Beminde zaterdag (25)
oktober 2018: Thema nader te bepalen




Afsluitdijk


< < < < < Deel 24 al gelezen? 


‘Beminde zaterdag’ is een rubriek over treinreizen op die dag met mijn Weekend Vrij. De titel is ontleend aan een dichtregel van Constantijn Huygens die ook heel de week naar het vrije weekend liep te verlangen. Deze reeks is geïntroduceerd in deel 1. Het overzicht van alle tot dusverre verschenen afleveringen vind je in het archief van mijn Thuispagina.

We gaan zaterdagen tegemoet van regen, storm, stadswandelingen met paraplu mee en streekmuseumbezoek. Maar voorlopig hebben we nog zomerse temperaturen van 25 graden of meer.

De eerste zaterdag van oktober 2018 bracht ik door in Antwerpen. Op de tweede, 13 oktober, koers ik naar Kornwerderzand op de Afsluitdijk. Een klein jaar geleden deed ik het Monument op diezelfde dijk – die eigenlijk een dam is. Daar zag ik een aankondiging dat er in de loop van 2018 een gloednieuw informatiecentrum geopend zou worden in Kornwerderzand – of OP Kornwerderzand, zo men wil. Dat is op 18 maart daadwerkelijk gebeurd, en ik wil er heen.



 

Toeristenspreiding per monorail? - Kornwerderzand op de Afsluitdijk: water en wind - Afsluitdijk Wadden Center, net zo uniek als de Afsluitdijk zelf - Harns, Grutte Pier Eringa en Meppel - Grotendeels vlak: naar Colijnsplaat - Kogel door de kerk: analoge media de deur uit - Op z'n Besselings Ringelbergs - Herfst; 'Als de soep heet is, moet de worst d'rín' - Tegelen - Belfeld, Reuver, Offenbeek





Toeristenspreiding per monorail?

Ik reis weer via dezelfde weg als vorig jaar, om dezelfde reden, nl. met bus 135 via Den Oever, om niet langs Castricum te hoeven, waar ik al 3 keer per week naartoe hoef. Die bus is van Overal, en dat is het platform van alle openbaar vervoer in Noord-Holland Noord, gereden door Connexxion.


Je ziet die bussen van Overal overal; hier in Hoorn.


Tussen Leiden en Haarlem zijn er vandaag werkzaamheden. Iedereen die richting Amsterdam wil, moet via Schiphol. NS zet dus, om die extra reizigersstroom te verwerken, slechts een viertje in op de monster-Sprinterlijn Den Haag Centraal – Amsterdam Centraal (–Zwolle).

Die trein wordt op Schiphol bestormd door zojuist gelande passagiers van 2 of 3 intercontinentale vluchten. Honderden reizigers met zware bagage proppen zich in de trein. Ja, zaterdagmorgen, dan begint die weekendstedentrip naar Amsterdam, waarnaar ze weken hebben uitgekeken.

In Japan heb of had je functionarissen die zoveel mogelijk mensen in een al overvolle trein proberen te douwen. Op het perron van Schiphol Airport staan mensen met hesjes met een humanere taak: zij manen reizigers om niet meer in te stappen en te wachten op de volgende trein, die zich meestal toch binnen 5 à 10 minuten aandient.

De trein is desondanks bijna te vol om nog te kunnen inademen. Nu is het voordeel van deze Sprinter – ik heb hem wel vaker – dat hij ook stopt op Amsterdam Lelylaan. De toeristen horen ‘Amsterdam’ uit de luidspreker klinken en lezen Amsterdam (met nog iets erachter) op het stationsbord. Zeker een kwart van hen stapt dan uit omdat ze denken dat Amsterdam Centraal bereikt is.

Dan zie je ze wat beteuterd om zich heen staan te kijken op het perron: is dít nou dat befaamde Emsterdem?  Tegen de tijd dat ze beseffen dat ze verkeerd zitten, is de Sprinter al lang doorgereden. Zo, dat lucht lekker op! En het is een vorm van toeristenspreiding. Maar wat zou een toerist moeten zoeken in Amsterdams gettogordel? Alle kans dat ze de volgende, overvolle trein nemen.

Vrijwel dus altijd grote drukte op het traject Schiphol Airport - Amsterdam Centraal, in een tunnel met capaciteitstekort. Maar desondanks wil het nog niet vlotten met de plannen om de Noord/Zuidmetro door te trekken van Amsterdam Zuid naar Schiphol. De reizigersprognoses voor zo’n verbinding: 70.000 per dag. Maar nee, ze zullen eens visie hebben!

NS-opperhoofd Rogier van Boxtel zal over een week een plan lanceren om de drukte op Schiphol Airport te spreiden. Meer treinen laten vertrekken van Zuid in plaats van Schiphol. En dan een monorail laten rijden of zweven om die twee stations te verbinden

Dan hoop ik dat dat een betere wordt dan de ‘Sky Train’ op het terrein van de luchthaven in Düsseldorf. Dat ding hoeft maar 2,8 kilometer te overbruggen (Schiphol - Zuid is 8 km), ontwikkelt slechts een fietstempo en slingert zo fanatiek, dat passagiers al luchtziek zijn voordat ze het vliegtuig betreden hebben.

Niet doen, dus. Dit zijn van die halfzachte oplossingen, die niets oplossen en toch bepaald niet niks kosten. Van Boxtel, was dat niet de man die zich liet vastbinden aan een molenwiek?





Sky Train (archieffoto 2017)




Kornwerderzand op de Afsluitdijk: water en wind



De bebouwde kom van Kornwerderzand

Nee, dan de Afsluitdijk. Elke gulden die eraan besteed is, is het geld waard geweest. Maar het symbool van Neêrlands overwinning op het water is wel aan een opknapbeurt toe. Ik schreef vorig jaar: ‘De komende vier jaar wordt de Afsluitdijk aangepast, om de geprofeteerde zeespiegelstijging te kunnen doorstaan. De buitenbekleding van de dijk wordt versterkt en de pompcapaciteit van de sluizen bij Den Oever opgevoerd, zodat meer IJsselmeerwater in de Waddenzee gepompt kan worden. Dit gemaal wordt daardoor het grootste van Europa’.

Maar er is meer te vertellen, en daarvoor ga ik het nieuwe Afsluitdijk Wadden Center in Kornwerderzand bezoeken.

