Beminde zaterdag (28)
april 2019 -




Hilversum - Utrecht



< < < < < Deel 27 al gelezen? 


‘Beminde zaterdag’ is een rubriek over treinreizen op die dag met mijn Weekend Vrij. De titel is ontleend aan een dichtregel van Constantijn Huygens die ook heel de week naar het vrije weekend liep te verlangen. Deze reeks is geïntroduceerd in deel 1. Het overzicht van alle tot dusverre verschenen afleveringen vind je in het archief van mijn Thuispagina.


 


Leiden in last (2) - Rond Den Dolder - Van het Sauzenhart naar Claudia’s Haphoek



Leiden in last (2)


Deze aflevering begint zoals de vorige eindigde, met de 21-daagse ofwel: 22-nachtse van Leiden. Door ingrijpende spoorwerkzaamheden in en om Leiden Centraal is van zondagavond 25 maart tot maandagmorgen 15 april 2019 het treinvervoer in de wijde omgeving van Leiden sterk uitgedund. Om maar te zwijgen over tijdstippen dat het helemaal tot stilstand komt. En dat is het geval op alle avonden na 23:00 uur en bovendien in het gehele weekend van vrijdagavond 5 april tot/met maandagnacht 8 april.

Dat betekent dan: 54 uur lang vervangend busvervoer in vier richtingen: Den Haag Centraal, Alphen aan den Rijn, Schiphol en Haarlem. En dat is deze keer op een heel speciale manier geregeld.

NS heeft bedacht dat deze bussen – met uitzondering van die naar Alphen – dit weekend niet mogen vertrekken van Leiden Centraal, maar 2 kilometer meer naar het westen, bij het transferium voor automobielen bij de A44 en de N206. Tussen Leiden Centraal en dat transferium rijden pendelbussen.

Weer eens wat anders: instappen langs de snelweg in plaats van op een station. Heel leuk als je het zoals ik als hobbyist / masochist ondergaat, zonder koffers, en niet naar Schiphol hoeft met een half dozijn stuks bagage.

Het transferium is verwezenlijkt in 1999 en het wordt geflankeerd door een McDonald’s, een ruim opgezette bushalte en een opvallende, witte loopbrug over de N206; dé blikvanger voor wie Leiden vanaf de snelweg binnenrijdt. Ik heb er als niet-automobilist weinig te zoeken, maar liep er in 2005 een keer langs.


Het transferium anno 2005


‘Was’ en ‘werd’, hadden de persoonsvormen in de voorvorige zin moeten luiden. NS schermt er altijd mee dat ze alle operaties al een jaar van te voren plannen en daardoor niet soepel kunnen inspelen op plotseling veranderde omstandigheden. Dit Leidse busgebeuren hebben ze vast en zeker ook al in 2018 gepland. Toen bestond het Leidse transferium nog.

Maar het wrede noodlot beschikte dat het vorige maand is opgedoekt, helemaal compleet, met de McDonald’s, de bushalte en de loopbrug erbij. Waarom? Het transferium moet plaatsmaken voor de Rijnlandroute, een autoriool dat de A4 met de A44 gaat verbinden via een grotendeels ondergronds traject.

Er komt t.z.t. een nieuw transferium. Zo lang kunnen we het niet stellen zonder hamburgers en Original Coke, maar de Amerikaanse vlees- en koolhydratenketen heeft al een nieuw filiaal geopend op een hectometer afstand van het oude.

Goed, wat blijft er nu over van dat NS-busplan via het transferium? Ik ben de hele week al nieuwsgierig en ga het zaterdagmorgen – op een niet verschrikkelijk vroeg tijdstip – ondervinden; ik heb een wereldreis Leiden – Den Haag gepland.

Aan de voor- ofwel stadszijde van het station komen bussen richting Alphen a/d Rijn, waarvoor een hele massa passagiers klaarstaat. Die bussen rijden elk half uur en geven in Alphen hopelijk aansluiting op de IC  naar Utrecht en de stoptrein naar Gouda. De pendelbussen naar het vermeende transferium vertrekken van de achterzijde, LUMC-zijde of zelfs ‘zeezijde’ van Leiden Centraal.

