Beminde zaterdag (32)
Februari 2020




Breda



< < < < < Deel 31 al gelezen? 


‘Beminde zaterdag’ is een rubriek over treinreizen op die dag met mijn Weekend Vrij. De titel is ontleend aan een dichtregel van Constantijn Huygens die ook heel de week naar het vrije weekend liep te verlangen. Deze reeks is geïntroduceerd in deel 1. Het overzicht van alle tot dusverre verschenen afleveringen vind je in het archief van mijn Thuispagina. 

Dit is de aflevering van februari 2020. Net als de vorige is hij gewijd aan de (streek)bus, het thema van deze winter.

We schrijven een heel bijzondere maand, want een februari die 5 beminde zaterdagen telt, beleven we slechts eens in de 28 jaar. Het kan alleen in een schrikkeljaar, en dan nog alleen als 1 februari op zaterdag valt.



 

Dongen - Pistunnel - 327Dongen: ontvlezen bij een donkMorbide - Looien - EindHOVen: HOV2 compleet - HOV2, Hotel Eindhoven–Eindhoven Centraal -  HOV2, Eindhoven Centraal–Nuenen -Diagnose over de HOV2 - Vervangend naar Alphen - Nieuw Elan in Alphen aan den Rijn: bus uit het centrum? - 8 januari 1962, 9:19 uur: De treinramp van Harmelen - Felrealistisch monument - Fotogeniek Harmelen - Fietsijzer en busstation van Zwolle - Toeristenoorden in de winter (1): Hasselt (O) - Toch naar Emmeloord - Leshuis des levens - Schrikkelen - Brandbrief over de MerwedeLingeLijn - Toeristenoorden in de winter deel 2: Oostkapelle zu vermieten - P.S.: het virus



Dongen



Dongen

Voor de eerste zaterdag, zaterdag de eerste, is het Brabantse Dongen mijn doel. Waarom Dongen? Waarom niet, is dan altijd een goede wedervraag. In Dongen valt veel te leren over leer. In Museum De Looierij is zelfs een leerroute uitgezet voor de leergierige bezoeker.

Bovendien is Dongen is de grootste plaats in Nederland waar ik nog nooit eerder een voet aan de grond heb gezet. Dat is dan bijna ex aequo met een ander Brabants dorp, Schijndel. Dongen telt volgens recente gegevens uit de Wikipedia 23.765 inwoners. Dat geldt voor het dorp sec. De gemeente Dongen heeft er een paarduizend meer, mede dank zij het nietige dorpje ’s Gravenmoer, ten noorden ervan. Schijndel heeft er slechts 5 minder dan Dongen: 23.760. Daar gaan we ook nog wel een keer heen.

Dongen is op zaterdag alleen bereikbaar met de Bravodirect, waarmee we enkele weken geleden al kennis maakten. ‘Direct’ betekent in Noord-Brabant dat hij hele dorpen overslaat, waar mensen dan niet meer met de bus kunnen. Zie dat verhaal over Sint Willebrord en Sprundel.

Maar Dongen wordt op zaterdag elk halfuur bediend door Lijn 327: Breda (Bijster) – Oosterhout – Dongen – Tilburg. Doordeweeks voegt zich daarbij nog lijn 328, Oosterhout – Dongen – Tilburg, plus enkele buurt- en schoolbussen.


 

Pistunnel

Ook in een bus-special kan ik niet om de trein heen; die zal me toch iedere keer bij het beginpunt van die bus moeten brengen. Deze zaterdag is er, in tegenstelling tot normaal, een rechtstreekse verbinding Leiden – Breda, via Dordrecht, en niet via de HSL. De IC Amsterdam – Dordrecht rijdt door naar Breda. Dat was ook al het geval vóór 2011 of daaromtrent, en nu dus tijdelijk opnieuw.

Het heeft te maken met een spoedreparatie aan een van de 4 sporen in de Willemstunnel in Rotterdam. Die klus zal een paar weken gaan duren. ProRail, nooit om een bizarre smoes verlegen, wijt dit aan slijtage door lozing op het spoor van reizigerspis uit de treintoiletten. En vergeet uit te leggen waardoor in de rest van Nederland het spoor ook niet wegroest en wegrot en wegteert door het gezeik van reizigers.

Door naspeuringen van de onvolprezen Mij voor beter OV zal echter aan het licht komen dat er al jaren achterstallig onderhoud is aan het spoor in de Willemstunnel (lees Rikus’ maandagochtendcolumn van 10 februari). Een slechte zaak.



327

Dongen


Ik pak lijn 327 op het busstation boven station Breda. De bus neemt de HOV-busroute langs het spoor en door het dorp Teteringen. Dat stuk deed ik al eens in augustus 2017, toen die busbaan pas nieuw was.

Ik liet me toen wegregenen uit Teteringen; ‘Teringweer in Teteringen’, heet dat hoofdstuk. Op die dag heerste er zo ongeveer dezelfde temperatuur als vandaag. Maar in augustus noem je dat heel erg fris en in februari heel erg zacht. Waaruit eens te meer blijkt, hoe betrekkelijk alles is.

Na het sterk versteende Oosterhout rijden we het platteland op, en een hobbelige, smalle weg richting het dorpje Oosteind. Wonderlijk dat zo’n Bravodirect er rijden wil, maar het zal de kortste weg wel wezen tussen Oosterhout en Dongen.

Ik verhaalde in Oosterhout lang geleden al eens, hoe deze streek de trein miste, halverwege de 19e eeuw, toen de spoorwegkaart van Nederland getekend werd. De railverbinding Breda – Tilburg ging lopen via Rijen en niet via Oosterhout. Dat is ook de kortste en meest logische route.

Maar een hardnekkige Brabantse legende wil dat de delegatie uit Oosterhout te laat arriveerde op de vergadering in Den Haag waar de spoorkoek verdeeld werd. En dat zou dan te wijten geweest zijn aan te lang boemelen onderweg; boemelen deden ze in Brabant blijkbaar al graag voordat er boemeltreinen reden.

Wat daar van waar mag zijn; deze streek heeft in ieder geval toch nog railvervoer gekend. In 1880 / 1881 opende de Zuider-Stoomtramweg Maatschappij (ZSM) een lijn op smalspoor: Breda – Oosterhout – Dongen. Die kreeg zijn eindpunt bij de Looiersbeurs in het hart van Dongen. Die beurs dateert van 1860 en staat op de collagefoto hieronder in het midden van de onderste rij.

In 1904 werd de stoomtramlijn doorgetrokken naar Tilburg. Op de site van Het Geheugen vind je een dienstregeling van die lijn uit het jaar 1923. Die kon op één pagina. Er reden op het traject Dongen – Tilburg 7 trams per richting per dag. Een rit helemaal van Breda naar Tilburg duurde 2 uur. Bus 327 doet nu zo’n 5 kwartier over 32 km. En snijdt ook nog een stukje af; de tram pikte tussen Oosterhout en Dongen ook ’s Gravenmoer nog even mee.

De stoomtram vervoerde passagiers tot 1934. Daarna werd de lijn verbust; er kwam geen elektrische tram als opvolger.




Dongen: ontvlezen bij een donk

De bus rijdt door een rustige buitenwijk van Dongen met veel twee-onder-een-kap-woningen. Ik stap uit op de Monseigneur Schaepmanlaan, niet ver van het centrum. Of liever: een van de 2 centra van Dongen. Het dorp is genoemd naar de donk, de natuurlijke zandrug waaromheen het ontstaan is. De leerlooierijen stonden in het laaggelegen gedeelte  van het dorp, ook wel Bas Dongen, aan de Kerkstraat bij het Wilhelminakanaal. Daar heb je ook kerk, kroeg en klooster.

De chique en de industriëlen van Dongen gingen een kleine kilometer meer naar het noordoosten wonen, op de Hoge Ham, waar nu het winkelhart is.

Het is niet terecht dat ik Dongen tot nu toe altijd heb overgeslagen. Het is een zeer fotografeerbaar dorp, getuige de plaatjes.

 





Villa Vredeoord staat sinds 1903 aan de Hoge Ham. Het was de woning van Cees Bressers, een rijke leerfabrikant. Daarachter is er een park en een veld dat wel wat lijkt op een brink. Naast het vredesmonument staat de vredeskapel.

Ik heb elders in het land wel eens geschreven dat vredesmonumenten zo ‘in’ zijn omdat een V-teken gemakkelijker te houwen is dan bijvoorbeeld de P van peace. De V in Dongen staat niet alleen voor Vrede, maar ook voor Verzet, Vrijheid, Veteranen, Verbondenheid, Verdraagzaamheid, Verantwoordelijkheid en Vaderland, 8 voor de prijs van één.

Naast Vredeoord staat het culturele hart van Dongen, De Cammeleur. Even verder kunnen we winkelen op het Looiersplein met de afgeknotte bomen. Een zaakje heet ‘Bijoux en Cadeaux’ en spelt dat nog zoals ik het vroeger geleerd heb op school.


 


Op het winkelplein zien we ook een man aan het werk in een leerfabriek. Die had de nogal lugubere functiebenaming ‘ontvlezer’. Over hem gaat straks De Looierij ook nog de nodige informatie verschaffen. Maar ik loop bij dit standbeeld alvast even op de dingen vooruit.

Een koeienhuid bestaat net als de onze, uit een opperhuid en een lederhuid. Die twee werden van elkaar gescheiden op een manier die ik me ook na het bezoek aan het museum nog niet goed kan voorstellen. Maar voordat je überhaupt iets met een huid kon doen, moest eerst het vlees ervan afgeschraapt worden. En dat deed de ontvlezer, met een akelig scherp mes.

Het was een nauwkeurig en verantwoordelijk karweitje. Als de ontvlezer een fout maakte, uitschoot met dat mes, dan was de huid waardeloos geworden. Dan werd er voor straf een gulden ingehouden op zijn salaris, meer dan een half dagloon in die tijden. Noem het: leergeld betalen.

Zoals in vrijwel elke Brabantse plaats heb je hier een vestiging van de winkelketen Boerenbond. Nou wil ik wel eens weten wat daar te koop is. Ik loop de bijna hectaregrote hal binnen. Ze hebben er alles voor dieren- en plantenverzorging: zaad, mest, pokon, gereedschappen, hondenbrokken en -kluiven; aquaria met toebehoren, voer voor tientallen diersoorten, alles wat je maar kunt bedenken.

Alles, behalve klanten op dit uur, 13:40 uur zaterdagmiddag in Dongen. Ik ben de enige in deze immense hal. En het personeel ziet aan mijn neus dat ik niet van planten en dieren houden houd, en niets zal aanschaffen. Niemand komt dan ook op mij af om te vragen of ik iets zoek.

Snel verder. Eens reed de tram door de Tramstraat, maar nu alleen nog maar buurtbus 231 naar ’s Gravenmoer, Kaatsheuvel, Sprang Capelle en Waalwijk. En niet eens op zaterdag; alleen doordeweeks.

 


Wat is dat voor iets mals, denk ik als ik in de verte een wel heel erg klein, laag-bij-de-gronds kerkje meen te ontwaren. Maar nee, geen kerk, alleen een kerkspits. De Sint-Josephkerk is afgebroken in 2009. Maar de spits hebben ze nog!






Morbide

Ik vind een gezellig eetcafé in een lange pijpenla, geheten Jansen en Jansen, tegenover de kerk met de rode koepel. Ter verhoging van mijn beminde zaterdag-stemming ga ik op Twitter een ellenlange timeline zitten lezen over het #coronavirus. De afgelopen week begon de door het virus veroorzaakte ziekte uit te groeien van een ver-van-mijn-bed-kwestie tot een mondiaal probleem.

Die ziekte (als je dit stuk onder ogen krijgt, inmiddels omgedoopt tot Covid-19) is in Nederland nog niet opgedoken op deze Dongen-dag. Het leek me dus wat voorbarig om al over te gaan op vrijwillige quarantainemaatregelen: drie maanden of langer thuis te gaan werken, geen visite te ontvangen en mijn woning alleen te verlaten voor mijn dagelijkse gang naar de supermarkt - met mondkapje!, zo niet: in zo’n anti-virus-astronautenpak. En zeker geen zaterdagse avonturen meer te gaan beleven.

