Beminde zaterdag (29)
11 mei - 22 juni 2019






< < < < < Deel 28 al gelezen? 


‘Beminde zaterdag’ is een rubriek over treinreizen op die dag met mijn Weekend Vrij. De titel is ontleend aan een dichtregel van Constantijn Huygens die ook heel de week naar het vrije weekend liep te verlangen. Deze reeks is geïntroduceerd in deel 1. Het overzicht van alle tot dusverre verschenen afleveringen vind je in het archief van mijn Thuispagina.

In deze vroegzomer-aflevering hoop ik vaker op de fiets te kunnen stappen dan tijdens het voorjaar, toen de zaterdagen nogal eens in het water vielen. We beginnen met een fietstocht Nijmegen – Groesbeek, een bescheiden afstand met onbescheiden heuvels. 


 

‘Ei Sörrender’, Nationaal Bevrijdingsmuseum in GroesbeekFietsen over Berg en Dal - Zoef, zoef, zoef, zoef; allemaal met de trein naar de Grand Prix! - ‘Todeskandidaten’, Eerebegraafplaats Bloemendaal - Per rail naar de Grand Prix - Zandvoort per bus -1,5 miljoen voor de trein naar Zandvoort - Veur-Lent: Nijmegen op z’n smalstNaar Bemmel en terug via de BeatlesstraatStorm in ZeelandStadhuismuseum Zierikzee: poten in de klei - Beeldenpark Drechtoevers: ‘zuig nu dit uitzicht in   blijf je verbazen’ - Zwijndrecht - Alblasserdam en Kinderdijk - Naar Assen, met sprezzatura - Ik rolde naar Rolde




‘Ei Sörrender’, Nationaal Bevrijdingsmuseum in Groesbeek


Dit hoofdstuk verschijnt op het Web op de 75ste verjaardag van D-day. Ik bezocht het Nationaal Bevrijdingsmuseum in Groesbeek al een paar weken eerder, zaterdag 11 mei, toen de Duitse inval in Nederland 79 jaar plus één dag geleden was.

Over de oorlogsnacht van donderdag 9 op vrijdag 10 mei 1940 gaat een familielegende. Ik geloof dat ik hem al eens verteld heb; als dat zo werkelijk zo is, vertel ik hem nu voor de tweede keer.

Mijn oma werd uit de slaap gehouden door kanonnengebulder in de verte; ik denk dat zij de slag om Vliegveld Valkenburg hoorde. Ze wekte mijn behoorlijk hardhorende opa: ‘Het is oorlog!, het is oorlog!’
‘Huh’?
‘Ik hoor schieten!’
‘Oh, dat zijn oefeningen’, verklaarde opa met grote stelligheid, en sliep verder. Het zou een gevleugeld woord worden.

De volgende morgen meldde de radio dat het wel degelijk oorlog was. Maar oorlog of geen oorlog, het leven ging door. Ja, het vaartochtje op de Kaag, dat gepland was voor het Pinksterweekend, werd afgelast. Maar die zondag verliet het gezin, mijn grootouders en moeder, wel onverstoorbaar het huis voor de vaste zondagmorgenwandeling in de Leidse Professorenwijk. Daarbij belandden zij ineens in het schootsveld van het Nederlandse afweergeschut dat stond opgesteld bij de spoorbrug over het Kanaal. ‘Wegwezen!, weg daar!’, brulden de soldaten. En toen zagen ze het met eigen ogen: het was echt oorlog.

Een bizar verhaal. Maar kom me nou niet aan met: ‘Er stónd daar helemaal geen afweergeschut’, of andere inside information waaruit zou blijken dat het een verzinsel is. Ik vertel het zoals ik het gehoord heb. Ik kwam 12 herfsten na Market Garden ter wereld; ik heb de oorlog niet meegemaakt.

Maar eigenlijk hebben wij, de naoorlogse generatie, dat ook weer wel. Geen dag ging voorbij in onze kindertijd of de Bezetting werd ons wel een keer voorgehouden; als we klaagden over het eten, bijvoorbeeld.

Vanmiddag heeft de 2e naoorlogse generatie de 3e meegetroond naar het Nationaal Bevrijdingsmuseum in Groesbeek om iets te leren over de oorlog. Veel kinderen lopen er rond in het museum, waarvan de meesten geen voorzaten meer hebben die er uit eigen ervaring over kunnen vertellen.

Het Bevrijdingsmuseum – dat in een verbouwings- en uitbreidingsoperatie verkeert – gaat over veel meer dan de bevrijding alleen. Het vertelt het complete oorlogsverhaal, vanaf het opkomend fascisme in Italië en Duitsland in de jaren 20 tot de wederopbouw.

Het heeft een zeer uitgebreide collectie, waarvoor je best een hele middag kunt uittrekken. Je kunt de nummers volgen die bij de verschillende items staan en die lopen van 1 tot en met 67. In het café, dat een panoramische blik biedt op de heuvelen rond Groesbeek, kan de bezoeker bijkomen van de hoeveelheid aan informatie.

Geen eenvoudige klus om een museum-top-5 samen te stellen uit deze overvloed. Het wordt een top-8. En ik beperk me tot teksten, die om een of andere reden vanmiddag meer indruk op me maken dan het beeldmateriaal. Teksten die vaak maar over een heel klein aspect van de oorlog gaan, maar toch heel tekenend zijn voor het geheel. Luidt het spreekwoord niet: Eén woord zegt meer dan 1000 plaatjes?

Ik geef die teksten dan toch meestal wel weer door middel van plaatjes; overtypen gaat erg snel vervelen.


*1*

Vertaald uit een Duits rekenboekje:



Wij leerden in onze koopmansnatie rekenen met voorbeelden die vaak te maken hadden met winst en verlies, zo niet van geld, dan wel van knikkers. De schooljeugd in nazi-Duitsland kreeg heel andere uit het leven gegrepen zaken voorgelegd. Maar de rekenkunst is neutraal: bommen leveren dezelfde resultaten op als guldens en knikkers.


*2*


Generaal Winkelman, de aanvoerder van de Nederlandse strijdkrachten, op een ansichtkaart die kort na de capitulatie gedrukt werd. Vraag een Nederlander waar in 1945 de Duitse capitulatie getekend werd, en hij antwoordt: Wageningen. Maar waar Winkelman op de dag na het bombardement op Rotterdam Nederland overgaf: vrijwel niemand weet dat dat was in een schooltje in Rijsoord, een dorp ten zuiden van Rotterdam op het eiland IJsselmonde. Het bijschrift op de kaart:


Zijn helder inzicht, wijs beleid,
heeft verder leed aan ons bespaard
hem nimmer bannen uit ons’ gedachten
is deze held zeer zeker waard.


*3*


Wie zich al liet ontmoedigen door Nederlands nederlaag, niet het Rotterdamse NTI, waarbij je ook ‘brieflessen’ kon volgen in de taal van Hitlers aartsvijanden.


*4*





Ook de belligerenten bedienden zich nog wel eens van elkaars taal, maar alleen om hun tegenstanders te ontmoedigen met propaganda. De Duitse soldaten die werden overgehaald om zich over te geven aan de geallieerden, kregen voorgekauwd wat ze dan moesten zeggen: ‘I surrender’, fonetisch weergegeven als ‘Ei sörrender’.

Twee woorden die hun leven konden redden. Ik hóór het ze bijna roepen. Met opluchting, vaak; vele Duitse soldaten brachten de rest van de oorlog liever door in een POW-kamp dan aan het front.

Het doet me wel denken aan een scene uit Dad’s Army. De gelegenheidssoldaten van Cpt. Mainwaring hebben ooit tijdens een cursus geleerd dat ze bij het gevangennemen van een Mof ‘Hände hoch!’moeten roepen. Als het peloton dan voor het eerst in de oorlog oog in oog staat met een Duitse soldaat, brult de hele menigte: ‘Hendiehok, hendiehok!’


*5*

Vermicelli, Maizena, Havermout, etc, ook dat is een tekst, en wel op dit primitieve, kartonnen kastje voor het opbergen van distributiebonnen. Ik zet hem op de foto voor de webpagina over mijn oma’s Hongerwinterdagboek.



*6*


De 40’s, die associeer ik met géén televisie en op zaterdagavond gezellig geschaard rond een bordspel. Dit op ganzenbord lijkende spel, kort na de bevrijding verschenen, is nogal grimmig. Het wijst nog eens op het Goed en Fout dat tijdens de bezetting zo’n doorslaggevende rol speelde.

Bijvoorbeeld: ‘Steekt hooiberg in brand waar Mussert in verscholen zit (3 fiches uit de pot)’.
en: ‘Luistert clandestien naar de Engelse zender en geeft deze berichten door aan landgenoten’.

Ook dat werd beloond met 3 fiches, die mijn oma in haar zak zou mogen steken. Zij behoorde tot de honderdduizenden Nederlanders die hun radiotoestel uit handen van de Duitsers hadden weten te houden, en illegaal naar Radio Oranje luisterden. Het was niet zonder risico. Ik betoogde eens in mijn rubriek FHM´s dat deze mensen weliswaar niet allemaal een verzetskruis verdienden, maar wel een nagel waren aan Hitlers doodskist.

Met Hinkepink werd de manke Rijkscommissaris Seyss-Inquart bedoeld, bijgenaamd: zes-en-een-kwart.

Een andere instructie uit het spel:
‘Bah! Leest Volk en Vaderland, moet maar eens twee beurten overslaan om zijn leven te beteren’.


*7*

Volk en Vaderland was vanaf 1933 het propagandakrantje van de NSB en tijdens de bezetting dat van nazi-Duitsland. Het blad werd uitgevent voor 6 cent. Die venters maakten zich niet populair en werden regelmatig uitgescholden en ook nog wel eens in elkaar geslagen.

Het blad werd na de oorlog vanzelfsprekend meteen verboden. In 1948 bepaalde de rechter bovendien dat er 75 jaar lang geen periodiek mocht verschijnen met die titel. Die ban duurt nu dus nog maar 4 jaar, wat wellicht goed nieuws is voor bepaalde groeperingen in onze huidige maatschappij.