Deze bus, een gewone Arrivabus, neemt de Wassenaarseweg langs de laboratoria van de universiteit. Ik vang een gesprek tussen 2 medepassagiers op:
- Wat achterlijk zeg, zo’n stom, kort ritje, en dan moet je er al weer uit!
- Ja, nee, maar dat heb ik gehoord van iemand van de NS die daar stond. Die zei, dat hebben ze gedaan voor de chauffeurs, die uit alle delen van het land komen. Die kennen de weg in Leiden niet. Hij zei: er is zelfs een chauffeur bij uit Veenendaal!
- Oh, en hebben chauffeurs uit Veenendaal dan geen navigatiedinges aan boord?
- Nou, dat weet ik eigenlijk niet. Vroeg ik me ook af. Maar ik bedenk net: ze zijn nogal streng kerks in Veenendaal, dus navigatiesoftware, dat mag misschien niet van hun geloof!

Duidelijk, deze opzet van de vervangende busdienst is gekozen voor het gemak van de chauffeur, niet voor dat van de reiziger. Iets wat uiteraard in alle toonaarden ontkend wordt door de NS-voorliegers voorlichters van hun Twitteraccount; alle verloven zijn daar dit weekend ingetrokken. Men beweert dat niet alle vervangende bussen een plek zouden kunnen vinden bij Leiden Centraal en dat met deze gekozen route alle reizigers zo snel mogelijk op hun bestemming zullen komen.

Dat eerste zou waar kunnen wezen, maar het tweede is beslist een gotspe. Ik zal 50 minuten doen over mijn rit naar Den Haag Centraal, en met rechtstreekse vervangende bussen staat er een minuut of 25 voor. Handiger is het natuurlijk ook niet; 2 keer je koffers inladen in een bus, in plaats van 1 keer.

We slaan de hoek om bij Corpus, die kolossus van 35 meter hoog, waarin een anatomisch pretpark gevestigd is. Daar ben ik nou nog nooit geweest, en het is zo dichtbij! Ik doe museale attracties in heel Nederland en omstreken, maar Corpus, op fietsafstand van mijn huis? Enfin, het kan nog altijd, het is nog niet te laat; hij zal niet weglopen!

Dat is net zoiets als de musical Soldaat van Oranje, een paar kilometer verderop, in de theaterhangar op het v/m vliegveld Valkenburg. Ook nooit geweest. Maar waarom zou ik me haasten; hij wordt toch iedere keer weer met een half jaar verlengd. En hij komt nu ook in Londen; dan ga ik hem daar wel een keer zien!

We bereiken het geïmproviseerde transferium. Dat bestaat uit een stuk weiland dat ze afgezet hebben met roodwitte linten, en een aantal betonnen en stalen platen.

Bussen rijden af en aan. Toch is er gemurmureer onder de wachtende menigte: er is al zeker een stijf kwartier geen snelbus naar Den Haag verschenen. Een geeljas zegt dat ze zijn opgeroepen. Een wachtende vraagt of er dan misschien even een andere bus ingezet kan worden; er staan er genoeg klaar!

‘Nee, nee, nee, dat kan zomaar niet. Dat gaat allemaal volgens een dienstregeling!’ Dan arriveren er toch nog een paar bussen naar Den Haag langs het ‘perron’.

Wij verlaten het transferium en zetten koers naar de Residentie. De genoemde voorlichters doen alle moeite om te verhullen wat volgens mij het geval is, nl. dat NS er donderdagmiddag pas is achtergekomen dat het Leidse transferium niet meer existeert. Nee, dit, wat we nu zien aan de voet van Corpus, is nu hét NS-transferium; ze zijn er maar wát trots op!

Verder over de Rijksstraatweg. Bij verkeersplein Den Deijl in Wassenaar staat het muurvast. Zou dat komen door al die extra bussen die op de weg zijn? Nee, het staat hier 24/7 muurvast. Dat deed het al in de jaren 60. Er stond midden op het plein een glazen hok op poten en daarin zat een politieagent de verkeerslichten te bedienen en via een luidspreker snedig commentaar te leveren op het gedrag van sommige automobilisten.

