuidzijde en loop de tunnel onder de hele ‘Kap van Barendrecht’ door. De OV-fietsenstalling bij dit in 2007 geopende station is vanzelfsprekend ook hypermodern. Hier niet het geworstel met draaihekjes, zoals in Schiedam, maar handige deuren die wijd openklappen als je je chipkaart voor een scanner houdt.

Ik haal een fietssleutel uit het sleutelkastje met het rolluikje – denk aan je vingers ! – pak de bijbehorende fiets en stuif weg over de Gebroken Meeldijk en de Nollendijk, langs bedrijfsgebouwen. Een gebroken dijk, daar moeten toch waterplassen staan, zou je zeggen?

 




In de binnenlanden van Zuid-Holland: Rijsoord en Heerjansdam




Rijsoord aan het Waaltje


Al snel bereik ik het dorp Rijsoord. Dat moet je van de Wikipedia uitspreken als Rezóórt. Het ressorteert (rezoorteert) onder de gemeente Ridderkerk, al is die naam onleesbaar gemaakt op het plaatsnaambord aan het begin van de bebouwde kom.

Het dorp ligt op het eiland IJsselmonde, dat met een inwonertal van 423.000 veel bevolkter is dan alle andere Zuid-Hollandse eilanden bij elkaar. Het omvat onder meer een groot stuk van Rotterdam Zuid. Mijn route van vandaag ligt in zijn geheel op dat eiland, al wordt het oostelijke deel ook wel de Zwijndrechtse Waard genoemd, en soms als apart eiland gezien.

Rijsoord ligt langs een dijk langs de Waal, en dat is dan niet de Waal die ook door Zaltbommel en Nijmegen stroomt, maar in de volksmond het Waaltje, een 8 km lange stroom. Langs de Waaldijk loopt weer de Rijksstraatweg en daar heb je het museum Johannes Postschool.

In dat schooltje is geschiedenis geschreven, maar geen historie die we ons graag herinneren. Hier tekende generaal Winkelman in de nacht van 14 op 15 mei 1940, luttele uren na het bombardement op Rotterdam, de capitulatie van Nederland; het begin van 5 jaren bezetting.

Rijsoord werd daardoor als Alesia uit de Asterix-reeks: niemand weet waar het ligt en niemand wil het op zich vrij lieflijke dorpje kennen. Ik ben er jaren terug een keer doorheen gekomen met de bus Rotterdam Zuidplein – Dordrecht NS, die ik nu op de foto heb. Maar dat van die capitulatie las ik vanmorgen onderweg pas; een van de meest onbekende feiten uit WO II?

Het museumpje is op afspraak geopend voor groepen van minstens 15 personen, en voor loslopende individuen alleen op de eerste zaterdag van de maand. Het spijt me niet verschrikkelijk dat het vandaag de tweede zaterdag is van mei.



Van Rijsoord rijd ik via polderwegen naar Heerjansdam, met windveren, alias: cirruswolken, boven m’n hoofd (morgen regen) en met opvallend weinig wind in mijn haren (ook weinig). Uitgelezen fietsweer. Onderweg kruis ik die hele spoorspaghetti, zo’n 2 kilometer ten zuiden van station Barendrecht. De HSL richting Breda / Antwerpen en de oude, langzame spoorlijn naar Dordrecht gaan op dit punt uiteen.

Van de winter circuleerde er heel even een onzinnig plan om een metrolijn aan te leggen langs het spoor Rotterdam – Dordrecht (of zelfs Leiden – Dordrecht, nog beter!). Gaat dat onverhoopt toch door, dan zou je op de plek waar ik nu fiets, een metrostation Rijsoord / Heerjansdam kunnen openen. Maar dat ligt dan toch nog een flink eind buiten de bebouwde kom van die twee dorpen.

Heerjansdam is al net zo lieflijk als Rijsoord en ligt ook aan het Waaltje. Streekbussen rijden al lang niet meer in dit dorp bezijden de grote doorgaande wegen; ze moeten het doen met een buurtbus. Het dorp valt onder de gemeente Zwijndrecht, tot aller tevredenheid misschien, want die naam is niet doorgekrast op het plaatsnaambord.


Een memento mori bij de begraafplaats: Zijt ook gij bereid? Maar dood gaat gij toch wel een keer, bereid of niet.