De trouwe lezer weet: ik denk altijd meteen in worst-case-scenario´s. Geruststellende geluiden zijn er op Twitter ook wel te vinden tussen de tweets over #corona (waarvan de helft in het Indonesisch is, een taal die ik niet ken. Wat zou dáár voor afschuwelijk nieuws in staan??) Er wordt overal ter wereld keihard gewerkt aan een elixer, nee, nee, een serum, of hoe heet dat ook alweer bij virussen: een vaccin, ja, zo heet dat. Maar de ontwikkeling daarvan kan nog wel even aanhouden.

Een feit, een geruststelling voor velen: de ziekte treft alleen 60-plussers die alreeds krakkemikkig waren voordat het virus ze trof. Nou ben ik toevallig 60-plusser, zij het nog niet zo lang. En ben ik ook op voorhand al behept behept met comorbiditeit.

Dat slaat dan niet op mijn morbide karaktertrekjes, waaronder altijd denken in worst case scenario’s. Nee, het slaat bijvoorbeeld op mijn diabetes. Daar heb ik normaliter niet zo verschrikkelijk veel last van. Maar die gaat me opbreken als ik besmet zou raken met dat virus. Dan ben ik hartstikke dood, op zeker; een paar dagen geleden wist ik dat ineens zeker.

Maar daar zei gisteren op kantoor ook iemand iets sussends over, ook een bijna-pensionado: ‘Och, Frans, op onze leeftijd moet je uiteindelijk toch érgens aan kapot’. Dat is een onloochenbaar feit, een waarheid als een koe. Laat ik dus verder gaan met mijn zaterdagse missies; ik wil bovendien duizenden, zo niet honderden, lezers niet teleurstellen.

Opvallend vind ik wel, dat Nederland net doet alsof er niets aan de hand is, alsof dat virus onze grenzen nooit zal kunnen overschrijden. We maken ons liever druk over moorkoppen; die bepalen de krantenkoppen.

Zo’n stemming heerst er op 1 februari en ook nog op de 12e van die maand, de dag dat ik dit schrijf. Mijn eigen stukjes hebben ook een incubatieperiode, om in virus-termen te blijven; de tijd die verloopt tussen beleven en publiceren van een verhaal. Binnen die tijd verandert de wereld soms ingrijpend. Maar heel vaak ook niet.

Over een waarheid als een koe gesproken: het is al door half vier, en ik wil nog naar dat leermuseum. Leer maken ze van de huid van dooie koeien, voor wie de oevers van dit geforceerde bruggetje niet meteen zag. Ik klap mijn telefoonhoesje dicht, reken mijn late lunch af en ga weer op pad.



Looien

De Looierij werd gebouw in 1889 als… inderdaad: leerlooierij. Ik arriveer er nog op tijd om de leerroute te doorlopen. Die krijgt gestalte door informatiepanelen, video’s en een audiotour.

En ik leer dan dat Dongen ooit hét leerdorp van Nederland was. Voordat rond 1850 de leerindustrie  op gang kwam, was het maar een armoedig plaatsje. Maar al snel daarna stond Dongen aan de top qua leer; een kwart van het in Nederland geproduceerde leder kwam uit dit dorp.

De ontvlezer hebben we al gehad. De eker is ook onmisbaar voor de leerproductie. De grazige weiden rond het dorp zorgden voor voldoende te slachten runderen, en de bossen voor voldoende eek – net als in Eibergen.

Eek is de schors van de eik. Het eken was een bijverdienste voor arme boeren in het slappe winterseizoen. De eek verkochten ze aan de leerlooierijen; eek bevat voor de leerlooierij onmisbare chemicaliën.

Na de bewerking daarmee moest het leer maandenlang drogen op de droogzolder. Daarna kon de leertouwer aan het werk om het leer verder te bewerken. Uiteindelijk moesten er vanzelfsprekend dingen van gemaakt worden. Schoenen, bijvoorbeeld. Deze streek was ook beroemd om zijn schoenenfabrieken.

Een arbeidsintensieve industrie, de leerproductie. Met een heel lange doorlooptijd: van koe tot schoen verstreek meer dan een jaar. Tegenwoordig gaat het in moderne leerfabrieken allemaal een stuk sneller.

 


De Looierij van buiten – de eker – gereedschap van de leertouwer – een ingenieuze machine die de oppervlakte van een onregelmatig gevormd stuk leer kan berekenen. Het werkt met een rij pinnetjes waar het leer onderdoor gevoerd wordt. Hoe breder het stuk leer, hoe meer pinnetjes naar boven gedrukt worden. Via een moeilijk te doorgronden mechaniek wordt deze informatie overgebracht op een wijzer die het oppervlak aangeeft. Als je ervoor staat, snap je ongeveer hoe het werkt.

 




Ik fotografeer de Kerkstraat in het laatste licht en pak bij de halte Schaepmanlaan weer bus 327 naar Tilburg. Na een paar kilometer platteland bereiken we het bordje dat het begin van Tilburgs bebouwde kom aankondigt. Daarna duurt de rit naar het eindpunt nog zeker wel een stijf kwartier; eerst langs een industriezone waar geen einde aan komt en dan langs rijen flats.

Uiteindelijk bereiken we het fraai verlichte nieuwe busstation van Tilburg. Waarmee deze leerzame zaterdag er op zit.

Frans Mensonides
16 februari 2020
Er geweest: zaterdag 1 februari 2020





EindHOVen: HOV2 compleet



Woensel XL

Eind vorig jaar werd in Eindhoven het laatste stuk geopend van HOV2. Dat is een 13 km lange hoogwaardige busroute die zuid-noord door Eindhoven loopt en daarna oostwaarts afbuigt naar het aangrenzende Nuenen. HOV-2 was al in aanleg en gedeeltelijk in gebruik toen ik 3 winters geleden de nieuwe elektrische stadsbussen van Eindhoven deed. Nu is het project dus voltooid, en dat vraagt om een fotorapportage. Maar eerst wat inleiding.




HOV2 begint aan de zuidrand van Eindhoven bij de kruising van de Aalsterweg met de A2, en dat is bij Hotel Eindhoven van het Van der Valk-concern. Daarvandaan gaat het noordwaarts over de Aalsterweg richting centrum.

Daar trad in 2017 nog een splitsing in de busroutes op. Richting station reden de bussen over de Vestdijk langs het overdekte winkelcentrum Heuvel. In de andere richting reden ze over de Keizersgracht en de Wal langs het stadhuis en het Van Abbe Museum.

Daarin is nu verandering gekomen, tijdelijk of definitief; dat heb ik nergens kunnen vinden. De Vestdijk wordt momenteel gereconstrueerd tot wat ze een stadsboulevard noemen; we zijn benieuwd! De Vestdijkroute is vervallen en de bussen spoeden zich nu in beide richtingen over het Keizersgracht-tracé.

Ze hebben nog wel elk hun eigen haltes op soms heel verschillende plekken. Zuidwaarts stoppen ze bijvoorbeeld aan de halte Witte Dame, en naar het noorden bij de Vrijstraat, een paarhonderd meter daarvandaan. Het is soms even zoeken, maar de – ook heel fotogenieke - langwerpige haltezuilen wijzen de weg.

 

 

Vestdijk. Archieffoto 2017

 
Ten noorden van het station gaat het over de brede Montgommerylaan naar winkelcentrum Woensel XL en daar rechtsaf langs het Summa College naar het centrum van Nuenen.

HOV2 wordt op verschillende deeltrajecten gebruikt door verschillende stads- en streekbuslijnen; we zullen ze in de fotorapportage tegenkomen.

Van HOV2 kun je alles zeggen, behalve dat het een eenheidsworst is. Het woord: ‘lappendeken’ is meer op zijn plaats.  Op sommige plekken ligt er een strakke busbaan voor twee richtingen, op beton met een andere kleur dan de rest van het wegdek; vaak op een verhoging van een halve decimeter. Duidelijk voor de automobilist dat hij daar niets te zoeken heeft.

Op enkele tracés, vooral onderweg naar Nuenen, wijkt zo’n busroute ineens uit naar een ander gedeelte van de weg. De strook voor richting Nuenen wordt dan soms gescheiden van die naar Eindhoven.

In het centrum van Eindhoven ontbreken hier en daar hele stukken busbaan; daar kon hij niet ingepast worden. Heel bijzonder is ten zuiden van het centrum de enkele busstrook in het midden van de weg, die door bussen in beide richtingen gebruikt kan worden. De bekende ‘negenogen’ regelen hoe of wat.

Daar moet het voor automobilisten die niet bekend zijn in de Lichtstad, nog wel eens schrikken zijn als er plotseling een bus opdoemt. Vaak zijn de busstroken daar nauwelijks als zodanig herkenbaar. Voor buschauffeurs is het wel duidelijk. Lezen zij LIJN BUS op het wegdek, dan kunnen ze die baan oprijden; lezen zij die boodschap op z’n kop, SUB NJIL, dan niet. Lezen zij het allebei, dan wordt het uitkijken.

 




HOV2 is hier en daar met moeite ingepast in een stad, ontworpen voor de auto. Knap, dat ze het voor elkaar gekregen hebben.

In Leiden, de vestigingsplaats van deze site, gaan ze nu dan toch eindelijk – na een jaar of 15 gepalaver - de HoLa-HOV-route voltooien voor de R-netbussen naar Zoetermeer. Daar komen de bussen vermoedelijk in dezelfde file te staan als de auto. HoLa duidt op de straatnamen Hooigracht en Langegracht. Maar ‘HOogwaardig of Laagwaardig?’ zou een passendere verklaring zijn voor die afkorting. Ik houd mijn hart vast. Het zal wel Leiden met een lange ij worden.

Leiden komt de twijfelachtige eer toe, de Nederlandse stad te zijn waar automobilisten het langst in de file staan. Files, waar de stadsbussen vaak achteraan moeten sluiten. Dat mist zijn uitwerking niet op de punctualiteit. Ik krijg in Leiden altijd spontaan een appelflauwte van verbazing als een stadsbus aan de halte verschijnt op het tijdstip dat vermeld staat op de haltevertrekstaat. De autodrukte in Leiden is mede een gevolg van het kwistig aanleggen van reusachtige parkeergarages, de afgelopen jaren.

Enfin, de HOV2 van Eindhoven, daar hadden we het over.

Op zaterdag 8 februari bracht ik een middag met veel regen, slecht daglicht en vroeg ingevallen duisternis door langs HOV2. Daarom keerde ik de zaterdag daarop aan het eind van de middag nog even terug naar de stad die zich in de loop van deze maand weer een poosje Lampegat gaat noemen. Ik wilde een paar foto´s nog een keer overdoen.

In totaal nam ik 13 bussen, kriskras op en neer en heen en weer. Ik fotografeerde ze op ongeveer evenveel plaatsen en liep ook hele stukken langs de HOV-busroute, op zoek naar nog mooiere fotografeerplekken. Die ik niet altijd vond; Eindhoven is niet de meest fotogenieke stad van Nederland.

Als je op HOV2 in de bus zit, valt de goede doorstroming op, vooral op het noordelijk gedeelte. Daar krijgen de chauffeurs op kruispunten voorrang door op een knop te drukken op hun console. Het negenoog springt dan op wit. De bussen naar Nuenen doen 18 minuten over de 8½ km van Eindhoven Centraal naar het busstation in het hart van dat dorp.

Op het zuidelijk stuk van HOV2 staat in het centrum nog wel eens een bus lang te wachten voor rood. Toch hebben de bussen maar 12 minuten nodig voor de 4½ km van Eindhoven Centraal naar Hotel Eindhoven. Het zijn heel acceptabele moyennes voor bussen in een drukke agglomeratie.

Is er, naast HOV2, ook een HOV1? Jazeker, die loopt van Eindhoven Centraal naar Veldhoven en Eindhoven Airport, en bestaat al sinds de jaren 00. Hij wordt intensief gebruikt door onder meer die elektrische bussen.

Toch praten ze er in Eindhoven niet graag over. HOV1 had een busbaan moeten worden speciaal voor het technische wonder Phileas. Die zou er automatisch, helemaal vanzelf, over moeten gaan rijden, zonder chauffeur. Daarvoor was een elektronisch geleidingssysteem in de baan ingebouwd. Maar dat werd een grandioze zeperd; ik schreef er een paar jaar geleden over in Strijp S.

