Beminde zaterdag (27)
maart 2019




Tiel; Ontmoeting en Afscheid (1981) van Hans Versteeg


< < < < < Deel 26 al gelezen? 


‘Beminde zaterdag’ is een rubriek over treinreizen op die dag met mijn Weekend Vrij. De titel is ontleend aan een dichtregel van Constantijn Huygens die ook heel de week naar het vrije weekend liep te verlangen. Deze reeks is geïntroduceerd in deel 1. Het overzicht van alle tot dusverre verschenen afleveringen vind je in het archief van mijn Thuispagina.

Het thema van de winteraflevering was: winter. Wat de rode draad van de maartaflevering wordt, weet ik nog niet; meestal komt er in de loop van de weken wel zo’n thema bovendrijven.


 

Wethouder vliegt uit de bocht: busbaan Geldermalsen – Elst - Voorburg – Zetten-Andelst in 2:19 uur - Gien spiet van; Zetten & Andelst - Emmerlijst - Bijna getuige van bijna-ramp Castricum -  Groen busstation van Tilburg -  Udenhout in het universumGoirle, niet meer in de textiel - Vol-gon-duh-hal-tuh: met EBS naar ‘Dorp’ - Etersheim, bakermat van Dik Trom? - ETMETtend richting Enkhuizen - E-bus, zegen of bedakke?- Leiden in last - Eefde, spoorrijk, maar spoorloos - Eefde, Gorssel en Warnsveld per knieënkraker
- Tilburgs busstation na donker





Wethouder vliegt uit de bocht: busbaan Geldermalsen – Elst

Tiel: verder per bus?

Wat er soms ook komt bovendrijven, bij sommige magistraten: idiote OV-plannen. Vooral rond verziekingen, pardon: verkiezingen, hebben ze daar nog wel eens een handje van. Bijvoorbeeld:

De spoorlijn Geldermalsen – Elst ombouwen tot busbaan, welke malloot komt er met zo’n bespottelijk idee? Dat moet bijna wel een politicus zijn van het CDA (Conspiratie van Doorgewinterde Automobilisten).

En ja hoor, het is een CDA-wethouder van gemeente Overbetuwe, waarvan het gemeentehuis staat in Elst. Hij luistert naar de naam Jan van Baal en de Gelderlander schreef er diverse stukken over (waarvan de meeste achter een betaalmuur, dus ik link ze lekker niet). Deze wethouder was in 2017 gewipt, las ik ergens, en is later blijkbaar weer in genade aangenomen; dan moet je zo nu en dan wel met een briljant idee komen.

De spoorlijn Geldermalsen – Elst staat in de Wikipedia als spoorlijn Dordrecht – Elst, bijgenaamd de Betuwelijn (en niet te verwarren met de Betuweroute voor goederentreinen). Geldermalsen – Elst is daar maar een stukje van. Een stukje dat ook nog door twee heel verschillende treinen bereden wordt: de NS-treinen Utrecht Centraal – Tiel en de Arriva-diesels Tiel – Arnhem. Die stoppen tussen Tiel en Elst op de stations Kesteren, Opheusden, Hemmen-Dodewaard en Zetten-Andelst. Het laatste station ligt in de gemeente Overbetuwe.

Van Baals voorstel voor die busbaan zou tot gevolg hebben dat de NS-treinen niet verder rijden dan Geldermalsen en de passagiers voor Tiel dan over moeten stappen op de bus. Dat zal Van Baal ook in Tiel niet populair maken. Maar ik heb zo’n idee dat de wethouder dit soort spoordetails niet eens weet.

Ik zal de laatste zijn om tegen aanleg van busbanen te zijn. Maar wat win je daarmee als er al een spoorbaan ligt? Hem afbreken en een busbaan op het vrijgekomen talud leggen: een miljoenen verslindende operatie waarvan ik me niet kan voorstellen dat reizigers erop zitten te wachten.

Welke problemen denkt Van Baal op te lossen met zijn busbaan? Die spoorbaan is een barrière in het landschap, vindt hij. Dit is typisch de visie van een automobilist, die wel eens voor gesloten overwegbomen moet wachten. Geen treinreiziger zal vanuit zijn coupé ooit denken: wat een enorme barrière vormt deze spoorbaan toch!

Het spoor snijdt hele dorpen doormidden, oreert Van Baal ook nog. Ja, sommige dorpen hebben het geluk van een station in het hart ervan; als je dat doormidden snijden noemt... Maar dit lijntje valt nou juist op doordat de meeste kernen toch een stukje van het spoor verwijderd zijn. Daardoor wordt ook een ander voordeel van een busbaan teniet gedaan, dat Van Baal noemt: je kunt gemakkelijk een extra halte erbij plaatsen. Goed, maar dat zal in deze dunbevolkte streek wel bij boerderij Nergenshuizen worden.

Zijn collega uit de aangrenzende gemeente Nederbetuwe ziet wel wat in het plan van Baal. Als die spoorbaan verdwijnt, kan er gemakkelijker een ringweg aangelegd worden rond Opheusden. In deze tijd zijn toch de meeste politici er wel van overtuigd dat het OV gestimuleerd moet worden. Maar in Opheusden breekt men het liever af ten faveure van de auto.

De voordelen van de verbussing springen al met al niet erg in het oog, zoals ook blijkt uit de commentaren onderaan al die krantenartikelen. Toch heeft Van Baal de provincie Gelderland zover gekregen dat ze een onderzoek starten naar de toekomst van het lijntje Tiel-Arnhem.

Dat brengt weer ideeën met zich mee die helemaal naar de andere kant doorslaan. De SP wil iets lightrail- of metro-achtigs voor de spoorlijn in de plaats. Ja hoor, een metro in de Betuwe! Zulke systemen horen toch echt thuis in metropolen. Wel heeft de SP gelijk in haar pleidooi voor een ‘visgraatmodel’: aantakken van buslijnen op het spoor.

Afwachten waar de provincie mee komt, als resultaat van het onderzoek. Met angst en beven, want de toekomst van het Betuwelijntje hangt aan een zijden draadje.

In de tussentijd ging ik eerst zelf maar eens kijken. Ik frequenteer de Betuwe niet, en daarmee ook het Betuwelijntje niet. Voor het laatst was ik er toen ik in ’17 Opheusden deed, waar men nu klaarblijkelijk haakt naar een rondweg. Deze keer koos ik Zetten-Andelst, in de gemeente waar Van Baal de scepter zwaait.




Voorburg – Zetten-Andelst in 2:19 uur

 

Onder station Voorburg. Archieffoto 2018

 

Deze treinzaterdag begint voor de verandering in Voorburg, na het middaguur en op het station dat uitkijkt op Hofwijck. Daar is ooit het gedicht geschreven dat de onvergetelijke uitdrukking ‘beminde zaterdag’ bevatte.

Dit is voor mij een herdenkingsweekend; vandaag, 2 maart, is de 91ste geboortedag van mijn moeder en morgen, 3 maart, de 58ste sterfdag van mijn vader. Eén van die 2 dagen bezoek ik altijd het graf van mijn ouders op de Oosterbegraafplaats aan de Rodelaan. Van de gelegenheid maak ik gebruik om een nostalgische wandeling te maken door Voorburg, waar ik geboren ben en – tot de prille leeftijd van 6½ jaar – ook getogen. Bijzondere uitdrukking, tussen haakjes: ‘geboren en getogen.’ Twee verleden deelwoorden waarvan de infinitieven al eeuwen niet meer gebruikt worden.

 

Voorburg, 1957

Ik heb op de tweede dag van de meteorologische lente volgens mij al voorjaarsmoeheid, gezien het lood dat ik de laatste dagen aan mijn benen heb hangen. Vanmorgen was ik al bijna uitgeput toen ik de bushalte bereikt had. Ik ga daarom vandaag maar flink wat uren wandelen. Dat wéét ik vanavond tenminste waar ik moe van ben.

Maar eerst flink wat uren treinen. Ik kies de kortste, maar niet de snelste route naar Zetten-Andelst, met overstappen in Gouda, Utrecht en Tiel. 2:19 staat er voor deze rit van 117 spoorkilometers. Nog iets sneller ben je als je omrijdt via Arnhem, maar dat bewaar ik voor de terugweg.

In de drukke Sprinter Utrecht - Tiel word ik omringd door drie minzaam glimlachende zussen uit Albanië of daaromtrent. De Sprinter staat eerst een flinke tijd te wachten in Geldermalsen, en geeft daarna een heel slechte aansluiting in Tiel: 24 minuten wachttijd. Dat was vroeger niet zo, en komt door invoering van het ETMET-systeem eind 2017. ETMET staat  voor: Elke Tien Minuten een Trein en Amsterdam – Eindhoven is het eerste traject waarop het is toegepast. Ik was in september 2017 bij een van de test-woensdagen.

Die 10-minutendienst met IC’s heeft tot gevolg dat de Sprinters in het keurslijf van dat patroon geperst werden. Ze rijden nu tussen Utrecht en Geldermalsen in een 10-20-patroon in plaats van 15-15.

Met de Arriva-treinen Tiel – Arnhem valt ook niet veel meer te schuiven. Hun route is tussen Tiel en Kesteren enkelsporig. Bovendien moeten ze in Elst invoegen op de hyperdrukke spoorlijn Nijmegen – Arnhem, waar – de Arriva-treinen meegerekend – al 12 treinen per uur per richting rijden.

Je zou dan zeggen dat zo’n traject al ruimschoots voldoet aan de ETMET-normen. Toch zijn er – volgens de niet erg goed geïnformeerde wethouder Baal - nog plannen tot frequentieverhoging van de IC’s Den Helder – Nijmegen en Schiphol – Nijmegen van gecombineerde 15- naar gecombineerde 10-minutendienst. Als dat gebeurt, zal het lijntje uit Tiel vermoedelijk sterven in Elst, als het al niet helemaal sneuvelt. Maar zoals gezegd: de provincie Gelderland gaat zich erover buigen.




Hoe breng ik 24 minuten door op en om station Tiel? Tijd genoeg om het uit 1882 daterende stationsgebouw te fotograferen en het bronzen standbeeld Ontmoeting en Afscheid (1981) van Hans Versteeg te bewonderen (zie foto helemaal boven). En de carnavalsoutfit van sommige wachtenden in me op te nemen – en deze zorgvuldig buiten het beeldvlak van mijn camera te houden.