*8*

Pagina uit een handboek voor soldaten, hoe zij zich moesten gedragen tegenover de door hen bevrijde, uitgemergelde bevolking. Er staat geen verbod in (maar misschien wel op aan andere bladzijde) tegen het zwanger maken van Nederlandse meisjes. Mocht zo´n verbod bestaan hebben, dan werd het op grote schaal overtreden. ´Trees heeft een Canadees´, ofwel: een Canadees had Trees. Een geboortegolf in 1946 luidde de babyboom in.

Een boeiend museum en absoluut een aanrader!




Fietsen over Berg en Dal



Groesbeek

Ik doe dit retourtje Groesbeek vanaf station Nijmegen op de OV-fiets, zoals gezegd, en ben rond een uur of half 12 begonnen.

Op het stationsplein bij de trap naar de ondergrondse stalling verzamelen zich dan mensen met gele hesjes. Het zijn de Gele Hesjes. Ze zullen vanmiddag een demonstratie houden. Een stuk of 20 leden zijn op komen dagen, dragen spandoeken bij zich en kijken heel erg boos en vastberaden. Enkelen dragen Friese nationalistische symbolen met zich mee. Met de treinreis Leeuwarden - Nijmegen v.v. halen ze in één keer hun Weekend Vrij voor de hele meimaand er wel uit.

Ja, de Gele Hesjes zijn boos, niet zozeer op iemand, maar gewoon boos. En ze zijn ontevreden, niet zozeer over iets, maar gewoon ontevreden. En ze demonstreren, nergens tegen, maar gewoon om de kick van het demonstreren. Een van hen blaast steeds op een toeter om zijn eisen kracht bij te zetten. Maar wat voor eisen dat zijn?

Ik had laatst een naïef idee: ik dacht, ik zoek even op op hun website wat ze nu eigenlijk precies willen. Ze zullen toch wel alternatieven hebben, een agenda voor Nederland 2.0? Maar zo’n site bestaat niet.

Langzaam druppelen ze binnen op het plein. Ik lees later dat hun demonstratie pas om 14:00 uur begint en dat ze op 2500 man rekenen. Uiteindelijk zullen er slechts 400 deelnemen.

Wat dan nog heel gunstig afsteekt bij de demonstratie in Rotterdam, die tegelijkertijd plaatsvindt. Daar dragen de Gele Hesjes oranje hesjes, en dat is omdat ze ook boos en ontevreden zijn over de Gele Hesjes in de rest van het land; een kerkscheuring in de Gele Hesjesbeweging! Maar er verschijnen bij de Erasmusbrug maar 10 Rotterdamse Gele Hesjes met oranje hesjes, waarna de afdeling Rotterdam spontaan en ter plekke besluit, zichzelf op te heffen.

Het is allemaal een storm in een glas water; iets van voorbijgaande aard. Ik stap op richting Groesbeek dat zo’n 10 km fietsen vergt. Groesbeek is eenvoudig te vinden: voorbij het Keizer Karelplein de Groesbeekseweg inslaan en die weg voorlopig blijven volgen. Die voert over een paar behoorlijk steile heuvels.

Net als mijn oma, 79 jaar en een dag geleden, hoor ook ik schoten in de verte. Komen die geluiden uit de richting Duitsland, om de verjaardag van de Blitzkrieg te vieren, één dag te laat? Of zijn het jagers die hun moordlust botvieren onder het mom van faunabeheer?

Het museum ligt voorbij het dorp op ook alweer een steile heuvel. Na mijn bezoek wil ik terug via een andere weg. Ik kies de Zevenheuvelenweg naar Berg en Dal: namen die niet veel goeds beloven en flinke klauterpartijen.

Ik blijk terecht gekomen te zijn op een traject dat door stoere wielrenners met van die snelle pakken gebruikt wordt als ze echt eens een pittige trainingsrit willen maken. Deze route vol bulten is zelfs een keer opgenomen geweest in een etappe van de Giro d’Italia, alsof Groesbeek in de Apennijnen lag, de Apen ‘n K’nijnen, zoals mijn oude schoolmeester altijd grapte.

Zelfs die wielrenners komen er nauwelijks tegenop, in de laagste versnelling. Ik loop hele stukken. Het uitzicht vanaf die heuveltoppen vergoedt veel. Het is in meer opzichten een adembenemende tocht. Ik tel overigens maar 5 heuvels en geen 7.

In 2015 was ik ook al eens in deze contreien, maar verplaatste me toen per bus en te voet. Twee kwesties hadden me hierheen gelokt. In de eerste plaats de mogelijke reactivering van het in de jaren 90 opgeheven spoorlijntje Nijmegen – Groesbeek – Kranenburg – Kleve. En ten tweede een wat gammel verhaal over een Romeins aquaduct dat gelopen zou hebben van Berg en Dal naar het legerkamp in Nijmegen.

Ik heb de route van dat aquaduct toen gewandeld. Er was verschil van mening over de vraag of het waterwerk echt wel bestaan had. De Nijmeegse archeologen geloofden er heilig in, maar de financiële controller van de gemeente dacht van niet.

Maar eens even google’en hoe het er met beide kwesties voorstaat, 4 jaar later. Weinig nieuws. De railverbinding Nijmegen – Groesbeek en verder is nog geen stap dichter bij realisatie gekomen. En over dat (vermeende) aquaduct heb ik ook geen nieuwe gezichtspunten meer gelezen.

Het dorp Berg en Dal ligt op het absolute hoogtepunt van deze streek, 91 meter boven NAP. Daarna kun je alleen maar naar beneden. Aan het begin van de weg richting Beek en Ubbergen suis ik langs een waarschuwingsbord met de tekst ‘Fietsers afremmen!’ Geen overdreven raadgeving; je vliegt zo de bocht uit.

Gelukkig kan in een bijna-haarspeldbocht een malloot ontwijken die aan zijn fiets staat te sleutelen, midden op de weg, in plaats van hem even de berm in te schuiven. Wielrenners vormen, net als Gele Hesjes, toch ook wel een heel apart slag mensen.

Beek en Ubbergen, in elkaars verlengde, zijn dorpen met spookhuizen op ook alweer een heel steile helling. Bij het oude tolhuis moest je halt houden als je je verplaatste op een ‘motorwiel’. Maar fietswielen mochten ook in die tijd al zonder betalen doorrijden.

Rijd je van hier dan uiteindelijk Nijmegen binnen, dan zie je in de verte aan de overkant van de Waal zich de Betuwe ontrollen, waar het heerlijk vlak is. In een volgende aflevering (en op een andere zaterdag) wagen we de Waalsprong.

Frans Mensonides
6 juni 2019
Er geweest: zaterdag 11 mei 2019



Vanaf de Zevenheuvelenweg (linksboven); in Beek en Ubbergen (de rest)



Zoef, zoef, zoef, zoef; allemaal met de trein naar de Grand Prix!

Zoef, zoef, zoef, zoef, daar passeert hij mij, die boef
Rond, rond, rond, als ik maar een gaatje vond
Jakker, jakker, jakker, jakker, in 't publiek, die arme stakker
Slik, slik, slik, toch maar liever hij dan ik.

Drs. P in Grand Prix, hier op YouTube


 

Station Haarlem (linksboven) en Zandvoort aan Zee


Maar eerst iets anders, voordat we terugkeren naar Nijmegen. Zaterdag 25 mei ga ik naar het circuit van Zandvoort. Nee, niet dat ik bekeerd ben, en in deze OV-rubriek ineens verslag ga doen van scheuren over het asfalt; ook als overtuigde generalist kun je te ver gaan.

Ik vind het ook eigenlijk helemaal geen sport, heel hard rijden in een auto; ik kijk er zelden naar op tv. Ik redeneer zo: degene die de beste auto heeft, zal wel winnen. En wie rijdt in een gammel wrak dat in elke bocht stilvalt met motorpech, krijgt nooit de lauwerkrans en de champagne, ook al is hij de beste coureur ter wereld.

Nee, er speelt rond Zandvoort een OV-kwestie, anders zou ik beslist niet over dat circuit begonnen zijn. De bijna populairste badplaats van Nederland is elk halfuur bereikbaar per Sprinter Amsterdam – Haarlem – Zandvoort aan Zee; 12 maanden per jaar en 7 dagen per week. In de zomervakantie en daarbuiten op dagen met verwachting van tropisch weer, worden er per uur nog 2 extra pendels Haarlem – Zandvoort ingezet.

4 treinen per uur dan, dus. En dat is echt te weinig als er races zijn op het circuit in de duinen, niet ver van het station. Het knelt des te meer nu er voor 2020 weer een Grand Prix voor formule-1-wagens op het programma staat. Dan zullen er tien- of zelfs honderdduizenden raceliefhebbers naar Zandvoort komen om Max Verstappen weer eens 4e of 5e te zien worden. Wie wil dat missen? Ik, maar dat laat ik nu even buiten beschouwing.

Die Grand Prix is na een  afwezigheid van 34 jaar weer naar Nederland gehaald door prins Bernhard junior, de neef van de koning; die omstreden zakenprins met dat gigantische bord voor z’n kop, dat bij nadere beschouwing zijn bril blijkt te zijn. En daarmee zwelt de discussie over de bereikbaarheid van het circuit aan.

De N201 tussen Heemstede en Zandvoort staat op hoogtijdagen muurvast van Heemstede tot Zandvoort. De treinen kunnen in de huidige dienstregeling de toeloop op drukke stranddagen al nauwelijks aan. En opschroeven van de treindienst tot elke 5 minuten een IC met 14 bakken, dan? Dat is om 3 redenen niet mogelijk.

In de eerste plaats kent Zandvoort aan Zee maar 2 perronsporen, aan weerzijden van het enige perron. Ten tweede kan dat perron niet verlengd worden omdat aan het eind van het perron een drukke overweg ligt. En ten slotte kan de stroomvoorziening op het 8 km lange traject Haarlem – Zandvoort zoveel treinen niet trekken.

Problemen die allemaal best opgelost kunnen worden als je er een bedrag met 7 nullen tegenaan gooit. Maar alleen al door die suggestie ontstaken diverse forenzen in den lande in toorn. Zij dachten hetzelfde als ook mijn brein even passeerde: wij moeten elke dag staan in de trein, 250 dagen per jaar, en voor het speeltje van zo’n prins kan wél de beurs getrokken worden! Wat hamer!! Laat hij het zelf betalen, met z’n 750 Amsterdamse huizen!