Als je de geschiedenis van deze weg kent, mag je blij zijn dat je hier in de file staat. In de jaren 70 zou hij ontlast worden door de Leidse Baan, die parallel aan de Rijksstraatweg dwars door natuurgebied de Horsten getrokken zou worden. Het tegenhouden van die weg was een succes van de toen net opgekomen milieulobby – die de Rijnlandroute niet heeft kunnen verhinderen. Dat we nu nog steeds rustig rond de Seringenberg kunnen wandelen, daarvoor moeten we Den Deijl maar voor lief nemen, vind ik.

Vanaf de Seringenberg (archieffoto 2018)

In Den Haag worden we gedropt achter de Koninklijke Bibliotheek en vlakbij het kantoor van Gispen, waarvandaan je na een stijve 5 minuten wandelen de hal van Den Haag Centraal kunt binnenlopen; bestemming bereikt!

Deze zaterdag zal ik nog gesignaleerd worden in Den Dolder en Nunspeet; zie het hoofdje hieronder. Ik keer daarna naar huis terug via de Hanzeroute en Schiphol, waar me vanzelfsprekend weer de vervangende bus wacht.

Die is wat moeilijk te vinden op het voorplein, tussen de zee van bussen die toeristen vervoeren naar Amsterdamse hotels. De naam daarvan staat met koeienletters voorop de bus. Wat een druk busverkeer op de late avond! In tegenstelling tot wat sommigen beweren, is een metroverbinding tussen Schiphol en het centrum van Amsterdam beslist geen overbodige luxe. Ik zie hem er nog wel komen.

De reis naar het ‘transferium’ verloopt vlot, evenals de overstap op de pendelbus naar Leiden Centraal. Tijdens het overstappen heb ik nog net tijd voor het onderstaande sfeervolle, unieke en nu al historische plaatje: het pop up-transferium dat maar 54 uur bestond.

Laat-ie-fijn zijn: treinreizigers komen dit weekend toch nog op hun bestemming, al duurt het soms wat langer dan gehoopt. De week daarop zijn op Leiden Centraal de werkers en hun machines verplaatst naar perron 8/9 en wordt het treinverkeer nu afgewikkeld op sporen 4 en 5.

Hoe ProRail het doet, doen ze het, maar als ze in Leiden aan het spoor staan te prutsen, ontstaan er stremmingen in Lisse en Purmerend (maandag in de morgenspits), ergens bij Haarlem (maandag in de avondspits) en bij Weesp (dinsdag vrijwel de hele dag). Bovendien ligt maandagavond laat het busvervoer rond Hoofddorp weer eens lam. Rikus zit nu vrijwel de hele nacht achter Twitter en de e-mail.

Ik type dit stukje op dinsdag, dus wat er verder nog vol ellende zal plaatsvinden binnen een straal van 100 km rond Leiden, dat weet ik nu nog niet. De dag dat dit stukje online gaat, is gelukkig de laatste van de 21-daagse van Leiden.




Rond Den Dolder



Groenekan

Hoe gaan we deze zaterdag verder invullen, nu het me gelukt is, Leiden uit te komen? Helemaal nog niet over nagedacht, eigenlijk. Er is zonnig voorjaarsweer voorspeld, al lijkt het daar nu nog niet op; het is somber en grijs. Zal ik de lezer nog een keer gaan vervelen met fietsen op de Veluwe? Eerst naar Utrecht; daar kunnen we altijd nog zien.

In de ouwe, ongewassen dubbeldekker naar Zwolle, die van Utrecht Centraal had moeten vertrekken om 13:18, kom ik tot andere gedachten. Dit amechtige treintje, de specialiteit van de Veluwelijn, heeft namelijk een ‘klein technisch probleempje dat de meester eerst moet oplossen’, zo roept de conductrice om. Dit duurt een paar minuten. Het ongemak herhaalt zich blijkbaar op station Overvecht, want ook daar staan we minutenlang stil.

Het is duidelijk dat we de Veluwe niet gaan halen met deze trein. Ofwel hij wordt in Amersfoort opgeheven, of, nog erger: hij strandt ergens tussen 2 stations, zodat we geëvacueerd moeten worden. Het laatste waar ik behoefte aan heb na 2 weken  vol Leidse treinmisère. Ik besluit, uit te stappen bij Den Dolder en daar op de fiets te stappen.

