Uyt d'oude modem (34)
Leiden - Utrecht op het tweede gezicht (2003)


De oude modem waarmee deze website t/m 2003 werd gepload

‘Klinnggg! piep-piep-piep-piep-piep-piep-piep-piep-piep-piep… kchchchchcttttt …
kchchchchcttttt  … kchchchchcttttt … … iiiioiiingggg … iiiioiiingggg … iiiioiiingggg …
tdeldel .. kcht-kcht-kcht’. Zo ging het ongeveer, toch? 

Dit is een aflevering in de reeks: ‘Uyt d’oude modem’, met stukjes uit de tijd dat mijn site nog gepload en meestal ook bekeken werd via de telefoonkabel, met tussenkomst van een modem. Aan de onderkant van deze pagina een overzicht van alle eerder verschenen afleveringen van ‘Uyt d’oude modem’. 

Op maandag 13 december 2021 ging een lang gekoesterde wens in vervulling voor reizigers op de spoorlijn Leiden Centraal – Utrecht Centraal: kwartierdienst in de brede spits (ca. 06:00-10:00 en 15:00-19:00 uur). Daar hebben we toch dik 40 jaar op moeten wachten.

Maar wat ik een beetje vergeten was, totdat ik ging spitten in mijn eigen archieven: in de jaren 00 hebben er in de ‘smalle spits’ ook een poosje wat extra treinen gereden bovenop de reguliere halfuurdienst. In de ochtendspits waren dat enkele extra stoptreinen Leiden – Utrecht. Met ingang van de dienstregeling 2003 kwamen er bovendien in de late middag 3 sneltreinen Utrecht – Leiden bij, die niet stopten tussen Utrecht en Alphen aan den Rijn.

In de jaren rond de eeuwwisseling reisde ik zon keer of 4 per week naar Utrecht voor werk en studie. Maar op een winterdag in 2003 ging ik er louter heen, met tussenstops in Bodegraven en Vleuten, om op de terugweg die nieuwe sneltrein te kunnen nemen. Ik verklaarde, zonder het bijgehouden te hebben,  dat die rit precies de 1000ste was die ik op dat traject had afgelegd.

Daar zijn er in de 19 jaar die sindsdien zijn verstreken, zeker geen 1000 meer bijgekomen, maar hoogstens de helft. Die louche werkgever, die actief was in het Utrechtse, heb  ik in 2005 verlaten omdat hij bijna op de fles was. En in 2007 ben ik afgestudeerd aan de Universiteit Utrecht, omdat je niet eeuwig student kunt blijven. Daarna nog slechts incidentele pretritjes op dat traject, meestal ergens naar op weg voor deze site. Mijn waardering voor de lijn is wel toegenomen door het minder frequente gebruik ervan.

Mocht corona ons ooit nog verlaten, dan hoop ik die brede-spitstreinen een keer te kunnen nemen. Nu als opwarmertje alvast dit oude verhaal uit 2003, met een paar recente foto’s en een paar uit mijn omvangrijke beeldarchief.

Er is op de spoorlijn Leiden – Utrecht best veel veranderd in 19 jaar tijd. Tussen Vleuten en Utrecht is de spoorbaan omhoog gebracht en is het aantal sporen uitgebreid van 2 naar 4. Plan-V- en -T-treinen maakten plaats voor dubbeldekkers, Koplopers en sinds kort SLT’s. Exploitatie per tram van het trajectgedeelte Leiden Lammenschans – Alphen ging gelukkig niet door. Op de zijlijn Alphen – Gouda reed indertijd een proeftrammetje, maar nu gelukkig al lang weer een echte trein. Station Vleuten werd verplaatst en tussen Vleuten en Utrecht Centraal kwamen er twee stations bij: Utrecht Terwijde en Utrecht Leidsche Rijn.

Er is ook n ding niet veranderd. Tussen Leiden en Woerden is de lijn nog steeds grotendeels enkelsporig. Ik kom er binnenkort op terug. Maar eerst het stuk uit 2003.