 

HOV2, Hotel Eindhoven – Eindhoven Centraal

13 bussen genomen! Een chronologisch verhaal van al die ritten zou geen sterveling kunnen boeien. Het wordt dus: een hodologisch verslag, zoals dat op deze site heet.

Het zuidelijkste gedeelte van HOV2 wordt bereden door de lijnen 7 (Eindhoven Centraal – Veldhoven Ziekenhuis), 117 (Eindhoven Centraal – Valkenswaard; spitsbus), 317 (Eindhoven Centraal – Valkenswaard – Dommelen) en 318 (Eindhoven Centraal – Valkenswaard – Dommelen – Bergeijk – Luijksgestel; pas nog genomen).

Voorbij de halte Kortonjo voegt zich daarbij nog, vanuit een zijtak van HOV2, lijn 407  (Hi Tech Campus – Eindhoven Centraal; alleen doordeweeks). Die elektrische bus nam ik in 2017.

In het centrum van Eindhoven takken er nog diverse andere stads- en streeklijnen aan op HOV2.

 

Halte Theo Koomenlaan. Voor de jongeren onder de lezers: die is genoemd naar een befaamde sportjournalist en -commentator. Zijn tomeloos enthousiaste voetbal-, wieler- en schaatsrapportages zijn tot de dag van heden nog legendarisch. Theo - ‘hi-hi-hi, ha-ha-ha’ - Toomenloos, noemde de striptekenaar Dick Bruynesteyn hem altijd. Die laatste naam zal de jongere generatie ook niet veel meer zeggen.

‘Ge-wel-dig!!’, was het stopwoordje van Theo Koomen. Hij deed de waarheid ook wel eens geweldig veel geweld aan. Als de toeschouwers in het stadion een bal méters over het doel zagen vliegen, maakte Theo er in zijn radioverslag van, dat die bal de lat gescheerd had.

Fragmenten uit Koomens radioverslag van de Europacup 1-finale Feyenoord – Celtic, dat hij samen deed met zijn collega Wim Hoogendoorn, werden uitgebracht op een single. Die haalde de Veronica Top 10. Dat is wel uniek, een tophit met alleen gesproken woord, zonder zang en snarenspel. Ook alweer een halve eeuw geleden, die wedstrijd.

Het was een publiek geheim dat Theo Koomen 2 vrouwen had. Een frontale autobotsing maakte een einde aan zijn leven. Hij had verzuimd, voorrang te verlenen.





Nog meer weetjes zijn onderweg. De volgende halte is namelijk: Kortonjo. Dat een halte Stadhuisplein heet, of zoiets gewoons, dat neem je voor kennisgeving aan. Maar bij Kortonjo wil ik toch wel weten waar die naam vandaan komt.

Kortonjo klinkt nogal oosters, maar het zijn de 3 namen van de oorspronkelijke bewoners van de villa Kortonjo: JOhan Fens, notaris, zijn vrouw KOR en hun zoon AnTON. Een villa als een paleisje. Vanaf de Aalsterweg zie je alleen enkele bijgebouwtjes. Kortonjo werd ook de naam van  een flatgebouw, verzorgingscentrum en zelfs een complete woonwijk.

Blik door voorruit op de ‘enkelsporige’ busbaan ten zuiden van het centrum.

 


Deze halte, op de splitsing van de Keizersgracht- en de Vestdijkroute, wordt in de bus aangekondigd als: ‘P.C. Hooftstraat – Diagnostiek voor U’. Dat laatste staat ook op een groot gebouw. Het is een nogal ruim uitgevallen artsenlaboratorium. Maar je kunt er vast ook wel zo´n volledige check-up ondergaan, helemaal door de molen: analyse van bloed, plas en drol; EEG, ECG, inspanningstest; röntgenfoto, echo en CT-scan van kruin tot grote teen; de hele santenkraam. Daarna kunnen ze je exact vertellen waaraan je over 25 jaar zult overlijden.

Als je tenminste niet al veel eerder succumbeert aan het Coronavirus, alias Covid-19. Deze 2 Eindhovense zaterdagen neem ik me voor – en ik houd me er ook aan – geen nieuwtjes tot me te nemen over dat om zich heen grijpende virus. Liever google ik naar allerlei overbodige weetjes. Struisvogelpolitiek – de politiek die deze dagen heel Nederland omarmt.

 

En hier is dan de al aangekondigde halte Stadhuisplein.

 

Halte Witte Dame, bij een wit verzamelgebouw dat zo heet, in een wijk die ook zo heet. Het gebouw heeft een Philips-verleden (net als de rest van Eindhoven).

 

Busstation Neckerspoel achter Eindhoven Centraal op recente archieffoto; december 2019.


HOV2, Eindhoven Centraal – Nuenen

 


Dit hier, op een ruime kilometer ten noorden van het station, is het sluit- en klapstuk van HOV2. De busbaan over de Montylaan kruist hier de Ring ongelijkvloers, vlak bij de halte Fontys Rachelsmolen; ook een naam waarover je dingen zou kunnen opzoeken.

De Ring is een autoriool dat in een bijna volmaakte cirkel wijd om het centrum van Eindhoven heen ligt. Het is feitelijk geen autoweg; allemaal gewone, brede straatwegen met huizen aan weerszijden. Wie wil daar nou wonen?

In het zuiden kruist HOV2 de Ring bij een hyperdruk kruispunt. Voetgangers worden er rucksichtslos overhoop gereden door afslaand autoverkeer, ook al staat het voetgangerslicht op groen.

Maar in het noorden een veel betere oplossing. Deze autotunnel onder de busbaan door kwam in de herfst van 2019 gereed als laatste onderdeel van HOV2. De gemeente Eindhoven beloofde ons een prachtig lichtspel na donker, met telkens veranderende kleuren als je er doorheen rijdt.

Rijdt? Ja, dat is wel even een domper. Er is geen trottoir in die tunnel. Als voetganger mag je er niet komen. Ik kan hem alleen van enige afstand fotograferen. Daarvoor ben ik nou op een avond met afgrijselijk hondenweer - de vooravond van de storm Ciara – nog tot na zessen in Eindhoven gebleven.

Als je als voetganger of fietser echt een mooie lichtshow wilt zien in de Lichtstad, kun je wel terecht op het Van Gogh – Roosegaarde fietspad op de grens van Eindhoven en Nuenen; ik fietste er een paar jaar geleden.

Hier op de HOV2 op de Veldmaarschalk Montgommerylaan nadert nu een ander lichtverschijnsel; zwaailichten op politiemotoren. Er passeert een colonne van 10 à 12 touringcars met politie-escorte. Het zijn Willem II-supporters op weg naar het PSV-stadion voor de Brabantse derby.  Maar het is hun avond niet, zo zal blijken.

Dit stuk HOV2, van het station totaan het winkelcentrum Woensel met de terechte toevoeging XL, wordt bereden door de lijnen 9 (Eindhoven Centraal – Best Station), 322 (Eindhoven – Nuenen – Gemert / Uden), 400 (Eindhoven Centraal - Eindhoven Airport), 404 (Eindhoven Centraal – Summa College; op werkdagen door naar Nuenen), 405 (Eindhoven Centraal – Achtse Barrier) en 406 (Eindhoven Centraal – Ekkersrijt).

Even voor Woensel XL voegen zich hier stadslijnen 2 en 3 (Eindhoven Centraal – Blixembosch) nog bij, die opdoemen vanuit een zijstraat. Ik neem op de eerste middag een keer lijn 3, omdat die zich als eerste aandient bij het busstation Neckerspoel. Die bus rijdt langs het Máxima-ziekenhuis en de TU/e, de Technische Universiteit Eindhoven.

Die laatste brengt me het geniale 9-jarige jongetje weer te binnen, dat laatst in het zicht van de haven zijn studie staakte na een conflict met de leiding. En ik denk aan zijn volmaakte tegenpool, een vierdejaarsstudent aan de TU/e die onlangs het treinkrantje Metro haalde met ZIJN topprestatie. Hij ging voor de 10e keer op voor een schriftelijk eerstejaarstentamen in calculus, wat een onderdeel van de wiskunde schijnt te zijn. De eerste 9 keer was hij er kansloos voor gezakt. Hij legde de oorzaak bij activiteiten, anders dan studeren, die het studentenleven zo veraangenamen.

Het was een running gag onder zijn jaargenoten; ze hadden er zelfs een website aan gewijd waar je kon wedden op het cijfer dat hij bij de volgende poging zou behalen. Voor de feestelijke gelegenheid van het tweede lustrum had hij zich in rokkostuum gehesen. Hij schatte zijn slagingskansen nu wel gunstig in: hij had zich even op de materie geconcentreerd, en dacht dat hij het foefje nu wel doorhad.

Ja, dat heb je met calculus: je ziet het of je ziet het niet. Ik heb later niet gelezen of hij wel of niet geslaagd is.


Ik deed even wat lijn 3 deed: een zijpad inslaan, weg van HOV2. Nu weer: bussen, hier bij de ruim opgezette overdekte halte, 4 perrons, tegenover Woensel XL.

Daar treedt een splitsing op. Rechtsaf de voortzetting van HOV2 richting Nuenen, maar linksaf ook nog een stuk busbaan, dat geloof ik niet tot HOV2 hoort, maar er al eerder lag. Die baan wordt gebruikt door de lijnen 9, 400, 405 en 406; die laatste 3 had ik al in 2017.



Deze busbaan heeft een halte bij wijkwinkelcentrumpje Gerretsonplein. De flat daar is van een groteske lelijkheid die bijna omslaat in schoonheid; extremen raken elkaar altijd.

Nu dan verder naar Nuenen.







De halte Eckartdal ligt op de grens van Eindhoven en Nuenen in een parkachtige omgeving. Langs de de HOV-baan liggen het Novalis- en het Summa College. In het laatste haal je, heel erg origineel, het beste uit jezelf. Dat doe ik ook altijd, als ik deze stukjes schrijf. En als het artikel te lang dreigt te worden, haal ik ook daar het beste weer uit. Wat er daarna nog van overblijft, slinger ik op Internet.

Een bar slechte grap, en bovendien niet de eerste keer dat ik hem debiteer.

Je hebt hier ook de Evangelische Basisschool Online. Aha, een online-school, dat kun je natuurlijk verwachten in een innovatieve technologische onderwijsstad als Eindhoven! Niet meer je jeugd doorbrengen in volle, muf ruikende klaslokalen, met een continu op de rand van burn-out balancerende meester of juf ervoor. Nee, lekker thuis, met een laptop op de bank. Vreemd is, dat er wel een schoolgebouw staat; dat is dan toch niet meer nodig, zou je denken.

Van zoiets moet ik het mijne hebben, ook al heb ik er niets mee te maken. Ik duik er even in. En het blijkt, dat men er 24/7 online is met de Heer. Oh?

Dat brengt ons in Nuenen. Zeg Nuenen en ik zeg: Vincent van Gogh. Ik wandelde en fietste al eens in het dorp der aardappeleters.

Op het busstation (hier op archieffoto uit 2017)  kun je, behalve lijnen 322 en 404, ook nog 2 andere lijnen nemen die rijden naar Eindhoven Centraal via een andere route dan HOV2. Nuenen heeft weinig reden tot klagen over bereikbaarheid!



Nuenen Centrum, Archieffoto 2017




Nuenen

Diagnose over de HOV2

Reden tot klagen over de bus: dat heeft de hele agglomeratie Eindhoven niet. Laat ik ook eens een diagnose-voor-U stellen. In 1997 deed ik, ook op een zaterdag, al eens het stadsvervoer van Eindhoven. Het is lang geleden; het was in de eerste jaargang van deze site. Ik zag toen bussen die voornamelijk lege stoeltjes vervoerden.

Deze 2 zaterdagen in twintig-twintig zat ik steeds in volle tot overvolle bussen. Goed, die Phileas was een fiasco, een Phileasco. Maar verder heeft Eindhoven de inwoners van de stad toch in de bus weten te krijgen.

Het zal niet in de laatste plaats komen door HOV1 en HOV2. Maar ook het moderne materieel zal een rol spelen; Eindhoven was 3 jaar geleden de eerste Nederlandse stad met elektrische bussen.

Op de lijnennetkaart (zie hier ergens boven) zie ik verder een heel dicht spinnenweb van buslijnen. Dichter dan in 1997, volgens mij, terwijl veel andere middelgrote steden hun stadsbusnet alleen maar uitgedund en uitgehold hebben, de laatste decennia.