Op het busstation van Den Oever geven 15 minuten na elk heel uur de Overal-bussen van lijn 135 (Hoorn – Den Helder) aansluiting op de QLiner lijn 350, Alkmaar – Leeuwarden, en dat in alle richtingen. Een kwartet van bussen staat dan te wachten langs de perrons. Verder gebeurt er bij mijn weten 55 minuten per uur niets op dat desolate en onherbergzame busstation.

Kornwerderzand ligt zo’n 20 kilometer voorbij het Monument, vlak onder de Friese kust. Ik ben de enige uitstapper.

Ooit was Kornwerderzand, de naam zegt het al, een zandplaat in de Zuiderzee. Toen werd het een werkeiland voor de aanleg van de Afsluitdijk. Er kwam een rijtje van een stuk of tien woningen. Het inwonertal bedroeg volgens de Wikipedia 22 in 2011; er kan er inmiddels een bijgekomen of afgegaan zijn.

Het hééft wel iets, wonen in Kornwerderzand; lekker buiten, altijd wind om uit te waaien en uitzicht op water. En toch een autosnelweg mét een bushalte voor de deur; hoeveel gehuchten met 22 inwoners kunnen dat zeggen? Een nadeel is dat je weinig keus hebt voor je avondwandelingetje: linksaf de dijk op of rechtsaf de dijk op.

Een wandelaar die naar de overkant van de Lorentzsluizen wil, zal bovendien moeten beschikken over een goede conditie. Je moet een steile, ijzeren trap af, en een op, er weer een af en weer een op om aan de overkant te komen.

Als ik aan kom lopen staat de draaibrug open en zie ik masten van zeilschepen passeren. Het is waanzinnig heet op deze oktoberzaterdag. Dit hier moet normaliter wel het kilste en winderigste plekje van Nederland zijn. Maar vandaag staat er geen zuchtje wind en wijst de thermometer 23 graden.

De Lorentzsluizen vormen een complex van spui- en schutsluizen. De eerste dienen om overtollig water te lozen, de tweede om het scheepsverkeer te laten passeren. Ze zijn genoemd naar de befaamde Leidse natuurkundeprofessor Hendrik Lorentz (1853-1928).

Lorentz legde niet alleen de basis voor zoiets onbegrijpelijks als de relativiteitstheorie, maar ook voor zoiets praktisch en nuttigs als de Afsluitdijk. Dat de dijk ligt waar hij ligt, en zo hoog is als hij is, is te danken aan Lorentz’ berekeningen; pionierswerk in die tijd, zonder computers. Goed, die dijk blijkt nu te laag voor de naderende klimaatramp, maar dat kon Lorentz niet voorzien.

Evenmin als Cornelis Lely, de architect van de Flevopolders, heeft Lorentz de voltooiing van de Afsluitdijk mogen meemaken. Lorentz is nog steeds een naam in Leiden, nu van een in aanbouw zijnd appartementencomplex bij het station.



Aan de overkant van de Lorentzsluizen liggen de kazematten die het complex moesten beschermen tegen invallen. In de meidagen van 1940 hebben Nederlandse militairen hier een overwinning behaald op Duitse troepen die de Afsluitdijk wilden veroveren (of alleen maar op verkenning waren, volgens de lezing van sommige historici). Het was een van de weinige overwinningen van Nederland op Duitsland, en Kornwerderzand behoort tot de zeldzame plekken in Europa waar Hitlers Blitzkrieg tijdelijk gestuit werd.

Veteranen die erbij waren, hebben er nog decennialang heldenverhalen over verteld, waardoor er legenden zijn ontstaan rond deze slag. Zo zou het een bloedbad geworden zijn, waarbij honderden Duitse soldaten compleet afgeslacht zouden zijn. Verhalen waarvoor iedere historische grond ontbreekt.

In werkelijkheid was deze slag uiteraard niet meer dan een voetnoot in het geschiedenisboek. Nederland capituleerde na het bombardement op Rotterdam roemloos in een schooltje in Rijsoord (ZH), een plaats die niemand meer wil kennen (maar waar ik laatst nog wel doorheen wilde fietsen).

Misschien zou dat alles reden zijn om hier het Kazemattenmuseum te bezoeken, of juist niet. Maar ik kwam hier in ieder geval voor het nieuwe Afsluitdijk Wadden Center en neem al die trappen weer naar de andere kant van de Lorentzsluizen.



Afsluitdijk Wadden Center, net zo uniek als de Afsluitdijk zelf


Het bezoek aan het hypermoderne centrum is gratis, en wordt ons aangeboden door Rijkswaterstaat en de Provincie Friesland. Alleen voor een experience in een zaaltje, iets met virtuele brillen waardoor je de vlucht van een vogel kunt meebeleven, moet de beurs tevoorschijn gehaald worden. Dat is niet de reden dat ik ervan afzie. Desgevraagd zegt de dame achter de receptiebalie dat het geen aanrader is voor mensen met hoogtevrees en lichte evenwichtsstoornissen.

Uniek, dat is wel het steekwoord in heel deze expositie. De Afsluitdijk was dat natuurlijk al. Maar de projecten die nu in uitvoering zijn, hebben hun weerga ook niet op deze aardkloot.

Zo komt er een ‘vismigratierivier’, de grootste, zo niet de enige, op de wereld. Vissen kunnen zich daardoor verplaatsen van de zilte Waddenzee naar het zoete IJsselmeer of omgekeerd. Die rivier - hoe ze het doen, doen ze het - kent een geleidelijke overgang van zout naar zoet, zodat de dieren langzaam aan het nieuwe milieu kunnen wennen.

Verder komt er een installatie voor zoet-zout-energie; stroom opwekken door reservoirs met zoet en zout water die door een membraan van elkaar gescheiden worden. Het werkt met ionen, en als ik ergens nooit iets van begrepen heb, is het wel van dingen die met ionen werken, dus ik neem het voor kennisgeving aan. Maar het klinkt wel erg duurzaam, en dat is ook een vereiste bij al die projecten.

Ook de manier waarop alles gepresenteerd wordt, is helemaal van deze tijd. Via een app op je telefoon kun je overal QR-codes scannen en je krijgt dan mondelinge uitleg. Op grote glazen tableaus kun je vensters openklikken en verplaatsen met nadere explicatie in tekst, foto’s en video’s.

Heel bijzonder is het bureau van Cornelis Lely. Hij zit er driedimensionaal achter, 89 jaar na zijn dood, als geprojecteerd hologram of zoiets, en staat zo nu en dan zelfs op om door zijn kamer te ijsberen, naar zijn boekenkast te lopen. Hij lijkt zoiets te denken als: kloppen die berekeningen van Lorentz nou wel? Zal ik de Afsluitdijk toch niet liever laten eindigen bij Piaam in plaats van Zurich? Ach nee, nee, die Leidse professor weet echt wel wat hij zegt.