30/01/2022

Tussen Leiden Centraal en Leiden Lammenschans
Archief De digitale reiziger, 2020

Toren

Wat te doen als je op een zonnige dag tijdens een koudegolf nog een paar uurtjes vrije tijd over hebt in een drukke week; niet eens meer een hele middag? Heb ik nog wensen meegenomen uit 2002, die binnen dat tijdsbestek vervuld kunnen worden? Ja, een heel lang gekoesterde, de volgende. In Vleuten staat ruim een kilometer ten westen van het station, op het punt waar de stoptrein naar Utrecht net begint af te remmen, een opvallend bouwsel langs de spoorbaan: een middeleeuwse uitkijktoren, lijkt het. Het is zeker 20 meter hoog, en heeft een grappig puntdakje. Er heeft een kasteel of landhuis aan vast gezeten. Dat is gesloopt, maar spookt nog wat na: je ziet de afdruk van de gevel nog in het grijsgele steen van het torentje.

Wie, wat, waar, wanneer? Waarom zo hoog, in een polder waar je de vijand toch al van verre ziet aankomen? Ik heb het me vaak afgevraagd als ik dit punt passeerde, en dat moet al zo’n 998 keer gebeurd zijn. Er zal toch wel een VVV-bordje aan die toren hangen, met een duidelijke uitleg? Dat ga ik vanmiddag bekijken.

Leiden-Utrecht, het Rijnboemeltje. Het slingerende traject met zijn hotsebotsende treinen, dat de kronkels van de Oude Rijn op de voet volgt; in 1963, het jaar van onze verhuizing naar Leiden, zal ik het voor het eerst afgelegd hebben. Er reden toen van die groene treinen met spitse neuzen; in uurdienst. Ze kruisten elkaar in Bodegraven, waar achter het station de Eminent-orgelfabrieken nog overeind stonden.

Toen was een treinreis op dit lijntje nog een feestelijke gebeurtenis; meestal de opmaat voor een logeerpartij bij oom en tante. Maar na 400 ritten op dit niet al te boeiende poldertraject had ik het wel gezien. Ik was blij toen in 1993 de zuidtak van Amsterdam openging, zodat ik voor reizen naar het oosten en noorden van het land Utrecht voortaan kon mijden. Want die aansluiting daar, dat was ook zoiets. Op de terugweg moest je altijd 28 minuten wachten op de trein naar Leiden; waar je ook vandaan kwam.

Maar toen de eeuw tegen zijn einde liep, begon ik een studie aan de universiteit van Utrecht, en ik heb gedurende de afgelopen twee jaar van tijd tot tijd ook nog in die stad gewerkt. Voldoende om nog 600 Rijn-ritten aan mijn curriculum vitae toe te voegen, en om een grondige pesthekel te krijgen aan deze spoorlijn, waar de treinen altijd overvol zijn, de meesters nog meliger, en de conducteurs nog afweziger dan waar ook op het spoorwegnet, en je in de avonduren altijd vervoerd wordt in een mobiele zwijnenstal. De schoonmakers van Utrecht denken dat de trein in Leiden al gereinigd is, en andersom; dat moet wel de verklaring zijn voor dit laatste feit.

Vangbal

Ik ken elke centimeter van dit traject. Het eerste stuk, Leiden - Alphen heb ik op de Digitale reiziger al beschreven, in een  artikel uit januari 2001 over de Gouwelijn. Toch moet er, als ik goed oplet, nog iets nieuws te zien zijn. Ik heb de trein van 14.08 uit Leiden genomen, en noteer in mijn opschrijfboekje:

Metershoge gele tapkraan aan loods van v.d. Linden Installateurs; gedicht in Hindi (?) aan gevel huis Haagweg; bouwput en zandheuvel (komen huizen?? nazoeken!); landje met pluimig manshoog gras (is het gras?); 8 mobiele bouwketen van schildersbedrijf; abri vol wachtendendenden in kou op lijn 45 / 170; (Lammenschans); veldje van veldgym (softbal, verhaal van de vangbal); lage zon boven autoweg; witte molen met geeneens wieken (bewoond); schapen: vuilwitte vlekken in helderwit landschap; man in rode jas laat hond uit; cementfabrieken: omgekeerde raketten met punt naar beneden; verrot zijspoortje van industrieterrein; maansikkel boven Golden Tulip (v/h Toor); Lord of the Rings, The Two Towers; Jubelientje, de hit van Hagen en Hofman.