In het deftige en nuchtere Voorburg zag ik daarnet alleen een mafklapper op het perron in krokodillenkostuum, met zo’n enorm lange bijtbek naar voren priemend; een man die daar aardig stond te vloeken met zijn omgeving. Hier in het rivierengebied nader je carnavalsland en wil iedereen via Geldermalsen naar Oeteldonk of Lampegat of zo.

19 passagiers slechts, inclusief ondergetekende, hebben plaatsgenomen in de Arriva-Spurt die om 14:47 toch nog vertrekt richting Arnhem. Daaronder geen carnavalsvierders; in Arnhem doen ze er zeker niet aan. De trein heeft 34 minuten in Tiel gestaan. In het weekend en in de avonduren rijdt hij slechts om het uur; op werkdagen overdags elk half uur.

Wat vind ik dat landschap in de Betuwe buiten het bloesemseizoen toch verschrikkelijk chagrijnig! Het weer werkt ook niet mee, met donkere luchten en met van tijd tot tijd druilende motregen.


Aankomst op Zetten-Andelst; weer een station dat afgevoerd kan worden van mijn bucketlist van stations waar ik nog nooit eerder voet aan de grond heb gezet.

Het heeft een dubbele naam, als een landjonker, en is niemand tot last. Dit moet toch een station naar het hart zijn van wethouder Van Baal. De spoorbaan snijdt noch Zetten, nog Andelst doormidden maar zeilt netjes tussen zijn beide naamgevers door. De eerste buitenwijk van Zetten begint 500 meter voorbij het stationsgebouw; de bebouwde kom van Andelst, te beginnen met een bedrijventerrein, na ongeveer een even grote afstand.

Maar ja, de weg tussen beide dorpen is wel twee keer per uur een paar minuten versperd door overwegbomen. Als het aan Van Baal ligt, staan hier straks de bussen op de auto’s te wachten.

Zetten-Andelst heeft een ruime fietsenstalling. Er rijdt op werkdagen ook nog een streekbus langs het station, lijn 35 (Zetten – Andelst – Herveld – Valburg – Elst – Bemmel) en 7 dagen per week een buurtbus, lijn 237 (Heteren - Kesteren). Niet zo verschrikkelijk veel reden tot klagen voor bewoners van dorpen met 5000, respectievelijk 1700 inwoners.


Gien spiet van; Zetten & Andelst



Eenmaal Zetten en twee maal Andelst in het donker


Zetten is vooral bekend, zo niet berucht, als vestigingsplaats van de Ottho Gerhard Heldring Stichting, een instituut voor zeer moeilijk opvoedbare meisjes, waaronder ’gevallen vrouwen’. De trein waarmee ik kwam, is genoemd naar Heldring (1804-1876).

Theo Finkensieper is een naam die nooit op een trein zal verschijnen. Maar hij prijkte zo’n jaar of 30 geleden wel regelmatig in alle kranten en op teletekst. Die naam zal eeuwig verbonden blijven aan Zetten zoals de treinramp aan Harmelen; Finkensieper gaf Zetten een slechte naam. Hij was psychiater in het instituut, en middelpunt van een ongekend schandaal. Tientallen jaren lang heeft hij de aan zijn zorg toevertrouwde meisjes misbruikt. Hij moest er 6 jaar cel voor opknappen, even lang, en voor dezelfde feiten, als laatst die kardinaal uit het Vaticaan. Gevallen mannen…

Dat vredesmonument lijkt wel wat op dat van Akersloot. De V van victorie is wat gemakkelijker te houwen dan de P van peace, constateerde ik daar al.

De tijd van de dinunch (het lunee) nadert en ik heb mijn zinnen gezet op een gezellige lunchroom of knus eetcafé. Als ik naar binnen kijk bij het ouderwets ogende etablissement op de hoek, zie ik echter een lege gelagkamer. En hoor ik een averechtse sirenenzang door de ramen klinken: ‘Loop dóór, vreemdeling; loop dóór, vreemdeling; loop dóór, vreemdeling!’

Zo gezegd, zo gedaan. Maar daarom niet getreurd; ik heb geloof ik nog een of twee muffe mueslibollen in mijn tas, plus een half afgekloven appel met nog enig vruchtvlees eraan.

De PvdA wil op een verkiezingsbord dat we zeker zijn van een huis in de Betuwe. Dat zijn vanmiddag huizen met sombere wolkenluchten erboven. Statige, monumentale exemplaren, dat wel, vooral in de buurt van het station.



Op een soort terp in het hart van Zetten staat een kerk, in gestichtenstijl, die nog is gesticht door Heldring. Zijn gevallen vrouwen konden hier kerken, bidden om vergiffenis en voor een beter leven, en er veilig zijn, in ieder geval voor overstromingen.

Ik steek het spoor over, op weg naar Andelst. Al snel kruis ik de Betuweroute en meteen daarna de A15. Ik ga bij die goederenlijn maar niet staan wachten op passage van een trein. Railspotters langs dit traject moeten een jobsgeduld hebben; de treinen rijden niet bepaald af en aan.

Ik loop het dorp binnen, via een hondenuitlaatstrook waar vanmiddag geen hond wil wandelen. Het is hier nog landelijker dan in Zetten, met boerderijen met flinke stukken land midden in het dorp. De Andelsters zitten vrijwel allemaal bij de warme kachel. Gelijk hebben ze.

Een van de laatste huizen in het dorp heet: ‘Gien spiet van’. En dat heb ik ook niet van deze wandeling: geheel volgens mijn verwachting is mijn voorjaarsmoeheid er van overgegaan. Inspanning helpt beter tegen vermoeidheid dan op je kont voor de tv gaan zitten hangen. Ik trotseer nu ook maar de troosteloosheid van een bedrijventerrein in de motregen op zaterdagmiddag. Wáár je wandelt, maakt niet zoveel uit.

Nog even die weg over en dan nader ik het station alweer. Hee, verrek, wat is dat? Er komt een trein aan. Een trein op de Betuweroute! Snel, mijn camera! Een heel lange, nog wel, een wagen of 75, op weg naar die cargospotter die we eens ontmoetten in de buurt van Pernis. Zou het dan toch waar zijn wat ik hem wijsgemaakt heb, dat ik treinen op de Betuweroute naar me toetrek?

Een poosje geleden heb ik voor deze rubriek ook nog een rit gemaakt over de Betuweroute. De ICE Amsterdam – Keulen was bij wijze van zeer grote uitzondering omgeleid via deze goederenlijn. Ik reisde grijs; eigenlijk mocht je alleen mee met een internationaal kaartje.

Als je nou praat over een barrière in het landschap… Dat betonnen gevaarte zie je van kilometers afstand. Terwijl je een lijntje zonder bovenleiding, zoals Tiel – Arnhem, pas opmerkt als je er bovenop staat. Die Van Baal bazelt maar wat raak.

Het is na vijven en op het perron staat nu een dozijn reizigers, waaronder een prinses van een niet bestaand land. Zij verwacht blijkbaar toch wat carnavalsvertier in Arnhem.

De trein daarheen is exact op tijd. Hij scheert het dorpje Valburg, en snijdt ook dat niet doormidden, maar stopt er ook niet. Nog steeds zag ik vanmiddag protestborden tegen de grote railterminal bij Valburg voor de Betuweroute.

Aankomst in Arnhem, en het einde van alweer een beminde zaterdag. Deze maand telt er 5; spoedig meer!

Frans Mensonides
17 maart 2019
Er geweest: zaterdag 2 maart 2019

 


 

Emmerlijst

En hier is dan mijn bijgewerkte bucket-list met de 34 Nederlandse stations waar ik nog nooit ben in- of uitgestapt:

Warffum, Usquert, Uithuizermeeden, Loppersum, Kropswolde, Sappemeer Oost, Zuidbroek, Hurdegaryp, Veenwouden, Dronrijp, Sneek Noord, Koudum-Molkwerum, Vroomshoop, Almelo de Riet, Hengelo Oost, Arnhem Presikhaaf, Duiven, Hemmen-Dodewaard, Nijmegen Heyendaal, Veenendaal West, Hollandse Rading, Diemen, Heemskerk, Krommenie-Assendelft, Den Helder Zuid, Rotterdam Noord, Dordrecht Zuid, ’s Hertogenbosch Oost, Helmond Brouwhuis, Geleen Oost, Hoensbroek, Landgraaf en Eygelshoven Markt.

Het wordt tijd dat ik die lijst de komende maanden weer eens wat korter ga maken; ik doe mijn best.

FHM




Bijna getuige van bijna-ramp Castricum


Tot zover zaterdag 2 maart. We springen even over 9 maart heen en belanden meteen op de 16e. Dat houdt verband met de actualiteit waar De digitale reiziger zo graag bovenop zit. Zondag 10 maart kreeg Tilburg namelijk wat Zwolle drie weken daarvoor kreeg: een nieuw busstation.

Een groen busstation, zelfs; in meerdere betekenissen van het woord groen. Maar dat leg ik straks wel uit, als ik er plaatse ben.

Vanaf zo’n busstation wil ik uiteraard ook de bus nemen, en daarvoor kies ik op voorhand al voor twee stadslijnen die buiten de stad komen: lijn 9 naar Udenhout en lijn 2 naar Goirle, beide van ‘Bravo’.

Ook dit weekend is het NL-spoorwegnet weer één grote hindernisbaan. Zo rijden er geen treinen tussen Den Haag HS en Schiphol / Haarlem (via Den Haag Centraal dan weer wel). Ook is de HSL tussen Rotterdam en Breda gestremd – wat tussen haakjes de normale status is van deze koppijnlijn.

Normaliter kom je in 1:20 uur van Leiden in Tilburg, via die HSL, als er een keertje geen storing is. Vandaag kan ik kiezen voor een langzamere route via ’s-Hertogenbosch en een nog veel langzamere via Den Haag Centraal en Dordrecht. Ik doe op de heenweg het eerste en terug het laatste.

En zoek onderweg het nodige op over de bijna-treinramp die zich gisteren voltrokken heeft op station Castricum. De spits-IC Haarlem – Alkmaar stond met panne langs het Castricummer perron. En de IC Maastricht – Alkmaar reed door het rode sein vóór de kruising met de Dorpsstraat en de Beverwijkerstraatweg en kwam 15 meter achter die andere trein tot stilstand.