In een aparte zaal is een presentatie over de elementen. Die trekken echt te keer. Als er filmbeelden van een storm vertoond worden, waait het hier werkelijk, en bij onweer horen we oorverdovende donder en zien we felle lichtflitsen. Een bejaarde man met een stok wil net naar binnen komen als het onweer begint, maar keert schielijk om en doet de deur dicht.

Prima expositie, al met al. Het is druk op deze zaterdagmiddag. Ik hoor veel Nederlands, wat Duits en helemaal geen Amerikaans. Staat dit Center nog niet in de Lonely Planet en op de lijstjes van must sees? Ideaal voor toeristenspreiding. Maar dan moet er eigenlijk ook een hotel bij, anders keren die Amerikanen ’s avonds toch weer terug naar het centrum van Amsterdam.

Het zelfbedieningsrestaurant is ook al zo mooi, met veel glas en uitzicht op water (ja, waar anders op!). Uitzicht op het IJsselmeer, om nauwkeuriger te zijn. Er komt aan de andere kant van de Afsluitdijk een fietspad met uitzicht op de Waddenzee; ook dat maakt deel uit van het renovatieproject van de Afsluitdijk.



Harns, Grutte Pier Eringa en Meppel










Harlingen

Ik pak bus 350 richting Leeuwarden. Die bus doet het niet echt goed qua passagiersaantallen, zoals ik vorig jaar ook al merkte. Misschien is dat in de spits anders, maar ik heb die twee Afsluitdijkdagen niet veel meer gezien dan een enkele rugzaktoerist uit den vreemde en wat senioren die hun Primera-dagkaart eraan spenderen.

Ik wil nog even naar het Bolsward van mijn voorvaderen. Vorig jaar stopte de QLiner nog in Bolsward en Wommels, maar nu alleen nog op busstation Kop Afsluitdijk, voordat hij de Friese Hoofdstad bereikt. Je moet daar overstappen op de bus naar Boalsert. Maar dat blijkt in het weekend een busje te zijn dat ik minstens een uur van tevoren had moeten bellen.

Dan lijn 71 maar richting Harlingen; even een stadswandeling aan het eind van een zonnige middag.

Onderweg denk ik ineens aan een nogal boude uitspraak van Pier Eringa (zie artikel), opperhoofd van  ProRail, die laatst in de krant stond. Het ging over onbewaakte overwegen, en Eringa zei dat hij ze de komende weken allemaal zou laten barricaderen met betonblokken, om te voorkomen dat er nog aanrijdingen op zullen plaatsvinden. Allemaal, ook die, die de enige toegangsweg vormen tot afgelegen hoeven.

Grootspraak, want dat kan zomaar niet. Ik heb de weken daarna ook nergens gelezen dat zulke blokkades werkelijk plaatsgevonden hebben. Och, och, Pier geeft nu al een nieuwe dimensie aan het pas opgedoken neologisme: Blokkeerfries. Grutte Pier, met zijn grutte mûle (of zo, excusez le Frysk), die eerst eens orde op zaken zou moeten stellen in zijn eigen toko; daar is nog wel wat werk te verrichten. Wanneer gaat Zwolle Stadshagen open?

Ik krijg sterk het gevoel dat sommige spoorbobo’s zelf niet helemaal ‘sporen’.

Ook op een tropische oktoberdag gaat de zon niet lang na zessen onder. We zitten nu weer in het gedeelte van het jaar dat zich leent voor sfeervolle avondfoto’s, genomen op de terugweg. Deze komt uit Meppel.

Meppel is Almelo niet; integendeel; Meppel blijkt het middelpunt van het stappersgebeuren in heel Drenthe. Uit alle etablissementen klinkt geschreeuw, gelal en slechte, André Hazesachtige zang.

Daar heb ik helemaal geen zin aan. Ik diner lekker ongezond in een stille snackbar in een smal straatje, met dank aan de app waarmee je zulke door iedereen over het hoofd geziene oases van rust en vet feilloos kunt opsporen; gewoon ‘snackbar’ intypen. Daarna keer ik huiswaarts, getroost door deze mooie avond.

Frans Mensonides
28 oktober 2018
Er geweest: zaterdag 13 oktober 2018









Grotendeels vlak: naar Colijnsplaat

Wilhelminadorp



Zaterdag de 20ste staat Noord-Beveland op mijn programma. Ik deed dit rustige, doch enigszins desolate Zeeuwse eiland op een zaterdag in augustus 2014 al eens per bus; zie de link in de vorige zin. Daardoor moest ik de minieme dorpjes Colijnsplaat en Kats overslaan. Daarheen rijdt weliswaar van maandag t/m vrijdag overdag elk uur een buurtbus, maar ´s avonds en in het weekend niets.

Op de fiets, daarom, deze zaterdag. Als je van Goes recht naar het noorden rijdt, ben je na 15 km trappen in Colijnsplaat. Ik wil Wilhelminadorp en het al genoemde Kats meenemen op mijn route en zal dus iets meer kilometers maken.

Twee jaar geleden worstelde ik in Goes voor het eerst met het type OV-fietsenstalling waar je je met fiets en al door een tourniquet moest zien te wringen. Maar die ondingen zijn het laatste jaar een voor een vervangen door een systeem met klaphekken die openzwaaien zodra je je OV-chipkaart op de juiste plek tegen een lezer aanhoudt. En zo ook in Goes.

Naar het noorden, dus. Denk ik, maar na een stuk van een fietsvriendelijke route langs het centrum sta ik weer bij de spoorbaan, nabij het dorp Kloetinge, helemaal de verkeerde kant op. Dat begint al weer lekker, vanmiddag!

Gewoon de overvloedig schijnende nazomerzon zon in de rug houden, dan ga ik echt naar het noorden. Ik neem een stuk mee van Goes´ buitenwijken. Die liggen langs parken en om een plas heen. Ze delen het lot van Kats en Colijnsplaat in die zin dat er alleen bussen rijden op werkdagen overdag. Er staan voor vrijwel elke woning twee auto´s.

Wilhelminadorp staat pas op de wegwijzers als je er al bijna bent. Het strekt zich uit langs een kanaal. Het is zo´n plek waar het dorpsschoon zich niet  aan de fotograaf opdringt, maar waar deze het zelf in zijn foto´s moet zien te leggen; noem het een uitdaging.