Heerjansdam is ergens middenin de 14e eeuw genoemd naar ene Jan van Rosendaele die die eer te danken had aan het feit dat hij de bedijking gesponsord had.

Vol goede moed sla ik de weg ten noorden van de drukbevaren Oude Maas in, langs een recreatiegebied, bij het bordje: Rhoon 13 km. Al heel spoedig stuit ik op een rood en wit andreaskruis. Hier een spoorovergang? Net als ik me dat afvraag, beginnen er ook nog overwegbellen te rinkelen. Even later komt er inderdaad een treintje uit de bosjes tevoorschijn, een mini-treintje op hyper-smalspoor.

De Heinenoordtunnel naar de Hoekse Waard, daar kun je ook met de fiets doorheen, na een afdaling via een roltrap of lift. Je kunt ook doen wat ik doe: rechtdoor rijden over de tunnelmond heen. De afstand naar Rhoon is inmiddels geslonken tot 9 km.

 

Toetsnaald; intermezzo op de Gaatkensbult

Recreatie- en natuurterreinen, maar de bewoonde wereld is niet ver weg. IKEA lonkt aan de horizon, en iets verder heb je zicht op de Barendrechtse wijk Carnisselande, waarheen in de jaren 00 zoveel Rotterdammers de wijk namen.

Als je het allemaal goed wil bekijken, moet je de Jan Gerritsenheuvel alias Gaatkensbult beklimmen, een berg die een meter of 25 boven NAP uittorent. Er staat een lens op de top die echter weinig vergroot of dichterbij haalt.

De Gaatkensbult ontstond door aanleg van de Gaatkensplas, weer zo’n buffer voor eventuele overstromingen, die ligt tussen deze bult en Carnisselande. De houten brug over die plas lonkt; aan de overzijde weet ik, voorbij de keerlus van RET-tram 25 (al zie ik die momenteel niet) een horecapleintje te liggen. Maar ik wil straks eerst naar Rhoon.

Op dit magnifieke uitzichtpunt ga ik zitten op een wat onhandig, oncomfortabel zitje en tover een broodje en de zaterdagse krant tevoorschijn uit mijn tas. De eindexamens gaan maandag beginnen. LAKS slijpt de messen; myriaden klachten straks weer: de gebruikelijke (te moeilijk, te veel, hebben we nooit gehad, in de vragen lagen de antwoorden niet alreeds opgesloten), waar zich dit jaar nog bijvoegt: op de HEMA-geodriehoek gaan er 12 millimeter in een centimeter.

Het doet mij er in ieder geval aan denken, dat ik deze week precies een halve eeuw geleden toelatingsexamen moest doen voor de middelbare school. Dat had je nog in 1968. Maar het was wel voor het laatst, want de jaargang-‘69 zou een Citotoets voorgeschoteld krijgen.

Hoewel ik in de zesde klas beslist geen uitblinker was met mijn abonnement op zesjes, vond het schoolhoofd dat ik wel op kon gaan voor het toelatingsexamen gymnasium. Hij ging er – terecht - vanuit dat ik wel kón leren, maar er niet altijd even veel zin in had. Schoolhoofden beslisten trouwens indertijd grotendeels in hun eentje waar hun leerlingen heengingen na de zesde. De visie van ouders, laat staan die van de leerling, gaf niet de doorslag.

Het voorsorteren voor de middelbare school en later begon al in de vijfde; toen al werden we in zekere zin opgesplitst in toekomstige blauwe- en wittenboordenwerkers. Als je in de ogen van de onderwijzer slim genoeg was voor minimaal de havo, kwam je in wat bij ons op school De Opleiding heette. We kregen extra huiswerk mee en extra lessen op vrijdag tussen de middag. Wat je er graag voor over had, want je behoorde dan wel tot een elite!

Dat ik dan ook nog examen mocht doen op het gymnasium, was een onmetelijke eer die mij onverwachts te beurt viel. Uit twee zesde klassen met in totaal 60 leerlingen, werden er maar 3 daarvoor uitverkoren. Toch hield de druk me niet uit de slaap, de nacht ervoor.

Het examen zelf viel me ook 100% mee. Het was wat makkelijker dan de opgaven in de Toetsnaald die we de voorafgaande maanden in De Opleiding gemaakt hadden. De Toetsnaald, dat was een opgavenboek waarmee je gedrild werd voor het toelatingsexamen.