Dat was om 18:24 en daarmee 49 minuten nadat ik datzelfde station had verlaten in de andere richting, met de IC Alkmaar – Maastricht van 17:35. Ik kan dus zeggen dat ik bijna getuige was van een bijna-ramp.

Er komt vanzelfsprekend een onderzoek van het ILT (Inspectie Leefomgeving en Transport) naar dit incident. Maar de media wisten al te melden dat de ATB (Automatische Treinbeïnvloeding) had ingegrepen en zodoende een ongeluk had voorkomen.

Ik twijfel aan die lezing. Die seinpaal staat op 100 meter van het perron en de treinen rijden daar altijd met een lage snelheid, omdat ze moeten stoppen op station Castricum. Met een snelheid <40 km/uur rijd je onder de radar van de ATB. Dat sein staat meestal op geel, maar nu op rood. Ik denk dat de machinist uit de macht der gewoonte doorreed, die andere trein ineens voor zich zag opdoemen en nog net op tijd wist te remmen. Maar het moet blijken uit het onderzoek.

Hij was wel erg geschrokken, die machinist. Meer mensen, denk ik.

Die drukke spoorwegovergang bleef tot na 21:00 uur geblokkeerd. Het moet tot een enorme verkeerschaos geleid hebben, want die is daar onder normale omstandigheden al met geen pen te beschrijven. Ik zal er volgende week wel verhalen over horen op kantoor – maar het gesprek van de dag is dan de terroristische aanslag op een Utrechtse tram op maandag 18, akelig dicht vóór de verkiezingen, en eerst nog gedownplayd tot een incident in de persoonlijke sfeer.

Mijn IC naar Heerlen (vandaag ingekort tot Sittard) wordt even voorbij Lunetten voorbij gestoken door de Sprinter naar Tiel die ik in het vorige hoofdstuk had. Daarna staan we 5 minuten stil in een weiland op zo’n anderhalve km van Geldermalsen. We arriveren daardoor te laat in Den Bosch voor de overstap op de trein naar Roosendaal. Dan de sprinter naar Dordrecht maar; weer 20 minuten erbij!



Voordat ik die neem, zie ik bij station ’s-Hertogenbosch deze originele manier van een referendum houden: via de prullenbak. Het is om aandacht te vragen voor de verkiezingen voor de Provinciale Staten, die al achter de rug zijn als je dit leest.

Het is zo’n stemwijzer-stelling die je moet leiden naar je ideale partij – waar je dan toch niet op stemt omdat de uitlatingen of de tronie van de lijsttrekker je niet bevallen. Precies dezelfde stelling die hier op de prullenbakken staat, kwam ook voor in de kieswijzer die ik voor Zuid-Holland heb ingevuld.

Ik heb van de week op een avond de verkeersparagrafen van de meeste verkiezingsprogramma’s voor Zuid-Holland ‘doorgeakkerd’ (vergeef me het kantoorjargon). Maar weinig partijen spreken zich echt uit voor het OV én tegen extra asfalt voor de particuliere vierwieler. Bij de programma’s die ik gezien heb, alleen de bekende trits GL, PvdD en CU, deze keer zowaar aangevuld met de SP. Ook noemen weinig partijen concrete OV-maatregelen voor hun provincie (hoewel een groot deel van de provinciebegrotingen opgaat aan OV). Doen ze dat toch, dan trekken ze meestal een enorm, miljardenverslindend blik rail open, want met bussen win je geen stemmen. 

Ik las laatst tussen haakjes dat Zeeuwen en Friezen het meeste provinciaal chauvinisme etaleren, en Zuid-Hollanders het minste. En inderdaad: ikzelf voel me pas Zuid-Hollander sinds ik in de kop van Noord-Holland werk.

De Sprinter naar Dordrecht rijdt tussen Tilburg en ’s-Hertogenbosch langs de dorpen Helvoirt en Udenhout zonder er te stoppen. Udenhout is mijn bestemming voor deze middag, maar ik zal aan de noodrem moeten trekken om er uit te kunnen stappen.

Rijdt er dan geen rechtstreekse bus van Den Bosch naar Udenhout? Nee, dat heb ik net nog even nagezocht. Doordeweeks overdag wel: een buurtbusje dat er 40 minuten over doet. Maar in het weekend moet je eerst met de trein naar Tilburg. Het zal het OV niet populair maken onder Udenhouters.

Dat zijn wel de sneuste plaatsen op OV-gebied: waar de trein doorheen rijdt maar niet stopt. Als je het geschiedenisboek erbij pakt, zie je vrijwel altijd dat er ooit wel een station geweest is, dat allang gesloten en gesloopt is. Ook bij Helvoirt en Udenhout is dat het geval.

Jarenlang reed tussen Den Bosch en Tilburg alleen de IJssellijn, de IC Zwolle – Roosendaal. In 2008 kwam de Sprinter Den Bosch - Breda erbij, later verlengd tot Utrecht - Breda en sinds 2017 Arnhem – Dordrecht. Die doet toch al eeuwen over die rit, dus had net zo goed weer kunnen stoppen in Helvoirt en Udenhout. Zou dat nog in een verkiezingsprogramma staan in NB?





Groen busstation van Tilburg






Het busstation van Tilburg lag tot ca. anderhalf jaar geleden langs de Spoorlaan, aan de voorkant van het station, vlak bij de uitgang. Het was een rommelig, onoverzichtelijk en ten slotte ook vervallen geheel; een entree, de 7e stad van Nederland onwaardig. In 2017 is het tijdelijk verplaatst naar de achterzijde, op een vrij grote loopafstand van het station. En nu is het dan weer terug langs de Spoorlaan aan de centrumzijde, een hectometer ten westen van waar het eerst was.

Het is een lang en breed perron met de bushaltes aan weerszijden, overzichtelijk en met een groot digitaal bord aan het begin. In esthetisch opzicht wint het meteen al op het eerste gezicht van dat van Zwolle (waarbij Zwolle wel de Schuttebusbrug als grote troef heeft). Fraai is het roomwitte dak, dat mooi harmonieert met het zigzagdak van het station

Dat dak is groen, al het is wit. Erbovenop staan zonnecollectoren. Overdag dient het dak als parasol en ’s avonds als lamp. Een intelligente lamp, die uitgaat als er niemand staat. Het hele busstation is zelfvoorzienend, en daarmee duurzaam en groen. Ook veel groen in plantenperken aan het uiteinde van het perron. Daar staan nu alleen nog wat sprietjes in, maar straks in de zomer moet je je hier in een hortus botanicus wanen in plaats van op een busstation.

Ook bijzonder is de verwarming in de zitbanken. Nergens anders nog gezien; het is bijna decadent luxueus. Je zit hier puur voor je lol op een bus te wachten!

Er komen een stuk of 20 lijnen op dit busstation, waaronder één internationale: lijn 450 naar Turnhout van de Vlaamse vervoerder De Lijn. Op een werk- en schooldag vertrekken er een kleine 1000 bussen; ruim de helft van het aantal dat Zwolle er te verstouwen krijgt.

Dat alles heeft de gemeente Tilburg de somma van 17 miljoen euro gekost, waarmee de ramingen met 2 miljoen overschreden werden. Ook de bouwtermijn werd dat; het busstation had in december 2018 al af moeten zijn. OV-projecten die binnen de budgetten en de tijdschema’s blijven, zijn zo zeldzaam als een groene raaf. Maar het geduld werd in Tilburg beloond, en voor die centen heb je dan tenminste wel wat.

Helaas nog geen groene bussen, hoewel het busstation alvast wel is uitgerust met een oplaadinstallatie. Bruin (Groen?) kan na die aderlating ook nog niet eens een nieuwe vloot elektrische bussen trekken. Tot 2024 zal Tilburg het nog moeten stellen met de huidige dieselexemplaren. Die zijn van het type: oh-ja,-er-moeten-ook-nog-mensen-in: goedkoop, Spartaans zitmeubilair waarvan je een blikken kont krijgt, zoals ik tijdens 4 vrij lange ritten zal ondervinden.









Udenhout in het universum

Alvorens in de Tilburgse stadsbus te stappen, wijs ik eerst op het gelinkte nostalgische reisverslag uit 1997, toen ik ook de Tilburgse stadsdienst deed. 1997, bestond er toen al Internet, dan? Ja, blijkbaar. Ik had toen net, als ik me goed herinner, een jubelmail van Planet Internet gekregen dat mij voortaan 5 MB opslagruimte zou worden toegemeten voor mijn homepage, in plaats van 2 MB. Daardoor kon ik al mijn reisverslagen vanaf dat moment larderen met wel 4 à 5 fotootjes in postzegelformaat en hoefde ik die plaatjes niet meer na 2 weken te wissen.

Bus 9 naar Udenhout, nu. Hij vertrekt ieder halfuur, doet een minuut of 25 over zijn rit naar dit wat afgelegen dorp in de gemeente Tilburg en heeft daar geen eindpunt, maar rijdt bij wijze van spreken een rondje rond de RK-kerk.

In Tilburg volgen we eerst een poosje het spoor en zetten daarna koers naar Berkel-Enschot. Dat behoort tot de aller-allersneuste dorpen, die zelfs aan TWEE spoorlijnen liggen, maar toch geen station hebben. Een lezer wees me op de overtreffende trap van sneuheid: Eefde, aan de spoorlijnen Arnhem - Deventer, Zutphen - Winterswijk en Zutphen - Hengelo, en zonder station.

Dat het me in Berkel-Enschot vaag bekend voorkomt, is geen déjà vu, maar kan wel kloppen: ik fietste hier een paar jaar geleden eens in de zomer. Maar ik miste de kern met kerk en kroeg op mijn route; ik had er al 10tallen kilometers opzitten en voelde me lichtelijk versleten.

De oude, dikke boom bij het zorgcentrum van Berkel-Enschot heeft de storm van laatst niet overleefd. Dan kruisen we het spoor, en ik daarmee mijn pad, en rijden Udenhout binnen, met nog slechts 5 passagiers aan boord.

Onderweg naar zo’n nog nooit eerder bezochte plaats scrol ik even vlug door het lemma in de Wikipedia. Ik wil even weten waar de belangrijkste te fotograferen monumenten zich bevinden, en of er zich nog interessante historische feiten hebben voorgedaan gedurende de afgelopen eeuwen.