“Jubelientje” betreft reclame voor een kinderboek; zij is een vrolijk en lawaaierig meisje, vermoedelijk weer een ADHD-casus uit de school van Pietje Bell en Pippi Langkous.

 

Kanaalbrug en Kanaaltunnel
Archief De digitale reiziger, 2021

Dat veldje vereist enige toelichting. Daar hadden we altijd veldgym. Bij softbal werd ik steevast als laatste gekozen, en zetten ze me maar in het achterveld, waar ik stond te kijken en luisteren naar de treinen die over de kanaalbrug denderden. Ik droomde van verre reizen; “als ik maar eenmaal volwassen ben…”

Op een keer werd ik uit mijn gemijmer gewekt door kreten uit de verte, waarin ik mijn roepnaam meende te herkennen. Luttele seconden later schalde ook mijn geslachtsnaam over het veld, krakerig en vervormd vanuit de megafoon van de gymleraar. “Godverdomme, Mensonides, eikel; sta je daar te maffen, of zo? Je had een vangbal kunnen maken!”. Ja, verdraaid, nu hij het zei: een paar meter van me vandaan lag inderdaad zo’n witte, sponzig aanvoelende softbal in het gras. Die gooide ik maar terug. Ik maakte een vaag sorry-gebaar. Zelfs al had ik die bal zien naderen, dan had ik hem zonder twijfel door de vingers laten glippen. Die morgen ging ik ook nog twee keer uit op drie slag.

 

Bierfabriek

Spoorwegovergang Burgemeester Smeetsweg bij de Heineken in Zoeterwoude-Rijndijk
26 januari 2022


Voorbij het dorp Zoeterwoude-Rijndijk staan de Heineken-brouwerijen, waar ik ooit als uitzendkracht 151 gulden per week verdiende. Langer dan die week hield ik het er niet uit, en ik heb daarna nimmer meer een bierglas naar de lippen gebracht. Men had mij tewerkgesteld in de bottelarij, een akelige, grote fabriekshal, tot in alle hoeken en gaten gevuld met het geluid van myriaden tegen elkaar ketsende bierflessen. Het lawaai nam de vorm aan van een schelle fluittoon, zo niet een doordringende gil van protest namens de honderden mensen die in dit inferno hun boterham moesten verdienen.

Ik hield me onledig met taken als het stukgooien van afgekeurde bierflessen in glascontainers, het controleren of elke krat wel 24 flessen telde, en het nagaan of de biervaten die de hal verlieten, gevuld waren met gerstenat, dan wel abusievelijk met kokend loog. Ik stelde dat laatste vast door mijn hand ertegen te houden; een vat vol loog voelde warmer aan dan n vol "blondschuimend bier" (zoals Rob de Nijs toen zong). Een loogvat mocht niet naar de klanten, maakte een voorman me duidelijk - in telegramstijl, en met gebaren, want hij kwam nauwelijks uit boven het flessengedruis. Ik moest op een knop drukken, waarna het foutieve vat door een grote ijzeren voet van de lopende band werd geschopt en op een zijspoor werd gerangeerd.

Eerst scheen mijn werk me uiterst belangwekkend toe, tot ik in de loop van de week in de gaten kreeg, dat ik me alleen maar bezighield met double-checks. Alle controles werden in eerste aanleg verricht door moderne automatische apparatuur, die men mogelijk niet voor 100% vertrouwde.