Plas bij de Zandkreekdam met de TV-toren van Goes op de achtergrond

Voorbij Wilhelminadorp biedt de weg voor me uit een blik op rijen kale bomen in de verte. Dit is nog Zuid-Beveland. Een paar kilometer verder passeer ik de sluizen in de Zandkreekdam langs het Veerse Meer en rijd Noord-Beveland binnen.

‘Grotendeels vlak’, zegt de routeplanner over de fietsroute naar Kats die ik daarnet heb uitgestippeld. Dan kun je wel stellen; er is niets aan overdreven. Fietsend in deze contreien bestaat je uitzicht continu uit oneindig laagland, doorsneden met rechte wegen die naar het verdwijnpunt leiden.

Een hier verdwaalde Oostenrijker, altijd ingesloten door alpenreuzen, zou óf een overweldigend gevoel van weidsheid ervaren, of een paniekaanval krijgen door agorafobie. En zou misschien meteen begrijpen waarom wij Nederlanders zo gefascineerd zijn door alles wat zich boven het maaiveld verheft en hoger is dan een molshoop.

Vooral figuurlijk. Welke politieke prominent stelde nu ook alweer afgelopen week voor om voortaan handarbeiders ook een titel toe te kennen, zodat niemand meer jaloers hoef te zijn op een academicus? Ik zoek het straks in Kats even na op mijn telefoon, als ik het niet vergeet, maar het was er een van GroenLinks.

Welzeker, straks bachelors in het bakken van brood en masters in het metselen van muren.

Wat me nog beter lijkt: aan iedere basisschoolleerling, zodra hij/zij kan lezen en schrijven, een masterbul uit te reiken met een zelf op de stippellijntjes in te vullen vaardigheid, al was het maar cupcakes bakken. Dan is iedereen in dit land gelijk en steekt niemand meer boven een ander uit. Behalve vanzelfsprekend de deugmensen die zulke plannen bedenken.

Een landbouwwerktuig doet iets wat landbouwwerktuigen doen, ploegen of zo. Zwermen meeuwen vliegen erachteraan, mogelijk om wormen op te diepen uit de omgewoelde grond, ik gok maar wat.





Kats ligt aan de oostkant van Noord-Beveland, aan een landweg, weg van de snelweg. Het dorp telt ca. 450 inwoners. Het is zo klein niet of het heeft toch nog een uitbreidingswijkje, aan de voet van de dijk.

Zoals ik in ’14 al schreef, is  de vorige incarnatie van Noord-Beveland rond 1530 door opeenvolgende overstromingen vrijwel geheel in de golven verdwenen. Tegen 1600 begon de wederopbouw met dorpen die veelal op dezelfde plek kwamen te liggen als hun voorganger.

Het werden voorstraatdorpen, al heet de voorstraat niet in alle dorpen Voorstraat.  Zo heet hij in Kats Dorpsstraat. Maar het principe is in ieder geval dat de voorstraat de voornaamste straat van het dorp is, en recht op de kerk af loopt. Alle overige straten lopen er ofwel parallel aan, ofwel maken er een hoek van 90 graden mee. Zulke dorpen zijn niet zo maar een beetje in het wilde weg ontstaan, maar zijn het gevolg van strakke ruimtelijke ordening.

Een paar kilometer verderop het doel van mijn tocht: Colijnsplaat. Hier heet de voorstraat wel Voorstraat en loopt hij van de kerk naar de haven aan de Oosterschelde.




Denk niet te min over Colijnsplaat! Het is met zijn ruim 1500 inwoners het derde dorp van Noord-Beveland, vlak na Kamperland en Kortgene. Je ziet het, als je toevallig naar links kijkt, liggen vanaf de Zeelandbrug naar Zierikzee op Schouwen-Duiveland.

Aan het begin van de jaren 70 was Colijnsplaat regelmatig in het landelijke nieuws, tezamen met Domburg op Walcheren. Tientallen altaarstukken uit de Romeinse tijd werden hier uit het water gevist. Ze waren gewijd aan de Germaanse godin Nehalennia. Ze staan nu in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. De godin wordt meestal afgebeeld met hond en met fruitschaal.



Wat er in Colijnsplaat nog van haar resteert is een nagebouwde tempel, die me eigenlijk al te zeer doet denken aan het hokje bij de haven waar, net als in de meeste Zeeuwse dorpen, oude mannen zitten te keuvelen.

Vast agendapunt op dit soort middagen is de dinunch / het lunee van een kop koffie en een broodje, als in de tweede helft van de middag mijn mondvoorraad op is. Ik neem ervoor plaats op een terrasje bij het café op de hoek bij de haven. 20 oktober zonder jas op een terras, opmerkelijk, maar geen record: op 1 november 2014 zat ik zelfs zonder trui bij het Planken Wambuis op de Veluwe.

Een even vaste prik op zaterdagmiddag is: even de tussenstanden checken van de Tweede en Derde Divisie. Ik kan nooit wachten tot het zondagavond op TV West is; alle clubs uit de regio, met de vele streekderby’s, ofwel: ‘burenruzies’.

In die tussen Rijnsburgse Boys en VV Katwijk staat het nog 0-0. Maar, zó héé, sakkerloot, crimmeneel; DVS ’33 Ermelo – FC Lisse 7-0! halverwege de 2e helft. Een pandoering. Dat gaat de dubbele cijfers in. Zou de trainer er meteen uitvliegen?

Goes heeft trouwens een voetbalclub in de Derde Divisie Zondag: Gezamenlijk Opwaarts, Eendrachtig Sterk, afgekort: GOES; GOES uit Goes, leuk bedacht, maar in Gasselterboerveenschemond zie ik zo’n acroniem niet verzonnen worden.

Vanavond is dit Colijnsplaatse café gesloten wegens een besloten feest, staat vermeld op het schoolbord bij de ingang. Het lijkt al begonnen, te oordelen naar de geluiden die komen uit het bovenzaaltje. Meppel (zie hierboven) zinkt / zingt erbij in het niet. Het is volgens mij zo: hoe ernstiger in een plaats de zondagsrust geëerbiedigd wordt, hoe heviger ze er uit hun bol gaan op zaterdagavond. Zaterdagavond? Het is pas even na vieren.

Naast mijn koffiekopje staat een minuscuul glaasje met een inhoud van hoogstens 1 centiliter, gevuld met advocaat met slagroom. Ik lepel het maar op, hoewel ik eigenlijk van de blauwe knoop ben.