Bij Udenhout bestaat de geschiedenis vooral uit ingewikkelde godsdiensttwisten. Aan de ene zijde streden de Rooms Katholieken. Aan de andere zijde niet de protestanten, niet de gereformeerden, niet de mennonieten, niet de muzelmannen en niet de Joden, maar andere katholieken. Een ingewikkeld verhaal met concurrerende parochies en zo, typisch zaken waar een goddeloze zich niet in wil verdiepen.

Hoe dan ook, de katholieken hebben gewonnen, en de monumentenlijst wordt daardoor sterk gedomineerd door RK-gebouwen. Het meest opvallend is Huize Vincentius, op het eerste gezicht een klooster, maar in werkelijkheid heel lang een tehuis geweest voor mensen met een cognitieve beperking (al zijn daarvoor andere termen in zwang geweest). Tegenwoordig is het zorgcentrum. Het torentje heeft een klok en is tevens watertoren.





Het fraaiste monument van het dorp is toch van seculiere aard: het gemeentehuis. Udenhout was tot 1997 een zelfstandige gemeente. Toen werd het tot groot verdriet van de 8000 dorpelingen ingelijfd bij grote buur Tilburg. Goirle, waarover straks meer, is een maatje groter dan Udenhout en wist zich in ’97 ternauwernood het vege lijf te redden.

Even buiten de bebouwde kom heb je landhuis Strijdhoef in een bosachtig park dat tussen zonsopkomst en –ondergang voor publiek toegankelijk is. Het huis zelf geeft zijn geheimen nauwelijks prijs, omringd door bosschages en bewoond door iemand die erg op zijn / haar privacy gesteld is, misschien de plaatselijke zonderling.

Behalve over Udenhout en de bijna-treinramp van Castricum las ik onderweg ook nog een artikel over heel andere koek: de meest recente theorieën over het heelal als geheel. Je leest wat af op zo’n reis vol vertraging, en hoe het allemaal opduikt in je timeline…

Volgens een nieuwe, revolutionaire theorie zijn wij (‘wij’ nu even in de aller-, aller-ruimste zin des woords) een vierdimensionaal hologram van een vijfdimensionale ruimte (die zelf misschien een hologram is van een zes-?, slaat mijn fantasie ogenblikkelijk op hol). En volgens andere inzichten bestaat er ook nog een kopie van dit heelal, die is opgebouwd uit antimaterie, tegelijk met het onze is ontstaan en waar de tijd achteruit loopt.

Dat schijnt dan allerlei tot dusverre onbegrijpelijke natuurkundige fenomenen te verklaren, al snap ik er niet veel van, met mijn eigen verstandelijke beperkingen. Maar ik krijg na lezing van zoiets altijd een heel surrealistisch gevoel dat soms meerdere dagen aanhoudt.

Toen ik een jaar of 15, 16 was, was het mijn ideaal om sterrenkunde te gaan studeren en alle geheimen van de kosmos te doorgronden. Een paar jaar later heb ik echter op de drempel van volwassenheid het verstandige besluit genomen om me voortaan louter met aardse zaken bezig te houden. Die zijn soms al onbegrijpelijk genoeg.

Maar in een parallel universum leeft een Frans die dat besluit niet genomen heeft, een befaamd kosmoloog is geworden, nu ook 62 is, en geen cent wijzer dan ik hier en nu ben. Parallelle universa zijn tegenwoordig wel uit de mode, onder wetenschappers, althans in dit universum.

Ik (of moet ik zeggen: het hologram waarvan ik denk dat ik het ben?) wil nog een foto van de bus in Udenhout, en stel me daartoe op langs de Slimstraat. Dat betekent dan wel dat ik nou een halfuur moet wachten op de volgende bus, en ik ga een extra rondje lopen door het dorp.

Bij een bomenlaantje houd ik even halt om een krentenbol te nuttigen. Wat een vrouw die passeert met een boodschappenwagentje achter zich aan, de veronderstelling ontlokt dat ik een lekkere krentenbol aan het eten ben.

Ik heb dit leren kennen als typisch Brabants. Al zijn je handelingen volkomen triviaal, er is altijd wel een Brabo die halt houdt en meent, zich ermee te moeten gaan staan bemoeien. Ik heb het vooroordeel dat iedereen hier haastig door zal lopen als je onwel bent geworden en met hevige spasmen over de grond ligt te kronkelen. Maar ik ga het niet faken om mijn stelling te bewijzen.

Terug met bus 9, die ook weer 5 passagiers telt bij het verlaten van Udenhout. Aangekomen in Tilburg maken we een enorme omweg ten noorden van het station, langs het nu verlaten tijdelijke busstation. Eerst denk ik dat de chauffeur zich vergist, maar dit is wel degelijk de officiële route. Op de Spoorlaan, die nog in reconstructie verkeert, heb je eenrichtingsverkeer, en vandaar die omweg.

Vanuit de op hoge poten staande stationsrestauratie Breexz bestond altijd al een riant uitzicht op de treinen, maar nu ook op de bussen. Dat is ook nog een groen aspect van dit busstation: het voetgangerslicht staat heel lang op groen en dat voor de bussen dientengevolge heel lang op rood. Dat is prettig als je er loopt en minder prettig als je in de bus zit. Wat ik nu weer ga doen.





Goirle, niet meer in de textiel



Bus 2 verbindt de excentrisch gelegen Tilburgse wijk Reeshof in het westen met het dorp Goirle ten zuiden van de stad. De bus rijdt vanaf het station door schillen van steeds nieuwere buitenwijken. Dat hebben alle stadsbussen eigenlijk wel, over het algemeen gesproken.

Bij het ziekenhuis is er een busstation, iets bescheidener dan dat bij het station. Helemaal aan de rand van Tilburg rijden we langs locatie Stappegoor met veel scholen, het ROC, sporthallen, een zwembad en het stadion van eredivisionist Willem II die volgende maand de bekerfinale mag spelen. Op schooldagen rijdt bus 601 met hoge frequentie non-stop naar Stappegoor.

Daarna Goirle, niet te verwarren met Goirke, de Tilburgse wijk ten noorden van het station, waar ik laatst nog in het Textielmuseum was. Ook deze keer hebben we maar 5 buspassagiers over als we de weg naar Goirle inslaan.

Ooit was Goirle, evenals Goirke, een textielbolwerk. Maar de enige fabrieksschoorsteen die nog naar het wolkendek reikt, is van een heel ander soort fabriek, geloof ik.

Ik stap uit bij een breed halteperron in het centrum. Nog een ommetje in het stille uur dat de winkels sluiten gaan en de zaterdag al een beetje plaatsmaakt voor de zondag.

Ook hier iets katholieks als opvallendste blikvanger, na de molen. Iets voormalig-katholieks; het is nu de openbare bibliotheek. Eén spookhuis heeft de kaalslag overleefd die eromheen heeft gewoed. De zon probeert door het wolkendek te breken. We hebben hem weken niet gezien, en ook nu geeft hij het na 2 à 3 pogingen op.

Opvallend straatmeubilair bij het winkelcentrum: buitenmodel bloempotten en dito schemerlampen. Die staan bij zitbanken en geven ‘s avonds echt licht, net als het dak van het Tilburgse busstation.

Ik pak de bus terug naar Tilburg. Voor het Grote Evenwicht der Dingen zou het goed zijn als de bus het dorp ook weer met 5 passagiers zou verlaten. Maar na telling en hertelling kom ik tot 8.

Ik stap uit op het busstation, terwijl anti-Frans in dat anti-heelal de anti-stadsbus naar anti-Goirle achterstevoren door de anti-achterdeur beklimt, en nog moet beginnen aan de anti-middag die ik net achter de rug heb. Die anti-bus rijdt achteruit. Het woord ‘terwijl’ in de voorvorige zin is volkomen misplaatst; het is allemaal al 30 miljard jaar geleden gebeurd, want de tijd loopt daar achteruit. Toch weet HIJ al dat IK over 30 miljard jaar… etc. En denkt hij dat HIJ de enige echte Frans is, en IK de anti. Zijn anti-verstand staat erbij stil, de anti-held!

In de trein klik ik het artikel over dit soort onbegrijpelijke narigheid weg van mijn telefoonscherm. Op de lange omweg terug vul ik uit balorigheid de stemwijzer in voor een stuk of 6, 7 provincies waar ik geeneens woon. Die stelling die in Den Bosch op de prullenbak stond, vind ik bijna overal terug. Er is deze week veel geklaagd dat de verkiezingsdebatten op tv nooit over regionale kwesties gaan. Maar bestaan zulke regionale kwesties wel, als ze spelen in alle 12 provinciën?

Tot slot: een troost voor iedereen die donderdagmorgen droevig zal zijn door de verkiezingsuitslag: in een democratie heeft de kiezer per definitie gelijk en krijgt het volk de regering die het verdient. Niets om je druk over te maken.

Frans Mensonides (de echte)
24 maart 2019
Er geweest: zaterdag 16 maart 2019.





Vol-gon-duh-hal-tuh: met EBS naar ‘Dorp’

Edam

De zaterdagen 9 en 23 maart bracht ik door in de Noord-Hollandse landstreken aan de Zuyderzee – met ook nog twee visites die ik gemaakt heb als privépersoon en niet in hoedanigheid van De digitale reiziger. Daardoor zitten er hier en daar gaten in dit verhaal. Ik vul ze op met foto’s, veel plaatjes, deze keer.

De eerste zaterdag was ik in Etersheim, waar niemand van gehoord heeft, maar waar wel van 1883-1902 de befaamde kinderboekenschrijver C. Joh. Kieviet gestaan heeft. Ja, gezeten en gelegen zal hij in die jaren ook wel eens hebben, maar hij was onderwijzer, en die ‘staan’ nu eenmaal. Hij schreef meer dan 50 boeken, maar is vooral bekend als schepper van Dik Trom.

De tweede zaterdag, 14 dagen later, deed ik een keur van plaatsen, om te fotowandelen, waarvan het liefst: Edam.

Op stap onder meer met de bussen van EBS. Daarvan rijden boven het IJ de meeste met het R-net-logo, ten teken van kwaliteit die uitsteekt boven het in het NL-streekvervoer gebruikelijke niveau. Deze streek maakte in 2011 al kennis met de R-netbussen en ik overschreed daarvoor toen de grens tussen beide Hollanden in deel 1 en deel 3 van de R-net-reeks.