Kortom: de diagnose luidt: de EindHOVense bus is zo gezond als een vis!

Frans Mensonides
23 februari 2020
Er geweest: zaterdag 8 en 15 februari 2020



Vervangend naar Alphen

Van zaterdag 8 tot/met zondag 16 februari 2020 beleefden we de 9-daagse van Leiden; veel minder treinen van en naar Leiden Centraal en in het weekend van 8 en 9 zelfs helemaal geen treinen.  

Doordeweeks bracht dat de nodige overlast met zich mee voor de forens. Die ik zelf tot een minimum beperkte door pas na de ochtendspits op pad te gaan en ter compensatie vóór de middagspits weer in de Sleutelstad terug te keren. Oudbakken kantoorgrapje; zo’n werkdag betekent in werkelijkheid: heel laat thuiskomen.

In het eerste weekend, 8 en 9 februari: de hele boel plat. Lichtelijk verbijsterd was ik door de opzet van het vervangende vervoer tussen Leiden Centraal en Den Haag. De bussen reden, net zoals tijdens de 22-daagse van maart / april 2019, eerst naar een ‘transferium’; een weidse naam voor een overstappunt langs de A44 aan de rand van de stad. Daar kon je dan overstappen op een andere bus die ook niet naar Den Haag Centraal reed, maar naar station Den Haag Mariahoeve. Daar kon je een Sprinter nemen. Totale reistijd: 1:07 uur, met 2 overstappen, voor een afstand van 15 km; in 1845 ging het een stuk sneller.

Zondag de 9e raasde de storm Ciara over het land. In de loop van de middag kwam het vervangende busvervoer daardoor helemaal tot stilstand; allemaal van de weg gewaaid! Dat terwijl de reguliere streekbus – waarmee je in 3 kwartier van Leiden naar Den Haag reist – gewoon bleef rijden.

Ik heb dat verhaal van die zondag van horen zeggen; die dag ben ik wijselijk de deur niet uit geweest.

Een dag eerder pakte ik, op weg naar Eindhoven (zie hierboven) bij Leiden Lammenschans de vervangende bus naar Alphen a/d Rijn. Dat vervoer was wél goed geregeld.

Om 10:10 uur, exact volgens de dienstregeling, arriveerde er een vloot van 3 bussen die op de route van Leiden Centraal naar Alphen a/d Rijn station Lammenschans meenamen.

Tussen de stations Leiden Lammenschans en Alphen a/d Rijn liggen slechts 12 spoorkilometers. Maar de bus moest zich eerst naar de A4 begeven, en die na een paar kilometer verlaten voor de N11 – waar hij dan toch het spoor weer volgde. Daarna reed hij bijna heel Alphen voorbij om ergens bij Archeon rechtsomkeert te maken richting station.

19 km in plaats van 12. Ik vreesde voor de aansluiting op de treinen naar Utrecht en Gouda. Maar die werden zonder probleem gehaald. Ook die avond op de terugweg: alles op rolletjes. Dat mag ook wel eens gezegd, al zie ik zelden aanleiding om scheutig te zijn met complimentjes voor NS.

 

Nieuw Elan in Alphen aan den Rijn: bus uit het centrum?

De zaterdag daarop begint met opnieuw een reisje naar Alphen a/d Rijn – deze keer per trein, want in het tweede weekend van de 9-daagse rijden er ineens wel weer gewoon treinen van Leiden naar Alphen.

In Alphen a/d Rijn is iets aan de hand met het stadsvervoer (het stond in de plaatselijke krant: artikel 1 en artikel 2). Wat dat precies is, kan het beste worden uitgelegd aan de hand van dit kaartje.

 


Het stadsvervoer wordt voornamelijk uitgevoerd met lijnen 1 en 2 (afgezien van wat dunne lijntjes naar themapark Archeon en naar een industrieterrein). Die 2 lijnen hebben dezelfde route, alleen rijden de bussen op lijn 1 tegen de klok in en die op lijn 2 met de klok mee. Bus 1 rijdt vanaf het station eerst naar het centrum, doet dan de wijken in het noorden van de stad en keert buiten het winkelhart om terug naar het station. Lijn 2 doet dat alles dus vice versa achterstevoren andersom.

Beide lijnen nemen de Alphense Brug (waar ik een A op het kaartje heb getekend) in het autovrije gebied van het centrum; lijn 1 dus op de heenweg en lijn 2 op de terugweg. Dat betekent: 4 keer per uur een bus. En dat is een doorn in het oog van vele lokale politici.

De partij Nieuw Elan, met 9 zetels de grootste in de gemeenteraad, heeft voorgesteld, de bussen tussen winkelcentrum De Aarhof en het station om te laten rijden via de huidige route van lijn 147 (Uithoorn - Alphen a/d Rijn) en dus via de Julianabrug (J). Nadeel daarvan is dat de halte op de Castellumstraat, bij het stadhuis, zal vervallen. Bovendien neemt de reistijd met ca. 3 minuten toe en wordt de route 1500 meter langer, wat de busreiziger via zijn chipkaart zal moeten betalen. Ongewenst voor de reiziger, al met al.

Busmaatschappij Arriva heeft een nog radicalere oplossing: het hele centrum overslaan en meteen de Julianabrug over. Daarmee zouden tevens de haltes Lijsterlaan en Meerkoetstraat komen te vervallen op lijn 1 en 2.

Er komt nu een onderzoek, zo heeft de gemeenteraad besloten. Ik ga er deze zaterdag ook maar eens een instellen. Ter plaatse kijken zegt altijd meer dan plattegronden bestuderen.

 



Julianabrug


De Julianabrug versus de Alphense Brug, dus, die beide de oevers van de Oude Rijn overspannen. Maar als voetganger kun je flink afsnijden op weg naar het centrum. Ik loop vanaf het station binnendoor door een wijkje met huizen uit de tijd dat deze stad met ruim 70.000 inwoners nog maar een stadje was. Daarna kruis ik de Rijn via een vrij smalle brug die ook wel een naam zal dragen.

Alphen a/d Rijn is zo’n plaats waar je alleen maar doorheen komt. Toch was er een tijd dat ik er regelmatig kwam. Dat was in de jaren 90 toen ik in het bestuur zat van de afdeling Leiden om omstreken van ROVER.

We hadden in Alphen regelmatig overleg met 2 beleidsambtenaren ter secretarie waarvan er een, heel aptonimisch, de heer Buscop was. In die tijd reden, als ik het me goed herinner, vrijwel alle bussen, stads- en streek-, door het winkelhart. Was er indertijd eigenlijk wel iets te wensen voor ROVER, op dat stadhuis? Die vergaderingen verliepen dan ook altijd nogal gemoedelijk en duurden nooit hele middagen.

De bussen namen toen vrijwel allemaal de nu omstreden Alphense Brug in de Pieter Doelmanstraat. Nu heten die 4 stadsbussen per uur die er nog over moeten, ineens een groot gevaar.


Het valt allemaal erg mee als je deze foto bekijkt, nota bene genomen vlak na een brugopening. De bussen rijden niet harder dan stapvoets en er is, zelfs op zo´n winter-winkelzaterdag, plenty ruimte voor voetgangers en fietsers.

De Alphense Brug is in 1990 nog eens onklaar geraakt, schiet me te binnen nu ik hier na lange tijd weer eens loop. Hij ging op een kwaaie morgen omhoog voor een boot, en wou daarna niet meer naar beneden, maandenlang niet meer. De hele massa bussen en fietsen moest omrijden. Er kwam een pontje voor voetgangers.


Er was in de jaren 90 een compleet busstation bij de ingang van het overdekte winkelcentrum de Aarhof. Dat plein vind ik nu terug als parkeerplek voor zeeën autoblik. Wat verloren staan er nog 2 abri’tjes. Hier stoppen de stadsbuslijnen 1 en 2, bus 147 en een buurtbus die doordeweeks overdags elke 90 minuten via Zwammerdam naar Bodegraven rijdt. Eén van de haltes bevindt zich achter het hek van een bouwplaats.

Er staan nu nieuwe huizen rond dit plein, die historische kneuterigheid en lulligheid uitwasemen, en er zijn er nog meer in aanbouw. Ook het verlaten winkelpand van V&D zal omgetoverd worden in appartementen. Of ze komen er in de plaats van; het is niet helemaal duidelijk.

Dit alles heeft te maken met de ‘uitstraling’, zoals blijkt uit de banier bij de Aarhof. Bij uitstraling en Nieuw Elan passen vermoedelijk geen bussen. Deze hele wijk, inclusief winkelhart, zal binnenkort wel eens geheel verstoken kunnen zijn van stadsvervoer.

Het is hét gesprek van de dag hier; ook onder boodschappen doende huisvrouwen.

 

8 januari 1962, 9:19 uur: De treinramp van Harmelen

Een paar kronkels van de Oude Rijn stroomopwaarts ligt het dorp Harmelen. De rivier is daar maar een heel smal, landelijk stroompje, vergeleken bij de brede ader voor de binnenvaart die zich door Alphen slingert. Voorbij Harmelen, langs De Meern richting Utrecht, is de Rijn gekanaliseerd en heet zij Leids(ch)e Rijn.

Harmelen kan ook bijna 60 jaar na dato slechts gedachten wekken aan de grootste treinramp uit de Nederlandse geschiedenis. En dat nog ten onrechte ook. Die botsing, die 93 mensenlevens eiste, vond 2 km buiten het dorp plaats bij de buurtschap De Putkop in de toenmalige gemeente Kamerik. In de tussentijd zijn beide gemeenten, Harmelen en Kamerik, opgegaan in Woerden.

De provincie Utrecht kent nog een paar meer van dat soort misplaatsingen. Zo staat wat in de volksmond ‘De zendmast van Lopik’ heet (officieel: Gerbrandytoren) in IJsselstein en de scheefzakkende Pyramide van Austerlitz in Woudenberg.

Op de mistige morgen van maandag 8 januari 1962 vond er om 9:19 uur een bijna frontale botsing plaats.  De betrokken treinen waren de stoptrein Rotterdam CS – Gouda - Amsterdam CS (een groen Mat46-treinstel) en de sneltrein Leeuwarden – Rotterdam CS (getrokken door een blauwe loc van de 1100-serie, die locs met een soort patrijspoorten). Het was bij een beruchte black spot op het spoorwegnet, waar al eens eerder brokken geweest waren.

Mat46-stel en loc van de 1100-serie

Foto loc. 1100 door Janderk1968 - Eigen werk, CC BY-SA 4.0, overgenomen van Wikipedia NS 1100 (elektrische locomotief)
Foto Mat 46-stel door Eriksw - Eigen werk, CC BY-SA 4.0,
overgenomen van Wikipedia Mat ‘46

De stoptreinen moesten op weg van Woerden naar Breukelen linksaf slaan en daarmee het pad kruisen van de sneltreinen op het traject Utrecht - Gouda. Beide treinen maakten ter hoogte van De Putkop gebruik van hetzelfde stukje spoor. Op die plek is in de jaren 90 een fly-over aangelegd.

Volgens het normale uurpatroon zou de stoptrein dit punt, ´Harmelen aansluiting´, om .16 moeten passeren, 4 minuten na de sneltrein Leeuwarden - Rotterdam en 3 minuten voor die van Groningen naar Den Haag. Op die morgen had de trein Leeuwarden – Rotterdam echter vertraging.

De seinen en wissels werden bediend vanuit een hypermoderne NX-post in Woerden, die in 1961 in gebruik was genomen. De treindienstleider hoeft daar maar 2 knoppen in te drukken: het punt waar een trein het gebied binnenkomt (eNtrance) en waar hij het verlaat (eXit). Seinen en wissels komen dan automatisch in de goede stand.

Omdat de sneltrein uitbleef, gaf de dienstdoende treindienstleider voorrang aan de stoptrein. Toen de sneltrein toch nog verscheen, miste de machinist daarvan in de dichte mist het gele sein en remde hij pas bij het zien van het rode sein; te laat.

A.T.B., automatische treinbeïnvloeding, had het ongeluk kunnen voorkomen. Een trein remt dan automatisch als de machinist een sein negeert. A.T.B. bevond zich in die tijd pas in een experimenteel stadium. Na de ramp van Harmelen werd het systeem versneld uitgerold, maar het zou nog 25 jaar duren voordat het op het gehele Nederlandse spoorwegnet effectief was.