Dank zij deze ene week kan ik nog altijd beweren, dat ik vroeger arbeider geweest ben. Alle linkse intellectuelen (en dat waren er wat in die tijd) lieten zich voorstaan op hun arbeidersverleden, terwijl er nu geen sterveling meer is die zich laat voorstaan op zijn verleden als linkse intellectueel.

 


In Alphen geeft de trein aansluiting (al hebben we die vandaag gemist) op het veenlijntje naar Gouda. Dit traject wordt vanaf maart 2003 het proefterrein voor de Rijn Gouwelijn. Hier zal gexperimenteerd worden met trams en treinen op n en hetzelfde traject. Het is gedoemd te mislukken, vrees ik, want het laten rijden van louter treinen op een spoorbaan geeft in dit land al voldoende problemen, op het moment. Maar we zullen zien, en het zo objectief mogelijk afkraken.

Het is rustig vanmiddag. Deze trein bestaat uit 6 bakken - het is altijd weer afwachten - en ik zit in het voorste, stille gedeelte. Ik deel een 16-persoons coupe met alleen een jonge vrouw die reist in het gezelschap van een cello.


Kloos reading

TWEEDE-GEZICHT

Het melancholisch Bodegraven gaapt
En ligt gelijk een graf ten bodem open:
En ‘k zie een blooden knaap al traagjes loopen.
Zijn ziel is niet meer en zijn lichaam slaapt.

Kijk, hoe hij van den vloer een strootje opraapt,
En tuurt naar ’t weęr, en telkens telt zijn knoopen,
Of hij voor een dubbeltje wat koek gaat koopen,
Terwijl hij, achter ’t handje zoetjes gaapt.

“Ach, Amsterdam”, zucht hij, dr is beschaving,
“Caves, Bodga, Beerebijt en Pschorr,
“Dr krijgt mijn jeugdig begeerend hart laving -

“Hier word ‘k van binnen zoo bedonderd dor;
“Hier, met het Bodegravensch tien-uurs-klokje,
“Hou, moet ik naar mijn bedje, zonder grogje…”

Willem Kloos

 

Bodegraven
Archief De digitale reiziger, 2020

 

tweelingboerderijen pal ondernaast viaduct van snelweg

Bodegraven, hier ben ik nog nooit geweest (dat is niet waar, wie diep graaft in de archieven van De digitale reiziger, ziet me hier in 1999 al eventjes rondlopen). Ik verlaat het station, loop in de richting van het stadje, en probeer het te zien zoals Kloos het ruim 100 jaar geleden ondergaan moet hebben toen hij het hierboven geciteerde gedicht schreef. Het scheve, verzakte pakhuis, ongetwijfeld kaas-, stond toen nog recht, en het Post- en Telegraafkantoor was er in die tijd vermoedelijk ook al. De oude winkelpandjes vind ik welhaast schilderachtig, maar in Kloos’ tijd waren ze nieuw en saai, en konden slechts verlangen wekken naar stads vertier.

Willem Kloos, de bekendste dichter van de stroming der tachtigers, heeft tijdens zijn leven (1859-1938) zo’n 5000 sonnetten geschreven, waarvan er een stuk of 25 vermeld staan in de radio twee top 2000 (als er van gedichten ooit zoiets zou zijn samengesteld). Daaronder zijn klassiekers als “Ik ween om bloemen in den knop gebroken”, “De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining”, en “Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten”. 99,5% van zijn overproductie echter, daar zijn de literatuurhistorici het wel over eens, bestaat uit de meest verschrikkelijke bagger. Dit Bodegravensch versje - er kan volgens mij geen twijfel over bestaan - behoort tot die meerderheid van mislukkingen, maar er zijn nog veel ergere (en leukere): dronkenmans-scheldkanonnades tegen kleine burgermensen en kunstbroeders die hem, Willem Kloos, niet begrepen.