Station Den Dolder, eerder dit jaar


Snel stippel ik een route uit rond die plaats, waar op zich niet veel te zien is. De fietstocht zal een klein stukje voeren over het grondgebied van Lage Vuursche, en verder door Maartensdijk en Groenekan, en dan via Bilthoven terug. Nog steeds geen marathonlengte, maar ik ben nog bezig, er ín te komen, in het zomerfietsen.

De zon laat zich niet zien en er welt, met de middag al een flink eind op streek, nog steeds ochtendmist op uit de weilanden en de bossen. Ondanks het uitblijven van het voorspelde lenteweer is iedereen in deze streek druk buiten aan het recreëren. Vanmiddag zie ik opvallend veel racefietsers, omhuld door de gekleurde reclamezuilen waarin je alleen door je uitmonstering al een stuk harder rijdt.

Verder zijn er veel jongeren op pad die, met rugzak, en groupe de wandelsport beoefenen. Ook word ik gepasseerd door diverse sportauto’s die in mijn kindertijd nieuw waren. Ik geef het nu niet graag meer toe, maar ik kende toen alle automerken uit mijn hoofd. Sommigen rijden vandaag met open dak; dapper! Er is een rally gaande, of toertocht.

Ik rijd al kilometers over de Maartensdijkseweg voordat ik doorheb dat ik hier in 2015 al eens gewandeld heb, door de Ridderoordsche Bosschen op weg naar de theevisite op Drakensteyn in Lage Vuursche. Vreemd, maar vanaf een fiets ziet de wereld er toch heel anders uit dan wanneer je hem te voet verkent.

Dat optrekje bij het kruispunt, dat huisje met die roodwitte luiken, dat herken ik. Deze weg gaat over in de Dorpsweg en voert langs nog meer opvallende woonsteden. Heel lang geleden heb ik in Maartensdijk eens in een villa het Barometermuseum bezocht, maar dat is er niet meer. Nog langer geleden, in vervlogen eeuwen, heette Maartensdijk Sint-Maartensdijk en bestond het alleen uit deze Dorpsweg. Later kwam er een uitbreidingswijk in het zuiden.





Ik nuttig mijn boterhammen op een bankje waar een verhaal aan vast zit. Het gaat zo te lezen over een prominente, of in ieder geval bekende Maartensdijker die hier altijd zat en nu ontslapen is.

De laatste 2 regels zijn erg opvallend. Is dat nou een subtiel poëtisch taalspel of is het slechts dichterlijke onbeholpenheid en rijmdwang? Ik ben er niet helemaal zeker van. Dichten is weliswaar de kunst van het weglaten, maar de prozaïst die dit stuk gaat ondertekenen, schrijft het liefst zo veel mogelijk dingen op; dan liggen ze maar vast.

Wie die bijzondere Maartensdijker was, staat er helaas ook niet bij, en ik heb het nergens kunnen vinden; de dorpsgek?

Het is eigenlijk nog veel te fris om langdurig op bankjes te zitten. Ik vervolg mijn weg richting Groenekan. Eerst rijd ik een poosje parallel aan de spoorbaan Hilversum – Utrecht, en later kruis ik hem via een viaduct. Foto’s van die lijn herken je altijd onmiddellijk aan de gebogen, betonnen portalen voor de bovenleiding.




Groenekan is nog een maatje kleiner dan Maartensdijk. De naam lijkt op een slogan van de milieu- en duurzaamheidsbeweging: Groener Kan! Maar het dorp is genoemd naar de herberg De Groene Kan die hier in de 17e eeuw was.

Behalve dat de treinen Hilversum – Utrecht door Groenekan rijden, doen ook die van Utrecht naar Amersfoort dat, aan de andere kant van het dorp. Dit feit plaatst Groenekan in de lijst van sneuere dorpen waarover ik het vorige keer had; woonoorden die aan twee spoorlijnen liggen, zonder dat er een station is.  En ook hier is het er wel geweest, twee zelfs: Groenekan West aan de lijn naar Hilversum en Groenekan Oost aan die naar Amersfoort.




Het opvallendste monument in Groenekan is de 19e-eeuwse molen Geesina. Tot voor kort bestond hij uit niet meer dan een vervallen romp. Maar eerder in de jaren ’10 is hij geheel gerestaureerd en van nieuwe wieken voorzien. Nu maalt hij er weer elke zaterdag lustig op los.