Ik, 5 jaar oud in 1962, herinner me nog heel vaag de krantenkoppen en de nieuwsuitzendingen over de ramp op tv (en dat ik daarna jarenlang Hamelen en Harmelen door elkaar gehaald heb: ‘de treinbotsing van Hamelen’ en ‘de rattenvanger van Harmelen´). Als ik nu de verslagen in krantenartikelen uit ’62 teruglees, merk ik dat er ook niet veel meer te herinneren valt.

Rampen werden in die tijd in zekere zin voor kennisgeving aangenomen. Na die 8ste januari zonden Hilversum 1 en 2 nog wel enkele dagen lang stemmige muziek uit. En vrijdag de 12e, de dag dat de meeste slachtoffers begraven werden, was een dag van nationale rouw.

Maar daarna hernam het leven snel zijn normale gang. Niet het mediaspektakel van tegenwoordig. Ik denk dat de volwassenen van toen al compleet murw geslagen waren door rampen uit het recente verleden: WO II, de Hongerwinter en de Watersnood.

Er was zelfs vrijwel geen enkele vorm van opvang of nazorg voor de nabestaanden van de dodelijke slachtoffers en voor de overlevenden – waarvan er 52 gewond waren geraakt en de overigen zich veelal dezelfde dag alweer meldden op school, kantoor, fabriek of in de kazerne. Het is nou eenmaal gebeurd; niet meer over praten; dat leek het devies.

Hans Fictoor schreef in 2008 een boek *) over de ramp. Hij is de oudste zoon van Piet Fictoor, de omgekomen machinist van de stoptrein (dus niet degene die de fout gemaakt had). Indrukwekkend is het relaas over de impact die de dood van de machinist had op zijn nabestaanden. Verbijsterend zijn de verhalen over de botte manier waarop het gezin tegemoet werd getreden door NS. Drie dagen na de uitvaart van Fictoor kwam er al een NS-medewerker aan huis om alle bedrijfseigendommen op te halen, en niet te vergeten de vrij-reiskaarten van de gezinsleden.

*) Hans Fictoor, ‘Ter nagedachtenis Treinramp Harmelen 8 januari 1962’, 2008 (uitgave in eigen beheer).

 In 2012, bij de 50-jarige herdenking van de ramp, werd nabij de plek des onheils eindelijk een monument geplaatst ter nagedachtenis van de slachtoffers. Ik ga het bekijken.

 

Felrealistisch monument


Harmelen is bereikbaar met bus 102 van Syntus Utrecht: Woerden Station – Harmelen – De Meern – Utrecht Centraal. Hij vertrekt elk halfuur van de voorzijde van station Woerden, doorkruist een Woerdense nieuwbouwwijk en neemt daarna de kronkelige N198 langs de grazige weiden van het Groene Hart.

Een paar kilometer verder wordt de halte Putkop afgeroepen. Daar lag ooit een gelijkvloerse wegkruising over de spoorbaan, maar nu gaan we er via een tunnel onderdoor. De bus stopt wat meters daarvoorbij. Ik loop terug en het talud op naar de spoorbaan. Daar staat het monument.

De ontwerper, Taeke de Jong, heeft zich laten leiden door fel realisme, eerder dan door vage symboliek. Het monument bestaat uit een verminkt slachtoffer in brons en twee grote stenen met daarop de namen, het geslacht en de geboortedata van de 93 doden. Tussen die steenplaten door zie je de rampplek, enkele hectometers verderop, waar nu die fly-over ligt.

Na de onthulling in 2012 bleek helaas dat de lijst van namen verschillende (spel)fouten bevatte; het werk moest worden overgedaan.

Het jongste slachtoffer van de treinramp was een meisje van 3, het oudste een man van 81. Opvallend genoeg waren slechts 13 van de 93 doden van het vrouwelijk geslacht. Vrouwen zaten anno 1962 midden op de maandagmorgen niet in een trein. Die zaten thuis om de was te doen. Wat een tijdsbeeld die namenlijst schetst! Het lijkt wel 160 jaar geleden, in plaats van 60.

Nu ik erover nadenk: zo´n extreem dichte mist als op die rampmorgen komt zelden meer voor in de tegenwoordige tijd. Uit datzelfde jaar ’62 herinner ik me nog, veel duidelijker dan de ramp van Harmelen, de ‘Sinterklaasmist´, zoals ik het altijd noem. Op 5 december bedroeg het zicht niet meer dan 5 meter en botsten mensen op het trottoir pardoes tegen elkaar op. Dat heb je nooit meer. Ik weet niet precies hoe dat komt, maar het zal wel de zoveelste voorbode zijn van de naderende klimaat-Apocalyps. Maar daarover gaan we ons wel weer eens dik maken zodra dat gedonder met dat virus achter de rug is.

 

Fotogeniek Harmelen

Aan de Breudijk, vlak bij de plek des onheils, is nog steeds aannemingsbedrijf Van Leeuwen gevestigd. De mannen van dit familiebedrijf waren na de treinbotsing als eerste ter plaatse en bleven de hele dag helpen met het bevrijden en transporteren van slachtoffers.

Ik loop naar het dorp Harmelen en word bijna van de weg af geblazen; alweer een weekend om eens flink uit te waaien. Deze storm heet Dennis. Ik hoop dat ze van de zomer de hittegolven en onweersbuien ook namen gaan geven, gewoon voor de leut.

Harmelen, aan dat nauwelijks bevaarbare watertje, is een verrassend fotografabel dorpje. Als ik het Pompersplein betreed, passeert net met gierende sirenes de brandweer. In het hart van het dorp wordt huize ´Dorpswelvaren´, een 17e-eeuwse taveerne, geflankeerd door een bakkerij, links daarvan, uit dezelfde eeuw.













Aan de andere kant, de westkant van Harmelen stond Kasteel Huize Harmelen, totdat het in Rampjaar 1672 oorlogsslachtoffer was geworden. Sinds 1950 staat er op die plek een nieuw kasteel in oude stijl, moeilijk te fotograferen doordat de huidige kasteelheer niet houdt van pottenkijkers en kwistig is met verbodsborden.

Zijn middeleeuwse voorgangers bezaten al sinds de 9e eeuw het ‘heerlijke recht van duivenvlucht’. Het torentje (zie collagefoto) was niet alleen zijn duiventil maar ook nog een niet over het hoofd te zien status- of voor mijn part fallisch symbool.

Een ander reliek uit vroeger eeuwen is de rollepaal aan het jaagpad langs de Bijleveld, de originele loop van de rivier, voordat die gekanaliseerd werd. Het touw van de trekschuiten werd bij een bocht in de rivier om zo’n paal geleid.

In 1624 brak bij Tull en ’t Waal de Lekdijk door. Door de dijkdoorbraak kwam wat we nu het Groene Hart noemen grotendeels onder water te staan. De steen met de tekst ‘De hoecte van de Leck 1624’ stond eerst op een andere plek maar is nu ingemetseld bij de brug in het hart van Harmelen. En omdat hij verplaatst is, weet niemand nu meer hoe hoog het water nou precies stond.

Het waren me trouwens de jaartjes wel, 1623 / 1624, met ook nog een pestepidemie, misoogsten en honger in Nederland.

Wist ik maar, waarom er voor verkeersrampen en dijkdoorbraken eerder monumenten worden opgericht dan voor epidemieën en hongersnood. Ik denk, bij nadere overpeinzing, dat het is omdat de laatste twee niet op een bepaalde plek plaatsvinden, maar zich juist kenmerken door uitgestrektheid over een groter gebied. Waar moet je zo´n monument dan neerzetten?

Ik pak bus 102 naar Utrecht. Na een paar kilometer platteland rijden we Utrecht Leidsche Rijn binnen waar de bus zijn haltes deelt met diverse stadslijnen. Daaronder de U-link lijn 28 die ik een paar maanden geleden deed.

Geen Utrechter stapt in deze streekbus. Dat doen grote-stadbewoners sowieso al niet graag. En bovendien rijdt lijn 102 om via de bedrijventerreinen Oudenrijn, Strijkviertel en Papendorp – waar we wel snel doorheen schieten, omdat daar op zaterdag ook niemand instapt. Daarna de Busbaan Transwijk die afgelopen zomer in gebruik werd genomen.

Eindbestemming bereikt: Utrecht Centraal. Dit is zo´n zaterdag die wel van elastiek lijkt. Ik houd een paar uur over en ga nog wat foto’s maken in Eindhoven; zie hierboven.

Frans Mensonides
1 maart 2020
Er geweest: zaterdag 15 februari 2020





Fietsijzer en busstation van Zwolle


Elke vrijdagavond is het weer puzzelen: waar kan ik morgen naartoe? Naast de vele weekendse treinstremmingen en de overvloedige regenfronten deze winter, is van de week carnaval ook nog een factor om rekening mee te houden. Daar wil je als nuchtere noorderling niet tussen belanden, dus niet de Grote Rivieren oversteken, in ieder geval.

Ik zet me deze maand verder elke week schrap. Ooit komt de zaterdag dat ik ook nog om gebieden heen moet reizen die in lock down zijn wegens quarantainemaatregelen. Ik heb in ieder geval mijn voorzorgsmaatregelen getroffen en ben aan het hamsteren geslagen.

Niet dat ik mijn eenpersoons vriezer volgepropt heb met maaltijden voor 6 maanden. Dat heeft niet zo gek veel zin. Nee, ik hamster hoofdstukken van Beminde zaterdag. Ik loop 2 weken achter met deze rapportages, bewust, om nog iets achter de hand te hebben als… Ik ga het c-woord in dit stukje verder vermijden.

Na het vrijdagse schrappen blijft er voor zaterdag de 22ste niet veel meer over op de kaart. Maar nog wel de Kop van Overijssel, waar ik niet zo gek vaak kom. Ik wil naar het Zwarte Water, niet omdat we zwarte tijden beleven, maar omdat dat door een watersportgebied stroomt. Het heeft een geheel eigen charme, toeristenoorden te doen buiten het seizoen. Hasselt en Zwartsluis wachten op een bezoek.

Ik ga pas op pad als de eerste regenzone van de dag gepasseerd is en kom een kwartier na het noenuur aan in Zwolle. Nu ben ik in ieder geval zeer ruim op tijd voor de bus van 12:50; het is uurdienst, op zaterdag in de kop van Overijssel.

Waar eens het nogal excentrisch gelegen streekbusstation was, is nu een zee van fietsijzer. Het stadsbusstation is veranderd in een uitgestrekte bouwput. Daar komt een ondergrondse stalling voor al dat ijzer; meer dan 5.000 fietsen moeten daar uit het zicht kunnen blijven.

Beide busstations aan de centrumzijde zijn in februari 2019 vervangen door een verhoogd busstation aan de andere kant van het spoor. Dat wordt gekruist met een opvallende busbrug, de Schuttebusbrug. Vorig jaar rond deze tijd nam ik in deze rubriek afscheid van het oude busstation en verwelkomde ik het nieuwe.

Connexxion-bus 71 rijdt naar Hasselt, en daarvandaan nog verder naar Emmeloord. Daar staat die kolossale erectie, de 65 meter hoge Poldertoren, waarbinnen ik in 2006 ondanks hoogtevrees de trappen nog tot halverwege wist te beklimmen, tot de wijzers. Die dag was de Sinterklaasintocht; vandaag is er vast geen carnavalsoptocht.

De Poldertoren was gisterenavond een vraag in Twee voor Twaalf. En de vraag was, in welk dorp in de Noordoostpolder (NOP) die toren staat, die oorspronkelijk een watertoren was. Emmeloord, dus. Maar zo lang blijf ik niet in de bus zitten. Veronderstel dat die toren inmiddels weer open is (hij zou toen langdurig in onderhoud gaan) en ik weer in de verleiding zou komen om hem te gaan beklimmen!

We nemen de Schuttebusbrug. Kort daarna kruisen we in het centrum van Zwolle het Zwarte Water al. Het is 19 km lang en loopt van het centrum langs de wijk Stadshagen en vervolgens langs Hasselt, Zwartsluis en Genemuiden, om uit te monden in het Zwarte Meer dat weer in verbinding staat met het Ketelmeer.