De dichter had weinig zelfkritiek en bleef ook de prullen in zijn verzamelbundels opnemen. Bij mij gaat dat anders. Deze aflevering, die je nu leest, komt beslist niet in het jaaroverzicht, dat weet ik nu al. “Het tweede gezicht” is nummer LXXX uit Kloos’ Verzen; in de loop van die bundel zie je hem langzaam afglijden.

De houdbaarheid van “Tachtig” verstreek zodra het decennium van die naam ten einde was. Velen van Kloos’ bentgenoten transformeerden zich tot Negentigers, en gingen hun inspiratie putten uit het morgenrood van het socialisme of ng hogere zaken. Kloos deed dat in toenemende mate uit de drankfles; het klinkt ook in het geciteerde sonnet door.

In een winkelstraatje zie ik weer zo’n buitenmodel tapkraan, koperkleurig deze keer, aan de gevel van een DHZ-zaak. “BRAND!”, roept een vrouw, die me ziet staan kijken. Verbaasd kijk ik haar aan. “Het ruikt hier naar brand”, verklaart ze. Ademwolken waaien uit haar mond, als stond ze zelf in lichterlaaie. Ik ruik niets, zie ook nergens rook en vlammen, maar knik begrijpend. In het ernstigste geval kunnen we altijd nog die kraan opendraaien.

Peinzend staar ik in de etalage van een beddenwinkel. Ze hebben er alleen tweepersoons; hoe moet dat nou als je niet de verwachting koestert dat je je slaapplaats ooit zult delen met een ander? De zaag hanteren?

Hemeltergend lullig is het moderne marktplein, waar je pleinvrees krijgt op dagen dat er geen markt is. Een rijtje winkels, waaronder een Trekpleister en een HEMA zonder koffie, en het gemeentehuis, een slome steenkolos. Het is hier extra koud. Ik keer terug naar het station; een halfuur Bodegraven is wel genoeg, vond ik ook in 1999 al.

Over  Bodegraven moet je niet te min denken. Sedert de oorlog maakte het een voorzichtige doch gestadige groei door naar 20.000 inwoners. Het staat bovendien nu al twee jaar op n in de top-100 van Zakensteden, een ranglijst samengesteld naar arbitraire criteria als winst(groei), soliditeit[?] en betaalgedrag van de daar gevestigde bedrijven.


Schans

Een paar minuten na vertrek uit dit oord zie ik links een wat grimmig ogende beboomde terp, zo lijkt het. Het is de Wiericker Schans, een 17e eeuw vestingwerk, deel uitmakend van de Oude Hollandse waterlinie. De schans is na WO II nog een poosje gebruikt als opslagplaats van zware munitie; een feit waarvan de bewoners van de omringende boerderijen in zalige onwetendheid werden gehouden. Dat het complex nooit de lucht in is gevlogen, is vermoedelijk meer geluk dan wijsheid.

Ik schrijf verder: bevroren voren in akkerland; sprietboompjes tegen winterluchten, (stat. Woerden), sporthal die lijkt op soortement vliegveldhangar; eenzaam huisje in oud gemaal in de polder, bijna ingehaald door de stad; bovenleidingmasten spinnen met lange maaiarmen dunne ragdraden tegen het bevroren zwerk [doorgehaald].

 

De sporthal die lijkt op soortement vliegveldhangar bleek later, van dichtbij bekeken, een waterzuiveringsinstallatie.
Archief De digitale reiziger, 2005

Het had weinig gescheeld, of ik had dit ritje helemaal niet kunnen maken; geen 1000 keer, geen n keer; nooit. In de 19e eeuw is twintig jaar lang geredetwist over de aanleg van de ongeveer 35 kilometer lange spoorverbinding Leiden - Woerden, toen een niet al te belangrijke ontbrekende schakel in een nationaal spoorwegnet dat al aardig gestalte begon te krijgen. De dorpen en stadjes langs de Rijn waren van geringe betekenis, en voor een ritje Leiden - Utrecht kon je, volgens de gangbare mening der autoriteiten, ook wel via Den Haag reizen. Dat was wel een wat gecompliceerde tocht, met twee verschillende spoorwegmaatschappijen, en met in Den Haag een wandeling van 20 minuten van Staatsspoor naar Hollands Spoor.