Etersheim is een buurtschap bij Oosthuizen en dat ligt aan de weg van Edam naar Hoorn. Oosthuizen is bereikbaar met R-net-lijn 314, Amsterdam – Hoorn,  een snelbus die er niet zo gek veel langer over doet dan de trein.

Hij behoort tot de 5 bevoorrechte lijnen richting Waterland, die nog mogen vertrekken van het busstation IJsei aan de IJ-zijde van Amsterdam Centraal. De andere Waterlandse bussen zijn afgelopen zomer allemaal verbannen naar het busstation bij Amsterdam Noord, het eindpunt van de Noord/Zuidlijn.

Weinig interesse voor deze rit op de vroege zaterdagmiddag. Lijn 314 zal grote drukte kennen in de spits, gezien de 10-minutendienst die dan gereden wordt. In het weekend gaat er slechts eens per half uur een bus.

We gaan door de IJ-tunnel en rijden enkele minuten later rakelings langs metrostation Noord, zonder er te stoppen. Zo blijft het tempo er wel in. Deze bus heeft de plaatsen en vlekjes Het Schouw, Broek in Waterland, Monnickendam, Katwoude / Zedde, Edam, Middelie, Warder, Oosthuizen, Beets, Oudendijk en Scharwoude op de route, maar verlaat zelden de hoofdwegen voor een rit door de bebouwde kom. Warder bijvoorbeeld, is in de verste verte niet te zien vanaf de halte die zo heet; Wardernaren moeten misschien kilometers door bedauwde velden lopen en over sloten springen om de halte te bereiken.

Ook EBS heeft een ingeblikte stem om de haltes af te roepen. Het is een vrouwenstem, die spreekt in afzonderlijke let-ter-grepen, met dui-de-lijk  hoor-ba-re  Jip-en-Jan-ne-ke-streep-jes. En dat op een nogal vermoeide, ongeïnteresseerde toon, alsof ze helemaal geen zin heeft om de vol-gon-duh-hal-tuh aan te kondigen. Maar dat doet ze desondanks twee keer per halte; de eerste keer als de bus er nog kilometers van verwijderd is, en de tweede als de halte al bijna wordt voorbijgereden. Wie er dan nog uit had gewild, is gewoonweg te laat.

Die boodschappen komen bij bijna geen enkele vervoersmaatschappij nou eens een beetje normaal en natuurlijk uit de luidspreker. Zo heeft het GVB Amsterdam nog steeds dat idiote gebrul.

Enfin, een minuut of 35 na vertrek uit Amsterdam is de vol-gon-duh-hal-tuh die waar ik eruit moet. Dat is de enige halte in Oosthuizen, die echter geen Oosthuizen heet, maar Dorp.

Dat dorp telt ruim 3000 inwoners en behoort tot de categorie sneue plaatsen waarover ik het in een vorig hoofdstuk had: plaatsen waar de trein wel doorheen rijdt maar niet stopt. Het station Oosthuizen, aan de spoorlijn Zaandam – Hoorn, werd gesloten in 1938 en doet nu dienst, met moderne aanbouw, als kaasfabriek.

Verder, afgezien van een station, heeft Oosthuizen alles wat een plattelandsdorp nodig heeft: supermarkt, bakker, slager, kerk en kroeg. De meeste monumentale, fotograferenswaardige panden bevinden zich aan de voornaamste straat, de Raadhuisstraat.

Daar zie ik ook de buurtbus Oosthuizen – Hobrede – Middelie – Purmerend rijden, hoewel ik dacht dat deze streek op zaterdag wel verstoken zou zijn van deze kleinschalige vorm van OV.





Buiten het dorp word ik bijna van een bruggetje afgeblazen; er staat een westenwind van 8 Beaufort en de rukwinden tikken de 100 km/uur aan. Die winden blazen me snel naar Etersheim, dat zo’n 2 kilometer naar het oostnoordoosten ligt, veilig achter de dijk langs het IJsselmeer.


Etersheim, bakermat van Dik Trom?

 

Dik Trom, geflankeerd door zijn creators: C. Joh. Kieviet (links) en illustrator Johan Braakensiek (rechts)

Foto van Kieviet overgenomen van Wikipedia, Cornelis Johannes Kieviet, foto van Braakensiek door Bernhard F. Eilers, overgenomen van Wikipedia, Johan Braakensiek

Etersheim is nog een paar eeuwen ouder dan Oosthuizen, dat in de 13e eeuw voor het eerst vermeld werd. De naam van het dorp betekent: uiterste woonplaats. Het is een paar keer overstroomd geraakt en telde, vermoedelijk om die reden, de laatste eeuwen niet veel meer dan enkele tientallen woningen, vooral boerderijen.

Het schooltje dat nu museum Het Schooltje van Dik Trom heet, bestond dan ook uit niet meer dan één klaslokaal. Er was ook maar één meester, die les gaf aan kinderen van 6 tot 14 jaar, en zich alleen liet bijstaan door een juffrouw die nuttige handwerken gaf aan de meisjes. In de winter waren de klassen veel voller dan ’s zomers; de boerenkindertjes moesten in de zomer op het land werken, hadden geen tijd voor school, en verlieten deze vaak als laaggeletterde.

C. Joh. (Cornelis Johannes) Kieviet, 1858-1931, accepteerde in 1883 een betrekking aan dit schooltje. Hij kwam oorspronkelijk uit Hoofddorp, toen nog Kruisdorp geheten, en had ook al als onderwijzer gestaan in Vijfhuizen in de Haarlemmermeerpolder.

Hij is natuurlijk bekend als schepper van de Dik Trom-reeks, boeken die ik in mijn kindertijd verslond. In de allereerste aflevering van deze rubriek, zomer 2015, deed ik het Museum Schooltijd in Terneuzen. In de goedgevulde bibliotheek met ouderwetse kinderboeken nam ik een Dik Trom ter hand, en schreef:

Het is wel gek, maar na 50 jaar schieten me complete, lang vergeten verhaallijnen weer in gedachten. Terwijl ik sommige boeken die ik een jaar of vijf geleden gelezen heb, van kaft tot kaft ben vergeten.

Het verhaal bijvoorbeeld van de heks van de Achterweg. Een armoedig gekleed, krom, oud vrouwtje is volgens Dik Troms vrienden een heks. Ze is in het maanlicht gezien op een bezemsteel, vliegend over het dorp, weet iemand te vertellen. Dik gaat op onderzoek uit.

Ik hoef dit hoofdstuk niet eens verder te lezen om te weten hoe het afloopt; ik weet het nog, na een halve eeuw. Dik luistert aan de deur van het schamele hutje van de vermeende heks. Hij hoort dat haar man ernstig ziek is. En ze hebben geen geld meer om eten te kopen. Dik zorgt ervoor dat er een mand uitgelezen voedsel bij die arme stumpers wordt bezorgd.

Nee, ik ga hier als volwassen grijsaard niet luidkeels om zitten brullen, om deze passage. Maar als jongetje schreide ik hete tranen als ik zulke verhalen las. Als kind was ik snel, heel snel bewogen door andermans leed, vooral als dit zich voltrok in goed geschreven kinderboeken. In het werkelijke leven was ik niet bijzonder empatisch, als ik met eerlijke ogen terugblik.

Dik Trom, de ondeugd met een gouden hart. Zijn goede werken namen geen einde. Dank zij hem konden blinde buurmeisjes weer zien, lamvleugelige ooievaars weer vliegen en ten onrechte van diefstal beschuldigde buurmannen vrijkomen uit het gevang, allemaal binnen één boekband. En het stond zo beschreven dat het volstrekt geloofwaardig overkwam. Het was een bijzondere schrijver, C. Joh. Kieviet, en dat was-ie!




Kieviet ergerde zich aan de al te zoetsappige kinderboeken die in die tijd geschreven worden, met ‘De brave Hendrik’ als het meest verschrikkelijke voorbeeld. Als meester schijnt hij best wel streng geweest te zijn; streng maar rechtvaardig, met een groot hart voor kinderen en daardoor toch erg geliefd.

Als schrijver ging zijn voorkeur uit naar ondeugende kinderen. Dik Trom sloeg om die reden eerst helemaal niet aan bij het grote publiek. Pedagogen spraken er schande van. Maar in de loop van de 20ste eeuw zijn toch ca. 1 miljoen boeken verkocht over de ‘driedubbeldikke jongen’. Het succes was mede te danken aan de illustraties van Johan Braakensiek (1858-1940).

Niet in alle opzichten was Kieviet vooruitstrevend. Hij vond het bijvoorbeeld ongepast dat vrouwen aan zwemmen deden. Maar zulke bedenkingen waren in zijn tijd normaal; fietsen mochten vrouwen aanvankelijk ook niet. Toch gold Kieviet zelfs voor zijn tijd als licht conservatief; niemand heeft hem ooit aangegeven bij Thierry´s kliktelefoon voor linkse docenten.

Ik heb me altijd afgevraagd of Dik Trom nu een Hoofddorper was of een Etersheimer. Het is ook wel inzet van een strijd tussen beide polderdorpen, tegenwoordig zo uiteenlopend in grootte en inwonertal.

In dit museum vind je een antwoord op deze strijdvraag. Kieviet begon in Etersheim te schrijven aan de Dik Trom-reeks. Hij verwerkte er personages in die hij kende uit zijn jeugd in Hoofddorp, waaronder de onsympathieke veldwachter Flipsen, die in het echt ook Flipsen heette. De figuur van Dik Trom was echter geheel aan zijn fantasie ontsproten, zodat de kwestie: Hoofddorp versus Etersheim onbeslist blijft.

Althans, dat zeggen ze in Etersheim. Maar de Wikipedia weet het beter dan welke schoolmeester ook: Dik Trom was een Hoofddorper. In Hoofddorp staat een standbeeld van deze held in karakteristieke pose: achterstevoren rijdend op een ezel. Arme ezel, met zo’n gewicht!

Het schooltje in Etersheim deed nog tot 1939 als zodanig dienst en werd daarna woonhuis. In de jaren 00 werd het gebouw van de sloop gered en in 2013 werd het in gebruik genomen als museum. Het schooltje is ingericht zoals schoolklassen eruit zagen in de tijd van Kieviet. 