Milieubewusten wijzen bovendien op de extra tonnen uitstoot van kooldioxide en het verscheuren van de stilte door zo’n autorace. Die zouden wat hun betreft helemaal wel afgeschaft mogen worden, maar in ieder geval niet mogen plaatsvinden bij een natuur- en recreatiegebied.

Ik ga, zoals gewoonlijk, zelf maar weer eens kijken; dat is altijd het beste voor de opinievorming.

 

Op deze late zaterdagmorgen is het wat donker en killig weer. Neemt niet weg dat de 3-baks SGM-Sprinter, waar ik op overstap in Haarlem, redelijk vol zit. Er wordt vandaag niet geracet op Zandvoort, maar het strand blijft wel lokken.

Overveen, het enige station tussen Haarlem en Zandvoort, heeft doordeweeks veel toeloop van studenten aan enkele grote onderwijsinstellingen daar in de buurt. Deze morgen stappen er opvallend veel wandeltypes uit, gewapend met rugzakken en ook met van die lange skistokken. Het laatste om onderweg papiertjes te prikken, denk ik.

Met een matig gangetje van 100 km uur doorklieven we daarna de duinen; een van de aardigste landschappen die je in Nederland ziet vanuit de trein.

De stationshal van Zandvoort aan Zee heeft iets fin-de-siècle-achtigs over zich, vind ik, al kan ik de stijl niet goed benoemen. Het  dateert van 1908. De monumentale hal heeft scheepvaartmotieven bij het plafond; het is me nooit eerder opgevallen. In de hal is Atelier Margot Berkman gevestigd en aan de andere kant het Zandvoorts “pop up”  Museum dat een lokkertje is voor het permanente Zandvoorts Museum een paar straten verder.

Op het plein voor het station staat een groepje (brood)dronken Schotten te zingen en te musiceren (beide activiteiten in de ruimste zin des woords).

Het is lang nog geen weer om met je blote kont op het strand te gaan liggen. Maar fietsen is uitstekend te doen. De OV-fietsen staan hier in zo’n glazen zelfbedieningshok naast het perron. Als ze op zijn, kun je ze ook bekomen bij een rijwielstalling tussen hier en het strand.

Ik rijd door een nieuw wijkje ten noorden van het station. Daarna volg ik de boulevard richting Bloemendaal Strand. Achter een camping zie ik dan in de verte stukken van het circuit. Het is wel te lopen vanaf het station; een stijf kwartiertje hooguit.

Er rijden toch nog wat snelle auto’s voor  een trainingsritje. Op de hoofdtribune  is slechts zitplaats voor 2700 toeschouwers, die voor hun stoeltje zo’n 500 euro zullen moeten ophoesten. Of je een emmer leeggooit! Voor grote evenementen worden er tijdelijke staantribunes geplaatst met 10 keer zo veel capaciteit.

Je kunt ook in de duinen gaan zitten picknicken, met zicht op het circuit. Dat is gratis, maar hoeveel je dan ziet, hoor je in ‘Grand Prix’ van Drs. P waaruit ik hierboven citeerde. Mooi liedje van de maestro!

Het Nationaal Autosport Monument bij de ingang naar het circuit is opgericht ter nagedachtenis aan alle Nederlandse coureurs  die zich ooit te barsten hebben gereden. Ik sta er even bij stil – anders is het moeilijk te fotograferen. Maar ik ga uitgebreider stilstaan bij een ander monument, een kilometer of 5 verderop, voorbij Bloemendaal Strand.

 

‘Todeskandidaten’, Eerebegraafplaats Bloemendaal









 

Dat is de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Het ereveld ligt in de duinen, even ten noorden van de N200. Je auto of fiets kun je kwijt op een parkeerplaats, waarna je een ronde kunt lopen over het terrein. Ik ben momenteel de enige die dat doet en dus de enige die de gewijde stilte verstoort met het knerp-knerp onder zijn voeten.

Op de Eerebegraafplaats liggen 372 oorlogsslachtoffers begraven, verzetsstrijders die op verschillende plaatsen in Noord-Holland geëxecuteerd zijn door de Duitsers. Kort na de bevrijding zijn ze herbegraven op deze plek. De bronzen urn bevat verder de as van nog eens 85 geëxecuteerden.

Hier rusten bekende verzetshelden, zoals Hannie Schaft, ‘Het meisje met het rode haar’, en Walraven van Hall, de bankier van het verzet, die onlangs onderwerp was van een speelfilm. Maar ook vele onbekende verzetsmensen, van wie je uitgebreide levensbeschrijvingen kunt lezen, in de glazen cilinder op de foto.

Zij waren door de Duitsers gevangengenomen en aangemerkt als ‘Todeskandidaten’. Dat wilde zeggen dat ze elk moment zonder enige vorm van proces geëxecuteerd konden worden bij wijze van represaillemaatregel.

De grote klok in de klokkenstoel dateert uit 1637 en is afkomstig uit het (voormalige) raadhuis van Overveen, dat straks op mijn route zal blijken te liggen.

 


Per rail naar de Grand Prix?



Station Overveen (2x), v/m trambaan Zandvoort - Heemstede, spoorwegovergang Zandvoort

Die voert eerst langs station Overveen, dat ik net per trein al passeerde. In het oude stationsgebouw is het restaurant Klein Centraal gevestigd, waar het goed toeven is op het terras. Twee keer per uur per richting rolt de Sprinter langs.

In de periode 1962-1995 passeerden hier de IC’s Maastricht / Heerlen – Zandvoort aan Zee, locs met een sleep wagens; treinen die een veel grotere capaciteit hadden dan de huidige SGM-3-tjes. In 1995 kregen de IC’s uit Limburg echter een nog grotere lengte, waardoor zij niet meer langs het perron van Zandvoort aan Zee zouden passen. Haarlem werd hun eindstation, later: Amsterdam Centraal. De exploitatie van de spoorlijn Haarlem – Zandvoort werd voorgezet met alleen boemels.

Ergens rond de eeuwwisseling was  er nog een vaag plan om het lijntje te gaan exploiteren met lightrailvoertuigen. Dat had ons dan goed kunnen helpen in Grand Prix-weekends. Huur een paar van die lange Urbos-trams van de Uithoflijn in Utrecht, die straks toch niet nodig zijn in het weekend, transporteer ze in een dieplader naar Haarlem, en open een 5-minitendienst op Zandvoort om alle racelustigen te vervoeren. Ik denk even hardop, en helemaal out of the box.

En weet je wat ons nu ook goed van pas zou komen? De Blauwe Tram Amsterdam – Haarlem - Zandvoort! Die reed tussen Heemstede en Zandvoort op een vrije baan door de duinen, ten noorden van de N201 waar het nu steevast vast staat op dagen met strandweer. Maar die tramlijn is helaas in 1957 al opgeheven.

Ik maak een omweg door de Leidse Buurt van Haarlem, waar in 1896 mijn oma ter wereld is gekomen in een klein arbeiderswoninkje. Zij woonde in de Waldeck Pyrmontstraat, een zijstraat van de Brouwersvaart die hieronder op de foto staat –tezamen met het voertuig dat me er gebracht heeft, zie ik nu pas.




In 1899 werden de eerste 2 tramlijnen in Nederland geopend die ‘onder de draad’ reden:  Zandvoort – Haarlem (5 jaar later doorgetrokken via Halfweg naar Amsterdam) en de Ceintuurbaan, een ringlijn door Haarlem. In 1999 liet ik mijn oma aan het woord (postuum, 15 jaar na haar dood) over de tram Zandvoort - Amsterdam, die een heel bijzondere rol speelde in haar leven.

Die Leidsebuurt, tussen de Leidsevaart en de spoorlijn Haarlem – Leiden, ziet er goed geconserveerd uit voor zijn leeftijd van dik 130 jaar; bouwen konden ze wel, in die tijd! Naarmate je zuidelijker komt in Haarlem, en dichterbij Heemstede, worden de straten en de huizen breder en nieuwer.

Voorbij station Heemstede-Aerdenhout neem ik de oude trambaan, die tegenwoordig fietspad is en keer via Aerdenhout en Bentveld terug naar Zandvoort. Daar zet ik bij die overweg aan het eind van het perron een binnenkomende Sprinter op de foto. Met hetzelfde is een wat simpele jonge Duitse vrouw doende. ‘Der Zug kommt, der Zug kommt, der Zug kommt!’, gilt ze enthousiast naar haar ouders, en ze houdt haar camera in de aanslag. Het blijft fascineren, railvervoer.

Ik taxeer mijn kansen om diezelfde trein nog te halen, na eerst snel de fiets teruggezet te hebben in het glazen hok. Het lukt op het nippertje.

 

Zandvoort per bus



Als we de laatste mensen erin geperst hebben, kan de trein vertrekken


8 dagen later is het zondag 2 juni en schrijven we de eerste tropische dag van het jaar bij in de annalen. Op de grens van middag en avond ga ik even terug naar Zandvoort, om te zien hoe ze het
op zulke dagen rooien.

Er rijden nu tot 20:30 uur 4 treinen per uur per richting. Het reguliere SGM-3-tje is niet verlengd, maar wordt nu aangevuld met een SLT-6 die pendelt tussen Haarlem en Zandvoort aan Zee. De eerste trein wordt meteen na aankomst zo ongeveer bestormd door rooddoorbakken reizigers die terugkeren van het strand. Wie verstandiger is, neemt plaats in de SLT ertegenover, die nog leeg is, maar ook wel een keer vol zal vertrekken naar Haarlem.

Het is me nooit eerder opgevallen, maar nu ze naast elkaar staan, zie ik het: een SLT-6 is niet veel langer dan een SGM-3 (100 tegen 78 meter, zoek ik later na). Het perron van dit kopstation meet ruim 200 meter. Waarom zet men dan geen langere treinen in?