In 1878 werd het traject Leiden - Woerden alsnog geopend, en daarmee de lijn Leiden - Utrecht. Het bleef door de jaren heen een stiefkindje. Pas ver na de oorlog werd het gelektrificeerd; aan een volledig dubbelsporige uitvoering is vaak lippendienst bewezen, maar die is nooit verder gekomen dan het rechterrijtje van de prioriteitenlijst.

Ergens in de jaren 60 werden de groensnuiten vervangen door het toen zeer moderne Plan-T en Plan-V materieel. De reistijd ging naar beneden, en naast de uurdienst met stoptreinen werd elk uur een sneltrein ingelegd die alleen stopte in Woerden en Alphen a/d Rijn. Later werd dit veranderd in twee stopdiensten per uur. Die hebben elkaar jarenlang gekruist in Alphen a/d Rijn, maar bij de ingrijpende wijziging van de NS-dienstregeling in 1998 kreeg Bodegraven zijn oude status van kruisingsstation weer terug.

Op dit ondergeschoven lijntje worden per werkdag naar mijn schatting 20.000 ŕ 25.000 passagiers vervoerd; goed dat het uiteindelijk toch is aangelegd!


Ham

Hamtoren
Archief De digitale reiziger, 2014

Vleuten, een plaats waar je nooit komt. Een lezer uit Haaglanden wil zelfs niet geloven, dat hier treinen stoppen; die uit Den Haag en Rotterdam rijden er allemaal aan voorbij.

Het dorpje dateert al uit Romeinse tijden, zoals zoveel oorden in deze streek, en heette toen Fletio. De oude kern ligt rondom een kerk waarvan de voorganger nog is gesticht door Willebrord. Op het kerkpleintje staan enkele zeer oude hoeven.

Voorbij de dorpskern neem ik een weg die naar een cht kasteel schijnt te voeren, De Haar te Haarzuilens. Het doel van mijn tocht echter, zie ik al uittorenen boven de boerderijen. Heerlijk, zo’n wandeling in de winterlucht! Och gut, al die trimmers en mooiweersporters, die de hele winter in de auto zitten, en pas in maart de wereld hun bleke binnenkleur weer tonen!

Ik passeer de Beddenplaneet, waar ze misschien wl eenpersoonsbedden op voorraad hebben, Kinderdagverblijf Pietje Bell, en sla een smalle weg in, in de richting van het torentje. In de restanten van het poortgebouw liggen haardblokken opgetast. Het aan de toren vastgebouwde lage huis is veel moderner, en lijkt bewoond. Het is helaas niet mogelijk, het complex te bezichtigen, of er zelfs maar omheen te lopen. Er loopt een spoorbaan achterlangs, maar dat was geen verrassing.

Het torentje is een donjon, een versterkte woning. Het telt circa 750 lentes, verheft zich niet minder dan 27 meter boven het polderland, en is met zes verdiepingen verreweg het hoogste donjon van Nederland. Het heeft ook een naam, en heet: de Hamtoren, genoemd naar de doodlopende rivierarm van de Oude Rijn waaraan het gelegen is. Wie het bezat, was de baas over de hele streek, en daarmee heerser over vast niet erg veel mensen. Inderdaad zat er vroeger een kasteel aan vast; dit is in de loop van de 18e eeuw in verval geraakt en uiteindelijk gesloopt.

Dit alles weet ik via Google. Een ANWB-bordje hangt er niet; wat dat betreft had ik me de reis wel kunnen besparen. Waarom deze toren zo buitensporig hoog is, staat op de site niet vermeld. Eerst was hij lager, maar een ridder heeft er een paar etages bovenop laten zetten. Hij wilde zeker per se de hoogste hebben; ook in de middeleeuwen had je van die mensen.