Terug via de kortste weg, die 15 km naar Goes. Wel een saaie weg. Op mijn phone zoek ik een leuke omweg op: ik kon wel even om via ´s-Heer Hendrikskinderen.






De Zeelandbrug bij Colijnsplaat


Kogel door de kerk: analoge media de deur uit

Dan moet ik ergens rechtsaf slaan, maar waar, precies? Voorbij de sluis staat er een plattegrond langs de weg; karton achter glas. Daar kijk ik wel even op, dan hoef ik die smartphone niet voor de 28ste keer vandaag uit mijn zak te vissen.

Maar nu doe ik ineens iets heel raars; het is op het lugubere af, en het is nog wel zo’n mooie dag. Ik maak over het glas van de plattegrond met mijn hand een inzoomgebaar, om het kaartje extra goed te kunnen bekijken.

Nu moet het toch echt niet zotter worden met me! Zou dat mini-advocaatje deze kortsluiting onder mijn schedeldak veroorzaakt hebben? Nee, dat bestaat niet; doller dan dat heb ik het niet gemaakt, daar in Colijnsplaat.

Ik moet het nu wel toegeven: ik hoor met mijn bijna 62 jaar tot de zorgwekkend groter wordende groep van jongeren die verslaafd zijn aan digitale media.

That settles it! Nu is de kogel door de kerk! Nu is het kind wakker! Nu zijn er drastische maatregelen nodig! Zo kan het echt niet langer! Ik kap er nu onmiddellijk mee, radicaal, afgelopen, alles de deur uit, cold turkey afkicken, ik kijk er na vandaag niet meer naar om!

Eh, nu heb ik het natuurlijk niet over de digitale, eventueel sociale media, als sommige lezers dat misschien dachten. Nee, ik heb het juist over de papieren periodieken waarop ik nog steeds geabonneerd ben. Ik kan blijkbaar helemaal niet meer omgaan met analoge informatiebronnen; mijn gebaar over die kartonnen plattegrond heeft dat bewezen.

Telkens als de blaadjes vallen, denk ik: zou ik die abonnementen op mijn eigen blaadjes: de krant, de VARA-gids, diverse magazines over uiteenlopende onderwerpen, nu eens niet opzeggen? Elke december ben ik vrijwel mijn hele eindejaarspremie kwijt aan verlenging van al mijn jaarabonnementen. En ik lees 90% van die bladen niet eens meer. Ik leg ze op een stapel op de salontafel voor als ik eens tijd heb. Als die stapel door topzwaarte begint te wankelen, gooi ik hem pardoes in de oud-papierpak. Wat een zondegeld, en nog slecht voor het milieu ook, dat bedrukte papier!

Maar aan de andere kant: zou ik bijvoorbeeld het Leidsch Dagblad echt wel kunnen missen? Ja, dat zal toch wel? Iedere morgen lees ik eerst onder het scheren het laatste nieuws op mijn telefoon en daarna dat van eergisteren in de krant. Die krant wordt met het jaar oubolliger. Het regionale nieuws uit de durpen had altijd al een hoog ‘lekker-belangrijk’-gehalte. En de columnisten zijn allemaal k. met peren, Diekstra op maandagmorgen voorop. Die psycholoog van twijfelachtig allooi trakteert de lezer bij het weekbegin altijd op zijn zurige preken over vrolijke onderwerpen als echtscheiding, ontrouw, relatiegedonder, aftakeling, afscheid, dementie, ziekte, tedium vitae, zelfdoding, euthanasie en #metoo-gedoe, met meestal de dood als uitsmijter. Verder vallen de redactionele artikeltjes bovenaan de pagina’s in die krant vooral op door volstrekte overbodigheid.

Maar ik lees het Leidsch Dagblad al een halve eeuw, als het niet langer is. Elke morgen om halfvijf even wakker worden door dat vertrouwde geluid van de roestige bromfietsmotor van de naderende krantenbezorger, meteen gevolgd door het huiselijke geklepper van de brievenbus. En een paar uur later het vertrouwde koppensnellen onder het ontbijt, met het prettige vooruitzicht om de krant ’s avonds na gedane arbeid echt helemaal uit te kunnen spellen  - waar niets van komt omdat er dan net weer een boeiende #trending topic is uitgebroken op Twitter.

‘k Weet niet; ik weet het niet; ik ben ten prooi aan twijfel, als het geen vertwijfeling is. Het is een hele stap. Nog maar even uitstellen, die beslissing. Maar met het per jaar bespaarde geld van al die abonnementen kan ik een buitenlandse stedentrip van 5 dagen bekostigen; niet onaantrekkelijk!

Ik ga het allemaal nog eens zitten overdenken op een bankje aan de rand van ’s-Heer Hendrikskinderen. Het biedt uitzicht op een paardenweitje en op de spoorbaan richting Arnemuiden en uiteindelijk Vlissingen.




In de straten van het dorpje wordt de fietsende vreemdeling gegroet door oud en jong, van bejaarden met rollator tot spelende kinderen op een pleintje.

’s-Heer Hendrikskinderen grenst aan Goes. Ik rijd terug naar de stalling en fotografeer onderweg de jachthaven van Goes in het licht van de ondergaande zon.

Daarmee is het mooiweerfietsseizoen 2018 tot een einde gekomen. Hetzelfde geldt over een stuk of 500 woorden voor de 22ste jaargang van mijn homepage. 


Op z’n Besselings Ringelbergs




Roosendaal




Op de terugweg in de trein wil ik nog even weten hoe alle wedstijden zijn afgelopen (die ene: 9-1!) want dat staat maandagmorgen pas in de krant.

In Roosendaal weet ik nog een goede cafetaria. Daarna een wandeling voor de sfeervolle avondfoto en daarna de IC Amsterdam Centraal, die echter niet verder komt dan Rotterdam Centraal, wegens werkzaamheden tussen Rotterdam en Delft op zaterdagavond en zondag de hele dag. Helaas; ik wist het niet, anders had ik wel gezorgd dat ik thuis was vóór het uitbreken van het vervangend busvervoer.

Dat ik nu dan maar ga nemen tot Delft. Hij staat helemaal aan het eind van het busstation bij Rotterdam Centraal. Vroeger noemde ik vervangend vervoer: reizen op z’n Besselings, maar nu: op z’n Ringelbergs. Ringelberg is er bijna altijd bij, tegenwoordig. Maar waar is Besseling gebleven? Ze zijn failliet, en daaraan ging gerommel met aanbestedingen en gesteek met penningen vooraf. Dat kwam door een louche ‘bedrijvendokter’ die later een bedrijvenmoordenaar bleek. Het is nog geweest in ‘Opgelicht?!’. Besseling R.I.P.!