Vanzelfsprekend heeft het museum een verzameling Dik Tromboeken. Daar zitten exemplaren bij die ik helemaal nooit in mijn kinderhand gehad heb, boeken van ver na mijn tijd. Hoe is dat mogelijk? Nou, ze zijn geschreven door de kleinzoon van C. Joh. Kieviet. Ik heb dus een flinke leesachterstand qua Dik Trom’s. Maar die wil ik niet meer inlopen. Je kunt zo’n held als Dik Trom generatie na generatie uitmelken. Maar een Dik Trom die misschien met een mobieltje loopt en alom aanmerkingen krijgt op zijn obesitas; nee, dan mis je toch een dimensie.

In een moderne aanbouw zijn nog meer schoolse dingen uit het verleden tentoongesteld. Maar deze collectie haalt het niet bij die in Terneuzen. Tijd om Etersheim te verlaten, met zware tegenwind. 

In de kerk naast het schooltje heeft ooit nog eens de Kerk van Satan gezeten; een raadsel waarom die het zondige Amsterdam verruilden voor dit schuldeloze plaatsje. Het was een parodie op het geloof, en tevens seksclub en een organisatie voor legale belastingontduiking, of zoiets, maar laat ik me daar niet verder in verdiepen.



ETMETtend richting Enkhuizen

Bovenkarspel-Grootebroek


Op zaterdagmorgen 23 maart reis ik eerst naar wat alleen op deze site De Neus van Noord-Holland heet, het gebied ten oosten van Hoorn. Ja, als deze provincie een Kop heeft, dan moet ze ook een Neus hebben, toch?

Ik liep in 2003 in mijn plaatjesloze periode in Lutjebroek, tussen de stations Hoogkarspel en Bovenkarspel-Grootebroek, en daar ga ik nu de foto’s bij schieten; beter laar dan nooit.

Het moet een tijd geleden zijn dat ik de trein naar Enkhuizen genomen heb. Ik verwacht hem namelijk om .15 op Sloterdijk. Maar hij blijkt 10 minuten later te rijden. Dat klopt ook wel, want sinds december 2017 valt hij in het ETMET-patroon, Elke 10 minuten 1 trein. Dat geldt alleen tussen Eindhoven en Utrecht, maar deze trein rijdt helemaal van Heerlen naar Enkhuizen. Deze nationale Noord/Zuidtrein doet 3:33 uur over zijn rit.

Die verschuiving van 10 minuten pakt nou niet echt handig uit, bedenk ik als de trein Oosthuizen voorbij snelt. Hij komt nu 10 minuten later in Hoorn aan. Na Kersenboogerd gaat hij een grotendeels enkelsporig traject op. Nog steeds passeert hij, net als vóór ETMET, op Bovenkarspel-Grootebroek zijn tegenligger. Maar nu moet hij zowel op Hoorn als op dat station van adel, met die dubbele naam, een poosje wachten.

In dat stuk uit 2003 schreef ik dat een rit Amsterdam – Enkhuizen 1:04 uur duurde. Ergens tussen toen en nu werd deze trein  gepromoveerd tot IC en werden er 4 stations overgeslagen: Zaandam Kogerveld, Purmerend Weidevenne, Sec en Overwhere. De reistijd daalde daardoor naar 55 minuten of daaromtrent. En nu is het 1:02 uur, bijna net zo lang als wat het was mét die 4 stops. Noem het: verbetering…

Er zijn meer van dit soort ETMET-problemen; zie ook mijn verslag van de ETMET-testwoensdag in september 2017. Daar is eigenlijk maar één bevredigende oplossing voor: til het hele spoorwegnet naar ETMET-niveau. En / of: leg overal dubbelspoor aan; 2 oplossingen, dus.




Deze keer loop ik van Hoogkarspel naar Bovenkarspel-Grootebroek, over de Streekweg, de P.J. Jongstraat  en de Zesstedenweg. Ik heb er 70 minuten voor, in mijn zorgvuldig uitgestippelde tijdschema, en het is 4,7 kilometer. Dat wordt dus: niet al te zeikerig lopen en geen geteut met fotograferen. Kijken, schieten en doorlopen, dat is sowieso de beste methode.

Ik herken nog de nodige dingen van 16 jaar geleden, maar zie dat er in die tijd ook weer heel wat eeuwenoude stolpboerderijen zijn bijgekomen. Op de foto zie je niet wat oud-thentiek en nieuw-thentiek is, maar in het echt zie je het verschil wel degelijk.

Lutjebroek is niet alleen, door wat voor oorzaak ook, het zinnebeeld van lullig provincialisme, maar ook een sneue plaats in mijn definitie: met treinspoor, maar zonder treinstopplaats.

In 2003 stelde ik vast dat er over die doorgaande weg langs 6 plaatsen geen bus meer reed, omdat er 400 meter ten zuiden daarvan ook al een trein reed (zonder te stoppen in Lutjebroek, dus). Deze misstand is in de tussentijd opgeheven. Er rijdt nu een buurtbus van Hoorn naar Bovenkarspel, via Lutjebroek en nog een paar andere dorpen.

Die bus rijdt doordeweeks 10 keer per dag per richting en op zaterdag nog 4 keer. Dat is nog altijd 54 keer per week; als je het zo opschrijft, lijkt het nog heel wat. Noord-Holland is wel de provincie waar het busvervoer de afgelopen jaren de geringste stijging vertoond heeft (als het geen daling was; ik heb de cijfers even niet paraat). Dat zal zonder twijfel komen door de matige bereikbaarheid van het NH-platteland.

Beter is het gesteld in Waterland, waar de rode R-netten af en aan rijden. Op pad, nu, en wel met de elektrische bus op lijn 316.

 

Buurtbussen in Oosthuizen en Lutjebroek

E-bus, zegen of bedakke?




Lijn 316, Amsterdam – Volendam – Edam, is uniek in Nederland en volgens sommige bronnen zelfs in heel de wereld. Elektrische stadsbussen zijn overal in het land sterk in opkomst, sinds in december 2016 in Eindhoven de eerste vloot e-bussen op de weg kwam. Die stadsbussen hebben een beperkte actieradius en rijden maximaal zo´n 70.000 kilometer per jaar.

De bussen op 316 zijn echter streekbussen. Ze doen ca. 40 minuten over hun rit van 26 km. Ze worden opgeladen op het busstation van Edam, waar 3 laadinstallaties aanwezig zijn. Dat laden duurt ruim 10 minuten en dan kunnen ze 2 slagen Amsterdam – Edam maken en dus 104 kilometer rijden op een volle accu. De 10 gelede VDL-Citea bussen die EBS in gebruik heeft voor deze lijn, rijden 130.000 km per jaar.

Ze zijn sinds de zomer van 2018 op de weg. Maar op vrijdag 25 januari 2019 vloog er op busstation Edam een in brand. Een bedakke, schreven de streekkranten, wat Volendams is voor pech, misère. Blussen was een probleem, want de bus stond net aan de laadpaal, en water en stroom is niet zo´n gelukkige combinatie. Persoonlijke ongelukken deden zich niet voor, maar de bus brandde helemaal uit. Het elektrische busverkeer kwam tijdelijk tot stilstand en er werden weer dieselbussen ingezet op lijn 316.  

Dat is nu allemaal achter de rug; inmiddels al lang weer elektrische bussen op deze unieke lijn.

Die hoort net als 314 tot de bevoorrechte die nog van IJsei mogen vertrekken. Maar niet dit weekend, want er is een stremming in de IJtunnel en ik moet eerst met de metro naar Noord.

Daarna volgt de bus de route van 314 tot waar hij rechtsaf slaat bij Van der Valk hotel  Volendam, waar wij (meervoud, nu) tussen twee haakjes 2 weken geleden uitstekend gedineerd hebben. Hij glijdt heel smooth en vrijwel geruisloos over het asfalt.

De bus rijdt Volendam binnen en volgt in verband met de markt een alternatieve route over hobbelige straten, langs het stadion van FC Volendam. De haltes volgen elkaar snel op en het ‘vol-gon-duh-hal-tuh' is niet van de lucht.

Hier begint mijn reeks fotowandelingen van deze zaterdag.







Volendam geeft me net zo’n gevoel als Manneken Pis in Brussel. In 2005 schreef ik in een stuk over Volendam en Edam: ‘Het plaatsje is wereldberoemd om zijn… ja om zijn wàt, eigenlijk? Monumenten, boeiende musea, fraaie dorpsgezichten, leuke mensen; je zult het er niet vinden’.

Volendam staat in de must-see-lijstjes in alle reisgidsen en op toeristische sites in alle talen van de wereld. Daarom komt iedereen eropaf, en wat ze dan zien als ze er zijn, zijn vooral andere toeristen die hier ook heengelokt zijn en er ook niets bijzonders zien. En thuis vertellen ze dan dat er echt niets te zien is, wat hun gesprekspartners dan ook weer met eigen ogen willen zien.

Volendam heeft wel altijd iets aparts. Deze week was dat een record percentage kiezers voor FvD.

Een van de dingen die ik niet begrijp van Baudet is zijn obsessie met indoctrinatie door linkse leraren. Toen ik een halve eeuw geleden op de middelbare school zat, vonden wij de meeste docenten conservatieve, rechtse gehaktballen. Zelf werden we van de weeromstuit met het schooljaar linkser. Als er dus al sprake was van indoctrinatie door het lerarencorps, dan had die een finaal averechts  effect. Zo doorredenerend zou Baudet juist blij moeten zijn met linkse leraren, want die drijven de jeugd in zijn armen.













Edam


Verder met lijn 316 naar Edam, rustig en zeer fotografeerbaar tijdens het laatste uurtje licht tijdens de laatste week vóór de zomertijd. Deze keer eten wij (wederom meervoud) bij een goeie, moderne chinees, Jimmy Garden, wiens zaak uitzicht biedt op het busstation, met laadpalen en al, en die dus over bereikbaarheid per OV niet te klagen heeft.

Evenmin heeft Broek in Waterland dat. Bij de enige halte in het dorp stoppen in het drukste  uur van de ochtendspits 30 bussen naar Amsterdam, en op zaterdagavond nog altijd 8 per uur, voor wie een slaperig dorp wil verruilen voor het amusement van een bruisende stad.

Een bottleneck is het hier wel. Die bussen vormen zelf al bijna een file, en ondanks veel vrije busstroken op de route Amsterdam – Monnickendam wil het nog wel eens vastlopen ter hoogte van Broek in Waterland. Er wordt gestudeerd op oplossingen, waaronder zelfs een onderdoorgang.