De rivier heet geen Zwarte Water omdat het water zwart zou zijn; zwart is afgeleid van zwet, grenswater. Het was een belangrijke verbinding met de Zuiderzee voor de Hanzesteden Zwolle en Hasselt.



Met 15 man aan boord verlaten we Zwolle, geen slecht aantal voor een weekendrit ten plattelande, en tevens het maximum van vandaag. De bus kiest zijn weg langs het spoortje naar Kampen. Op het veelbesproken station Zwolle Stadshagen staat een kluitje mensen te wachten op de trein naar station Zwolle Sec (dat zich geen Centraal mag noemen).

Daarna rijden we een tweebaans asfaltlint op door groen laagland, een weg met een dubbele streep in het midden. De bus slingert gewoonweg, door zijwind met kracht acht. Dat blijft het beeld van deze hele middag, die – zoals ik kan verklappen – toch in Emmeloord zal eindigen.


Toeristenoorden in de winter. Deel 1: Hasselt (O)


Een minuut of 20 na vertrek wordt Hasselt bereikt. De wind giert en huilt door de abri langs de provinciale weg, aan de rand van het stadje.

Behalve lijn 71 rijdt hier doordeweeks ook nog bus 74, via Genemuiden naar Kampen, en een aantal andere lijnen die in het weekend in de garage blijven.

Het Zwarte Water stroomt (en golft en kolkt vandaag) aan de zuidkant van de stad. In het noorden heb je de singel langs de Buitengracht en een oud bolwerk met het thans wat drassige Van Stolkspark op de oevers. Daar achterlangs stroomt het restant van de Dedemsvaart. Dat voor de streek eens zo belangrijke kanaal is gedeeltelijk gedempt en heeft ergens zelfs plaats gemaakt voor een autoweg.


Dat torentje aan de overkant, dat geval tussen nieuwe villa´s, wil ik wel eens van dichterbij bekijken. Het lijkt op een kalkoven. En dat is het ook. Er staat nog een tweede, schuin erachter. Op de zomerdag zijn ze geopend voor rondleidingen. Maar er staat ook een uitleg bij voor de wintertoeristen.

Je hebt nog enkele van die kalkovens, verspreid over Nederland, als industriële monumenten. Er werd kalk vervaardigd van schelpen. Die werden aangevoerd per schip; er ligt een heel fraai antiek exemplaar aan de kade.

De schelpen gingen per lopende band, vermengd met kolengruis, de oven in. Dan de boel verhitten tot een temperatuur van ca. 1000 graden en vervolgens een half etmaal laten sudderen. Er ontwijkt dan koolzuurgas en wat achterblijft is ongebluste kalk, calciumoxide.

Vervolgens werden de verhitte schelpen uit de oven gehaald en getransporteerd naar het grote ‘leshuis’, naast de oven. Water erover, sis-sis, en dan kreeg je gebluste kalk, calciumhydroxyde.

Ik sluit niet uit dat ik een kleine halve eeuw geleden eens de chemische formules van die processen geleerd heb, in ook een soort leshuis. Dat hier overigens zo heet omdat de kalk er gelest wordt, geblust (vergelijk: dorst lessen). De kalk werd natuurlijk gebruikt als bouwmateriaal, maar ook als bodemverbeteraar.

In Hasselt toeteren automobilisten als ze een bekende zien. En die zwaait dan altijd terug, want hij herkent de auto van de bekende. Ik hoor het 4 keer gebeuren in de paar uur dat ik hier ben. Het hoort blijkbaar zo. Twee keer zou nog toeval kunnen zijn.






8 maal Hasselt





Zwartewater bij Hasselt


Leshuis des levens

Twee cafés tegenover het stadhuis (linksonder op de foto) zijn open voor koffie en hopelijk een broodje. Bij één ervan zie ik uit de verte toch, tegen alle noordelijke verwachtingen in, een groep carnavalsvierders naar binnen gaan. Een paar zijn er gehuld in een geruit narrenpak, maar één van hen in iets wat toch verdacht veel lijkt op een Gestapo-uniform. Het is krek Herr Flick met zijn ‘sinistere overjas’.

Dat zal toch wel niet? Ik pak mijn telefoon en google op ‘Carnavalspak Gestapo’. Ja hoor, je kunt ze voor een tientje of 5, 6 gewoon bestellen. Maar dan wel zonder nazisymbolen, want dat mag zelfs met carnaval niet.

Ik kies het andere café. Hier geen carnavalsleut. Het is er rustig. Alhoewel: 3 mannen staan onder luid geschreeuw te biljarten en een ander zit zijn zuurverdiende maandwedde te vergokken in zo’n kast met flikkerende, glimmende, verlokkende lichtjes en met het omstandig gerammel waarmee hij centen slikt.

Daarbij werpt hij van tijd tot tijd steelse blikken in mijn richting. Wie is dat nu ook alweer? Is dat nou die aangetrouwde neef van Krelis, of was dat er nou nog één van de ouwe Van der Kraats? Ik knik hem één keer vriendelijk toe, negeer hem verder en verschaf hem geen opheldering.

Zomers is het hier op het terras vast gezellig.

Ik heb geloof ik wel eens verteld dat een cultuurwedhoudster van een dorp in het Groene Hart mij uitriep tot de nieuwe Simon Carmiggelt. Ik werkte daar als ambtenaar ter secretarie, en had een stukje in het personeelsblad gepubliceerd dat ik te slecht vond voor op mijn website. Maar zij was er nogal van onder de indruk.

De nieuwe Carmiggelt, toe maar! Bescheiden zei ik tegen de magistrate dat ik het echt veel te veel eer vond. Maar het is ook een goed ding dat ik niet werkelijk een navolger van Carmiggelt ben.

Hij haalde zijn inspiratie vaak uit dit soort vaalbruine kroegen. Daar papte hij aan met de aanwezigen, werd samen met ze dronken, probeerde ze een levensverhaal in 800 woorden te ontfutselen voor in zijn ‘Kronkel’, en kwam dan thuis, al dan niet met een goeie column, maar in ieder geval brak.

Het leverde vaak pareltjes op, maar ik zit nou eenmaal niet zo in elkaar. Ik kijk liever naar mensen dan dat ik met ze aanpap. Een mengsel van lichte wrevel en milde spotlust; meer dan dat wekken de bewoners van deze planeet zelden in mij.

Ik zat laatst, eens te meer, te overpeinzen hoe dat zo gekomen is met die uit de hand gelopen schrijfhobby van mij.

Ja, hoe deze website begonnen is, dat is snel verteld. Ik nam in 1995 internet omdat ik toen in de ICT werkte. Veel vakgenoten zaten al op die nieuwe hype; daarbuiten vrijwel nog niemand. En je zult in ICT-kringen toch iets nieuws nog NIET hebben, wat anderen al WEL hebben! Vervolgens begon ik een homepage omdat het kon, en begon ik te schrijven omdat ik iets op mijn homepage wilde zetten. Helder, tot zover.

Maar die afstandelijke, spottende blik, of liever: levenshouding. Die is ontstaan in de kinderjaren, die rijke bron van karaktertrekken. Ik zat op de basisschool – die toen nog De Grote School heette – in een klas met allemaal oudere leerlingen. Dat heb ik vast ook wel eens verteld, maar ik kan het even niet meer vinden, dus ik schrijf het nog maar een keer op. Op school werd ik met de nek aangekeken. Zelf probeerde ik ook, zo weinig mogelijk op te vallen; dan werd ik zo weinig mogelijk gepest.

Ik voelde me als een wezen dat met een vliegende schotel geland was vanaf Mars of van ergens buiten het zonnestelsel. Ik beperkte me tot klinisch observeren van alles wat om me heen gebeurde. Het gedrag van mijn medeleerlingen en de meesters en juffen vond ik volkomen bespottelijk. Een satiricus was geboren, in het leshuis des levens.

Toch naar Emmeloord



Emmeloord

Ik reken mijn broodje en koffie af. Met luid gekletter valt ineens de jackpot; de man achter de gokkast heeft eindelijk een keer mazzel. De 10e kán het gebeuren. En de 22ste gebeurt het ook werkelijk, hier in Hanzestad Hasselt. De biljarters juichen de gokker toe, hopend op een rondje.

Ik stel me op in de abri op voor de volgende bus 71, met het voornemen, die al in Zwartsluis te verlaten, een paar kilometer verderop.

De carnavalsgroep, inclusief Herr Flick, neemt de bus de andere kant op, naar Zwolle. Ja, dat wist ik eigenlijk wel; in Zwolle wordt op carnavalszaterdag altijd een optocht gehouden, ondanks dat het midden in de bijbelgordel ligt. In de Wikipedia las ik dat in deze streek altijd goed werd samengewerkt tussen protestanten en katholieken, waar ze elkaar in de rest van het land de tent uitvochten. Dat Zwolse carnaval is daarvan misschien nog een late echo.

De bus naar Zwolle stopt aan de halte. Het duurt een eeuw voordat de carnavalsvierders allemaal binnen zijn en zitten. Het zijn geen regelmatige busreizigers en ze moeten allemaal een los kaartje kopen. De bus vertrekt met 10 minuten vertraging.

De mijne verschijnt ten tonele. Er hangt een vieze, vette nimbostratuswolk boven de polders, een inktzwarte sluier over de landouwen. Amper zijn we de eerste bocht door, of er breekt een bui los die die van mijn eerste avond in Cardiff verre in de schaduw stelt. De regen zwiept en kletst tegen de ramen. Ik bewaar Zwartsluis voor een andere keer en blijf lekker zitten in de bus.

Toch richting Emmeloord, dus. De eindbestemming is bekend, maar verder is het een verrassingstocht (net als het hele leven). Als ik hier ooit eerder geweest ben, moet het wel heel lang geleden zijn. We passeren een watervlakte waar bomen in staan met water tot halverwege hun kruin. Vollenhoven ziet er gezellig uit, daar ga ik misschien ook nog wel eens een keer heen.

‘Vanaf 24 februari Ernstige verkeershinder’, een mededeling zwart op geel langs de weg. Wat zou dat voorstellen, ernstige verkeershinder in deze godverlaten streek?

De bus passeert een sluis op de grens van het oude en nieuwe land. Nu zijn we in de Noordoostpolder. Een Aziatisch Restaurant in Marknesse, zo’n verwaaid polderdorp, heet FuWa. Aziatisch; nee, ik ga het c-woord niet noemen (het zit toch al bijna overal). Maar in de kringen waarin ik me beweeg als het geen zaterdag is, betekent FuWa: functiewaardering. Daardoor valt die naam me op.

Al snel doemt de Poldertoren op. Het busstation ligt nog steeds aan de voet van die monstruositeit. Alle bussen komen en vertrekken rond het hele uur. Het carillon geeft als het ware het vertreksein. Alle bussen, behalve dan deze lijn 71 van en naar Zwolle. Hij arriveert, geheel volgens dienstregeling, om 10 óver, als de rest al lang weg is.

50 minuten dus voordat ik verder kan reizen naar Kampen. Tijd genoeg om nog eens heen te lopen om die fallus van een toren. Bijna 2 miljoen liter water bevatte hij in zijn hoogtijdagen. Het gebouw maakt een verlaten, vervallen indruk. Het is geen suikerzakjesmuseum meer. Wel heeft het een bellentableau met wat verbleekte, gerimpelde naambordjes.

Er zitten of zaten maatschappelijke instellingen in de toren. Maar ook een restaurant, Sonoy, vermoedelijk genoemd naar de veldheer Diederik Sonoy die in de Tachtigjarige Oorlog deze streek bevrijdde van de katholieken met wie ze zo goed konden samenwerken. Hij joeg ze over de kling bij bosjes. De NOP was toen nog zee. Maar zeeslagen deed Sonoy ook.

Ik heb het gevoel dat er niemand zal reageren als ik op al die bellen druk. Maar dat doe ik ook niet. Veronderstel dat er toch nog iemand door de luidspreker roept: ‘Kom maar even boven! Van het uitzicht genieten! Hoogste etage!’

De wrakke busrestauratie heeft kennisgemaakt met de slopershamer of is grondig gerenoveerd; ik weet niet meer precies waar hij stond en of het nog dezelfde is als in ‘06. Ik loop het winkelhart van Emmeloord in. Je hoeft hier niet bang te zijn dat je het busstation niet meer zal kunnen vinden; de Poldertoren zie je overal en die wijst je de weg.