Er rijden alleen stopbussen. De touringcar kruipt door de straten van Rotterdam op weg naar station Schiedam Centrum. Daar aangekomen stappen twee mediterrane mannen in, waarvan de een ineens tegen de ander in paniek en in een Romaanse taal begint te brullen dat ze uit moeten stappen, want dit is niet de bus naar Rottèrdáme, dat maak ik eruit op.

Als die twee na omstandig heen en weer gepraat eindelijk uitgestapt zijn, vervolgt de bus zijn weg, maar blijkt verkeerd gereden en keert moeizaam op een rotonde om dezelfde weg terug te gaan afleggen. 25 minuten na vertrek uit Rotterdam zijn we op de snelweg ‘al’ ter hoogte van Overschie en hebben we hemelsbreed niet veel meer dan 3 km afgelegd.

In Delft slaan we station Zuid gelukkig over (maar hoe je daar dan wel zou moeten komen, is me een raadsel). Toch zijn we net te laat om de Sprinter Den Haag Centraal of de IC Amsterdam Centraal nog te halen. We moeten bijna een half uur wachten. Wat een ellendige manier van reizen is dat toch, op z’n Ringelbergs!

De batterij van mijn telefoon is nu leeg, en ik grijp in arren moede naar de dikke zaterdagseditie van het Leidsch Dagblad die ik vanmorgen in mijn tas heb gestoken heb. Waarin weer aan de bovenkant van een pagina zo’n redactioneel ouwe-opa-stukje dat als titel ‘Stupidofoon’ heeft meegekregen. 

Het gaat over de middelbare schooljeugd, die door overmatig gebruik van smartphones dommer, minder geconcentreerd en zelfs ook minder empathisch is geworden. In mijn eigen jeugd beweerden ze precies datzelfde van televisie kijken en naar beatmuziek luisteren. De negatieve effecten van de smartphone zijn ‘gebleken uit onderzoekingen’- die in het stukje niet even gelinkt worden, zodat je dat zelf zou kunnen nalezen.

Nee, het blijkt maar weer: je kunt de krant echt niet missen, geen (zater)dag!


Frans Mensonides
4 november 2018

Er geweest en het gelezen: zaterdag 20 oktober 2018



Herfst; ‘Als de soep heet is, moet de worst d'rin’


Offenbeek: laatste overblijfsel van de keramische industrie

Onverdroten begin ik aan de 23e jaargang van deze rubriek. En aangezien een lange en hete zomer ook op een gegeven moment echt voorbij is, ruilen we zonder spijt de fietszaterdagen in voor museumzaterdagen; uiteindelijk heeft elk seizoen zijn charmes.

Vorig jaar hield ik een speciale zaterdagse museumrubriek bij, niet tot algemeen genoegen van mijn lezersschare die – meer dan ik gedacht had - gehecht bleek aan OV-verhalen en -foto´s. Dit jaar ga ik daarom, mede op advies van de marketingafdeling, in de donkere maanden de museumverslagen weer in de reisrubrieken integreren.

Op de laatste zaterdag van oktober 2018 koers ik naar Tegelen, gemeente Venlo, aan de Maaslijn Nijmegen – Roermond. Het is dit weekend weer eens: tussen de stremmingen door laveren. In Woerden en wijde omstreken is het spoor volgens planning buiten gebruik. Tussen Eindhoven en Roermond komt daar nog een ongeplande stremming bij door koperdiefstal, afgelopen nacht. Kunnen ze geen 220 volt zetten op die koperdraden? Het zal zeker tot het eind van de middag duren totdat de dief gevonden is en hij dat koper weer netjes heeft opgehangen waar het thuishoort.

Over de Moerdijkbrug, dus, en dan in Eindhoven de IC naar Venlo oppikken. Bij station Horst-Sevenum staat op een gebouwtje langs het spoor de tekst: ‘Als de soep heet is, moet de worst dr’ in’. Maar wellicht wordt ook in dit geval de soep niet zo heet gegeten als opgediend. In Venlo overstappen op de Arriva-diesel voor nog een paar minuutjes Maaslijn.

Bij station Tegelen ben ik de afgelopen 22 jaargangen wel vaker uitgestapt, maar altijd om snel door dat dorp heen naar het aangrenzende Steyl te lopen. Steyl aan de Maas is twee toeristische attracties rijk: de fraaie botanische tuin Jochemhof en het oude, eerbiedwaardige Missiemuseum, waarvan ik me vooral de geur van sterkwater van opgezette creaturen nog herinner.

Deze keer ga ik Tegelen zelf eens beter bekijken, en dan vooral het Keramiekcentrum Tiendschuur Tegelen. Vanaf het station loop ik erheen via een rustige buitenwijk en een straat die Calvarieberg heet. Deze wandeling van een atheïst wordt daardoor ineens een Via Dolorosa. Alles in Limburg ademt toch ook RK’ísme.

 

Tegelen



Keramiekcentrum Tiendschuur Tegelen

Slechts weinig plaatsen zijn genoemd naar de producten die er gefabriceerd worden of werden. In Nederland kan ik eigenlijk alleen dit Tegelen bedenken – afgezien van gevallen als Batadorp en Heveadorp, maar die zijn genoemd naar een fabriek en niet naar een product; geen Schoenendorp en Rubberdorp. En afgezien van Nijverdal, genoemd naar vlijt en nijverheid in het algemeen.

In de 2e eeuw van onze jaartelling hadden de Romeinen - die de onderste helft van het huidige grondgebied van Nederland toen bezet hielden - al in het snotje dat de klei langs de rivier Mosa bij uitstek geschikt was voor het bakken van dakpannen. Vooral de klei in de omgeving van wat nu Tegelen is. Dakpannen heetten tegulae in het Latijn en vandaar dat het Limburgse dorp 1800 jaar later nog steeds Tegelen heet.

Van dakpannen gingen de Romeinen al snel over tot het bakken van vloertegels en bakstenen. De laatste werden gebruikt als verharding voor de heirweg van Coriovallum naar Colonia Ulpia Traiana (Heerlen – Xanten). En in de taal van de Germanen werd ‘tegel’ ook langzamerhand het woord voor dunne, gebakken stukken klei, niet alleen voor op het dak, maar ook en vooral voor op de grond.