Ikzelf fotografeer nog wat rond in Monnickendam (bovenste 2 foto’s) en Broek in Waterland (onderste foto). Die laatste is lichtelijk bewogen, en ook gemaakt door een bewogen mens. Ik zou hem liever sfeervol willen noemen dan mislukt. Van die twee sterren aan de hemel is er één een vliegtuig.

 








 Onderweg in de trein naar huis lees ik dat het lithium voor de accu’s van elektrische voertuigen gewonnen wordt in lagelonenlanden door onderbetaalde kinderarbeiders, onder diep bedroevende, uiterst ongezonde arbeidsomstandigheden. Bovendien is dat lithium nogal zeldzaam, en als we zo doorgaan, raakt het nog sneller op dan aardolie en aardgas.

Ik weet niet of dit nou een rechtse opmerking is of juist een linkse (ik ben ook niet zo van de dogma’s, doctrines en ismen), maar ik geloof dat elektrische bussen eigenlijk helemaal niet zo verschrikkelijk groen en duurzaam zijn; dat is de bedakke.

Frans Mensonides
Ultimo maart 2019
Er geweest: zaterdagen 9 en 23 maart 2019.




Leiden in last

 

Leiden Centraal op de schop

 

Over twee dingen zal de Nederlander nooit uitgeklaagd raken: het weer en de spoorwegen. Het weer, daar gaat dit hoofdje niet over. Maar wie ook zo dol is op spoorwegengezever, moet dit stukje beslist uitlezen.

Als ik in deze zaterdagse rubriek soms ook doordeweekse OV-zaken aan de orde stel, is dat meestal om aandacht te vragen voor het leed van de forens. Dat ben ik zelf ook nog, tot eind 2023 / begin 2024.

Deze week repeterende ellende voor forenzen, studenten en andere regelmatige treinreizigers. En dat nog wel rond Leiden, de vestigingsplaats van De digitale reiziger. Ik kon er dus niet aan ontsnappen door een handige omweg.

Van zondagavond 24 maart tot maandagochtend 15 april, 3 weken maar liefst, ligt Leiden Centraal op de schop. Er wordt gewerkt aan het middelste perron, langs de sporen 4 en 5. Dat wil zeggen dat al het treinverkeer, behalve dat richting Alphen a/d Rijn, afgewerkt moet worden op perron 8/9. En dát wil weer zeggen dat het treinverkeer tot ver buiten Leiden drastisch uitgedund is om alle treinen een plek te kunnen geven op die twee sporen.

Zo is het aantal treinen naar Haarlem ingekrompen van 6 naar 4 per uur, en dat richting Schiphol zelfs van 8 naar 4. Op het spoor naar Haarlem ontbreekt de IC Vlissingen – Amsterdam, op dat naar Schiphol de IC Dordrecht – Lelystad en de Sprinter Leiden – Hoorn Kersenboogerd.

Den Haag Hollands Spoor is helemaal niet rechtstreeks bereikbaar, maar alleen via Den Haag Centraal. En alle treinen daarheen stoppen nu op Den Haag Laan van Nieuw Oost Indië.

Nu zou je hopen dat NS met zo’n uitgedunde dienstregeling vooral in de spits extra lange treinen inzet. Maar nee. Vanaf maandag de 25ste regent het werkelijk klachten over overvolle treinen, mensen die niet meer meekunnen, mensen die wel meekunnen maar hun reis beëindigen in bewusteloze toestand. Maar dan nog wel in verticale positie; omvervallen kun je in die treinen gelukkig niet.

Ook buiten de spits is er narigheid, en wel voor de reiziger die nog laat op pad is. Elke avond om 23:00 uur gaat Leiden Centraal helemaal op slot, voor alle richtingen, alsof Leiden een slaperig boerendorpje in de buitengewesten is, waar de mensen met de kippen op stok gaan. Overal vervangend busvervoer, waar je op dat tijdstip ook nog maar heen wilt.

 

 

Maar dat ging meteen op die eerste zondagavond al fout. Mij bereikte een noodkreet van een lezer die 2 uur op de bus van Hoofddorp naar Nieuw Vennep heeft staan wachten. In die tijd kun je die afstand gemakkelijk lopen. Wat hij misschien ook wel gedaan zou hebben als een geeljas niet telkens beweerd had dat de bussen in aantocht waren.

Maandag 25 wilde ik zoals gewoonlijk met de trein naar Castricum. Rond 8:00 uur was het zoeken, zoeken, zoeken voor iedereen – de voorlichting vooraf over deze enorme operatie was waardeloos, en zo goed als afwezig.

Met enige moeite vond ik de IC van 8:04 naar Amsterdam Centraal. Die vertrok te laat, maar nog bijtijds genoeg om mij in Haarlem de aansluiting op de Sprinter naar Hoorn te laten halen. Ik was gewoon om 9:00 uur in Castricum, zoals altijd.

 

Nee, vervangende vertrekstaten konden er niet vanaf.

 

Op de terugweg ging het faliekant mis. Toen had zich ook nog een wisselstoring voorgedaan tussen Leiden en Haarlem. Prorail meldde op een vraag van mij dat dat niets te maken had met de werkzaamheden bij Leiden. Maar ik moest denken aan een boude uitspraak van Rikus, dat een ProRailmonteur maar met een schroevendraaier naar het spoor hoeft te wijzen om een storing te veroorzaken.

Het gevolg: er reden nog maar 2 treinen per uur per richting tussen Haarlem en Leiden. Ik reisde om via Schiphol, waar ik niet meer mee kon met de stampvolle IC Groningen-Den Haag. Een vent met een rode pet op stond te schreeuwen dat mensen zich niet mochten ophouden bij de trap, want die moest vrij blijven. Zoiets heet geloof ik Crowd Control; goed NL’s zou ‘menigtemanipulatie’ zijn. Staat niet in Van Dale, ik bedenk het ter plekke.

Hij gelastte de reizigers, niet al te vriendelijk, zich te verspreiden over de volle lengte van het hele perron. Maar wie daaraan gehoorzaamde, had het nakijken voor de Sprinter naar Leiden die een kwartier later arriveerde. Want dat was een viertje, en alleen degenen die voor de deuren postgevat hadden, waaronder uw dienaar, schrijver dezes, kwamen er nog in.

Een halfuur vertraging in totaal. Woensdag hoefde ik pas een het eind van de ochtend naar mijn werk, wat erg scheelde in de drukte. De trein van .04 naar Haarlem was uitgevallen (en dat was niet de enige keer, deze weken) en ik reisde weer via Schiphol. 

NS krijgt dagelijks een hele resem klachten op Twitter – en ongetwijfeld ook via andere media – over de belabberde service tijdens de 21-daagse van Leiden (om niet te zeggen: de 22 nachtse). Het bedrijf reageert dan op zijn stereotype wijze, in de trant van: wat vervelend nou voor je, we hebben je melding doorgezet en een fijne dag nog, verder.

Als reiziger blijf je dan, tegen beter weten in, hopen dat het spoorwegbedrijf, dat zo flexibel als een heipaal is, de klachten niet alleen ‘doorzet’, maar er ook nog iets aan doet. Als er íémand doorzet, is het de  reiziger wel; de ware treinreiziger blaakt van het doorzettingsvermogen.

Donderdag en vrijdag kon ik gelukkig thuis werken. En zo werd het alweer zaterdag.

 

Hoe goed dat ‘doorzetten’ heeft geholpen, zie ik meteen de maandag daarop al; in het hartje van de avondspits staat er opnieuw slechts een viertje naar Leiden klaar, hier bestormd op Sloterdijk.



Eefde, spoorrijk, maar spoorloos


Maar waar zouden we zijn zonder een trein? Een heel stuk hierboven had ik het over sneue plaatsen, zoals Oosthuizen, Lutjebroek en Udenhout, die aan een spoorlijn liggen, zonder dat er station is. En over nog sneuere plaatsen, zoals Berkel-Enschot, die aan TWEE spoorlijnen liggen, maar waar je ook nergens in een trein kunt stappen. Een lezer schreef me toen over de vermoedelijk sneuste plaats in ons land, het Gelderse Eefde, ten noorden van Zutphen. Dat ligt zelfs aan DRIE spoorlijnen. Maar een station? Ho, maar!

Ik had me dat nooit gerealiseerd, maar een blik op GoogleMaps leerde me dat het verhaal klopte. Het ruim 4000 inwoners tellende Eefde ligt aan de NS-lijn Arnhem – Deventer, de Syntus / Twents-lijn Zutphen – Hengelo - Oldenzaal en de Arriva-lijn Zutphen – Winterswijk (van boven naar onder op de foto). Die lijnen verlaten alle drie station Zutphen aan de noordzijde. Eerst splitst de tak naar Winterwijk zich af van de NS-lijn, en een eindje verderop ook de tak naar Hengelo / Oldenzaal.

Die naar Winterswijk buigt al voor het Twenthekanaal af naar het oosten, richting Vorden. Hij komt niet door de bebouwde kom van Eefde, maar wel degelijk over het grondgebied van dat dorp, in de buurt van de landgoederen Den Dam en De Voorst. De tak naar Oldenzaal doorklieft de zuidkant van de bebouwde kom op zijn weg naar Almen en Lochem en de lijn naar Deventer pakt een stukje mee van een nieuwbouwwijk in het noorden van Eefde.

 Ook hier is het een oud verhaal: stations zijn er wel geweest, maar al opgeheven vóór WO II. Ja, en hoeveel stations precies, en waar ze waren, daarover zijn de Wikipedia en Stationsweb het niet eens. Maar als ik de laatste als bron neem, had je een stopplaats / halte aan de lijn naar Deventer bij de Zutphenseweg (bovenste foto), één nog een eindje verder naar het noorden en een aan de lijn naar Hengelo, bij de overgang over de Dr. Van der Hoevenlaan (middelste foto). Daarnaast was er nog ergens een stoomtramhalte of -station.

Bij sommige stopplaatsen werd alleen gehalteerd op verzoek, een systeem dat in dit land bij de spoorwegen al lang niet meer in zwang is, maar in andere, dunnerbevolkte landen nog steeds gangbaar. Een trein met STOP-knoppen…

Als je tegenwoordig met het OV naar Eefde wilt, ben je afhankelijk van bus 81 (Zutphen-Deventer) die zaterdags maar eens per uur rijdt. Fietsen kan natuurlijk overal en altijd. En dat is precies wat ik deze zaterdag ga doen.