Ook per bus kun je in Zandvoort komen. Connexxion-lijn 80 is als het ware de opvolger van de Blauwe Tram en rijdt van hier via Haarlem naar Amsterdam. Lijn 81 gaat via Bloemendaal Strand en Overveen naar Haarlem. Die ontsluit alle uithoeken van Zandvoort en wordt op stranddagen, zoals vandaag, versterkt met lijn 84.

Voldoende is dat niet, merk ik als ik in het centrum van Zandvoort lijn 81 neem. Ik kan nog zitten. Maar bij Bloemendaal Strand staan heel erg veel mensen te wachten. Waaronder 4 potige functionarissen met gele hesjes; twee aan elke kant van de weg, want veronderstel als er een keer zowel van links als rechts een bus aankomt!

Een geel hesje met sumoworstelaarspostuur neemt plaats op de trede van de achterdeur, en controleert of daar ook iedereen wel netjes incheckt. Hij en zijn collega, die bij de voorkant van de bus staat, brullen om strijd: ‘Doorlopen, doorlopen, doorlopen naar achteren’, een commando waaraan slechts aarzelend gehoor wordt gegeven. Als die zwaargewicht nou eens uit zou stappen, zou er weer plaats zijn voor 3 normale reizigers.

Uiteindelijk vertrekt de bus met een onverantwoordelijk groot aantal staande passagiers, terwijl er ook nog mensen achterblijven bij de halte.

Twee kleine suggesties voor Connexxion, mocht iemand daar ooit woorden van een reiziger lezen. Zet op lijn 81 gelede bussen in op dit soort dagen. En begin eens met: ‘Zoudt u zo ver mogelijk door willen lopen, alstublieft?’, in plaats van ‘Doorlopen!!’ te grauwen en te snauwen. Beleefdheid kost geen cent extra.

Maar die hyper-ergerlijke ‘doeslief’-campagne van de Stichting Irritante Reclame is gericht tegen klanten in plaats van personeel; bij SIRE pissen ze met deze campagne zoals gewoonlijk tegen de verkeerde boom.

Deze bus rijdt over de N200, waar vrijwel geen auto te zien is, terwijl het op de N201 vast wel weer vast zal staan.



Zandvoort centrum



1,5 miljoen voor de trein naar Zandvoort

Uit dat alles blijkt wel dat verhoging van de vervoerscapaciteit naar Zandvoort geen overbodige luxe is, niet alleen als er races zijn op het circuit, maar ook op tropische stranddagen. Het laatste nieuws is dat ProRail anderhalf miljoen investeert voor verbetering van de stroomvoorziening en misschien een extra noodperron, voor als in mei 2020 het startschot van de Grand Prix gaat klinken. Geen bedrag van 7 nullen, maar slechts van 6. Zei ik 6? Nee, 1.500.000 telt maar 5 nullen, als ik goed tel.

Met die maatregelen zouden er dan 8 treinen per uur per richting kunnen rijden. Er zouden dan ca. 10.000 reizigers per uur per richting vervoerd kunnen worden. Dat is voldoende om heel de bevolking van Zandvoort plus Overveen (17.000, resp. 4000 inwoners) in ruim 2 uur tijd te verplaatsen, als die op een kwaaie dag allemaal tegelijk zouden besluiten, de trein te nemen – bijvoorbeeld om de Grand Prix te ontvluchten.  

Maar naar die Grand Prix komen per dag 100.000 mensen kijken; 5 keer zoveel. Heel benieuwd hoe ze dat gaan oplossen…

Frans Mensonides
14 juni 2019
Er rondgescheurd per fiets: zaterdag 25 mei, en er gelopen: zondag 2 juni 2019.




Veur-Lent: Nijmegen op z’n smalst




Overgenomen van
Nijmegen Waalsprong

Vanmiddag pak ik opnieuw de fiets op station Nijmegen. Het is zaterdag 1 juni 2019, de eerste zomerdag van het jaar, zowel volgens de kalender als volgens de thermometer. Het doel deze keer: een bijzonder (schier)eiland, Veur-Lent.

Lent was en is een dorp aan de Waal tegenover Nijmegen. Het is ingelijfd door die stad, die de sprong over de rivier gewaagd heeft. Het ambitieuze plan Waalsprong werd gelanceerd aan het eind van de vorige eeuw. Zo’n 19.000 woningen zouden er komen aan de noordkant van de rivier: bij Lent en het dorpje Oosterhout (Gld, niet te verwarren met dat in NB). Ik liep er rond in 2008.

20 jaar na oplevering van de eerste huizen is nog maar ruim de helft van de plannen gerealiseerd. Er kwam een crisis tussen en gedoe met een m.e.r. (milieueffectrapportage) waaraan een komma of puntkomma ontbrak, of zo. Vertraging!

Wel voortvarend werd aan het begin van de jaren 10 een waterstaatwerk aangepakt, het creëren van een nevengeul parallel aan de Waal. Die wil nog wel eens buiten zijn oevers treden en over de Nijmeegse kades stromen.

In de bocht ter hoogte van Nijmegen werd de Spiegelwaal gegraven die nu een deel van het Waalwater opvangt. Daardoor is de waterstand aan de kade in Nijmegen 30 cm lager geworden, wat dan hopelijk net genoeg is om een waterballet te voorkomen.

Voor dit project moesten 50 woningen aan de Lentse zijde sneuvelen. Tegenover Nijmegen bleven er een paar staan aan de Oosterhoutsedijk, waaronder de Dorpsschuur van Lent. Aan dit stukje Lent, nu op een eiland gelegen, kwam aan beide zijden een lange landtong vast.

Tussen de Spiegelwaal en de echte Waal heb je nu een lang, smal eilandje, Veur-Lent. Het heeft een lengte van 3,1 kilometer en een gemiddelde breedte van 240 meter; dat is al met al nog 75 hectare. Het kronkelt zich als een slang  over het plattegrondje van de Waalsprong.

Veur-Lent is nu het terrein van fietsers, wandelaars en recreanten. Op de Spiegelwaal zijn de grote duwbakschepen en rijnaken (waalaken?) verboden en er is volop ruimte voor waterrecreatie. Het strandje trekt vandaag heel veel belangstellenden.

Er zijn grotere plannen voor Veur-Lent: woningbouw en winkels. Maar is dat strookje grond daar niet veel te smal voor? Ik ga er kijken per fiets.

Links de Dorpsschuur Lent



Over de bereikbaarheid van Veur-Lent voor fietsers en voetgangers valt niet te klagen. Er liggen 3 bruggen van Nijmegen naar Lent over de Waal, die alle 3 over Veur-Lent heenlopen en ter hoogte van het eiland een trap of hellingbaan naar beneden hebben. Voor de trap vanaf de Oversteek moet je wel wat klauterwerk over hebben.

De Oversteek is de nieuwste en meest westelijke van die 3 Waalbruggen. Ik liep eroverheen in 2015, in de aller- allereerste aflevering van deze rubriek ‘Beminde zaterdag’. De middelste brug is de spoorbrug met een fiets-voetpad erlangs, de oostelijke de autoburg die begint bij de Valkhof, ook voorzien van stroken voor langzaamverkeer. Verder telt Veur-Lent ook nog 3 fiets-voetbruggen over de Spiegelwaal naar Lent.

Is de bereikbaarheid per fiets dus zoals gezegd optimaal, iets minder is die per OV. Het middelste, als vanouds bebouwde stuk van Veur-Lent heeft alleen een halte van de Breng flex, een belbus die je met een app kunt ontbieden. Dat zal wel moeten verbeteren als Veur-Lent verder ontwikkeld wordt tot woon- en winkelgebied. Ik zou dan denken aan een bushalte op de Oversteek en op de autobrug, ter hoogte van het langgerekte eiland.

Te smal voor woonwijken?, vroeg ik me daarnet af. Op het oog geschat lijkt dat wel zo. Maar de voormalige haveneilanden aan het IJ bij Amsterdam blijken nog veel smaller te zijn, als ik het nameet op de kaart; zo’n 130 meter. Een paar rijtjes huizen, een toegangsweg, het kan daar ook allemaal.

Alleen het stuk van Veur-Lent dat ten westen van de Oversteek ligt, zal verloren gaan voor de huizenbouw. Onder de trossen hoogspanningskabels die van de elektriciteitscentrale aan de overkant komen, zal wel niet gebouwd mogen worden.

Railspotters komen hier ook aan hun trekken. 20 treinen per uur steken de Waal over; ook op zaterdag.

 

 


´Brits out´, staat op een bunker uit WO 2. Hebben Duitsers die tekst er in 1944 op gekrabbeld?

Een bijzonder stukje Nederland is dit, een waterwerk waar Nijmegen trots op mag zijn, met een vorstelijk uitzicht op de binnenstad, op zijn heuvel. Ik bekijk het eiland van alle kanten en neem in de loop van mijn tocht bijna alle trappen, hellingen en bruggen. Eén van de bruggen over de Spiegelwaal is voorzien van ijzeren ligstoelen. Maar die ogen vrij oncomfortabel; niemand wil er zonnen op deze hete middag.

 

Naar Bemmel en terug via de Beatlesstraat


Verder onderweg door de Waalsprong zie ik bij Oosterhout (linksboven op het kaartje) nog veel stukken ongerept weiland, waar nog best wat huizen bij zouden kunnen. Het stuk Waalsprong dat wél gerealiseerd is, is ontsloten met stads- en streekbussen.

Heel gewaagde OV-plannen zijn er naar voren gebracht voor dit gebied. Heel onzinnige ook. In de jaren 90 gingen er stemmen op om een kabelbaanverbinding te openen tussen de binnenstad van Nijmegen en de Waalsprong. Een vervoermiddel dat in de Nederlandse uiterwaarden ongeveer evenveel nut afwerpt als een poldergemaal in Tirol.

Mijn grootste bezwaar – afgezien van het feit dat ik hoogtevrees heb en er sowieso niet in ga zitten – is dat zo’n ding je brengt op één punt in een groot gebied. Dan moet daar toch weer een bus klaarstaan om de wijk verder te ontsluiten. Dus waar ligt je winst? Het ging dan ook niet door.