De streek rond Tegelen groeide uit tot hét centrum van de tegelproductie, door die rivierklei, die zoveel geschikter was dan die van andere rivieren. De klei werd gewonnen in groeven langs de rivieroever en dat ging in het pre-industriële tijdperk vanzelfsprekend met houten scheppen en nog niet machinaal.

De tegelindustrie heeft het erg lang uitgezongen. Tot nog niet zo lang geleden, aan het eind van de jaren ’60, zag je in Tegelen en omstreken een woud van schoorstenen en werkte een groot deel van de arbeidsbevolking in keramische fabrieken. Daarna werd de rivierklei snel verdrongen door grondstoffen als beton en kunststof.

Keramische industrie is in Tegelen heel lang gepaard gegaan met keramische kunst. Het Keramiekcentrum Tiendschuur Tegelen is eraan gewijd.

De laatste tijd duikt de tiend(en)schuur nogal eens op in deze kolommen. Ineens kom ik ze overal tegen. Afgelopen zomer zelfs helemaal in Carlisle en Liverpool, waar zoiets een Tithe Barn heet. Maar die hier in Tegelen is de eerste die ik van binnen zie. In Nederland heb je er nog maar een paar, allemaal in Limburg, voor zover ik weet.

Deze in Tegelen hoort bij het 14e-eeuwse kasteel en landgoed Holtmühle, met een park eromheen en een kruidentuin erbij.





Een tiend(en)schuur diende voor de opslag van betalingen in natura. Vaak was dat een kerkbelasting, maar in Tegelen waren de pachters per jaar een tiende van hun oogst verschuldigd aan de landheer, die dat allemaal opsloeg in deze grote, stevige, ongetwijfeld inbraakvrije schuur.

Nu ik daar omheen loop, vraag ik me af hoe gecontroleerd werd of die boeren echt wel 10% van hun oogst inleverden. Ja, ze konden niet aankomen met 3 of 4 korenaren; dat snap ik ook wel. Maar het zal best eens 8 of 7% van het totaal geweest zijn; er zal wel mee gesjoemeld zijn bij het leven.

Dat was in feodale tijden. Nu is het een pracht van een museum, vol keramische kunstwerken, maar met ook aandacht voor de keramische industrie in de loop der eeuwen. Die schuur is trouwens van binnen nog groter dan hij van buiten lijkt. Ooit tot de nok gevuld met kostbare goederen van het land.

Ik licht een paar dingen uit dit museum voor de mede-schoonheidsminnaar. En voor de anderen: straks gaan we weer verder met het OV; dat beloof ik.

 

 

Het topstuk van de collectie is de tegelkachel van Jac Bongaerts uit Tegelen zelf. De 2,60 m hoge kachel is voorzien van tientallen Bijbelse voorstellingen; erg kunstig. Van boven naar beneden doorloop je het Oude en Nieuwe testament, van de schepping tot de Apocalyps. Op de afbeelding: het aanbidden van het Gouden Kalf uit het boek Exodus. De hele kachel is beter dan ik dat deed, gefotografeerd door de mensen van de Heemkundige Kring Tegelen.

Een tegelkachel was onderdeel van een primitief centrale verwarmingssysteem dat gebruik maakte van hete lucht waarvoor kolen of hout gestookt werden. Via een stelsel van keramische buizen werd de hete lucht door het gehele huis getransporteerd. Een paar kilometer ten oosten van Tegelen begint Duitsland, en daar wordt een tegel Kachel genoemd. Een tegelkachel is in Duitse oren dus een dubbeloppisme.

Het tafereel met zingende kinderen past goed bij het seizoen en bij de dag dat dit stuk verschijnt: een Sint-Maartensfeest. Trick or treat! Tegenwoordig doet het meer aan Halloween denken, een eeuwenoude traditie die we een paar jaar geleden geïmporteerd hebben uit de USA. De naam van de schepper van dit tegeltableau heb ik helaas niet meegefotografeerd en ook niet meer kunnen achterhalen.

Wel van het andere tableau op het plaatje, dat is vervaardigd door Harrie Trienes en de al genoemde Jac Bongaerts naar een ontwerp van Otto van Rees. Het stond in een kapel, gewijd aan St. Theresa. Daar werd het godbetert meerdere malen beschadigd door vandalen, een stelletje cultuurbarbaren. Nu is het gerestaureerd en heeft het een veilige plek gevonden in dit museum.

Met een zogeheten ringeloor, een priem aan een koehoorn, kun je figuren maken in aardewerk. Ringeloor doet natuurlijk denken aan de uitdrukking: zich (niet) laten ringeloren. Die heeft verband met de vroegere gewoonte om dieren te leiden aan een ring door de oren. Maar waarom zo’n pottenbakkerswerktuig dan ringeloor heet, is de etymologische geleerden een raadsel.

Helaas is er vanmiddag geen demonstratie met de 3D-printer die hier tentoongesteld staat. Die kan ook voorwerpen van klei uitbraken en is daarmee in feite de opvolger van de aloude pottenbakkersschijf.

Er is ook nog een tentoonstelling over het maken van glazuur, waarvoor je zo ongeveer een halve chemicus met zijn. Craquelé, blazen, barsten, ‘druipers’, dat zijn allemaal dingen die je moet vermijden als je gebruiksvoorwerpen van keramiek maakt, maar juist kunt uitbuiten als je keramiek vervaardigt voor het mooi.  

De reis waard, dit museum; van harte aanbevolen door De digitale reiziger.



Belfeld, Reuver en Offenbeek



Dat geldt wat minder voor het dorp Tegelen en de regio eromheen. Een beetje sombere bedoening, de plaatsen hier, zeker op een late oktoberdag met minder dan optimale weersomstandigheden.

In het centrum van Tegelen heb je Plein 1817 en een school die is opgericht in 1916, ter gelegenheid van het feit dat 1817 toen bijna een eeuw geleden was. Die school heeft de status van eeuweling dus ook al bereikt.

Wat gebeurde er dan in 1817, dat dit jaartal moest voortleven in de naam van een stuk openbare ruimte? Dat jaar verhuisde Tegelen van Pruissen naar Nederland. Die operatie maakte deel uit van een reeks grenscorrecties aan het eind van de Napoleontische tijd. Niet elke Tegelaar zal er blij mee geweest zijn.

Er stopt slechts één bus in Tegelen, Arriva-lijn 66 (Venlo – Roermond). Ik neem hem voor één dorp verderop, Belfeld. Hij rijdt in het weekend maar om het uur.