Op de terugweg naar het station loop ik door de straat die ik ook al 998 keer gezien moet hebben vanuit de trein. Het is de Professor Titus Brandsmalaan. In de avondspits horen de bewoners van de rijtjeshuizen 24 keer per uur de ruiten rammelen als gevolg van een passerende trein. Een levensgrote tuinkabouter werpt een olijke blik naar de spoorbaan.

Ik neem de trein van 16.15, een dubbeldekker, voor de variatie; het is tegenwoordig altijd weer een verrassing waarmee NS voor komt rijden.

Noodstation Utrecht Terwijde
Archief De digitale reiziger, 2005

 Tussen Vleuten en de snelweg genaamd A2 is de mega-wijk Leidsche Rijn in aanbouw. Ruim 2 kilometer ten oosten van station Vleuten heb ik de laatste maanden in sneltreinvaart een nieuw (nood)station zien verrijzen [nl. Utrecht Terwijde] , met een perron van stalen platen en een loopbrug. Het was net klaar voor 15 december 2002, en ik had verwacht dat er bij ingang van de nieuwe dienstregeling wel een trein zou stoppen - desnoods voor de bouwvakkers; veel huizen staan hier nog niet. Maar niets; dat zal pas gebeuren in december 2003. Zo langzamerhand word ik steeds nieuwsgieriger naar het Randstadspoor, met al die onvervulde beloften.

Een andere langverbeide wijziging is wel doorgevoerd op dit traject: extra treinen Utrecht - Leiden in de avondspits. ’s Morgens werd er tussen Leiden en Utrecht al kwartierdienst gereden. Maar rond de klok van vijven, als de hele meute terugkeert, was er niets extra’s en werden soms 400 mensen in een vierbak samengeperst. Sedert 15 december vertrekt er, op doordeweekse dagen buiten de schoolvakantieperioden, om 16.29, 16.59 en 17.29 van spoor 15 een extra trein naar Leiden. Een sneltrein, wel te verstaan; terwijl in de ochtendspits alle treinen overal stoppen. Een mangel aan logica waartegen je mij, als Leidenaar, niet hoort protesteren.

 

Woerden
Archief De digitale reiziger, 2016

Om 16.59 neem ik plaats in zo’n welkom extraatje. De trein zit nog niet half vol; het grote publiek heeft hem nog niet ontdekt, dat duurt vaak jren. Wat heerlijk, nu eens in zittende positie van Utrecht naar Leiden te kunnen reizen! Ik heb een bekertje warme chocolademelk gekocht, het beste wat je kunt drinken bij deze weersomstandigheden, kijk naar buiten waar ik in het afnemende licht dat noodstation weer zie, en voel me bijna behaaglijk. Dit is exact mijn 1000ste rit op dit traject, besluit ik, een waardig jubileum, in deze sneltrein. Ik zie het wonder zich voltrekken: Vleuten, Woerden en Bodegraven schieten in het schemerduister voorbij, zonder stoppen.

Ik ben blij dat ik geen streekkrant-journalist ben, door mijn chef op pad gestuurd om een artikel te schrijven over de nieuwe sneltrein Utrecht - Leiden. Dan had ik Kloos, Jubelientje, vangbal, de Jostiband, BRAND!, schans, die bedden, mijn doorgehaalde notities, dat torentje, die twee onwijze tapkranen, de chocomel, de tuinkabouter, et cetera, onvermeld moeten laten als zijnde irrelevant, en had ik nu de hele trein doorgemoeten om reizigers te interviewen. “De heer Poldervaart (43) uit Alphen is ook verrekte blij dat hij nu acht minuten eerder kan aanschuiven achter de piepertjes”. Eer je zo’n zin in de krant hebt kunnen schrijven, heb je al tien keer “rot op met je gezeik, slijmjurk!” gehoord van die vrolijke forenzen. En dan moet je als goed journalist ook nog iemand bij NS-Reizigers bellen, om te vragen waarom er zo weinig mensen van deze trein gebruik maken, en hoor je, na 20 keer doorverbonden te zijn, de reden die ik hierboven genoemd heb.