Het volgende plan: de schier onvermijdelijke tram. Nijmegen wilde – hartje crisis! – 3 tramlijnen in en om de stad. Die naar de Waalsprong had de hoogste prioriteit. Arnhem keek er verlekkerd naar, zodra de eerste potloodlijnen op de kaart waren verschenen. Trek hem door via Bemmel en Huissen, dan hebben wij er ook een!

Ook dit plan ging niet door; de Waalsprong heeft eenvoudigweg (nog) veel te weinig inwoners om ook maar aan een lightrailverbinding te kunnen denken.

 








Ressen (rechtsboven en linksonder); Bemmel


Op mijn verdere tocht kruis ik de spoorbaan Nijmegen – Arnhem bij Ressen, een minidorpje. Dat viaduct, daar rijden ook weer die 20 treinen onderdoor.

Iets verder ligt Bemmel, een niet erg opvallende forensenplaats rondom het oude kasteel De Kinkelenburg. Ik kom hier 8 dagen te vroeg; op de tweede zondag van juni heb je er altijd de wijd en zijd befaamde Dweildag. Dan dweilt iedereen zijn eigen stoepje met zijn eigen sopje, op de maat van een speciaal Bemmels Stoepdweillied, begeleid door een hoempaorkest. Die aardige, Betuwse folklore toch! Nee, nee, onzin; het is nog veel gekker: dan treden er dweilorkersten op, zonder dat er een schaatswedstrijd plaatsvindt met dweilpauzes.





De Kinkelenburg

Ik keer terug naar Nijmegen via de oostkant van Lent (rechtsboven op de plattegrond). Daar is wel iets opvallends te zien. Niet in de woningbouw; die is nogal 13 in een dozijn, met overwegend van die lange rijen tuttige geveltjes die zo populair waren in de jaren 00. Maar wel in de straatnamen. In een deel van de wijk zijn de straten genoemd naar Britse popgroepen en in een ander naar Franse chansonniers en chansonnières.

Zo is er in het Britse stuk een Queenstraat, Deep Purplestraat, Policestraat, Rolling Stonesstraat en tot mijn opluchting ook een Beatlesstraat. John Lennon is de enige Britse ‘chansonnier’, zal ik maar zeggen, die als individuele artiest vernoemd is. Waarom Paul McCartney niet? De meeste gemeenten vernoemen personen, niet behorend tot het Koninklijk Huis, op zijn vroegst 10 jaar na hun dood. En McCartney leeft nog, al wil een rare doch hardnekkige urban legend dat hij al tientallen jaren dood is, en is vervangen door een alien.

Ik was vorige zomer nog op visite bij zowel John Lennon als Paul McCartney, geloof het of geloof het niet!

De school op de John Lennonstraat zal toch niet de John Lennonschool heten, en dan dus genoemd zijn naar een notoire schoolhater? Ik kan de naam niet lezen; Natuurspeeltuin De Vieze Broek zit ertussen.

Als het toch de John Lennonschool is, beginnen ze er maandagmorgen niet met ochtendgebed, maar met het zingen van een couplet uit ‘Working Class Hero’, door de juf begeleid op gitaar:

 

They hurt you at home and they hit you at school
They hate you if you're clever and they despise a fool
Till you're so fucking crazy you can't follow their rules
A working class hero is something to be
A working class hero is something to be

De week wordt vrijdagmiddag besloten met samenzang uit het repertoire van de Beatles, met altijd ‘It’s getting better’ als uitsmijter:


I used to get mad at my school (No, I can't complain)
The teachers who taught me weren't cool (No, I can't complain)
You're holding me down
Turning me round
Filling me up with your rules

 

Ik rijd in de Franse wijk door de Serge Gainsbourgstraat. Die zou op de plattegrond moeten staan in innige verstrengeling met het Jane Birkinlaantje. Maar die is er niet, want ook zij is nog niet dood.

Ik sta nog even stil bij Dalida, die dat wel is, na een rotleven. Het door haar gecoverde ‘J’attendrai’ was vorige zomer de rode draad van de toneelproductie Tussenland in de Leidse polders. En ik sta nog even stil op de Edith Piafstraat, ontsproten aan de tekenpen van zo’n architect die achteraf helemaal nergens spijt van heeft.

Dan, na nog een blik vanaf Veur-Lent op Nijmegen, terug naar de fietsenkelder bij het station.

Frans Mensonides
18 juni 2019
Er geweest: zaterdag 1 juni 2019




Storm in Zeeland



Op de Zeelandbrug


Een ware zomerstorm, de volgende zaterdagmorgen, 8 juni; minstens windkracht 7 en gepaard gaand met felle regenvlagen. Fietsen, daar valt niet aan te denken.

Zou ik deze zaterdag überhaupt wel op pad gaan? Ik kon ook lekker thuisblijven en vanmiddag op TV-West gaan kijken naar  het voetbalduel Quick Boys – VVSB, de aller- allerlaatste, allesbeslissende eindfinale van de nacompetitie. Het gaat om niet minder dan een plek in de Tweede Divisie voor komend seizoen.

Tegen elven begint de regen iets minder te worden. Volgens buienradar en weerbericht komt de zon vanmiddag opzetten vanuit het zuidwesten, vanuit Zeeland, zoals zo vaak. Was er in Zierikzee nog niet een museum dat nog op mijn lijstje staat?

Op naar Zierikzee, dus. Als de Zeelandbrug tenminste niet wordt afgesloten, want dat gebeurt soms bij extreem harde wind. 8 Beaufort, meldt het KNMI voor die contreien. Ik geloof dat het minstens 10 of 11 moet zijn, willen de Zeeuwen aarzelen om de brug over te gaan.

De IC Vlissingen lijkt onder deze herfstige omstandigheden al voortijdig last te hebben van vallende blaadjes. De trein remt en accelereert schokkerig en met veel gesis en gebonk. Hij arriveert 4 minuten te laat in Goes, maar ik ben nog net op tijd voor bus 132 naar Zierikzee.

Die doet op het eerste deel van zijn route mijn fietstocht van afgelopen oktober nog eens dunnetjes over. Dat was een zomerdag in de herfst, waar we nu het omgekeerde beleven. Ik fietste via een ‘grotendeels vlakke’ (terminologie van Google Maps) route naar Colijnsplaat aan de noordkant van het eiland Noord-Beveland.

Schreef ik in dat stuk nou dat Colijnsplaat in het weekend niet bereikbaar was per bus? Dat klopt niet helemaal. Lijn 132 heeft een halte Colijnsplaat, niet ver van de oprit van de Zeelandbrug. Daarvandaan hoef je nog slechts 2½ kilometer te wandelen naar Colijnsplaat. Toegegeven, geen ideale bereikbaarheid…

Bereikbaarheid, of nog liever: mobiliteit, dat woord is wel trending in de actualiteit van de laatste weken. Het ‘Deltaplan mobiliteit 2030’ is onlangs gelanceerd door 25 organisaties, waaronder helaas niet de enige organisatie die echt over de centen gaat: het Rijk. Deltaplan, toe maar! Elders dan in Zuidwest-Nederland moet je die term toch liever niet gebruiken.

Dat rapport ga ik wel een keer lezen, als ik tijd en zin heb. Ik kan me het soort bereikbaarheids- en mobiliteitsretoriek dat ik er in zal aantreffen, nog wel herinneren uit de jaren 90, toen ik bij ROVER zat. Wegen slibben dicht, Nederland raakt verstopt, nu echt keiharde maatregelen nodig, onze positie als distributieland, milieu, vervuiling, klimaatdoelstellingen er deze keer ook nog bij; bla, bla, bla. En Joost mag weten waar de miljarden vandaan komen die nodig zijn voor de verwezenlijking van alle plannen.

‘OV maal 2’ heette dat in de 90’s. Twee maal zoveel OV, hoopten we. Dat ‘maal 2’ vooral sloeg op de prijs van het kaartje, merkten we later pas. Intussen blijven onze belastingduiten gewoon in asfalt gestoken worden. Over kilometerheffing kunnen we het ook al 30 jaar lang niet eens worden. We hebben in die tijd heel wat kabinetten van verschillende signatuur versleten. Maar geen ervan durfde zijn vingers eraan te branden.

Enfin, ik ga dat plan wel een keer inkijken op een regenachtige zondagmiddag.

Ik reis feitelijk met een omweg naar Zierikzee. Als ik haast had gehad, en geen Weekend Vrij-abonnement voor de trein, had ik 20 à 25 minuten kunnen winnen door met het stads- streekvervoer van Leiden naar Zierikzee te reizen: bus-metro-bus-bus, met overstappen op Leidschendam Voorburg, Rotterdam Zuidplein en busstation Oude-Tonge. Doordeweeks kom je nog een paar minuten sneller in Zierikzee, met de rechtstreekse bus lijn 395 Rotterdam Zuidplein-Zierikzee.

Maar dan mis je het uitzicht vanaf de Zeelandbrug met vandaag schuimkoppen op de Oosterschelde.




Stadhuismuseum Zierikzee: poten in de klei




Zierikzee was eens een machtige, rijke zeehaven. Het profiteerde van een gunstige ligging, aan de drukbevaren Oosterschelde, nabij Antwerpen en Gent, ooit de 2 grootste havens ter wereld. Ook de industrie floreerde. Zierikzee had een naam hoog te houden in meekrap (rode kleurstof) en in het zout in de pap, dat gewonnen werd uit zeeklei.

Een lange bloeiperiode in de geschiedenis staat meestal garant voor een even lange monumentenlijst in de huidige tijd. Met Zierikzee is dat niet anders. Het stadje staat met zijn 12.000 inwoners qua rijksmonumenten zelfs op de 13e plaats van alle plaatsen in Nederland. Een paradijs voor fotografen!

Ik fotografeerde Zierikzee al in 2009, op doorreis in zomers Zeeland, en in 2006, in de winter, toen de Watersnood van ’53 53 jaar geleden was.

In 2009 had ik het over een theorie van een geflipte Amerikaanse professor in de weetnietkunde. Die was van mening dat Homerus’ Odyssee zich afspeelde rond het eiland Schouwen-Duiveland, waarvan Zierikzee de hoofdstad is. De naam Zierikzee zou afgeleid zijn van Circe, de heks die voorkomt in dat epos, dat het einde van mijn middelbare /middelmatige schoolloopbaan inluidde.