Van Tegelen naar Belfeld is het 10 haltes. De bus verlaat de weg langs de Maas om in een hoekje van Belfeld een wijk met nieuwbouwwoningen te ontsluiten. Daarna zetten we koers naar wat dan wel het dorpshart van Belfeld zal zijn, met het v/m Raadhuis, thans restaurant, aan een verlaten vlakte met een plantsoentje.

Een drenzerige regen is ingezet terwijl ik in de bus zat. Het restaurant gaat pas open over een uur. En dat is dan precies de tijdsduur dat ik me hier zal moeten vermaken in de regen totdat de volgende bus 66 me komt verlossen.




Ik loop een paar stappen terug naar het viaduct van de Maaslijn, waar de bus net onderdoor ging. Er loopt een rijbaan onderdoor en een fietspad, maar geen stoep. Het is bovendien erg onoverzichtelijk. Als je je staat te vergapen aan de nostalgische foto’s aan de wanden, kun je overhoop worden gereden door een pizzakoerier of een andere snelle tweewieler.

Belfeld heeft een station, met de naam fier en levensgroot op de gevel. Eens was het hier vroeg in de morgen en laat in de middag een komen en gaan van arbeiders uit de tegelfabrieken. Maar dat is erg lang geleden. De laatste trein stopte hier in de zomer van het oorlogsjaar 1940.

Je bereikt het stationsgebouw via een achterafstraatje – dat Stationsstraat heet en ooit ook een druk verkeer gekend moet hebben. Het gewezen station staat nu op het (verboden) terrein van een transportbedrijf of zo, en ik moet het van enige afstand fotograferen. Vergane glorie.




Belfeld had, net als Tegelen, in de Romeinse tijd al pannenfabrieken. Wat ik hier nu moet, weet ik niet. Alhoewel: even ergens iemand gaan zitten bellen, misschien.  ‘Hoi, ik bel uit Belfeld, ha, ha, ha, ha!’ Nee, niet leuk.

Wel wil ik, druilweer of geen druilweer, de Maas nog even op de foto, en sla daartoe ‘t Oude Veerpad in dat me erheen zou moeten brengen. Het loopt langs een garagebedrijf, maar daarvoorbij dood.

Is dat uur nog niet om? Nee, nog maar net over de helft. Ik heb in mijn leven dodensteden gezien die levendiger waren dan Belfeld op een zaterdagmiddag in de motregen. En ik heb ook wel zin in een broodje; de mondkost uit mijn tas is al weer op. Mijn plattegrond-app belooft een winkelhart(je) aan de andere kant van het spoorviaduct. Ik begeef me erheen; ergens nog een bakkerswinkel open?

Nog beter: snackbar D’n Hook, als een oase in de woestijn. Klop, klop, klop op de gevel; nee, het is geen luchtspiegeling, hij is echt. Het etablissement wordt gedreven door oosterlingen, zoals vrijwel overal.

Een kop koffie en een broodje. Ik kan rustig aan doen; de bus heeft vertraging, zie ik op mijn app. Hoe ben ik de eerste 17 jaargangen van deze site doorgekomen zonder smartphone?? In de begintijd was ik op pad met spoor- en busboekjes, plattegronden, een zak met kwartjes om eventueel in een cel 9292 te kunnen bellen – of naar huis, om te zeggen dat er vertraging was…

De bus geeft bij station Reuver, weer een dorp verderop, aansluiting op de treinen die elkaar om kwart óver kruisen. En ze nemen ook weer aansluiting over van diezelfde treinen. Al met al komt dat erop neer dat de bus een kleine 10 minuten stil moet staan.

Aan de ene kant van het spoor heb je Reuver zelf en aan de andere kant Offenbeek. Ik was hier ook al eens zin zo’n oude jaargang, toen ik de inmiddels al lang opgeheven lange buslijn 29 nam: Venray – Swalmen. Een stuk met een diepe symbolische laag eronder over de vergeefsheid van het bestaan.

Zo’n extra laag onder een reisverhaal, dat heb je soms, en soms ook niet, maar in desolate streken als deze is de kans wel groter. Je kunt het niet afdwingen. Ik ga nooit achter mijn PC zitten met het idee: ik ga nou eens een stuk schrijven met nog een hele diepe laag daaronder. Je ziet dat zelf ook pas als je het later overleest. Maar het stuk dat je nu leest, heeft vast en zeker niet zo’n laag; het zit er vandaag niet in.











Dat klooster in Reuver, hoe katholiek wou je het hebben? Zou nou ook in Limburg het aantal gelovigen in enig Opperwezen, van welke richting ook, tot beneden de 50% gedaald zijn? Ik kan het moeilijk geloven. Maar er is over het algemeen toch al erg weinig dat ik geloof. Ja, bijna tot mijn 10e verjaardag in Sinterklaas, OK; het pleit niet voor me, maar ik wil het niet verzwijgen.

De kleine, wrakke arbeidershuisjes die ik hier vroeger eens zag, zijn verdwenen, evenals de enorme keramische fabriek in Offenbeek. Op de plek van de eerste staan nu nieuwe huizen. Maar die fabriek heeft slechts een leegte achtergelaten, nauwelijks gevuld door die ene, zielige schoorsteen die nog de lucht in priemt. Met daarachter nog een donker dreigende regenwolk; je kunt de symboliek er ook té dik opleggen. Snel de trein in naar Roermond.

Waar de schade door de koperdiefstal inmiddels is hersteld; er rijden gewoon weer treinen van Roermond naar Eindhoven. Maar dan weer een nieuwe verrassing: Wormerveer staat er op de borden, in plaats van Alkmaar. In het Noord-Hollandse is blijkbaar ook al een stremming.

‘Wormerveer?’, hoor ik een groepje Limbo’s zeggen, ‘Hè?, wàt?, gaat die trein dan wel naar Eindhoven, want waar ligt dat eigenlijk, Wormerveer, in Zeeland toch?, bestaat dat wel, daar heb ik nog nooit van gehoord, hebben ze daar ook een station?’
‘Wist u dat, meneer’ (tegen mij), dat er ook treinen naar Wormerveer gaan?’
-‘Ja, dat wist ik. Ik ben er laatst nog gestrand, toen ik naar Uitgeest moest voor mijn werk. Nee, u kunt met een gerust hart in de trein naar Wormerveer stappen, hoor! Komt goed!’

 


De sfeervolle avondfoto komt deze week uit het horeca- en uitgaansstraatje Stratumseind in Eindhoven.

Frans Mensonides
11 november 2018
Er geweest: zaterdag 27 oktober 2018

 





© Frans Mensonides, Leiden, 2018