 

Station Alphen aan den Rijn
Archief De digitale reiziger, 2016

Leiden Lammenschans
Archief De digitale reiziger, 2021

Na slechts 22 minuten bereiken we station Alphen aan den Rijn. Het is donker nu; het notitieboekje kan dicht. Deze trein, hoewel sneltrein, stopt weer wat later gewoon op Lammenschans. Hier eindigt mijn jubileum-rit op deze lijn; met frisse tegenzin maak ik me op voor het tweede duizendtal.

Frans Mensonides
15 Januari 2003 (in de rubriek REFLEXXIONZZ!!, met wat knip- en plakwerk uit een nog ouder stukje)

 

Utrecht Centraal
Archief De digitale reiziger, 2021


Eerder verschenen in deze reeks:

Deel 0: Gecensureerd: aan het ziekbed van een wethouder (1998, 2001) - 15 jaar thuispagina
Deel 1: Nunc est bulborum; langs de Geestlijn (2003)
Deel 2: Opkomst en ondergang van Lovers Rail (1996-1998)
Deel 3: Twee (mis)managersportretten: Zich installeren (2002) en Wereld op Wielen (2000)
Deel 4: Spoorrampjaar 2001 
Deel 5: Het hoofdstuk Horeca: een paar eet- en drinkervaringen (1999, 2000)
Deel 6: Start van Syntus (1999)
Deel 7: Langs Lange Lijnen: Emmen - Groningen, met toegift in Beijum (1998)
Deel 8: Stadsdienst Alkmaar op de digitale snelweg (1997)
Deel 9: Bahn en Kerstmarkten in het Ruhrgebiet (1998, 1999)
Deel 10: The Lotus Man en andere ICT-treurnis (1999-2003)
Deel 11: Het aller, allerbeste uit Langs Lange Lijnen (voorjaar 1998)
Deel 12: Treinreizgerstypen (1998-2000)
Deel 13: Vier uit 'twee; verhalen uit REFLEXXIONZZ! (2002)
Deel 14: Lange Lijn langs de Lek (1998; met foto's uit 2013)
Deel 15: Mannen van 45 (2002)
Deel 16: Provinciaal triest: Stadsvervoer 4 provinciehoofdsteden (1999-2000)
Deel 17: Buffel-blues; oostelijke nevenlijnen (2001)
Deel 18: Lange lijnen langs d'oude Haarlemmermeerlijn (2000 - 2001)
Deel 19: Het volgen van sportevenementen / Mekkero (2003)
Deel 20: De informatie-oorlog; een toekomstvisioen (2000)
Deel 21: Eeuwprobleem (1998)
deel 22: 
Bussen in het oosten des lands (1998/2000)
deel ??:
Mijn eigen Zeestraat van Huygens (2002/2003)
deel 23: Het Bezzte uit REFLEXXIONZZ!! (2000)
deel 24: Foutje? Blanco erover! Stoptrein 's Hertogenbosch - Nijmegen (2003)
deel 25: Het meezzt fantazztizzche uit REFLEXXIONZZ!!

deel 26: Eeuwig vrijgezel, ofwel: de onbestaanbare 'nomo' (2003)
deel 27: Vier aparte typetjes uit REFLEXXIONZZ!!  (1999-2003)
deel 28: 'Ik hoop dat hij nog te eten is!' Verloedering van de stationsrestauratie (1998-2003)
deel 29: 'Solstitium' en nog 2 andere literair bedoelde apartjes (2002/3)
deel 30: Oant sjen, hete Friese 7-stedentocht (2003)
deel 31: Interliners (1996)
deel 32: Drie bijzondere stadsdiensten: Almere, Apeldoorn en Arnhem (1996)
deel 33: Touringcar, beltaxi, ‘Airbus’ en ringlijn: de winkeldochters van het Leidse stadsvervoer (2002/2003)





Frans Mensonides, Leiden, 2022