Ja, Circe – Zierikzee, zo lusten we er nog wel een paar! In het Stadhuismuseum Zierikzee wordt, terecht, geen woord aan deze malle theorie gewijd, en een afbeelding van de tovenares zul je er ook niet aantreffen.

Het is gevestigd, de naam zegt het al, in het oude stadhuis van Zierikzee, een enorm complex, bekroond met een geinig torentje. Het was meer dan stadhuis alleen: vleeshal, keuringsinstituut van meekrap en waaggebouw. Groot genoeg om uren in rond te dwalen. Ik pik er, zoals gebruikelijk, een paar dingen uit.



Nummer (1) op de foto en ook burger nummer 1 in zijn tijd: Abraham Jacobus Frederik Fokker van Crayestein van Rengerskerke (1857-1929), geschilderd door W. Markestein. Fokker, uit een Zierikzeese regentenfamilie, was Dijkgraaf van Schouwen, wethouder en burgemeester van Zierikzee en Eerste Kamerlid.

In een grote presentatie over het Waterschap Schouwen leren we meer over hem. Hij kon zich knap giftig maken over van die salon-dijkgraven die de ballen verstand hadden van watermanagement en die titel alleen voerden uit deftigheid.

Zelf stond hij bij de talrijke overstromingen op Schouwen altijd met zijn poten in de klei, de zandzakkenoperaties te coördineren. Hij heeft veel gedaan voor de arbeidsomstandigheden van dijkwerkers. Als er één Zeeuw geluctord heeft en geëmergood, dan is het wel Abraham Jacobus Frederik Fokker van Crayestein van Rengerskerke.

Naar zo iemand moet toch wel een straat genoemd zijn in Zierikzee. Die staat ook op de plattegrond van een buitenwijk. Een nogal kort straatje, en het heet dan ook de Fokkerstraat, en niet de Dijkgraaf Abraham Jacobus Frederik Fokker van Crayestein van Rengerskerkestraat, anders was het straatnaambord langer geweest dan de straat zelf.

(2): het model van een krabbelaar, een soort baggerschip, gebruikt in de late 17e en complete 18e eeuw. Het is heel kunstig vervaardigd door zekere M. Toxopeus. Ik heb altijd een wat platonische bewondering voor dit soort priegelwerk voor de winteravonden; knap hoe Toxopeus het doet, maar ik ben niet jaloers dat ik het niet kan en hij wel.

Zo´n baggerschuit werd voortgedreven door zich in een spuikom tijdens het spuien te laten lanceren door de waterstromen, op een manier die in extenso staat uitgelegd in het museum. Ik mag ontploffen als ik er iets van snap, als overtuigde landlubber.

Er is wel meer wat ik niet snap. Een grote hoeveelheid scheepsmodellen in een museum in een maritieme stad, dat begrijp ik. Maar niet wat iemand ertoe brengt, een model te vervaardigen van het busstation / transferium in Renesse (3). Toch zet ik hem in deze OV-rubriek maar in het lijstje van highlights.

Dan de waag (4). De balans dateert van 1664 en is vervaardigd uit smeedijzer. Die fraaie rode mantel van de heer op de voorgrond is vast en zeker gekleurd met meekrap uit Zierikzee.

De wortels van de meekrap werden in ‘meestoven’ verwerkt tot rode kleurstof. Op de foto (5) een opengewerkte meestoof van omstreeks 1800. In het midden de opslag van meekrap, rechts de droogruimte en links het ‘stamphuis’ waar de wortels fijngestampt werden in een door rosmolens aangedreven installatie.

De meekrap werd aan een strenge keuring onderworpen alvorens het kwaliteitszegel van Zierikzee er aan toegekend werd. Rond 1880 was het afgelopen met de meestoven. Daarna kwam de rode kleurstof uit een chemische fabriek.

Kledder, daar lag ik bijna!, gestruikeld over een drempel. Zei die mevrouw bij de kassa niet iets over oppassen met op- en afstapjes in dit oude gebouw? En had ik daar niet beter naar moeten luisteren?


Overgenomen van Wikipedia – Moernering


De andere industrie, de zoutwinning, ofwel het darinkdelven, op een schilderij uit de 16e eeuw. Het zout werd gewonnen uit veen, aanwezig onder zeeklei. Rechts de zoutoven.

Het café in het museum wordt gerund door twee vrijwillige dames, in een aangenaam bezadigd tempo, en met veel omhaal van woorden en daden. Hier moet ik natuurlijk de Zeeuwse bolus proeven.
‘Ik zal u er maar een paar servetjes bijgeven, meneer, dat is echt wel nodig met een Zeeuwse bolus’. Inderdaad een erg kleverige, zoete lekkernij.
‘De koning heeft er laatst ook een gegeten; heeft u dat nog gezien op tv?’ Nee, maar als een bolus goed genoeg is voor de koning, dan is hij ook goed genoeg voor mij.



Dit detail van een grisaille in het stadhuis brengt ons op een onvermijdelijk cliché dat je in Zeeland bijna wel móét debiteren: ‘Ons bent zuunig’. Sorry, maar de Zeeuwen hebben de naam nou eenmaal. Deze dame, beslist geen Circe die zeelieden omtovert in varkens, prangt een geldbeurs aan de borst.

Over beurs gesproken, hieronder de Beurs van Zierikzee, waar van alles verhandeld werd, in de open lucht, maar wel overdekt. En de bank (daar weer onder) overtreft hier de stadspoort in grootte, als je handig gebruik maakt van het perspectief.






Naast het oude stadhuis, dat nu dus een museumfunctie heeft, heeft Zierikzee ook een nieuw gemeentehuis. ‘Naast’ is dan wat misplaatst, want het staat een heel eind weg, helemaal buiten het centrum. Het is niet meer het stadhuis van Zierikzee, maar van heel het eiland Schouwen-Duiveland, want ook hier sloeg in 1997 de fusie-illusie toe.

Het nieuwe gemeentehuis is, net als het oude, een architectonisch hoogstandje, een blikvanger. Het lijkt op het Guggenheim en oogt  topzwaar – een euvel waar meer gemeenten aan lijden, onder ons gezegd en gezwegen.

Ik wil er een foto van, maar schijn ergens bij de Noordhavenpoort verkeerd afgeslagen te zijn. Ik beland bij busstation Sas, waar bussen uit diverse richtingen aansluiting op elkaar geven om kwart vóór en kwart over.





Doodse stilte hier om 17:15. Lijn 132 gaat op zaterdagmiddag na vijven over van halfuurs- op uurdienst, de voorbode van met de kippen op stok gaan. Na 19:00 rijdt lijn 132 alleen nog maar het traject Sas - Goes; na 21:15 houdt de lijn er helemaal mee op. 
Ik maak een foto om 17:42 en pak de bus naar Goes van 17:45; terug over de Zeelandbrug waar nog steeds geen auto of bus vanaf waait.

Frans Mensonides
Zomerzonnewende 2019
Er geweest: zaterdag 8 juni 2019

Oh ja: ik volg Quick Boys – VVSB via Twitter. Quick Boys wint. Het enige doelpunt valt tegen het eind van de tweede verlenging. De wedstrijd is volgens commentatoren ter plaatse niet om aan te gluren. Goed dat ik toch naar Zierikzee vertrokken ben!



Noordhavenpoort


Beeldenpark Drechtoevers: ‘zuig nu dit uitzicht in   blijf je verbazen’

Gedicht van Ton Delemarre in Papendrecht

We blijven deze junimaand in de culturele sfeer – en deze zaterdag de 15e in eigen provincie. Ik ga vanmiddag het Beeldenpark Drechtoevers doen per fiets. Het is verdeeld over drie locaties langs het water:  in Zwijndrecht en Alblasserdam aan de oever van de Noord en in Papendrecht in de bocht van de Noord naar de Beneden Merwede.

De Drechtsteden mogen zich dit jaar in de warme belangstelling van De digitale reiziger verheugen. In de prille begindagen van dit jaar pakte ik hier een paar nieuwe R-net- en snelbuslijnen. En in de niet minder prille lente deed ik voor deze zaterdagse rubriek enkele Waterbussen (HIER en ook HIER).

Tijdens de Waterbustochten was ik te voet op zoek naar het Zwijndrechtse gedeelte van het Beeldenpark. Maar ik spreidde weer eens een knap staaltje van verdwaalkunde tentoon. Ik belandde in een wijk vol torenflats bij de woning van de penningmeester of zo van Beeldenpark Drechtoevers.

Vanmiddag doe ik het per fiets. Net als vorige zaterdag moet ik wachten totdat de middag al flink op streek is, voordat de regenzones wegtrekken naar het noordoosten. Pas na tweeën is het min of meer droog, al laait de regen zo nu en dan weer even op. Maar we zijn niet van suikergoed en zullen er niet van smelten.


Ik begin mijn fietstocht bij station Dordrecht. Volgens de man van de fietsenstalling bof ik, want er is nog maar één OV-fiets beschikbaar.
‘Hoe kan dát nou, met dit baggerweer?’
‘Ja, er is ergens buiten de stad een popfestival aan de gang voor de jeugd, en daar zijn ze allemaal naartoe!’

Ik stap dus op die ene fiets die vanmiddag niet een jeugdige naar een popfestival mag vervoeren. Meteen begeef ik me naar die vierkantige spoor- annex fietsbrug over de Oude Maas met die horror-trap waar ik me 22 maanden geleden al eens overheen worstelde. Dat was op dezelfde tocht als de eveneens adembenemende Kil(ling) Tunnel.

Blijkbaar hadden meer fietsers moeite met die hindernis, want er is in de tussentijd iets aan gedaan. Er is nu langs de kant een rolband met een ruw oppervlak, waar je je fiets op kunt plaatsen. Die band hijst de fiets dan als het ware omhoog, terwijl je hem zelf dan alleen maar hoeft vast te houden.

Voor een OV-fiets werkt dat dan weer niet voor 100%. Je moet hard in de handremmen knijpen voor die truc, en een OV-fiets is alleen uitgerust met terugtrapremmen; er zit vrijwel niets op wat kapot kan. Maar het helpt toch wel iets, als je de fiets van boven flink aandrukt op die rolband.