Ik kies mijn weg over landgoed Beukenburg met een afwisseling van akkers en bossen, waar ik deze gevallen boom fotografeer. Daarna terug naar Den Dolder via een bos en een nieuwbouwwijk die allebei De Leijen heten.  In die wijk is de spooroverweg een paar jaar geleden vervangen door een tunnel. De zon komt erdoor en de thermometer tikt zomaar ineens de 20 aan.







Van het Sauzenhart naar Claudia’s Haphoek

Als ik door Den Dolder naar het station rijd, realiseer ik me dat de inwoners van dit dorp niet te benijden zijn. Als ze op een verjaardag vertellen dat ze in Den Dolder wonen, komt gegarandeerd de vraag: ‘Dat is toch die plaats waar al die tbs-klinieken zijn?’ En daarbovenop steevast een lolbroek die roept: ‘Het sauzenhart van Nederland!!’ Die slogan op de Remia-fabriek is dagelijks zichtbaar voor tienduizenden treinpassagiers – al kan ik hem vanaf de fiets niet fotografen.

Dat heb ik altijd een rare reclamekreet gevonden. Bij de Dikke Van Dale vinden ze dat ook, om dezelfde redenen als ik. Den Dolder ligt niet helemaal in het hart van Nederland en saus is veel te triviaal om ergens het hart van te vormen. Een cultureel hart, een economisch hart, een politiek hart, allemaal OK, maar een sauzenhart… Verder wekt het zowel bij Van Dale als bij mij associaties met hartvervetting. Dat alles bewijst dat het een perfecte slogan is, want hoe raarder, hoe beter je het onthoudt.

Remia betekent tussen haakjes: De Rooij’s Elektrische Melangeer Inrichting Amersfoort, en melangeren is dan het aanlengen van roomboter met margarine.

In Nunspeet dineer ik vaak, als ik er ook maar enigszins in de buurt ben. De trein erheen, vertrek 17:02 uit Den Dolder, is voller dan ik de afgelopen week waar dan ook in de omgeving van Leiden gezien heb. ´Er is er een uitgevallen´, hoor ik zeggen op dit opeengepakte balkon.

Oh, wacht eens even: dat klopt, ja, dat klopt; dat is natuurlijk die gammele trein waarin ik eerder deze middag zat.  Die doet volgens dienstregeling 3 uur over een slag Utrecht – Zwolle v.v., en had dan om 16:18 weer moeten vertrekken uit Utrecht. Wat dus niet gebeurd is. Nederland telt nu dus weer een rijklare DDAR minder. Naar de sloop met dat kreng!

Een kolos van een man, minstens 150 kilo, vult twee klapbankjes, is bleekjes en lichtelijk onwel en bet het tappelings over zijn voorhoofd gutsende zweet af met een zakdoekje. Zijn eega, die anderhalve kop kleiner en drie keer zo smal is, staat hem bij in zijn strijd en klopt hem bemoedigend op de arm. Is dit nu de flauwvaller die in elk krantenartikel over volle treinen genoemd wordt?

In Amersfoort stap ik uit en zijg neer op een bankje. Die twee ook. Ik zou nu iets aardigs kunnen zeggen, zoals: ‘Gaat het weer een beetje?’, maar krijg de woorden niet over de lippen. Na een half uur verschijnt de volgende, minder drukke trein en we stappen weer in.

In geen van de herbergen rond het station van Nunspeet is plaats. Ik loop het dorp in, negeer restaurant Bij Frans (kan nooit wat wezen) en strijk uiteindelijk neer op het terras van Claudia’s Haphoek. Ik hoop dat ik er Remia-saus bij krijg; zondag eet ik wel weer verantwoord.

Daarna loop ik terug naar het station terwijl de schemering valt over Nunspeet en de laatste zonnestralen de gevels in vlam zetten. Dat een qua weer zo chagrijnig begonnen dag kan eindigen met zo’n prachtige avond!

Bij Frans
14 april 2019
Er geweest: zaterdag 6 april 2019

Nunspeet

 



© Frans Mensonides, Leiden, 2019