De Toetsnaald was niet minder dan een instituut. Mijn moeder had er 27 jaar eerder dan ik al mee geoefend toen zij opging voor de Meisjes-HBS. Maar na ´68 beleefde het boek, tegelijk met die toelatingsexamens, zijn einde.

Het examen was op een maandag plus dinsdag en omvatte alleen rekenen en taal. Geeneens aardrijkskunde; ik hoefde IJsselmonde en het Waaltje niet te kennen.

Wel hoofdrekenen. Je kreeg daarvoor een papiertje ter grootte van een visitekaartje waarop 20 opgaven stonden met stippeltjes erachter voor het antwoord. Er was geen ruimte voor kladberekeningen en die mocht je ook absoluut niet maken, op straffe van uitsluiting. En het moest allemaal een beetje kwiek ook, want je had er maar 20 minuten de tijd voor. En geen LAKS om erover te kunnen jeremiëren.

De uitslag van het examen zou de vrijdag daarop bekend gemaakt worden. Men hanteerde daarvoor het geen-nieuws-is-goed-nieuws-systeem. Wie gezakt was, zou daarvan tussen 19:00 en 20:00 uur telefonisch in kennis worden gesteld. Die avond verzamelden zich naast mijn moeder en broertje ook de grootouders bij ons thuis in de huiskamer. Vanaf zevenen keek iedereen vol angst naar het witte toestel met de draaischijf. Iedereen, behalve ik; zakken was in mijn ogen uitgesloten.

Om tien voor acht ging er een kreet van ontzetting door de woonkamer toen de telefoon rinkelde. ‘Oh, dat zal wel iemand anders zijn’, zei ik luchtig. Mijn moeder nam met vibrerende hand de hoorn op, hakkelde haar naam, én… het was niet de school die aan de lijn was, maar de verloofde van de student die bij ons op een kamer woonde, onwetend van wat ze met haar telefoontje aanrichtte.

Ik mocht, kortom, naar de brugklas van het gymnasium. Het kwam nog in de krant, ook; de namen van de geslaagden kwamen in alfabetische volgorde in het Leidsch Dagblad. Tegenwoordig zou dat als grove privacyschending gezien worden, maar ik was er wát trots op.

Hoe mijn loopbaan op het gym verliep, heb ik wel eens geschreven. Maar die meiavond lag de wereld nog aan mijn voeten; ik zou alles kunnen worden wat ik wilde, ik was er slim genoeg voor: op m’n elfde al op het gymnasium!

Mijn gevoel van triomf hield nog geen etmaal stand. De dag daarop, de tweede zaterdag van mei, net als nu, vertrokken we naar Austerlitz voor dat sneue afscheidskamp van de lagere school waarover ik wel eens geschreven heb. Mijn ego liep leeg als een fietsband met een spijker erin. Rare vergelijking.

Er staat vandaag nog meer nieuws in de krant: Arnon Grunberg houdt op met zijn voetnootjes van hooguit 150 woorden. Ik lees die voetnoten, als ik ergens een Volkskrant vind, altijd met bewondering: zoveel warhoofderij en zoveel waanwijsheid in zo’n kort stukje. Ik heb daar meestal minstens 7 A4-tjes voor nodig. Na 150 woorden zit ik nog in het voorwoord tot de preambule van de inleiding.

Ik klim van die polderberg af en stap weer op de fiets.

 

Dorpen tussen groen en stad

Verder richting Rhoon. Op de dijk staat een jong stel naar me te wuiven en te roepen: een dringende vraag. Ik rem. Ze zijn op zoek naar een recreatiegebied langs het water dat hier moet zijn. Ik wijs in de richting waar ik vandaan kom. ‘Is daar water? Is daar echt water? Daar is toch wel een recreatiegebied aan het water?’ Ze snakken blijkbaar naar een koele duik. Ja, het is warm, vandaag.

Is er echt wel water in onze rivierdelta? Dit lijken me mensen die in de Sahara de weg zouden vragen naar zand en in Zwitserland naar de dichtstbijzijnde berg.

Rhoon betekent, evenals –rooi en –rode in plaatsnamen: omgehakt bos. Maar het Rhoonse Griend, waar ik 20 zomers geleden al eens rondstruinde met een primitieve digitale camera, staat nog overeind. Die wilgenbomen snoeien ze na 3 jaar, voor productie van manden en dijkmatten. Althans, dat schreef ik in ´98; ik garandeer niet dat het nog steeds zo is.