Aan de overkant rijd ik Zwijndrecht binnen.


Zwijndrecht

Het Zwijndrechtse gedeelte van het beeldenpark ligt zoals gezegd aan de Noord, en wel naast het Sportpark Noorderpark waar vanmiddag een voetbaltoernooi wordt afgewerkt.

Het beeldenpark is in 1996 geopend door Koningin Beatrix. Bij die gelegenheid is een boom geplant die sindsdien flink groter gegroeid is, en nu al aardig wat schaduw geeft – maar vanmiddag vooral regenwater.

Op deze locatie staan enkele tientallen beelden. Ik vind de een geslaagder dan de ander, en de meeste pas echt geslaagd in combinatie met het uitzicht op het water en de skyline van Dordt aan de overkant. Bijvoorbeeld die stalen driehoek met 23 jaar roest erop. Ik fotografeer ze bijna allemaal, maar plaats alleen de foto’s van de beelden die me het best bevallen.

 

Marry Teeuwen, ‘Driehoek’


Joost Barbiers, ‘Nefertiti’ - Margot Zanstra, ‘Triangular duplication’ - Benbow Bullock,’ Tegenstrijdige meningen’- Jan Timmer, ‘Ontzet vierkant’.

Kijk, zo’n kleurig beeld als ‘Tegenstrijdige meningen’, dat komt nou heel goed uit onder die donkere bomen. De samensteller van de zomerse beeldententoonstelling op de ook beboomde Hooglandse Kerkgracht in Leiden schijnt dat niet door te hebben. Elke zomer, jaar-in, jaar-uit, weer zo’n collectie grijze, grauwe, nietszeggende treurnis, de moeite niet waard om er een straatje voor om te lopen. Ik erger me er ieder jaar wild aan. Maar ik heb in dezen wellicht ook een tegenstrijdige mening.

Ik ijl verder door Hendrik-Ido-Ambacht, waarvan ik in dat bus-stuk beweerde dat het eigenlijk Hendrik-Ido-Oostendam-Schildmanskinderen-Groot-en-Klein-Sandelingen-Ambacht had moeten heten. Daar zie ik op rotondes beelden die niet tot het Beeldenpark behoren, maar eigenlijk nog wel leuker zijn. Er was er nog een met voorwereldlijke dieren, meen ik me te herinneren. Ik zag het niet goed, want was net de zoveelste regenbui uit mijn ogen aan het wrijven.





Wat ik me nu wel zit af te vragen: mag je wel fotograferen als je op een fiets zit, of een plattegrond-app raadplegen? Ja, ik sta er altijd wel voor stil op een plek dat ik het verkeer niet hinder.  Ik zet dan de voeten op de grond, maar niet de fiets op de standaard; ik blijf op het zadel zitten. Appen tijdens de rit mag sinds kort  niet meer, terecht, maar wat ik doe? Er is vast nog geen jurisprudentie over. Als ik een boete krijg, huur ik een roedel advocaten in en laat ik het vóórkomen; wees daarvan verzekerd!

 

Alblasserdam en Kinderdijk

In Alblasserdam, zo’n 6 km ten noorden van Zwijndrecht, heeft Beeldenpark Drechtoevers slechts 6 beelden bijgedragen aan het dorpsgezicht. Ze staan verspreid over het dorpshart, en ik kan er maar 5 vinden. De fraaiste vind ik die twee bij de aanlegsteiger van de Waterbus Rotterdam – Dordrecht. Het beeld ‘Cyclus’ doet tevens dienst als klimrek.

Op de rivier zie en hoor ik vanmiddag veel stoere mannen bravoure-varen met knetterende speedbootjes. Die gaan veel harder dan de Waterbus , die een maximum snelheid opgelegd kreeg van 40 km/uur.


Marcel van Zijp, ‘Blue Heavens Boogie’


Henk van Bennekum, ‘Cyclus’

 
De zon is er zowaar doorgekomen. Ik kon nog wel even een omweg inlassen via Kinderdijk, dat is nog maar luttele kilometers. De vorige keer dat ik daar was, liepen er behalve mijn persoon alleen maar 3 verkleumde Japanners langs de molens, aan ons gure klimaat te wennen. Maar hun winterreis leverde wel een prachtig fotomoment op met grondmist.

Nu is het toeristenseizoen op gang gekomen, is de bezoekersmolen open, heeft de rondvaartboot de trossen losgegooid en heerst er een gezellige drukte op het geasfalteerde pad langs de wereldberoemde molens. Maar alleen op de eerste 750 meter vanaf de bushalte en de parkeerplaats.

De polderboezems lopen nog een paar kilometer door, verder naar het zuiden. Ik heb het gebied daarnet doorfietst; ik kwam Kinderdijk als het ware binnen door de achterdeur. Er heerste daar diepe rust, niet verstoord door enkele mannen die in alle stilte zaten te hengelen.




 

Papendrecht en terug

 

Lucien den Arend, ‘2.2.3D.2’- Joost Barbiers, ‘Echo’- Catharina van de Ven, ’Ava 1840’- Caius Spronken, ‘Engel op zuilengalerij'

 

Joep Struijk, ‘Drie generaties’

Papendrecht heeft de grootste collectie Drechtoever-beelden, een stuk of 40. De beeldengalerij is 1400 meter lang. Hij begint aan de oever van de Noord, pal tegenover de beelden van Zwijndrecht, en hij eindigt langs de Beneden Merwede, in de buurt van de Waterbushalte.

Wat ik, als regelmatig bezoeker van schilderijententoonstellingen, uit het oog dreig te verliezen: beelden, daar kun je omheen lopen, in tegenstelling tot schilderwerken. Als je dat dan doet, zie je ze uit een andere hoek en tegen een andere achtergrond. De site Beeldenpark Drechtoevers, waar ze allemaal op afgebeeld staan, werpt een verrassend nieuw licht op heel veel beelden.

Maar Joep Struijks ‘Drie generaties’ moet je echt zien met dat appartementencomplex op de achtergrond, vind ik. Een beeld met trappen en verdiepingen voor een gebouw met trappen en verdiepingen; ik durf te wedden dat Joep Struijk het zo bedoeld heeft.


Over schilders gesproken: ooit stonden ze op deze plek schouder aan schouder Dordrecht te schilderen, met de rug toegekeerd naar Zwijndrecht, waar inderdaad niet zo gek veel te zien is. Een paar van hun meesterwerken staan ook afgebeeld langs deze kade, met een mooi lijstje om de werkelijkheid van heden heen.

Ik ben nu hemelsbreed slechts 2 km verwijderd van station Dordrecht, maar gerekend over de weg toch nog 7 km. Uit het zuidwesten nadert opnieuw een schuit vol zure appelen. Ik pak de Waterbus daarom maar; snel die allerlaatste fiets terugbrengen naar de stalling!

Frans Mensonides
26 juni 2019
Er geweest: zaterdag 15 juni 2019



Naar Assen, met sprezzatura





Het vernieuwde station Assen


‘SPREZZATURA, tentoonstelling’, zag ik een paar weken geleden met grote letters op een affiche staan. En ik besloot meteen, erheen te gaan, waar en wat het ook was. Het betrof een tentoonstelling in het Drents Museum in Assen van Italiaanse schilderkunst uit de periode 1860-1910.

Sprezzatura, dat is: schijnbare achteloosheid, een moeilijk kunstje makkelijk laten lijken, virtuositeit, flair. Ik betrapte het woord aan de bron in ‘De hoveling’ van Baldassare Castiglione uit 1507; Castiglione heeft het woord uitgevonden. Volgens hem was sprezzatura iets wat elke hoveling moest bezitten. In latere eeuwen werd het begrip vaker gebruikt voor kunstenaars. 

Ik naar Assen. Mijn laatste bezoek aan Drentes hoofdstad (helemaal aan het eind van het gelinkte stukje) is al weer een poosje geleden. Het station en de stationsomgeving verkeerden toen in een verbouwings- en uitbreidingsoperatie. De reizigers moesten het station verlaten via een steile, houten horror-trap.

Die verbouwing is nu klaar. Het station kreeg er een extra perron bij en een derde spoor. Op het middelste spoor van de drie stoppen in de spits de sprinters Groningen – Assen. De perrons zijn voorzien van modern zitmeubilair en de hal is fraai afgewerkt met hout. Horeca is er nu ook te over in de stationsomgeving, waar een reusachtig beeld van een hond, gehouwen met sprezzatura, alle aandacht trekt.

Hi, ha, honden…

De tentoonstelling Sprezzatura heeft een bijzondere periode uit de Italiaanse geschiedenis tot onderwerp. Een eeuw of 14, 15 tevoren was het Romeinse rijk ten onder gegaan door invallen van de Hunnen, de Vandalen en nog zo een paar groeperingen. Italië was verbrokkeld tot een lappendeken van stadsstaten, rijken en rijkjes. Al die staatjes hadden eigen leiders, eigen wetten, eigen munten, een eigen douane.

Een drama voor reizigers, die steen en been klaagden. Voordat zij Rome bereikt hadden, hadden ze een stuk of 6 douanecontroles achter de rug. Het vrat tijd, en overal de portemonnee trekken, natuurlijk.

Tot 1861, toen heel Italië onder leiding van mannen als Garibaldi en Cavour aaneengesmeed werd. Dat verliep niet zonder wapengekletter. Heel Italië, zei ik? Nee, het Vaticaan, dat toen Rome en zeer wijde omstreken omvatte, bleef weerstand bieden. Frankrijk schoot de vorst, de paus, telkens te hulp. Pas in 1871 werd Rome ingelijfd bij de nieuwe Italiaanse staat.

Dat alles had grote invloed op de schilderkunst. Onderwerpen te over! De strijd om de eenwording, het nieuwe elan in een nieuw land, maar ook de politieke twisten en armoede die niet uitgeroeid kon worden. Sommige schilders vluchtten naar het noorden; Parijs en Amsterdam waren populaire bestemmingen. Anderen vluchtten uit de werkelijkheid in mystiek, dromen en symbolen. Maar hun schilderijen kunnen deze realist niet bekoren; ze komen niet in de tentoonstellings-top-5.