Maar heeft het ding verder nog een functie, om over zijn functiewaardering nog maar te zwijgen? Een watertoren is het al lang niet meer.

Later, in de bus naar Kampen, sla ik maar weer eens aan het google-en. Omroep Flevoland heeft een dossier over de Poldertoren , een verzameling artikelen van door de jaren heen. Dat dossier is een waar koppijndossier.

Restaurant Sonoy zat er dus in, en daar moet je niet te min over denken: het had een Michelin-ster. Maar het restaurant is in 2013 vertrokken omdat de toren tochtte en lekte. Een lekkende watertoren…

Er is nu al jaren politiek gesteggel rond dat gevaarte. Verkopen? Dan komt er misschien een vuige huisjesmelker op af, die het gebouw verwaarloost. Maar momenteel kost hij de gemeente een halve ton per jaar aan onderhoud en levert hij niets op. 

De Poldertoren staat nu leeg, wachtend op zijn lot. Er komen onderzoeken naar en rapporten over. Maar hangende die onderzoeken is hij nu wel om de veertien dagen op donderdagmiddag open voor bezoekers die hem willen beklimmen.

Het blijft een bijzonder bouwwerk. Ik heb alles uit de kast moeten halen met Photoshop om die piemel een beetje recht op de foto te krijgen.

Och, de Eiffeltoren is ook maar een lelijk ding, welbeschouwd. Maar Parijs zou Parijs niet meer zijn zonder. Zoals Emmeloord Emmeloord niet meer zou zijn zonder Poldertoren. Niemand durft hier het woord 'slopen' in de mond te nemen, dus EEN ding is zeker: hij staat er in het jaar 2100 nog.

Frans Mensonides
8 maart 2020
Er geweest: zaterdag 22 februari 2020




Schrikkelen

En zo breekt die bijzondere dag aan, de schrikkelzaterdag in een februarimaand met 5 zaterdagen. Dat gebeurt maar eens in de 28 jaar, zoals ik al zei in de beginalinea’s van deze pagina.

De voorvorige keer was dus in 1964 en die dag staat vanmiddag centraal in het NPO-radio-5-programma Theater van het sentiment (HIER terug te luisteren).

Vier jaar later viel schrikkeldag op donderdag. Die dag hadden wij, leerlingen van de zesde klas, een excursie naar het verkeersinstructielokaal van het Leidse politiebureau op de Zonneveldstraat. Zo’n van de routine afwijkende gebeurtenis op zo’n buitengewone dag; het leek me zaak, dit mijn hele leven te onthouden. Ik schreef daarover iets op de schrikkeldag van 2008. Dat was in een stukje over de OV-chipkaart, waarvan toen iedereen nog hoopte dat die een snelle en stille dood zou sterven en hij de volgende schrikkeldag niet zou halen.

Op dinsdag 29 februari 1972 was het Beatles-dag op Radio Veronica en werden er alleen nummers van The Fab Four gedraaid. Geen Beatle-fan zal die dag vergeten zijn. We mochten zelfs luisteren in de klas, bij Engels.

Op de schrikkeldagen van 1976, 1980, 1984, 1988, 1992, 1996, 2000 en 2004 zal er niets memorabels gebeurd zijn. Ik kan me er van dat achttal geen een meer voor de geest halen. Er zijn mensen die zich elke dag sinds hun kindertijd kunnen herinneren. Ik weet alleen de datum nog van de hoogte-, diepte- en kantelpunten in mijn leven. Maar zelfs dat vinden de meeste mensen al vrij raar, als ik dat vertel.

In 2008 dus dat stukje over de chipkaart. In 2012 een ander stukje, op mijn toenmalige rubriek FHM’s. Dat artikel ging over schrikkeldagen, schrikkeljaren, schrikkelmaanden en schrikkelseconden.

En maandag 29 februari 2016? Ik mag hangen als ik er nog iets van weet. De 3e schrikkeldag in mijn leven staat me filmisch voor de geest en de 15e ben ik geheel en al vergeten; noem het een leeftijdsverschijnsel!

Die van 2020 zal ik niet licht vergeten. Slotakkoord van een maand met een zwart randje, en, spoiler: het gaat nog veel en veel erger worden.

Neemt niet weg dat we deze 29ste nog niet in landelijke quarantaine verkeren. We gaan dus gewoon op pad; ‘The show must go on’ zij ons devies!


Brandbrief over de MerwedeLingeLijn


Vandaag trekt er een zware, doch smalle regenzone van west naar oost over het land. Ik heb de keus tussen heel vroeg opstaan en naar het verre oosten reizen om de regen vóór te zijn of heel laat opstaan en vertrekken naar Zeeland waar rond 15:00 uur de zon alweer gaat schijnen. Het zal de trouwe lezer niet verrassen dat ik de laatste mogelijkheid kies.

Daar het nog steeds regent als de IC naar Zeeland Dordrecht nadert, besluit ik tot een klein uitstapje op de MerwedeLingeLijn (Dordrecht – Gorinchem – Geldermalsen). Daar zit ik ook droog. En zouden er ‘al’ (15 maanden na de concessiewisseling!) treinen rijden met de nieuwe QBuzz / R-net-kleurstelling en het gloednieuwe interieur?

De trein die op punt van vertrekken staat naar Gorinchem, is nog zo’n afgebladderde vaalwit-rode van Arriva. Desondanks stap ik in en houd de tegemoetkomende trein in de gaten die we kruisen bij station Stadspolders. Ook zo’n vaal geval.

Dan maar uitstappen op Sliedrecht Baanhoek en zien wat me tegemoet gaat komen op dit ver boven het poldermaaiveld verheven station. Ja, aha!; ik heb beet, een nieuwe! (althans: opgeknapte). Levert nog een pracht plaatje op ook, in die bocht.

Het interieur is wat teleurstellend. Wel brandnieuwe zitbankjes, maar het lijkt toch erg op wat het was. De op deze lijn hyper-populaire fietsenafdeling is gebleven.


Vaak verandert er bij een concessiewissel niet zo gek veel. Op de MLL was dat helaas wél het geval. Waar Arriva, na de overname van NS in 2007, een succes van de lijn wist te maken, veranderde deze in een regelrechte puinbak nadat Qbuzz in december 2018 de winkel had overgenomen. Vertragingen, capaciteitsgebrek door uitgevallen treinen… Het werd zelfs zo erg dat veel reizigers gingen roepen om terugkeer van NS, en dat wil wat zeggen!

Vreemd genoeg wijt een deel van het personeel de misère aan de vorige concessiehouder Arriva en niet aan hun huidige werkgever Qbuzz. Machinist René schreef er een open brief over aan Arriva-opperhoofd Hettinga. Die brief is integraal overgenomen in het gelinkte artikel op de site van Rijnmond.

Volgens René en de zijnen heeft Arriva, na bekend worden van het verlies van de concessie, het onderhoud van de treinen verwaarloosd. En dat opzettelijk!, expres!, om Qbuzz te pesten!! Verder spelen er ook nog ingewikkelde dingen rondom de CAO.

Opvallend in die brief vind ik, wat me vrijwel altijd opvalt in dit soort zaken: het gaat niet of nauwelijks over reizigers. Het woord ‘reiziger’ komt erg weinig voor in het artikel en de daarin ingebedde brandbrief. En als het r-woord al voorkomt, is het meestal als laatste lid in een opsomming: ‘het personeel en de reizigers’, ‘Arriva en de reizigers’.

Wel telde ik in totaal een stuk of 40 woorden als: personeel, de mensen (waarmee men dan de werknemers bedoelt, terwijl reizigers toch ook een soort van mensen zijn), de collega’s, de gezinnen (nl. van de mensen; die worden er ook nog bijgesleept),  de machinisten, de stewards.

Maar als dit conflict blijkbaar toch niet in de eerste plaats over reizigers gaat, waarom zou ik dan als reiziger de moeite nemen om me in CAO-gedoe te verdiepen? Wijlen mijn moeder zou na lezing van het artikel gezegd hebben: ‘Well, well, well, not to say well. It is me what!’

Hoe dan ook, op deze zaterdag rijden de treinen op de MLL in ieder geval perfect op tijd.

Dit valt me ook op in de MLL-trein: een aankondiging van werkzaamheden tussen Geldermalsen en Beesd in de nacht van zondag 2 op maandag 3 maart. De laatste trein Dordrecht-Geldermalsen rijdt niet verder dan Beesd. ‘Er is geen vervangend vervoer!’, staat er dan nog bij, met een triomfantelijk uitroepteken en zonder excuses voor het ongemak.

Ik probeer me de ontreddering en vertwijfeling voor te stellen van iemand die na middernacht nog naar Geldermalsen had gewild, die poster niet gezien heeft en in het holst van de nacht strandt uitgerekend op het perron van Beesd. Maar ik slaag er niet in. Er zijn dingen die té erg zijn; er zijn dingen die het menselijk voorstellingsvermogen tarten. Laten we het erop houden dat het bij de wilde Beesden af is.


Toeristenoorden in de winter deel 2: Oostkapelle zu vermieten



Het beeld van winter 2020: Regen tegen de ramen. Maar die foto heb ik ergens in de buurt van Oudenbosch genomen. Als de trein Zeeland binnenrijdt, breekt de beloofde zon door; zon!, op de valreep van een chagrijnige winter. Hij is nog wat waterig, maar toch aanwezig, in de provincie die per jaar tientallen of zelfs honderden uren meer zonneschijn biedt dan de rest van Nederland.

Ik heb Oostkapelle geprikt op de kaart. Daarheen rijdt vanaf station Middelburg Connexxion-bus 52, met Domburg als eindbestemming. Een dunne busdienst. Als je in Oostkapelle woont, kun je op werkdagen 19 keer per dag de bus naar Middelburg nemen (inclusief spitslijn 647), op zaterdagen 12 keer en zondagen slechts 6. Een rit van een minuut of 25. Na 21:00 uur is het in dit stukje Walcheren echt wel afgelopen met het OV.

Nog steeds, net als in november, zijn er werkzaamheden rond de kaaien van Middelburg. De meeste bussen, waaronder mijn lijn 52, vertrekken van de Loskade aan de andere kant van die tijdelijke ijzeren loopbrug. Daar bevinden zich de eveneens tijdelijke haltes X, Y en Z. Er staat verder een noodkeet voor de chauffeurs waar het een vrolijke boel is; olijk gelach baant zich een weg naar buiten.

10 man aan boord als de bus het centrum van Middelburg verlaat. We rijden de Laan der Verenigde Naties op, draaien 360 graden rond op een rotonde en nemen de Laan der Verenigde naties ook weer terug. Daarna gaat het richting Buttinge en Grijpskerke. Allemaal dorpen die mogelijk ook een bezoek waard zijn. Maar ik had nu eenmaal Oostkapelle uitgekozen.

Dit is toch wel het voordeel van het streekvervoerthema van deze winter. Dat verbreedt de blik toch wel. Je hebt ook houders van een Weekend Vrij die op zulke hobbymatige reisdagen niet wijken van het spoor. Maar per trein bereik je in Nederland, hoeveel zal het zijn: hooguit 300 steden en dorpen. Terwijl er bussen stopen in wel 3000 nederzettingen, als het er niet meer zijn.

Oostkapelle. Ik kan hier naar keuze exact een uur doorbrengen of een veelvoud daarvan, als ik het niet te laat maak. Ik kies voor 2 uur. Ik wil wel even uitwaaien op het strand, echt uitwaaien bij ook vandaag weer 7 beaufort. En het strand is zo’n 3 km verwijderd van de kerk.

Pal naast die kerk stond eens het gemeentehuis; het wereldlijke en het bovenwereldlijke gezag broederlijk naast elkaar. Maar de gemeente is in 1966 opgeheven en opgegaan in Domburg, dat weer is opgegaan in Veere. En toen hebben ze het gemeentehuis meteen maar radicaal gesloopt, terwijl het toch meestal in zulke gevallen een nabestaan krijgt als trouwlocatie van welke aard dan ook.

De kerk onderging in de 70's een ingrijpende restauratie, waarbij het kerkportaal overbodig werd. Dat hebben ze in 1978 op de voormalige plek van het gemeentehuis gezet. Het werd geseculariseerd tot ’t Wachtertje, een wat ongewone bus-abri. Inmiddels is de halte verplaatst naar 200 meter verderop en daar staat een doodordinaire abri, die me niet speciaal is opgevallen.