In Rhoon stuit ik op een eeuwenoude herberg en een beeld van Honger, één van de vier apocalyptische ruiters, zoals het me toeschijnt. Maar het is in werkelijkheid de stichter van het dorp: Biggo van Duyveland. Daar hij erg lang geleden leefde, rond de wisseling van de 12e en 13e eeuw om preciezer te zijn, weet geen sterveling meer hoe hij eruit zag. Een beeldhouwer kan zijn fantasie dus de sporen geven. Maar bij de naam Biggo zie ik zelf eerder een geval van obesitas, rijdend op een flinke Zeeuwse knol, dan deze afgetrainde jongeling op een uitgeteerd paard.

Rhoon was in 1974, samen met het aanpalende Poortugaal, het eerste dorp in Nederland dat een metrostation kreeg. Mede daardoor werd het opgestuwd in de vaart der dorpen.

Tegenwoordig heeft Rhoon 2 kernen. Na een kilometer of 3 trappen langs de A15 zie ik opnieuw een plaatsnaambord Rhoon. Hier ligt een stuk van de VINEX-zone waartoe ook Carnisselande behoort. Dat is de wijk Portland, wat eigenlijk een aparte plaatsnaam had moeten worden. Maar de bewoners kozen er per referendum voor om Rhoon te heten en daarmee 010 als netnummer te krijgen. Het wijkreferendum zal daarna wel afgeschaft zijn door D66. Het valt allemaal onder de gemeente Albrandswaard, die heel treffend ‘Dorpen tussen groen en stad’ als motto voert.

Er komen opvallend veel toponiemen voor in dit stukje, nog meer dan anders. Hier in de buurt moet nog een plaatsnaam liggen: het authentieke dorpje Smitshoek. Daar wandelde ik in een vorige incarnatie eens een keer naartoe. Maar het ligt nu zo goed verscholen tussen de nieuwbouw, dat ik het niet meer kan vinden.

Wel kruis ik ergens het stroompje Koedood dat ooit een heuse rivier was die IJsselmonde middendoor deelde. En ik stuit op een paar bijzondere folly’s, architectonische grappen. Huizen met vuurtorens erop en een brug die op een pont lijkt. Daarvoor hebben ze een befaamde regel uit Drs. P.’s lied ‘De Veerpont’ als motto genomen: ‘Als de pont zo lang was als de breedte van de stroom, dan kon hij blijven liggen, zei mij laatst een econoom’.

Ik weet niet; ik kan er best om lachen. Maar een grap, ook een architectonische, is maar één keer leuk. Als je hier 10 jaar of langer woont en elke dag over die pontbrug moet…

Hier ben ik dan teruggekeerd op Barendrechts grondgebied. Nu bereik ik het horecapleintje van Carnisselande en laat me bij de Kwalitaria een gelukkig flink uit de kluiten gewassen, kleddervet broodje ongezond serveren. Na al dat gefiets moet ik toch wat kcal tot me nemen, en zelfs het uur voor de dinunch / het lunee is nu, om half vijf, ook bijna op z’n einde.

Hier zie ik ook waarom ik geen tram 25 zag; die is tijdelijk ingekort wegens wegwerkzaamheden. Ik nam die lijn feestelijk in gebruik eind 2004 / begin 2005 in deel 2 van De digitale reiziger nieuwe stijl. Tsjonge, is dat al weer ruim 13 jaar geleden? Toen had ik die vreemde vuurtorenhuizen ook op de foto.

Terug naar station Barendrecht, met een tocht van nog 4 ŕ 5 km voor de boeg door de eindeloze nieuwbouwwijken in de gemeente van die naam. Ik ga terug in de tijd van jaren 00- naar jaren-50-architectuur. Eerst volg ik fietswegwijzers naar het station over fietspaden langs wateren, daarna voetgangerspijlen door een ouder nieuwbouwwijkje; linksaf, rechtsaf, linksaf, rechtsaf.

Net als ik me afvraag of ik het station ooit nog zal bereiken, doemt het op. Nu nog een halve kilometer naar de fietsenstalling helemaal aan het eind, en deze fietszaterdag zit erop.

Hopelijk kan mijn verslag de toetsnaald der kritiek doorstaan!

Frans Mensonides
20 mei 2018 (in eenen tsinxen daghe)
Er geweest: zaterdag 12 mei 2018


 

© Frans Mensonides, Leiden, 2018