Wat komt er dan wel in? Het is deze keer een tentoonstellings-top-7, trouwens. En het Drents Museum komt in zijn geheel wel in mijn museum-top-7 van NL. Je gaat er graag voor naar Assen. Ze hebben er altijd van die aparte tentoonstellingen: in ´14 mummies, en in ´15 die wonderlijke Glasgow Boys, de schilders die uit hun Schotse landschappen de heuvels weglieten om het meer op Nederlandse landschappen te laten lijken.

Hier is mijn favorietenlijstje van ´Sprezzatura´, in de volgorde van de tentoonstelling.

 

Onorato Carlandi, ‘Aftocht bij Mentana’, 1872
Alles op dit schilderij ademt verslagenheid. De soldaten van Garibaldi, waarvan sommigen gewond, blazen de aftocht na in 1867 verslagen te zijn door troepen van de paus. Die echter niet aan het langste eind zal trekken; 4 jaar later is het toch gedaan met zijn wereldlijke heerschappij.

 


Allessandro Milesi, ‘Het ontbijt van de gondelier’, 1892
Een rustig tafereeltje uit een tijd toen Venetië nog niet zo overspoeld werd met toeristen als tegenwoordig; Amsterdam schijnt er verre bij in het niet te zinken

 


Giuseppe Camerana, ‘De molen van Leiden’, 1883 (soort vakantiekiekje, als het ware)
Die molen, die komt me ineens in een flits bekend voor. Dat mag ook wel, want het is molen De Valk in Leiden, waar ik al een keer of 12.345 langsgekomen moet zijn in mijn leven. Hij is niet ingrijpend veranderd sinds 23 augustus 1883, toen Camerana hem portretteerde.

De schilder stond zo te zien op de Stationsweg op de brug over de singel. Daar staan tegenwoordig toeristen, vooral uit Azië, en een enkele verdwaalde Leidenaar die molen vast te leggen met de digitale camera. Wat Camerana vast niet wist en die Aziaten evenmin: hij bevond zich op een steenworp afstand van het aterlier van de portretfotograaf I.D. Kiek.  Die heeft buiten zijn wil de Nederlandse taal verrijkt met het woord ‘kiekje’ voor een snapshot.

 

Antonio Mancini, ‘Zelfportret van de gek’, 18??
Ja mensen, kijk me maar eens goed aan; ik ben echt helemaal koekoek! Dat lijkt Mancini de toeschouwer mee te willen geven. De schilder heeft met Vincent van Gogh gemeen dat hij enige tijd moest doorbrengen in een psychiatrische inrichting. Met veel zelfspot schilderde hij daar een cyclus van selfies waarin hij zich afbeeldt met heel vreemde hoofddeksels.

Mancini werd ondersteund door Hendrik Mesdag - bekend van het Panorama in Scheveningen - die veel werken van hem aankocht. Mancini zou zijn Nederlandse mecenas echter nooit in levenden lijve ontmoeten.

 



Federico Zandomeneghi, ‘Impressies van Rome’, 1872, met een detail.
De rauwe werkelijkheid in het Italië van na de eenwording, waar armoede en zelfs honger heersten. Bij een klooster in Rome is zojuist voedsel uitgedeeld aan de armen. Navrante portretten van de paupers die afhankelijk zijn van goede gaven.

 


Emilio Longoni ‘Overpeinzingen van een uitgehongerde’, 1894
Een schamel geklede arme sloeber kijkt hongerig naar binnen bij een bekend Milanees driesterrenrestaurant, waar een rijke jongeman en dito jongedame uitgebreid zitten te smikkelen. Dit schilderij is bijna té erg, zo wrang. Dat vonden de autoriteiten ook. Het stond in 1894 afgebeeld in het socialistische tijdschrift ‘Lotta di classe’ (Klassenstrijd), als illustratie bij een artikel over de gapende kloof tussen arm en rijk. Longoni kreeg gedonder met de censuur; de volledige oplage van het tijdschrift werd in beslag genomen.

 

Plinio Nomellini, ‘Leren lezen’, 1906
Een on-Italiaans blond jongetje (of meisje, de begeleidende tekst laat het ook in het midden en spreekt van een ‘kind’) ontvangt op heel jonge leeftijd zijn eerste leesles van zijn moeder, in een idyllisch decor. Lezen, je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen, zeker niet bij voorlijke, leergierige kindertjes. Soms weet je niet, als bezoeker, waarom dat ene schilderij je ineens zo raakt…

 Ik ga op het grote plein bij het museum een Italiaanse bol ‘Sprezzatura’ eten op een terras, maar niet voordat ik gemeld heb dat de gelijknamige tentoonstelling nog te zien is tot / met zondag 3 november 2019.  

 

Ik rolde naar Rolde




Ik maak de middag vol met een bescheiden fietstocht op de OV-fiets: Assen – Deurze – Rolde – Balloo – Loon – Assen. ‘Bescheiden’, dat bijvoeglijk naamwoord is ook wel van toepassing op Assen zelf. Al na een kilometer fietsen vanaf het station houdt de stad plotseling op. Ik beland in een landschap met een aangename afwisseling van bossen, bosjes en weilanden. Voor’steden’ van Assen, zoals Deurze en Loon, zijn vlekjes op de kaart. Je vindt er stoere, wat plompe hoeven.




Rolde is zowel een brink- als een esdorp. De Grote Brink is een wijde grasvlakte waar herders iedere morgen het vee verzamelden om het naar gras- en heidevelden te drijven. Zo’n brink is tegenwoordig een oase van groen midden in het dorp. Hij deed ook dienst als markt en dorpsplein, en er zal heel wat afgepraat zijn.

Een es was een gemeenschappelijke akker op een mals plekje even buiten het dorp. De es van Rolde telt twee hunebedden. Na het hunebed van Borger, het grootste van Nederland, zijn die van Rolde het meest in trek bij toeristen. Ik maak hier de foto die iedereen hier maakt, met beide megalieten op één plaatje.

Beide zijn een dikke 5000 jaar oud. De een zit nog aardig strak in de lak, maar de andere lijkt wat slordig opgestapeld door onze verre voorvaderen. Maar schijn bedriegt. Die nette is in de 19e eeuw een keer gerestaureerd door een archeologische onderzoeker. En die rommelige zag er in 3000 v.Chr. misschien wel net zo gelikt uit.

Maar de Drenten zijn in de loop der eeuwen niet altijd even zorgvuldig omgegaan met dit erfgoed. Hunebedstenen werden wel aan stukken gehakt om bouwmateriaal te leveren voor kerken. En de onderzoekers gingen vaak behoorlijk slordig te werk. De laatste 400 jaar hebben de hunebedden meer te lijden gehad dan de bijna 5000 jaar daarvoor.

Hunebedden en hun scheppers vormen les 1 in de Canon van Nederland, die de afgelopen maand weer aanleiding was voor hevige discussies. De Canon moet herzien worden. Er is meer aandacht nodig voor de schaduwkanten van de geschiedenis. Maar daar ontbreekt het nu ook al niet aan, zou ik zeggen: Floris V vermoord, 80 jaar oorlog met Spanje, slavernij, kolonialisme, WO I, WO II, de holocaust, Srebrenica; ik doe maar een chronologische greep.

Wat bedoelen ze dan met schaduwkanten? Ja, bij de hunebedden is dat wel duidelijk. Die enorme keien werpen ook een hoop schaduw, vanzelfsprekend. Venster 1 hebben we daarmee afgetikt, nog 49 te gaan. Zo akkeren ze ze allemaal door.

En dat gebeurt dan door een commissie van wijze (mannen, schreef ik bijna) mensen die onder leiding staat van een Amerikaanse professor in de Nederlandse geschiedenis, want zelf zijn we echt niet tot zo’n operatie in staat. Ik weet niet wat ik ervan moet denken, en zie het resultaat met interesse tegemoet. Eén ding is zeker: geschiedenisles zegt altijd meer over het heden dan over het verleden.

Met een boog keer ik terug naar Assen. In het noorden, op de Martin Luther Kingweg bij een sportcomplex, is een busstation waar op het hele en halve uur diverse stads- en streeklijnen aansluiting op elkaar geven. Daar ik net om vijf over half kom, kan ik geen enkele bus fotograferen.

Dit is nou denk ik een voorbeeld van zo’n ‘hub’ aan de rand van de stad, waarover dat rapport Deltaplan Mobiliteit 2030 spreekt, waarover ik het hierboven had. Lansingerland is nog een beter voorbeeld van zo’n hub.

Hub, Holland, hub, laat de reiziger niet in zijn hempie staan! Ik ben nou ongeveer halverwege in dat rapport, dat ik zou gaan lezen (zie hierboven). En ik werd niet teleurgesteld in de verwachtingen die ik daar uitsprak over de clichés die ik zou ontmoeten; mijn bullshit-bingokaart was na een paar pagina’s al vol.

Innovatie vergat ik nog, dat is hét toverwoord in het stuk. Maar tot dusverre ben ik nog weinig vernieuwends tegengekomen. Hubs bestaan dus ook al lang.

Assen maakt zich, met kermis en al, op voor de TT-races van volgende week. Ik ga de fiets terugbrengen, en rijd eerst zwierig onder die Cerberus door, die niet bijt en niet blaft.

Frans Mensonides
7 juli 2019
Er geweest: zaterdag 22 juni 2019



Met dit Drentse hoofdstuk komt er voorlopig een einde aan de rubriek Beminde Zaterdag. De komende maanden gaan we op de internationale toer. In de eerste plaats: mijn vakantie in Engeland. Verder worden er in juli in Duitsland, dicht bij de Nederlandse grens, 3 stations heropend: Elten, Nordhorn en Neuenhaus. En Brussel-Noord krijgt in de nazomer een ‘trambus’, wat wel een voorbeeld zal zijn van wat ik noem: ‘De triomf van het rubber over het staal’.

Ook in Nederland  voldoende te beleven. Als de voortekenen niet bedriegen, gaan binnen afzienbare tijd eindelijk de Uithoflijn en de Hoekse Lijn rijden.

En pas als dat allemaal behandeld is, keert Beminde Zaterdag terug!

FM


© Frans Mensonides, Leiden, 2019