Dat bijzondere licht hier op Walcheren, waar schilders zo dol op waren! Je ziet dat het anders is dan thuis. Maar omschrijf het maar eens!

Naast schrikkeldag is het tevens de laatste dag van de meteorologische winter. Maar ik zie hier in het dorp al veel Duitse nummerplaten op geparkeerde auto’s. Duitsers slaan de lente over en nemen alvast een voorschot op zomer.

Alles in de voornaamste winkelstraat van Oostkapelle wijst op toerisme: hotels, B&B’s en ook Fietsverhuur Festina Lente, wat natuurlijk lentefeest betekent; nee, nee, instinker: het betekent: haast je langzaam.

Die raad volg ik als ik door een villawijkje richting strand loop; ik heb per slot van rekening 2 uur de tijd voor deze wandeling. Vrijwel alle optrekjes hier zijn TE HUUR / ZU VERMIETEN of hebben op z’n minst een ZIMMER FREI.

In badplaatsen als Katwijk verkasten bewoners in de zomervakantie vroeger (of misschien nog steeds wel) naar het schuurtje in de achtertuin, zodat zij hun hele huis konden verhuren aan oosterburen. Een lucratieve business, waarvoor men in de zomer wat ongemak voor lief nam. Maar in Oostkapelle krijg ik de indruk dat deze huizen permanent verhuurd worden, het dorp een complete Duitse kolonie is en de inboorlingen zelf heel ergens anders wonen.




Als ik Oostkapelle intik in Google, vult hij al automatisch aan: zu vermieten. ‘Ervaar Oostkapelle of u er zelf woont’, zegt Airbnb. Maar wóónt hier wel een Zeeuw zelf?

Ja, in ieder geval één, een hoogbejaarde, maar nog krasse kerel. Hij ziet me op het strand verwaaide Duitsers fotograferen en spreekt me aan. ‘Ziet u dat schip daar in de verte? Ook wel mooi voor een foto. Ja, niet om me met uw fotograferen te bemoeien, hoor’.

Dat schip is wel heel erg in de verte, en bovendien in de nevel en tegen de zon in. Ik zoom in, en krijg het vaartuig niet goed voor de lens. Maar ik doe uit beleefdheid net of ik een foto maak en bedank hem voor de tip.

‘Nou, ik kom hier elke dag. Maar het is voor het eerst deze week dat ik Hollands hoor. Allemaal Duitsers. Ja, het was afgelopen week carnaval en dan hebben ze vakantie en plakken ze er een paar dagen Zeeland aan vast. Het blijft ze trekken. Ze konden weer niet wachten tot de zomer. Maar een beetje uitwaaien, een beetje kou, dat is eigenlijk best wel goed voor je. Goed voor de longen!’ Hij haalt drie keer diep adem, om zijn stelling te adstrueren.

Ik kan het ook alleen maar onderschrijven. De hele winter binnenblijven, dat maakt je des te vatbaarder voor griepjes en veel en veel erger. Maar na gedurende een minuut of 10 gezandstraald te zijn, heb ik er toch ook wel weer genoeg van en begeef me terug naar het dorp. Deze keer loop ik via Schoonoord, een landgoed op de grens van polders en duinen.


Ik kom een klein kwartier voor vertrektijd aan bij de halte. Er staan al Oostkapellenaren in de abri. Een uurdienst, je wilt hem niet missen.

Restaurant Stoom in het stationsgebouw van Middelburg behoort tot mijn favoriete pleisterplaatsen op zaterdagse omzwervingen. Het ademt de sfeer van een ouderwetse stationsrestauratie, met al even ouderwets vriendelijke bediening. Ook niet-treinreizigers komen er op zaterdagavond graag genieten van het diner. Het restaurant verwerkt alleen streekproducten. Het lijkt wel of ik reclame zit te maken. Maar ze hebben niets hoeven te betalen voor deze gunstige recensie; ik doe op mijn Thuispagina op geen enkele manier aan commercie.

Over streekproducten gesproken: de hele terugreis tot Leiden knarst het zand van Oostkapelle me nog tussen de kiezen. Souvenir van Walcheren!

Frans Mensonides
15 maart 2020
Er geweest: zaterdag 29 februari 2020



P.S.: het virus

Zaterdag 7 maart ben ik nog op pad geweest voor deze rubriek. De hoofdstukken daarover verschijnen over een week. Maar alles wees erop dat het de laatste reiszaterdag zou worden vóór de lock down, de dag die je wist dat zou komen.

Ja, wisten we dat wel? Ik wel; ik zag het op 1 februari al aankomen, helemaal bovenaan deze pagina, in een café in Dongen. Ik heette in mijn omgeving een pessimist. Maar ‘pessimist’ is in mijn ervaring een etiket dat meestal op het voorhoofd geplakt wordt bij realisten. En een optimist is veelal iemand die zijn kop in het zand steekt, met roze bril en al.

De laatste 2 zaterdagen reisde ik, tegen bijbetaling van 5 euro, 1e klas – rustiger, dus veel minder kans om besmet te worden door een medereiziger. Maar ik begon me wel af te vragen of pretritjes nog wel verantwoord waren.

Naar je werk gaan, is móéten. De tweede week van maart ging ik ertoe over, de volle spitstreinen en sniffende, druipende en rochelende medereizigers te mijden. Ik ging op het balkon zitten. En pas na negenen op pad en na halfzeven terug.

De gedachte is ook wel eens bij me opgekomen dat dit virus nog harder toeslaat in de geest dan in de longen. Ik (60+ en diabeet) sta al een week of 6, 7 vrijwel continu in de overlevingsstand. Maar woensdagmiddag op kantoor zakte ik van de ene seconde op de andere finaal door de ondergrens.

Tijdens een pauze zat ik nog even, gezellig, de allerlaatste corona-rampspoed door te nemen op Internet; inclusief het nepnieuws, want wie zegt me wat nep is en wat waarheid? En inclusief de beelden van hoogbejaarden die ze in Italië inmiddels letterlijk laten stikken. Ineens kreeg ik een gevoel van ‘Scotty, beam me up!’ Alle zwakkeren gaan eraan! Haal ik de zomer van 2020 nog? Waarom nog mijn leven wagen in de trein? Niet langer wachten op maatregelen die niet komen! Naar huis, deur op slot, onder de dekens, 4 weken de deur niet meer uit!!

Wat ik wel vrij bijzonder vind: normaliter loop ik elke winter wel een paar weken te niezen en / of te hoesten. Deze winter tot dusverre nog niet. Als ik bijgelovig was, zou ik het afkloppen.

Donderdagmorgen, enigszins gekalmeerd, typte ik een mail naar mijn collega’s dat ik tot nader aankondiging thuis zou gaan werken. Omstandig, voor eventuele overgebleven optimisten, legde ik uit dat ik (60+ en diabeet, zoals gezegd) tot de kwetsbare groeperingen behoor, en bovendien afhankelijk ben van vaak overvolle treinen waar iedereen op elkaar staat gepakt.

Een paar uur nadat ik op de verzendknop gedrukt had, kondigde de minister-president verregaande maatregelen af om het virus in te dammen. Daaronder: thuiswerken, tenzij het echt niet anders kan. Rutte sanctioneerde mijn actie. Ik liep met mijn preventieve quarantainemaatregelen voor de muziek uit, maar niet erg ver.

Voorlopig geen trein voor mij, dus zeker geen Beminde zaterdagen. Ook geen zondagse bezoekjes aan mijn broertje meer, die in Den Haag verblijft in een zorginstelling vol nog veel kwetsbaarder mensen dan ik. Ik probeer de term ‘onderliggend lijden’ te vermijden; die vind ik wel erg larmoyant. Lijden sec is me dunkt al erg genoeg.

2½ week een niet grotere actieradius dan een straal van 5 km rondom mijn woning in de Leidse Fortuinwijk. Voorlopig te voet, of hooguit met een stadsbus, op een tijdstip dat er geen mensenmassa’s zijn te verwachten. Het benauwde me even, maar al snel trad gemoedsrust in.

Dat komt ook doordat ik het allemaal al van verre heb zien aankomen; ik was erop voorbereid. Behalve dan op de hamsterwoede die vrijdag losbarstte in de supermarkten. Waarom in vredesnaam een gros rollen toiletpapier in je karretje laden? Verwachten de mensen bovenop corona nog een tweede virus, met een besmettingsfactor R0 van 10, dat gepaard gaat met ongekend zware en langdurige aanvallen van dunne, kledderige diarree? Er heerst toch goddomme geen cholera?

Als de nood aan de man komt, kun je altijd je reet nog afvegen aan de Volkskrant, die op schrikkeldag zijn vreugde uitsprak over de opruiming van vele zwakkeren in onze samenleving door het coronavirus. Het papier is geduldig…

Wat te doen in quarantaine? Sociale quarantaine moet voor sommige mensen een hel zijn, maar voor mij, die toch al nooit graag met een kamer vol visite zat, is het niet erg. Bovendien: met telefoon, mail, Twitter en WhatsApp kun je met iedereen in contact blijven. Ik prijs me verder eens te meer gelukkig dat ik alleenstaande ben en alleen voor mezelf hoef te zorgen.

Wandelen wordt door geen enkele deskundige afgeraden. Eindelijk eens goed kijken naar dat nieuwe Singelpark in Leiden. Ik loop de ronde twee keer; zaterdag linksom en zondag rechtsom. Tussen haakjes: het Singelpark is aangelegd langs de Leidse singels. Het klinkt als Single Park, maar dat is het niet; het is niet speciaal een park waar alleenstaanden elkaar kunnen ontmoeten, al dan niet met troebele bedoelingen. Dit ter voorkoming van misverstanden.

Voor wie na volgende week deze rubriek Beminde zaterdag eigenlijk niet kan missen: er is meer leesvoer. Als je me volgt op Twitter zie je elke dag een fotoverslag in één tweet van het leven in de Fortuinwijk onder corona.

En op mijn Thuispagina heb ik twee artikelen uit 2009 uit de mottenballen gehaald. Die (de ene en de andere) gaan over pestepidemieën in de 17e eeuw en hoe de mensen die beleefden. Ik vond bij herlezing de overeenkomsten tussen toen en nu ongelooflijk frappant, tot het bestaan van nepnieuws aan toe. En de toen heersende opvatting dat de ziekte een straf van God is, wordt soms ook in de 21ste eeuw nog gehuldigd, al had die beter kunnen achterblijven in de 17e. Ik link die stukken vooral ter relativering: de pest was ongeveer 20 keer zo dodelijk als Covid-19 in het aller-, aller zwartste scenario dat ons door deskundigen geschetst wordt.

We beleven wel de ernstigste epidemie sinds de Spaanse griep van 1918, waarover mijn oma wel eens vertelde (‘Hele gezinnen waren ziek, doodziek, hele stráten. Sommige mensen lieten de voordeur openstaan, dat de leveranciers hun spullen binnen neer konden zetten. De mensen waren nog te ziek om van hun bed te komen).

En voor degenen zoals ik die WO II en de Watersnood niet hebben meegemaakt (zo’n 90% van de huidige Nederlanders), is dit wel de grootste maatschappelijke ontwrichting tijdens ons leven. Ik zou niets ingrijpenders weten te bedenken, de afgelopen 65 jaar. 11 weken lang vorstverlet in 1963, autoloze zondagen en benzinedistributie in 1973 / 1974, de sneeuwjachten van 1979, langdurige staking van o.a. vuilnismannen en postsorteerders in 1983, de overstromingen van 1995, die hadden toch allemaal voor de meeste Nederlanders minder impact dan de coronacrisis.

Maar ik zie toch ook nog een lichtpuntje in deze situatie. We maken wel een unieke, toch ook boeiende tijd door - al lijkt het soms of we beland zijn in een B-film, en nog een verdomd slechte, ook. Er zal nog generaties lang over nagepraat worden (‘Stel je voor, er werd wc-papier gehamsterd!’). En één ding is zeker: het gaat een keer voorbij. Ook barre tijden worden eens nostalgisch.

Ik wens al mijn lezers gezondheid toe.

Frans Mensonides
Idus martis MMXX




© Frans Mensonides, Leiden, 2020