Op de valreep van maart staat dan toch nog de eerste tocht gepland van deze mooiweerfietser. De laatste deed ik op 20 oktober, over vlakke, rechte wegen naar Colijnsplaat. Ik schreef in dat stuk, in weer eens een uitweiding, dat ik mijn krant, tv-gids en papieren tijdschriften per 31 december 2018 zou gaan opzeggen. Voor wie het wil weten: dat heb ik inderdaad gedaan, en ik mis ze nu als kiespijn.

Treinspotten te fiets, waar echt fanatieke treinfotografen toch in principe alles doen per auto. Zo’n tochtje langs spoorovergangen is wel goed om er langzaam en voorzichtig in te komen. Ik zal overal moeten wachten totdat er een trein langskomt, en dat is een mooie gelegenheid om de knieën even rust te gunnen.

Op de route van Leiden Lammenschans naar Zutphen vandaag nu eens een aangename verrassing van NS. Meestal stuurt de reisplanner je via Arnhem. Maar vandaag blijk ik sneller te kunnen reizen met overstappen in Utrecht en Apeldoorn. Dat komt doordat er tussen Amersfoort en Deventer deze zaterdag elk kwartier een trein rijdt, een maatregel die is genomen omdat Zwolle – Amersfoort eruit ligt, zodat reizigers op dat traject om moeten reizen via Deventer. Een enkele keer denkt de NS toch wel eens mee met de klant. Door de kwartierdienst Amersfoort – Deventer kloppen nu ineens alle aansluitingen.

Bij de krappe overstap in Apeldoorn moet ik overchippen van NS op Arriva. Een ouder echtpaar staat omstandig te schutteren bij de Arriva-paal.  Ze hebben een uitgeprint e-ticket en proberen wanhopig om de code daarop te laten lezen door de chipzuil. ‘Beste mensen, ménsen toch, dat gáát toch niet!’, ontsnapt aan de haag mijner tanden, op de betuttelende, bevoogdende toon die je helemaal niet moet bezigen tegen bejaarden, zeker niet als die levensfase gloort als stip op je eigen horizon.

Handiger is, ze gewoon de trein in te duwen. Met moeite laten ze zich overhalen, in te stappen zonder dat ze een piepje gehoord hebben uit de chipzuil. Ik kan er zelf ook nog bij, net op tijd. ‘Dat ding is kapot’, zegt de man nog, verongelijkt, ‘kan ík het helpen!’



Eefde, Gorssel en Warnsveld per knieënkraker


In Zutphen haal ik een OV-fiets op uit de bemande ondergrondse stalling die geopend is van ’s ochtends vroeg tot ruim na middernacht. Boven verklaar ik het fietsseizoen van deze site voor geopend; elk jaar weer een plechtig moment!

Noordwaarts naar Eefde, langs een breed water, waarvan ik eerst denk dat het de IJssel is, maar dat een singel blijkt te zijn. Naar Eefde is het maar een kilometer of 3½. Met zo’n moderne snelfiets met trapbekrachtiging of hoe het ook heet, zou je daar niet veel langer over doen dan 7 à 8 minuten.

Ik heb me ooit voorgenomen om zo’n flitsende tweewieler aan te schaffen rond mijn 60ste verjaardag. Maar nu ik die mijlpaal alweer gepasseerd ben, ben ik toch tot andere gedachten gekomen. Met de pestvaart die je met die fietsen kunt halen, zie je vanzelfsprekend geen mallemoer meer. Alle mooie fotoplekken zoeven dan aan je voorbij.

Bovendien: er is de laatste jaren een enorme stijging in de ongevalsstatistieken van senioren die een doodsmak maken vanaf zo’n turbofiets, en zwaargewond in het hospitaal belanden. Vandaar dat ik, zolang ik de pedalen zelf nog rond kan krijgen, een knieënkraker van NS prefereer, zo’n zware, zwaarlopende OV-fiets zonder versnellingen.

Ook de grote spoorbrug op de foto hierboven verbindt niet de oevers van de IJssel – die ik helemaal niet zal zien tijdens mijn fietstocht; ik ben hem alleen overgestoken met de trein uit Apeldoorn. Nee, dit is het Twenthekanaal. Over de brug rijden treinen van/naar Deventer en Oldenzaal.

Ik beland aan de overkant, via een auto- en fietsbrug ergens anders dan hier, en befiets nu het buitengebied van Eefde. Totdat een wegwijzer: ‘Gorssel 4’ mijn aandacht trekt en ik die richting insla. De tijd voor de lunch nadert alweer. In Gorssel bezocht ik een paar jaar geleden het museum MORE voor realistische kunst, maar liep ik voorbij aan het aanpalende restaurant. Daar ga ik nu dan maar eens lunchen.

Van Eefde naar Gorssel loopt er een vrij smalle, geasfalteerde weg door de landouwen. Het is behoorlijk druk. In deze buurt wordt vandaag gezaagd aan bomen en er zijn wegen afgezet.

Ik kom uit in Quatre Bras, een buurtschap op een kruispunt van wegen, zoals de Franse naam al aangeeft, die letterlijk ‘vier armen’ betekent. In Friesland en Groningen heb je nog Quatrebras, zonderspatie.

Het is netaan terrasweer; met een opgestoken kraag is het wel uit te houden op het terras van restaurant Loetje, bij museum MORE. Het is iets minder zonnig en warm dan voorspeld, maar wel uitgelezen fietsweer: heel weinig wind.

Daarna terug langs de provinciale weg naar Eefde, waar ik nu die drie spoorwegovergangen kruis. De laatste ligt in de buurt van de sluis in het Twenthekanaal.



De dorpskom van Eefde is weinig opzienbarend, al geloof ik wel dat een mens er gelukkig zou kunnen worden. Op reclameborden staat voor volgend weekend de Nationale Menwedstrijd aangekondigd, georganiseerd door Koetsiersvereniging ‘Achter ’t Peerd’. Mennen, men praat te Eefde de komende week over niets anders meer. Zouden de ruiters het mennen kunnen mannen?

Naast 3 spoorlijnen en 3 plekken waar stations hebben gestaan, heeft Eefde ook 3 landhuizen met bijbehorende landgoederen op de plattegrond. Dat zijn  Het Haveke bij het dorp, Den Dam ten zuiden van het kanaal en De Voorst daar in de buurt. Alle drie hebben ze een fundament of in ieder geval voorloper uit de donkere middeleeuwen, maar is wat je nu ziet, een stuk nieuwer.

Het Haveke heeft een anderhalve eeuw oude tuin eromheen, als je een bos van 14 ha nog een tuin kunt noemen. Hij is van zonsop- tot –ondergang gratis te bewandelen.

‘Wauw!!!’ zeg ik bij de aanblik van Huize de Voorst, tegen niemand in het bijzonder. Zoek de verschillen tussen de linker- en rechterhelft van het immense gebouw! Het is zo goed als symmetrisch. En veel minder oud dan het eruit ziet. In 1943 is het vrijwel compleet afgebrand, en daarna in de oude stijl wederopgebouwd.

Om het huize heen is een groot wandel- en fietsgebied, waar ik alleen twee mountainbikers tegenkom, alsmede een opa en oma met twee kleinkinderen in een dubbelloops wandelwagen.

Op de terugweg naar Station Zutphen rijd ik een stuk door een nieuwbouwwijk van Warnsveld, waar alleen de molen me ertoe aanzet, mijn camera uit het foedraal te halen. Even later lever ik het ijzeren peerd in. De eerste, bescheiden fietstocht van 2019 zit erop. Dat er vele mogen volgen.

 


Zutphen, 3x Gorssel, Het Haveke (2x), de sluis in het Twenthekanaal, Huize Den Dam, boerderij bij Den Dam, de molen van Warnsveld.



Tilburgs busstation na donker


Ik pak de trein naar Roosendaal om die anderhalf uur later in Tilburg te verlaten. In Tilburg wil ik een foto maken van dat nieuwe busstation (zie hierboven), maar dan bij avond.

Op station Tilburg sta ik een korte tijd verdwaasd om me heen te kijken om te zoeken naar het perron waar de Intercity Direct vertrekt. Totdat het tot me doordringt dat dat in Breda is, en dit Tilburg is. Die twee Brabantse steden haal ik wel vaker door elkaar; Willem II Tilburg, NAC Breda, zo zat het toch? Maar wat doe ik nou ook alweer in Tilburg? Ik ben niet helemaal ragscherp meer na een dag treinen en fietsen, merk ik. Oh ja, ik wou een foto van dat busstation.

Maar het is nog niet donker, en ik loop eerst een rondje door de stad. En ik verbaas me over de rare namen van sommige etablissementen. Ja, je moet wel opvallen om de klanten naar binnen te lokken; al kook je nog zo lekker, als de mensen je deurtje voorbij lopen…

Je hebt hier, in een smal straatje bij het station: Eten Drinken Slapen Doen. Slapendoen? Ik vind aanduidingen als ‘Eten & drinken’ of ‘Eten, drinken en slapen’ altijd irritant kinderachtig klinken: lekker eetjes doen, drinkiewinkie doen, en kindje fijn slapielapie doen.

Pizzabar Rijslust is wel een mooi vondst; het rijzen van het deeg. Zo zou ik er nog wel een lusten: Aziatisch restaurant Rijstlust. Katterug is ook verkeerd gespeld, maar misschien per ongeluk.

Dit is ook een raar verhaal op het raam van een eetgelegenheid: ‘Kust vacature iets gast dienst maan iets dus had’. Maar dat is wat het digitale opschrijfboekje op mijn telefoon ervan maakt. In werkelijkheid staat er: ‘Just because it’s fast doesn’t mean it’s rushed’. Dat opschrijfboekje kent geen Engels.

Mooi allemaal, maar mijn keuze is al gevallen op een andere opvallende naam, Breexz, waar je uitkijkt op het busstation. Dat lichtgevende dak doet het prima op foto’s.

Daarmee eindigt deze aflevering over de met 5 zaterdagen gezegende maand maart 2019. In april spoedig meer.

Frans Mensonides
7 april 2019
Er geweest: zaterdag 30 maart 2019.

Lees verder in deel 28 > > >


© Frans Mensonides, Leiden, 2019